Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:146

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-01-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
16/00239
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:432, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Motiveringsklachten medeplegen uitvoer hennep en deelname criminele organisatie. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/05303; 15/05342; 15/05447; 15/05454; 16/00013; 16/00237; 16/00238; 16/00947; 16/00948; 16/00949; 16/00950; 16/00951 en 16/00952.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00239

Zitting: 24 januari 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte wegens 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet”, 4. “in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en (parketnummer 08-910040-13) “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

  2. Er bestaat samenhang met twaalf andere zaken. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen

    .

  3. Namens de verdachte heeft mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel behelst met betrekking tot de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 3 de klacht dat het hof ten onrechte en op onjuiste wijze schakelbewijs heeft toegepast.

  5. Ten laste van de verdachte is onder 2 en 3 bewezenverklaard dat:

“2: hij in de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, kilogrammen hennep/weed, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, te weten op:

- 12 augustus 2011, een hoeveelheid hennep/weed; en

- 17 augustus 2011, een hoeveelheid hennep/weed; en

- 20 augustus 2011, een hoeveelheid hennep/weed; en

- 8 september 2011, ongeveer 2,848 kilogram hennep/weed; en

- 8 oktober 2011, een hoeveelheid hennep/weed; en

- 20 oktober 2011, een hoeveelheid hennep/weed; en

- 17 november 2011, een grote hoeveelheid hennep/weed; en

- 10 december 2011 ongeveer 2,833 kilogram hennep/weed;

3: in de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het meermalen telkens opzettelijk aanwezig hebben en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

6. Het hof heeft deze bewezenverklaringen doen steunen op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling op het arrest. Voorts heeft het hof overwogen:

Feit 2: export van hennep naar Duitsland.

(…)

Voor het bewijs van de in feit 2 opgenomen transporten maakt het hof voor ieder individueel transport gebruik van bewijsmiddelen die direct betrekking hebben op het desbetreffende transport. Daarnaast maakt het hof voor het bewijs van ieder transport ook gebruik van alle bewijsmiddelen die betrekking hebben op de andere bewezenverklaarde transporten, omdat die bewijsmiddelen mede redengevend zijn te achten voor ieder bewezenverklaard transport. Reden daarvoor is dat de werkwijze bij de bewezenverklaarde transporten alsmede de betrokkenen telkens zozeer vergelijkbaar en daardoor specifiek zijn voor de uitvoering van de bewezenverklaarde transporten door de daarbij betrokken dadergroep dat deze werkwijze uitvoering door anderen dan verdachte en zijn mededaders alsmede transport van andere goederen dan hennep redelijkerwijs uitsluit.

Als relevante omstandigheden benoemt het hof in dit verband:

a. het gebruik van een Mercedes met het Duitse kenteken [FF-00-FF] op naam van [betrokkene 10] die bij alle transporten tot en met 10 december 2011 wordt gebruikt.

b. Het parkeren van deze Mercedes bij de woonwagen van de vader van verdachte.

c. Het lopen van de inzittende(n) van die Mercedes in de richting van de woonwagen van de vader van verdachte.

d. Het dragen van bigshoppertassen/zakken vanuit de richting van de woonwagen naar voornoemde Mercedes.

e. Telefonische contacten rondom een groot aantal transporten tussen de vader van verdachte en een telefoon op naam van eerdergenoemde [betrokkene 10] .

Hieronder zal per ten laste gelegd transport het bewijs worden besproken. Daarbij wordt opgemerkt dat de in dit arrest te noemen bewijsmiddelen niet uitputtend zijn in die zin, dat in een eventuele op te maken bijlage ex artikel 365a Wetboek van Strafvordering bij dit arrest een volledig overzicht van alle gehanteerde bewijsmiddelen zal worden gegeven.

Herkenning van verbalisanten van verdachte op de camerabeelden:

Verdachte heeft ontkend dat hij degene is die is te zien op de hierna te noemen camerabeelden die zijn gemaakt op het woonwagenkamp waar zijn vader woont.

