Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1465

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
16/05804
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:63, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv. Klager stelt eigenaar te zijn van personenauto en motorblokken waarop in strafzaak tegen een ander dan klager conservatoir beslag is gelegd. Falende middelen over door Rb gehanteerde maatstaf bij de vraag of klager als eigenaar moet worden aangemerkt en over schending van art. 6 EVRM en beginselen van behoorlijke procesorde doordat Rb klager niet in de gelegenheid heeft gesteld aan te tonen dat hij rechthebbende is. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05804 B

Zitting: 28 november 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. Bij beschikking van 23 november 2016 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, het door de klager op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 Procesverloop en bestreden beschikking

3.1.

Het onderhavige beklag heeft betrekking op conservatoir beslag dat in een strafzaak tegen een ander dan de klager is gelegd op een Audi RS3 Quattro en op twee motorblokken. De klager, die niet de beslagene is, stelt eigenaar te zijn van deze voorwerpen. Het op 21 april 2016 ingediende klaagschrift bevat voor deze stelling geen enkele onderbouwing.

3.2.

Het klaagschrift werd in raadkamer behandeld op 22 juni 2016. Een proces-verbaal van die behandeling ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, maar uit de naar aanleiding van de behandeling gegeven tussenbeschikking blijkt dat de advocaat van de klager aldaar de volgende twee bescheiden heeft overgelegd:

- een kopie van een brief aan klager van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit d.d. 28 januari 2016 omtrent een Quattro met het VIN [001];
- een kopie van een ‘certificat d’immatriculation’, uitgegeven door het Ministère de 1’Interieur van République Française, d.d. 1 februari 2012 ten name van [betrokkene 1], die is doorgehaald met de mededeling dat de daarop genoemde Quattro, kenteken [AA-00-BB], met het VIN [001] op 15 april 2014 en daarna op 24 april 2014 is verkocht.

Voorts verklaarde de advocaat dat de auto in Frankrijk is gekocht. Hij stelde daarbij dat het openbaar ministerie niet had onderbouwd dat de auto toebehoorde aan de verdachte. De officier van justitie stelde daar tegenover dat uit het opsporingsonderzoek naar voren kwam dat [betrokkene 2] (de verdachte tegen wie het strafrechtelijk onderzoek zich richtte) de eigenaar van de auto was. In haar tussenbeschikking constateerde de rechtbank dat het dossier waarover zij beschikte onvolledig was. Zij overwoog daarbij dat het openbaar ministerie op de nadere zitting diende te onderbouwen dat de inbeslaggenomen Audi en de motorblokken hoogst waarschijnlijk aan [betrokkene 2] toebehoren en dat de klager diende te onderbouwen waarom de inbeslaggenomen motorblokken van hem zijn.

3.3.

Nadat de behandeling nog twee keer om uiteenlopende redenen was aangehouden, werd de behandeling in raadkamer op 2 november 2016 voortgezet. De officier van justitie stelde eerst tijdens die behandeling enkele tot dan toe ontbrekende processtukken digitaal ter beschikking aan de rechtbank en de advocaat van de klager. Vanwege het late moment waarop de officier van justitie deze procestukken had ingebracht, meende de rechtbank dat de klager andermaal in de gelegenheid moest worden gesteld om aan te tonen dat hij rechthebbende is. De behandeling werd aangehouden tot 23 november 2016.

3.4.

Uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 23 november 2016 blijkt dat de klager was verschenen. Daaruit blijkt ook dat diens advocaat vóór de behandeling aan de zaaksofficier had gevraagd om een zekere [betrokkene 3] als getuige op te roepen, maar dat die oproeping als gevolg van een misverstand achterwege was gebleven. Het proces-verbaal houdt voorts het volgende in:

“De rechter deelt mee klager een aantal vragen te willen stellen ten aanzien van het beslag.

Klager antwoordt op deze vragen, zakelijk weergegeven, als volgt:

De inbeslaggenomen Audi stond in de garage die door [betrokkene 3] werd gerund. Daar zat geen kenteken op; het was een Franse auto. Ik had die auto een kleine maand voordat hij inbeslaggenomen werd. Ik heb geen aankoopbewijs van de auto. [betrokkene 3] is een goede vriend van mij; ik heb in goed vertrouwen de auto en de twee motorblokken van hem gekocht voor € 25.000,-. Die heb ik contant betaald en ik heb geen aankoopbewijs gevraagd. Ik kan u die dan ook niet overleggen.

De raadsman wijst in dit verband op de kopie van het Franse Certificat d’immatriculation ten aanzien van de Audi Quattro waarop het VIN wordt genoemd en een brief van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit aan cliënt waarin hetzelfde VIN wordt genoemd, waarin cliënt als belanghebbende wordt gezien.

