Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1463

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
16/02264
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:60, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde diefstal. 1. Betekening inleidende dagvaarding aan huisgenoot op het GBA-adres van verdachte (medewerker van op dat adres gevestigde daklozenloket). Heeft uitreiking plaatsgevonden op het juiste adres? 2. Te hanteren maatstaf wanneer bij last tot tul van eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen deze worden vervangen door taakstraffen. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02264

Zitting: 28 november 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 april 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van 118 uren subsidiair 59 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van twee eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk vier weken en twee weken en deze straffen vervangen door taakstraffen voor de duur van respectievelijk 120 uren met een subsidiaire straf van 28 dagen hechtenis en 60 uren met een subsidiaire straf van 14 dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om de inleidende dagvaarding nietig te verklaren, althans dat het zijn oordeel dat die inleidende dagvaarding geldig is betekend onvoldoende met redenen heeft omkleed.

  4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
    (i) Op 17 augustus 2014 heeft de verdachte bij de politie Den Haag een verklaring afgelegd naar aanleiding van een tegen hem op 5 juli 2014 gedane aangifte van diefstal door middel van inklimming. In het proces-verbaal verhoor verdachte staat als adres van de verdachte [a-straat 1] in ’s-Gravenhage vermeld.
    (ii) De inleidende dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in Den Haag van 2 december 2015 is op 22 oktober 2015 uitgereikt op het toenmalige GBA-adres1 van de verdachte, aan een ander op het vermelde adres, die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven. Op de aan deze dagvaarding gehechte akte van uitreiking staat als adres en plaats van handeling vermeld “[b-straat 1] ’s-Gravenhage”. De akte is door [betrokkene 1] voor ontvangst getekend.
    (iii) De aan de inleidende dagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 19 november 2015 houdt in dat de verdachte met ingang van 1 september 2015 stond ingeschreven in de GBA op het adres [b-straat 1a], [postcode] ’s-Gravenhage. Als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats staat vermeld [a-straat 1], [postcode] ’s-Gravenhage.
    (iv) Op 2 december 2015 heeft de politierechter van de rechtbank Den Haag de verdachte bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken en daarbij de tenuitvoerlegging gelast van twee eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen.
    (v) Namens de verdachte is op 16 december 2015 hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 december 2015. Dit vonnis en de appelakte vermelden als adres van de verdachte [b-straat 1a], [postcode] ’s-Gravenhage.
    (vi) Een akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Den Haag van 28 april 2016, vermeldt als adres van de verdachte [b-straat 1a] en houdt voorts in dat de appeldagvaarding op 2 maart 2016 op het adres [b-straat 1] ’s-Gravenhage is uitgereikt aan [betrokkene 1], die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.
    (vii) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 26 februari 2016 heeft dezelfde inhoud als hiervoor onder (iii) vermeld.
    (viii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 april 2016 blijkt dat de verdachte op die terechtzitting is verschenen en dat tevens zijn raadsman mr. A.P. Visser aanwezig was. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt als adres van de verdachte “[b-straat 1a] te [postcode] Den Haag”.
    (ix) Bij arrest van 28 april 2016 heeft het hof de verdachte wegens – kort gezegd - diefstal met inklimming veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van 118 uren subsidiair 59 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd in een tweetal vonnissen van de politierechter te ’s-Gravenhage. Ook het arrest van het hof vermeldt als adres van de verdachte “[b-straat 1a] te [postcode] Den Haag”.
    (x) De cassatie-akte vermeldt als adres van de verdachte “[b-straat 1a] [postcode] ’s-Gravenhage”.
    (xi) De aanzegging in cassatie vermeldt als adres van de verdachte eveneens het hiervoor meermalen genoemde adres aan de [b-straat 1a]. Uit de akte van uitreiking van de aanzegging blijkt dat de aanzegging aan de [b-straat 1] is uitgereikt aan “[betrokkene 1] / medewerkster”, die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.

5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 april 2016 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd en daarbij, voor zover van belang, heeft aangevoerd:

“Over de dagvaarding in eerste aanleg wil ik opmerken dat mijn cliënt de mogelijkheid van rechtspleging in twee instanties is ontnomen, nu hij niet op de hoogte is geweest van de zitting in eerste aanleg. Ik verzoek u de door mijn cliënt overgelegde brieven aan het proces-verbaal van de zitting te hechten. De dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg is destijds uitgereikt aan een persoon die zich op dat moment op het adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan mijn cliënt te doen toekomen. Mijn cliënt heeft dat poststuk echter, buiten zijn schuld om, nooit ontvangen. In mijn visie is dan ook niet aan de eisen van de wet voldaan bij deze dagvaarding en is mijn cliënt een instantie onthouden. Ik verzoek u dan ook de inleidende dagvaarding nietig te verklaren en de zaak terug te verwijzen.”

6. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat de verdachte ter terechtzitting het volgende heeft verklaard:

“Ik ben mijn post kwijtgeraakt en daarom was ik te laat op de hoogte van de zittingsdatum in eerste aanleg. Ik ontving mijn post op een postadres en daar is de post kwijtgeraakt. Ik heb daar een klacht over ingediend, daar heb ik twee brieven van.”

7. Het arrest van het hof houdt, voor zover hier van belang, onder de aanhef “Geldigheid van de dagvaarding in eerste aanleg” (pag. 2) het volgende in:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de dagvaarding in eerste aanleg nietig moet worden verklaard en de zaak moet worden terugverwezen naar de rechter in eerste aanleg, nu de verdachte de dagvaarding buiten zijn schuld niet heeft ontvangen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De dagvaarding voor de zitting van 2 december 2015 is op 22 oktober 2015 uitgereikt op het toenmalige brp-adres van de verdachte aan een persoon die zich op het adres bevond waar de verdachte was ingeschreven, te weten [betrokkene 1], die zich blijkens de akte van uitreiking bereid heeft verklaard de dagvaarding onverwijld aan de geadresseerde, verdachte, te doen toekomen. Dat deze brief de verdachte kennelijk niet heeft bereikt doet niet af aan de geldigheid van de betekening. De betekening is dan ook op rechtsgeldige wijze geschied op de voet van artikel 588 lid 3 onder a Wetboek van Strafrecht zodat de zaak niet [zal] worden terugverwezen.”

8. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat de inleidende dagvaarding niet aan het adres waar de verdachte stond ingeschreven, is betekend. Op de inleidende dagvaarding stond immers het adres [b-straat 1a] te ’s-Gravenhage vermeld, terwijl de uitreiking heeft plaatsgevonden op [b-straat 1] te ’s-Gravenhage. Nu het hof niet heeft doen blijken van een nader onderzoek naar de inwisselbaarheid van beide nummers is het oordeel van het hof dat de dagvaarding is betekend op het toenmalige GBA-adres van de verdachte onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus het middel.

9. De klacht dat de inleidende dagvaarding niet op het juiste adres is uitgereikt, is niet als zodanig ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof voorgelegd. Om die reden heb ik mij allereerst afgevraagd of in dit concrete geval over de wijze van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg in cassatie met vrucht kan worden geklaagd.2 Voor een bevestigende beantwoording van die vraag pleit dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep het hof heeft verzocht de inleidende dagvaarding nietig te verklaren en de zaak terug te wijzen omdat de verdachte die inleidende dagvaarding, buiten zijn schuld om, nooit heeft ontvangen. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat de verdediging van de gelegenheid om een betekeningsklacht aan de feitenrechter voor te leggen geen gebruik heeft gemaakt.3 Dat neemt niet weg dat de wijze waarop het verweer is ingekleed gevolgen heeft voor de beoordeling van het middel. Daarop kom ik terug.

10. Maar eerst het volgende. Ingevolge art. 588, eerste lid, onder b, sub 1, Sv dient de uitreiking van de dagvaarding, indien de verdachte niet rechtens van zijn vrijheid is ontnomen en geen betekening in persoon is voorgeschreven, te geschieden aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen. Uit de ID-staat SKDB van 19 november 2015 volgt dat ten tijde van het aanbieden van de inleidende dagvaarding [b-straat 1a], 2561 BA te ’s-Gravenhage het GBA-adres van de verdachte was.

11. Omdat de geadresseerde niet werd aangetroffen op het adres [b-straat 1] te ’s-Gravenhage, is de inleidende dagvaarding op de voet van art. 588, eerste lid, onder b, sub 1, Sv in verbinding met art. 588, derde lid, onder a, Sv uitgereikt aan [betrokkene 1], die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde het stuk onmiddellijk aan de geadresseerde te doen toekomen. Daarbij moet worden opgemerkt dat een dergelijke bereidverklaring alleen rechtsgeldig kan worden gedaan in geval van aanbieding aan het GBA-adres van de verdachte.4

12. De steller van het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het adres [b-straat 1] te ’s-Gravenhage het GBA-adres van de verdachte betreft en stelt zich in de toelichting op het middel op het standpunt dat de uitreiking heeft plaatsgevonden op een andere locatie dan wel op de verkeerde verdieping.