Ter zitting van het hof is verbalisant [verbalisant 6] als getuige gehoord en zijn enkele camerabeelden getoond. In het dossier bevinden zich meerdere processen-verbaal inhoudende zijn bevindingen alsmede de bevindingen van andere verbalisanten van hetgeen te zien is op de camerabeelden. Verbalisant [verbalisant 6] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij gedurende ruim anderhalf jaar naar de camerabeelden van het woonwagenkamp heeft gekeken en dat hij op die beelden verdachte heeft herkend aan verschillende factoren zoals onder andere zijn postuur, houding, kleding, manier van bewegen, al dan niet in combinatie met de door verdachte gebruikte vervoermiddelen. Het enkele feit dat het hof verdachte niet zelf heeft kunnen herkennen op de getoonde beelden, betekent niet dat de herkenning door [verbalisant 6] dat het hier verdachte betreft niet gebruikt kan worden voor het bewijs. Het hof heeft gelet op de door verbalisant [verbalisant 6] afgelegde verklaring aangaande de wijze waarop hij tot herkenning is gekomen, geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de processenverbaal die zijn opgemaakt naar aanleiding van die camerabeelden, mede gelet op hetgeen overigens uit het dossier is gebleken, zoals tapgesprekken waaraan verdachte deelneemt.

Transport 10 december 2011:

Uit het proces-verbaal camerabeelden d.d. 10 december 2011 (dossierpagina 482-483) blijkt het volgende:

08.19

uur: de grijze Mercedes voorzien van het kenteken [FF-00-FF] , op naam van [betrokkene 10] , [...] - [...] -1983, [g-straat 1] , komt het kamp op rijden en stopt ter hoogte van de wagen van de vader van verdachte: (hierna: [medeverdachte 1] ). [medeverdachte 1] zit voor de wagen in de Lexus IS220D voorzien van het kenteken [GG-00-GG] de krant te lezen. Twee mannen stappen uit de Mercedes, tegelijk stapt [medeverdachte 1] uit de Lexus.

[medeverdachte 1] begroet de mannen die uit de Mercedes zijn gestapt. Het kenteken [GG-00-GG] staat op naam van verdachte (hierna: [verdachte] , [...] - [...] -1984, [h-straat 1] Zwolle).

08.20

uur: de drie mannen lopen in de richting van de woonwagen van [medeverdachte 1] .

08.28

uur: komt een grijze BMW voorzien van het kenteken [HH-00-HH] aanrijden. De BMW wordt voor de Lexus geparkeerd, ter hoogte van de woonwagen van [medeverdachte 1] .

[betrokkene 11] en [betrokkene 12] stappen uit de BMW en lopen in de richting van de woonwagen van [medeverdachte 1] . [betrokkene 11] is de bestuurder van de BMW, [betrokkene 12] is de passagier. Het kenteken [HH-00-HH] staat op naam van [betrokkene 13] , [i-straat 1] Deventer.

08.35

uur: de twee mannen komende uit de Mercedes op naam van [betrokkene 10] , komen uit de richting van de woonwagen van [medeverdachte 1] gelopen. De bestuurder draagt

een gevulde (bol staande) bigshopper, de shopper heeft blauw-witte verticale strepen.

De bestuurder doet de big shopper in de kofferbak van de Mercedes, op naam van [betrokkene 10] . Beide mannen stappen in de Mercedes waarna de Mercedes vertrekt.

Deze Mercedes is vervolgens onder observatie genomen en kort daarna, op 10 december 2011 te 09:19 uur, in Duitsland aangehouden. Daarbij is 2.833 gram hennep is aangetroffen. In de kofferbak van de Mercedes bevond zich een grote blauw/wit verticaal gestreepte tas met daarin de hennep.

In het dossier zitten voorts tapgesprekken ( p. 454-475) in de periode tussen 25 november en 3 december 2011 tussen onder andere [medeverdachte 1] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [verdachte] . [betrokkene 10] wil er 3 en twee van dat andere, van de zoon van [medeverdachte 1] .