De rechter stelt vast dat bedoelde kopie van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit een begeleidend schrijven betreft bij het retour gezonden “Engels document” met de mededeling dat het voertuig met dit VIN niet is te identificeren, maar dat er geen aankoopbewijs van het voertuig is overgelegd.

De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik verzoek vastlegging in het proces-verbaal van de zitting dat klager verklaart de Audi en de motorblokken voor € 25.000,- van [betrokkene 3] heeft gekocht en contant betaald. In het proces-verbaal van politie is een verklaring van [betrokkene 3] opgenomen, waarin staat verdachte [betrokkene 2] van zijn, [betrokkene 3]’, klantnummer gebruik heeft gemaakt om deze Audi in te voeren. Daar zou hij € 5.000,- voor krijgen, maar [betrokkene 3] heeft het geld nooit gezien. Hij is ook gevraagd te doen alsof hij de eigenaar van de auto was, maar dat heeft [betrokkene 3] niet gedaan. Het is zonneklaar dat er wordt geschoven met wie de eigenaar van de Audi is. De officier van justitie vraagt klager wat hij van deze weergave vindt.

Klager voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

Mijn naam is bekend bij de RDW en alleen ik mocht de papieren daar ophalen. Ik moest een week naar Servië en [betrokkene 2] heeft de zaken rond de auto waargenomen. Zo werd de auto onder hem inbeslaggenomen.

De raadsman deelt mee dat hij geen afstand doet van de getuige [betrokkene 3] en verzoekt voortzetting van de behandeling op een ander moment waarop hij wel kan worden gehoord. De verdediging wil [betrokkene 3] horen over de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd.

De officier van justitie verzet zich niet tegen het verzoek van de raadsman.

De rechter deelt mee dat een volgende behandeldatum afhankelijk is van de verhinderdata van de raadsman. De rechter onderbreekt de behandeling voor beraad. Na de onderbreking deelt de rechter als beslissing het volgende mee.

De rechter schorst de behandeling niet voor het horen van de getuige op een nadere zitting, mede omdat de beslagprocedure zich niet leent voor een uitgebreide behandeling in raadkamer en overigens de rechter vaststelt dat klager heden niet aannemelijk heeft kunnen maken de bezitter dan wel eigenaar van het beslag te zijn. Hij verklaart het te hebben gekocht voor een contant bedrag van € 25.000,- en kan hier geen enkel bewijsstuk van overleggen. Wat er ook verder door de verdediging wordt aangevoerd kan aan deze vaststelling niet afdoen.

De rechter acht zich voldoende voorgelicht en sluit de behandeling in raadkamer dan ook en doet onmiddellijk uitspraak, welke afzonderlijk is geminuteerd.

De raadsman stelt verbijsterd te zijn en maakt bezwaar tegen deze gang van zaken, omdat hij nog niets inhoudelijk naar voren heeft kunnen brengen.

De rechter deelt mee voldoende te zijn voorgelicht en dat de beslissing is genomen en de behandeling is gesloten.”

3.5.

De onmiddellijk uitgesproken beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

5. De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Maatstaf

Het beklag richt zich tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a Sv, tweede lid, Sv. De rechtbank dient te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Feiten en omstandigheden

Na inbeslagname heeft de rechter-commissaris op 1 februari 2016 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag op grond van artikel 94a, tweede lid, Sv op de hiervoor genoemde voorwerpen.

Overwegingen

Klager wenst de inbeslaggenomen voorwerpen terug te krijgen, omdat hij eigenaar is van de voorwerpen. In verband hiermee wenst hij ter staving daarvan een getuige gehoord te zien.

Gelet op het summiere karakter van onderhavige behandeling, het gegeven dat klager op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken rechten te hebben op de in beslag- genomen goederen, alsmede het feit dat er nog een nadere zitting volgt waarop de vordering ontneming inzake de veroordeelde [betrokkene 2] zal worden behandeld, is de rechter van oordeel dat het horen van deze getuige buiten het bestek van deze procedure valt. Gelet op het strafvorderlijk belang dat ten aanzien van het beslag is gebleken, zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard.”

4 Het eerste middel

4.1.

Het eerste middel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift de verkeerde maatstaf heeft aangelegd.

4.2.

Naar in de toelichting op het middel met juistheid wordt gesteld, dient de rechter in een geval als het onderhavige als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Die klacht is gegrond. De rechtbank heeft in haar beschikking onder het kopje “Maatstaf” een andere maatstaf vermeld en in overeenstemming daarmee het klaagschrift ongegrond verklaard vanwege “het strafvorderlijk belang dat ten aanzien van het beklag is gebleken”.

4.3.

Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden. In de – aan de afwijzing van het getuigenverzoek ten grondslag gelegde – vaststelling van de rechtbank dat “klager op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken rechten te hebben op de inbeslaggenomen goederen”, ligt als haar oordeel besloten dat niet buiten redelijke twijfel is dat de klager als de eigenaar van die goederen moet worden aangemerkt. Ik merk daarbij op dat de behandeling van het klaagschrift in raadkamer geheel gericht was op de vraag of de klager als de eigenaar van de auto en de motorblokken kon worden aangemerkt. Ik merk ook op dat hetgeen over die eigendom door en namens de klager naar voren is gebracht door de rechtbank in de bestreden beschikking is weergegeven en dat het oordeel van de rechtbank dat er in redelijkheid getwijfeld kan worden aan de eigendom van de klager in het licht daarvan geenszins onbegrijpelijk is.

4.4.

Het middel faalt daarom bij gebrek aan voldoende belang.

5 Het tweede middel

5.1.

Het tweede middel klaagt dat art. 6 EVRM en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden doordat de rechtbank de klager niet in de gelegenheid heeft gesteld om aan te tonen dat hij de rechthebbende is. Die klacht richt zich blijkens de daarop gegeven toelichting niet op de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 3] als getuige te horen, maar op de in de ogen van de steller van het middel abrupte en voortijdige sluiting van de behandeling, waardoor de advocaat van de klager geen gelegenheid is geboden om het standpunt van de klager toe te lichten.

5.2.

Over de klacht dat art. 6 EVRM is geschonden, zou ik kort willen zijn. In de toelichting op het middel geeft de steller ervan blijk te beseffen dat de Hoge Raad van oordeel is dat art. 6 EVRM in beginsel niet van toepassing is op een beklagprocedure als de onderhavige, maar hij stelt tevens dat dit in de onderhavige zaak anders is omdat daarin enkel de vraag naar de eigendomsverhoudingen aan de orde is. Dat laatste moge zo zijn, maar daarmee is niet gezegd dat sprake is van de vaststelling van rechten en verplichtingen van burgerlijke aard. De beklagrechter geeft slechts een voorlopig oordeel, gericht op de vraag of er reden is het conservatoir beslag op te heffen. Als de ontnemingsvordering waarvan in deze zaak sprake is, zou worden toegewezen en het conservatoir beslag zou overgaan in executoriaal beslag, kan de klager zich verzetten tegen het verhaal dat op zijn gepretendeerde eigendom wordt gehaald. Dan pas worden de eigendomsverhoudingen vastgesteld.

5.3.

Veel maakt dit overigens niet uit. Het beginsel van hoor en wederhoor is een beginsel van een behoorlijke procesorde, dat in een procedure als de onderhavige meebrengt dat de klager in de gelegenheid wordt gesteld zijn klacht te onderbouwen en toe te lichten. Bij de vraag of die gelegenheid in het concrete geval is geboden, moet de aard en het karakter van de beklagprocedure in ogenschouw worden genomen. In dat verband het volgende.

5.4.

De beklagprocedure heeft een summier en voorlopig karakter. Op de uitkomst van de hoofdzaak mag niet worden vooruitgelopen en, zou ik zeggen, evenmin op de uitkomst van een eventueel geding in de executoriale fase. Voor een grondig onderzoek naar de feiten is dan ook, mede gelet op de veelal vroege fase van het strafrechtelijk onderzoek, geen plaats. Dit beperkte karakter van de beklagprocedure komt, zegt de Hoge Raad, tot uitdrukking in de toetsingsmaatstaf (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Die toetsingsmaatstaf noopt in dit geval tot grote terughoudendheid: het beklag slaagt pas als buiten redelijke twijfel is dat de klager de eigenaar is. Daardoor is ook de ruimte die de klager moet worden geboden om zijn zaak naar voren te brengen, begrensd. Niet relevant is bijvoorbeeld, zoals de advocaat van de klager bij de behandeling van het klaagschrift op 22 juni 2016 aanvoerde, dat het openbaar ministerie niet heeft onderbouwd dat de auto aan de verdachte [betrokkene 2] toebehoorde. De klager moet in beginsel enkel de gelegenheid worden geboden om aan te tonen dat aan zijn eigendom in redelijkheid niet kan worden getwijfeld. En als dat inderdaad het geval is, moet dat in de regel ook op eenvoudige wijze zijn aan te tonen. Als geen overtuigende bewijsstukken kunnen worden overgelegd, betekent dat bijna per definitie dat er ruimte is voor redelijke twijfel.

5.5.