13. De steller van het middel wijst daartoe op het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3631. De verdachte werd in deze zaak gedagvaard om ter terechtzitting van de politierechter te verschijnen. De akte van uitreiking hield in dat de dagvaarding was aangeboden op het adres “Lootstr. 27 II Amsterdam”. De dagvaarding kon daar niet worden uitgereikt omdat op het adres niemand werd aangetroffen. Vervolgens is de dagvaarding uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam en op diezelfde datum verzonden aan het adres waarop de verdachte stond ingeschreven, te weten Lootsstr. 27/3 te Amsterdam. De Hoge Raad achtte – kort gezegd – het oordeel dat de verdachte in eerste aanleg behoorlijk was gedagvaard niet begrijpelijk aangezien de dagvaarding niet op het adres Lootsstraat 27, tweede verdieping, kon worden uitgereikt, terwijl de verdachte als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens was ingeschreven op de derde verdieping van voornoemd adres. De Hoge Raad verklaarde de inleidende dagvaarding nietig.

14. Anders dan in Hoge Raad 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3631, is in de voorliggende zaak de inleidende dagvaarding niet uitgereikt aan de griffier, maar aan [betrokkene 1], die zich op het adres [b-straat 1] te ’s-Gravenhage bevond en die zich bereid verklaarde het stuk onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. Belangrijker is dat in de voornoemde zaak kon worden vastgesteld dat de dagvaarding op een andere verdieping was uitgereikt dan waar de verdachte was ingeschreven. In de onderhavige zaak heeft het hof zulks niet vastgesteld. Uit de onder 6 weergegeven overweging blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat de inleidende dagvaarding voor de zitting van 2 december 2015 is uitgereikt op het toenmalige GBA-adres van de verdachte. Die feitelijke vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat op de akte staat vermeld dat de brief is uitgereikt aan “een ander op het vermelde adres”, terwijl in de aanhef van de akte het adres “[b-straat 1a]”staat vermeld. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de inhoud van dit stuk afgeleid dat de akte is uitgereikt aan een medewerk(st)er van het daklozenloket dat op het in de aanhef van de akte genoemde adres is gevestigd. Het hof was niet gehouden deze vaststelling nader te motiveren. Daarbij merk ik op dat ter terechtzitting in hoger beroep niet is aangevoerd dat de dagvaarding op een ander adres is uitgereikt dan het adres waar de verdachte stond ingeschreven. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn post op een postadres kreeg maar dat deze is zoekgeraakt. Ook de raadsman van de verdachte spreekt van de uitreiking op “het adres”, waarmee kennelijk is gedoeld op het adres waar de verdachte is ingeschreven. Bij deze lezing sluit aan dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 28 april 2016 een tweetal brieven heeft overgelegd. Deze brieven zijn afkomstig van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag en houden in de indiening en afhandeling van een klacht van de verdachte over het zoekraken van zijn post bij het daklozenloket. Die klacht is bij brief van 12 januari 2016 gegrond verklaard. Uit de voornoemde brief blijkt dat de verdachte, die iedere twee weken zijn post dient op te halen bij voornoemd loket, in november en december zijn post niet heeft opgehaald, maar dat er meer post op onverklaarbare wijze is zoekgeraakt. Dat de verdachte zijn post ontvangt via het daklozenloket betekent dat het GBA-adres waarop hij als ingezetene staat ingeschreven een zogenaamd briefadres betreft.5 De omstandigheid dat na een rechtsgeldige betekening de desbetreffende akte in het ongerede raakt, betekent niet dat daarmee de rechtsgeldigheid alsnog wordt aangetast.6

15. Bij dit alles merk ik nog op dat zowel de inleidende dagvaarding als de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep (ook) is uitgereikt aan “[betrokkene 1]” respectievelijk “[betrokkene 1]”, terwijl de verdachte in hoger beroep ter terechtzitting is verschenen en de verdediging niet heeft geklaagd over de betekening van de dagvaarding in hoger beroep. Een blik op de naleving van art. 435, eerste lid, Sv leert dat de akte van uitreiking van de aanzegging in cassatie eveneens op het adres [b-straat 1] te ’s-Gravenhage is betekend aan “[betrokkene 1]/medewerkster”, die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.

16. Anders dan in Hoge Raad 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3631, leidt het voorgaande ertoe dat de vaststelling van het hof dat de betekening van de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak op het juiste adres heeft plaatsgevonden niet onbegrijpelijk is.