Uit een tapgesprek d.d. 10 december 2011, na de levering, is er een telefoongesprek geweest tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] , waarin wordt gezegd dat [betrokkene 10] 400 te weinig heeft betaald. Er wordt vervolgens een afspraak gemaakt dat [betrokkene 10] volgende week zal betalen.

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen, mede gelet op de bewijsmiddelen ten aanzien van de overige bewezen verklaarde transporten, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de op 10 december 2011 in Duitsland onderschepte hennep afkomstig is van verdachte en zijn vader, welke hennep door hen samen met anderen is uitgevoerd als bedoeld in artikel 11 lid 5 Opiumwet.

Transport van 8 september 2011:

Uit het proces-verbaal camerabeelden d.d. 8 september 2011 (dossierpagina 214, 215) blijkt het volgende:

Op 8 september 2011 om 15.39 uur stapt [betrokkene 12] uit zijn Lexus, voorzien van kenteken [GG-00-GG] en loopt in de richting van de woning van [medeverdachte 1] . Om 15.55 uur vertrekt [medeverdachte 1] met zijn vrouw [betrokkene 14] in de Peugeot 207 voorzien van kenteken [II-00-II] .

Om 17.11 uur stopt een personenauto, merk VW Golf, grijs van kleur bij de woonwagen van [medeverdachte 1] . Deze auto lijkt op de grijze Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken, [JJ-00-JJ] , op naam van [betrokkene 13] , [...] - [...] -1 987, [i-straat 1] Deventer.

Om 17.12 uur komt een grijze Mercedes voorzien van een witte kentekenplaat het woonwagenkamp op rijden en parkeert voor de woning van [medeverdachte 1] . [betrokkene 12] staat met twee mannen te praten. De twee mannen vertrekken op de scooter.

De bestuurder NN man 1 en bijrijder NN man 2 stappen uit de Mercedes en lopen met [betrokkene 12] mee in de richting van de woning van [medeverdachte 1] . De bestuurder van de Volkswagen Golf gaat ook mee in de richting van de woning van [medeverdachte 1] .

Om 17.33 uur lopen NN man 1 en NN man 2 naar de Mercedes. Ze hebben iets bij zich, wat lijkt op een tas. De kofferbak van de Mercedes gaat open en er wordt iets ingelegd.

NN man 2 buigt zich daarna voorover in de kofferbak om iets te doen. [betrokkene 12] loopt samen met de bestuurder van de Volkswagen Golf naar NN man 1. Om 17.34 uur stappen NN man 1 en NN man 2 in de Mercedes en vertrekken.

Uit het proces-verbaal observatie (p. 220-221) blijkt dat de Mercedes, voorzien van het kenteken [FF-00-FF] , wordt gevolgd naar Zwartemeer en dat deze daar stopt en dat een blauw/witte tas uit de kofferbak van de Mercedes wordt overgeladen in een Opel Corsa.

De Opel Corsa is kort daarna in Duitsland aangehouden (p. 230) en in deze auto wordt 2.818,3 gram hennep aangetroffen, die verpakt is in een boodschappentas.

Uit telefoongegevens van [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] blijkt dat ertussen hen in de periode rondom deze transactie telefonisch contact is geweest.

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen, mede gelet op de bewijsmiddelen ten aanzien van de overige transporten en de omstandigheid dat bij dit transport sprake is van dezelfde werkwijze als ten tijde van het bewezenverklaarde transport van 10 december 2011, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de in Duitsland op 8 september 2011 onderschepte hennep afkomstig is van verdachte en zijn vader en dat zij die samen met anderen hebben uitgevoerd als bedoeld in artikel 11 lid 5 Opiumwet.

Transporten 12 augustus 2011, 17 augustus 2011, 20 augustus 2011, 8 oktober 2011, 20 oktober 2011 en 17 november 2011:

Op 12 augustus 2011 verschijnt de Mercedes ten name van [betrokkene 10] wederom op het kamp. [medeverdachte 1] en [betrokkene 12] lopen met de inzittenden van die Mercedes naar de woonwagen van [medeverdachte 1] . De inzittende van de Mercedes lopen daarna terug naar de Mercedes. De bestuurder draagt een bigshopper en legt deze in de kofferbak van de Mercedes.