Van belang is ook dat de beklagprocedure plaatsvindt op initiatief van de klager. Van hem mag dan ook verwacht worden dat hij met een onderbouwde klacht komt, waarop het openbaar ministerie vervolgens kan reageren. De structuur van de procedure is dus een andere dan die van de berechting. De klager heeft niet het recht op het laatste woord (HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7282, NJ 2004/131). Van hem wordt juist het eerste woord verwacht.

5.6.

Wel nu, gelet op hetgeen zojuist is vooropgesteld, kan mijns inziens niet vol worden gehouden dat de klager niet de gelegenheid is geboden om aan te tonen dat buiten twijfel staat dat hij de eigenaar van de auto en motorblokken in kwestie is. Die gelegenheid had hij al bij de indiening van zijn klaagschrift (dat echter iedere onderbouwing miste) en bij de eerste behandeling van het klaagschrift op 22 juni 2016. Daarna heeft de rechtbank de klager tot twee keer toe in de gelegenheid gesteld om de klacht te onderbouwen door de behandeling van het klaagschrift mede met het oog daarop te heropenen en vervolgens aan te houden. Bij de laatste behandeling op 23 november 2016 bleek dat de klager geen bewijzen had van de beweerdelijke aankoop van de auto, hetgeen nog eens werd onderstreept door het verzoek dat zijn advocaat had gedaan om de verkoper ([betrokkene 3]) als getuige te horen. Dat verhoor was kennelijk nodig omdat de klager niet in staat was om op andere wijze aan te tonen dat de auto en de motorblokken van hem waren. Het middel mist dus in zoverre feitelijke grondslag.

5.7.

Daarmee is niet gezegd dat de wijze waarop de rechtbank de behandeling van het klaagschrift afrondde, de toets van de kritiek kan doorstaan. De verbijstering waarvan de advocaat van de klager gewag maakte, kan ik mij in elk geval goed voorstellen. Die verbijstering lijkt mij in de hand te zijn gewerkt door de wijze waarop de rechtbank de zaak behandelde. Zij heropende de behandeling in een tussenbeschikking die dezelfde onjuiste maatstaf vermeldde als de eindbeschikking en zij droeg daarbij het openbaar ministerie op om te onderbouwen dat de auto en de motorblokken aan de verdachte [betrokkene 2] toebehoorden. Daardoor zal de advocaat van de klager gestijfd zijn in zijn – bij de behandeling van het klaagschrift op 22 juni 2016 geopenbaarde – misvatting dat het slagen van het beklag mede afhing van de vraag of het openbaar ministerie kon aantonen dat de auto en de motorblokken aan [betrokkene 2] toebehoorden en dus niet enkel van de vraag of buiten redelijke twijfel stond dat de klager eigenaar van deze voorwerpen was. Anders gezegd: doordat de rechtbank de behandeling niet beperkte tot de kern van de zaak, valt te begrijpen dat de advocaat van de klager meende dat hij nog veel aan te voeren had wat ter zake deed. Zijn kennelijke verwachting dat hij daartoe na de onderbreking van de behandeling voor beraad nog de gelegenheid zou krijgen, valt dan ook eveneens te begrijpen, te meer daar dat beraad enkel betrekking leek te hebben op het gedane getuigenverzoek. Het had mijns inziens in de rede gelegen dat de rechtbank de advocaat van de klager na de hervatting van de behandeling de gelegenheid had gegeven om te reageren op haar – kennelijk beslissende – “vaststelling” dat de klager niet aannemelijk had kunnen maken dat de inbeslaggenomen goederen van hem waren.

5.8.

Dat dit niet is gebeurd, levert naar mijn mening echter niet een zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde op, dat de bestreden beschikking op grond daarvan vernietigd moet worden. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de klager de gelegenheid is onthouden “om aan de hand van de door de klager eerder ingebrachte stukken en aan de hand van het dossier zijn standpunt toe te lichten”. Het belang bij de klacht is dus niet hierin gelegen dat de klager de mogelijkheid is onthouden om tot dan toe door hem achtergehouden bewijsstukken in te brengen.1 Het belang dat de klager had bij het geven van een toelichting op zijn standpunt is daarbij uiterst beperkt als het gaat om de uitkomst van de zaak, nu niet valt in te zien hoe die toelichting er, gezien de informatie waarover de rechtbank beschikte, toe zou hebben kunnen leiden dat zich het geval voordeed dat buiten redelijke twijfel is dat de klager eigenaar is van de auto en de motorblokken. Bij vernietiging van de bestreden beschikking heeft de klager dus onvoldoende belang.

5.9.

Het middel faalt.

6. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Als dit anders was, rijst de vraag of het achterhouden en pas op het laatste moment inbrengen van bewijsstukken niet zelf strijdt met de beginselen van een goede procesorde. In elk geval mocht de rechtbank ervan uitgaan dat de klager al zijn kaarten op tafel had gelegd.