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof bij de vervanging van de gevangenisstraffen waarvan het de tenuitvoerlegging heeft gelast, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niet is uitgegaan van de omrekeningsmaatstaf van een dag vrijheidsbeneming naar twee uren taakstraf.

19. Het dictum van het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 8 april 2014, parketnummer 09-797469-13, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, te vervangen door een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 21 augustus 2013, parketnummer 09-819203-13, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, te vervangen door een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.”

20. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 14g, eerste en tweede lid, Sr:

“Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in artikel 14f,
1°. gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd;
2°. al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.
2. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten. De artikelen 22b tot en met 22k zijn van overeenkomstige toepassing. (…).”

- art. 22c, eerste en tweede lid, Sr:
“1. Een taakstraf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid. Het vonnis dan wel de strafbeschikking vermeldt het aantal uren dat de taakstraf zal duren. Het vonnis dan wel de strafbeschikking kan de aard van de te verrichten werkzaamheden vermelden.
2. De taakstraf duurt ten hoogste tweehonderdenveertig uren.”

-art. 22d, eerste, tweede en derde lid, Sr:
“1. In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de rechter, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast.
2. De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
3. De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan één dag opgelegd.”

21. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:831 overwogen dat noch art. 22d, derde lid, Sr noch enige andere wetsbepaling de rechter ertoe dwingt bij het gelasten van een taakstraf ter vervanging van een vrijheidsstraf zulks te doen aan de hand van de maatstaf van twee uren taakstraf per dag vrijheidsstraf. Wel brengt een redelijke wetsuitleg mee dat het de rechter niet vrij staat om voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, op de voet van art. 22d Sr vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf overstijgt.7

22. Voor zover de steller van het middel voorts nog een beroep doet op de oriëntatiepunten van het LOVS moet allereerst worden vooropgesteld dat die LOVS-oriëntatiepunten geen recht zijn in de zin van art. 79 RO, reeds omdat zij niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte.8 De LOVS-oriëntatiepunten houden ten aanzien van art. 14g Sr, voor zover van belang, in:

“Art. 14g omzetting vrijheidsstraf in taakstraf (TUL)
LOVS: 22-11-2013

Voorwaardelijke vrijheidsstraf Taakstraf (na omzetting)

(…) (…)
2 weken 60 uur
3 weken 90 uur
1 maand 120 uur
(…) (…)

Toelichting LOVS-afspraak art. 14g Sr omzetting vrijheidsstraf in taakstraf (TUL)
- Één maand is dertig dagen (art. 88 Sr).
(…)
- In afwijking van de tabel art. 22d Sr (vervangende hechtenis bij oplegging taakstraf) wordt bij het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis na omzetting aansluiting gezocht bij de oorspronkelijk opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf.”

23. De steller van het middel wijst er dus terecht op dat de desbetreffende oriëntatiepunten niet corresponderen met de oriëntatiepunten ten aanzien van de in art. 22d, derde lid, Sr neergelegde maatstaf die ziet op de vervangende hechtenis bij oplegging van een taakstraf. De omrekeningsmaatstaf die in de oriëntatiepunten ten aanzien van art. 14g Sr wordt gehanteerd, is echter niet in strijd met enige wettelijke bepaling, terwijl daarbij voorts niet uit het oog moet worden verloren dat de rechter in het concrete geval de vrijheid heeft om van de LOVS-afspraken af te wijken.9

24. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de beslissingen van het hof ten aanzien van het gelasten van taakstraffen op de voet van art. 14g, tweede lid, Sr in deze zaak corresponderen met de hiervoor onder punt 19 aangehaalde oriëntatiepunten, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.10

25. Het middel faalt.

26. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP). Omdat in de stukken van het geding met name de oude terminologie wordt gebruikt, volg ik die aanduiding.

2 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163 (rov. 3.29 en 3.41).

3 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163 (rov. 3.41).

4 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163 (rov. 3.11). Zie ook HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6993 (rov. 2.3.1).

5 Op grond van art. 1.1 onderdeel p Wbrp wordt onder briefadres verstaan het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen.

6 Vgl. J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, Deventer: Kluwer 2011, p. 48.

7 HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776, NJ 2014/207. Vgl ook HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:831 (rov. 2.4).

8 HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8838 (rov. 3.2.4), HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2745, NJ 2011, 410 (rov. 2.5).

9 HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:831 onder punt 3.15, alsmede de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan dit arrest.

10 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:831 onder punt 3.16.