Op 17 augustus 2011 verschijnt de Mercedes ten name van [betrokkene 10] wederom op het kamp. [medeverdachte 1] is thuis. [betrokkene 12] en de inzittenden van de Mercedes lopen in de richting van de woonwagen van [medeverdachte 1] . De inzittenden van de Mercedes keren vervolgens van daaruit terug. Een van hen heeft een grote zwarte tas in handen. Die legt hij in de kofferbak van de Mercedes, waarna deze vertrekt.

Op 20 augustus 2011 zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 12] op het kamp. Dan verschijnt de Mercedes ten name van [betrokkene 10] wederom aldaar. De inzittenden lopen met [medeverdachte 1] en [betrokkene 12] in de richting van de woonwagen van [medeverdachte 1] . De bestuurder deponeert daarna "iets" in de kofferbak van de Mercedes. De bijrijder deponeert een tas in de Mercedes.

Op 8 oktober 2011 verschijnt de Mercedes van [betrokkene 10] wederom op het kamp. [medeverdachte 1] en [betrokkene 12] zijn aanwezig. Zij lopen met de bestuurder van de Mercedes in de richting van de woonwagen van [medeverdachte 1] . Daarna loopt de bestuurder weer naar de Mercedes met iets in zijn hand, dat een koffer of grote tas lijkt te zijn. De kofferbak van de Mercedes gaat open, de bestuurder is daar even bezig en legt dus kennelijk de koffer of de grote tas in die kofferbak, waarna de Mercedes vertrekt. Kort voor deze waarnemingen is sprake van telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] , waarin, onder andere, [betrokkene 10] meedeelt dat hij er vier wil hebben en [medeverdachte 1] hem meedeelt dat hij die kan krijgen voor 4.050 per kilo. Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] en verdachte vervolgens betrokken zijn bij het verzamelen van de afgesproken hoeveelheid handelswaar. Ook blijkt dat afgesproken wordt op 7 oktober 2011 dat die morgen opgehaald wordt.

Op 20 oktober 2011 verschijnt de Mercedes ten name van [betrokkene 10] weer op het kamp. [medeverdachte 1] is aanwezig. De bestuurder van de Mercedes loopt in de richting van de woonwagen van [medeverdachte 1] en keert van daaruit terug met een grote, meerkleurige, plastic tas met verticale strepen. Die legt hij in de kofferbak van de Mercedes, waarna hij vertrekt. Kort hiervoor is sprake van telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 12] enerzijds en, [betrokkene 10] anderzijds waarin [betrokkene 10] zegt dat hij er vier nodig heeft. Daarna zijn er nog telefoongesprekken en een SMS-bericht tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 12] waaruit blijkt dat zij bezig zijn om de handelswaar voor [betrokkene 10] bijeen te krijgen.

Op 17 november 2011 is [medeverdachte 1] thuis als de Mercedes ten name van [betrokkene 10] op het kamp verschijnt. De bestuurder loopt in de richting van de woonwagen van [medeverdachte 1] en keert vandaar kort nadien terug. Hij heeft een grote blauw/wit gestreepte bigshopper bij zich, welke hij in de kofferbak van de Mercedes legt. Uit een getapt telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] is op te maken dat [betrokkene 10] ‘3’ bestelt en die op 17 november 2011 komt ophalen. In de periode van 30 oktober 2011 tot 17 november 2011 is voorts meerdere malen sprake van telefonisch contact waaraan verdachte deelneemt en welk contact telkens tot onderwerp heeft de aanstaande, maar vertraagde, levering aan [betrokkene 10] .

Conclusie:

Uit deze, korte, weergave van bewijsmiddelen blijkt dat de Mercedes ten name van [betrokkene 10] , telkens een tas, zak of koffer komt ophalen bij [medeverdachte 1] en verdachte, dat [medeverdachte 1] en ook verdachte vrijwel altijd aanwezig zijn, dat er zowel door verdachte als zijn vader [medeverdachte 1] meerdere malen over de te leveren of geleverde goederen telefonisch contact is met [betrokkene 10] , dat telkens dezelfde groep personen betrokken is en dat van alle bovengenoemde transporten dus kan worden bewezen dat verdachte samen met zijn vader de hennep heeft verstrekt aan de Duitse afnemers, die de hennep vervolgens over de grens naar Duitsland hebben gebracht, hetgeen voor verdachte en zijn vader ook kenbaar was.

Feit 3 criminele organisatie:

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode deel heeft uitgemaakt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, zoals hieronder bewezenverklaard.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte samen met zijn vader handelde in hennep met de Duitse afnemer [betrokkene 10] . Het betreft vele transacties.

Verdachte is daarbij de rechterhand van zijn vader en hij krijgt telkens de opdracht om de handelswaar bijeen te garen, waarna deze vervolgens op het kamp wordt overgedragen door verdachte en zijn vader aan de Duitse afnemers die zij aldaar ontvangen.”

7. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de vijf door het hof genoemde omstandigheden geen als “op essentiële punten belangrijke overeenkomsten” tussen de verschillende bewezenverklaarde transporten (als genoemd in feit 2) tot uitdrukking brengen, zodat met betrekking tot deze transporten geen schakelbewijs kan worden toegepast, te minder, aldus de steller van het middel, nu het hof in zijn motivering andere bewoordingen gebruikt, te weten “vergelijkbaar” en “specifiek”.

8. Dat zie ik anders, zeker in het licht van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen waarbij ik tevens opmerk dat door het hof voor elk transport direct bewijs is gebruikt. Voor het overige kon het hof in zijn bestreden oordeel betrekken dat de feitelijke gang van zaken ten aanzien van alle transporten ‘over en weer’ specifieke overeenkomsten vertoont.1 De bewijsmiddelen maken namelijk een duidelijk en vast (dus steeds terugkerend/repeterend) patroon zichtbaar.

9. Het eerste middel faalt.

10. Het tweede middel spitst zich met motiveringsklachten toe op de bewezenverklaringen van de zinsneden “buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland) brengen” (feit 2) en het “binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen” (feit 3).

11. Uit de desbetreffende bewijsmiddelen blijkt dat: - telkens een auto met Duitse kentekenplaten door de verbalisanten is waargenomen; - met betrekking tot twee transporten de hennep in Duitsland is aangetroffen en inbeslaggenomen (bewijsmiddelen 7, 18 en 19); - de Duitse afnemer ( [betrokkene 10] ) inbelt met een nummer beginnend met het Duitse netnummer 49 (zie de verschillende bewijsmiddelen); - de getapte telefoongesprekken met de Duitse afnemer in het Duits worden gevoerd (bewijsmiddel 13); - de medeverdachte [medeverdachte 1] het in een tapgesprek met de verdachte, zijn zoon, heeft over “die mof”, “die jongen uit Duitsland” en “die jongen uit Duitsland heb gebeld” (bewijsmiddel 21)2; - de auto met het Duitse kenteken op naam staat van een persoon ( [betrokkene 10] ) die zijn woonplaats in Duitsland heeft (bewijsmiddel 4).

12. De steller heeft in zoverre een punt dat voor het bewijs van het binnen Nederland brengen (feit 3) geen steun is te vinden in de gebezigde bewijsmiddelen. Ik houd het erop dat het hof dit onderdeel per abuis niet uit de bewezenverklaring heeft geschrapt. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit zowel de bewijsoverweging als uit de strafmotivering blijkt dat het hof het oog heeft gehad op de export naar Duitsland en niet op enige invoer in Nederland. Hoe dan ook, dit verzuim hoeft niet tot cassatie te leiden omdat de verdachte daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft.

13. De hiervoor genoemde misslag buiten beschouwing latend, meen ik dat de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 3 naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed zijn.

14. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326.

2 Tapgesprek van 9 december 2011 te 15:29:43 (aanvulling, blz. 27).