Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1457

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
17/04867
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:57, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Voorlopige machtiging. Inhoud stukken niet ter kennis gebracht van (de advocaat van) betrokkene? Onredelijke vertraging procedure?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGZ 2018/14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/04867

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 8 december 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Rotterdam

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat de rechtbank de beschikking heeft gebaseerd op stukken die niet bij (de advocaat van) betrokkene bekend waren. Daarnaast wordt geklaagd dat de rechtbank niet binnen een redelijke termijn op het verzoek van de officier van justitie heeft beslist.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank ingekomen op 18 mei 2017, heeft de officier van justitie in het arrondissementsparket Rotterdam aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (geboren in 1974: hierna betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis op te nemen en te doen verblijven; zie art. 2 Wet Bopz. Bij dit verzoekschrift was een op 10 mei 2017 ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater 1] .

1.2

Op 30 mei 2017 heeft een eerste mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene met zijn advocaat en vanuit Bouwman GGZ: de behandelend psychiater [psychiater 2] , de psycholoog [psycholoog 1] en [betrokkene 1] , maatschappelijk werkster (voormalig behandelaar van betrokkene). De rechtbank heeft de behandeling aangehouden tot 20 juni 2017 om de officier van justitie op de voet van art. 8a Wet Bopz in de gelegenheid te stellen desgewenst een verzoek in te dienen tot het verlenen van een andersoortige machtiging.

1.3

Bij brief van 27 juni 20171 heeft de officier van justitie aan de rechtbank laten weten geen verzoek strekkende tot een voorwaardelijke machtiging in te dienen. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht op basis van het verzoek van 18 mei 2017 een voorlopige machtiging te verlenen.

1.4

Bij e-mail van 13 juli 2017 heeft de advocaat van betrokkene, onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting van 30 mei 2017, aan de rechtbank laten weten van mening te zijn dat het verzoek om een voorlopige machtiging dient te worden afgewezen.2

1.5

Op 17 juli 2017 is betrokkene met een last tot inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen3. Op 18 juli 2017 heeft de officier van justitie een verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling bij de rechtbank ingediend; zie art. 27 Wet Bopz. Bij dit verzoek was een op 17 juli 2017 ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater 3] .

1.6

Op 20 juli 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, zowel van het verzoek tot verlening van de voorlopige machtiging als van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Bij deze mondelinge behandeling waren aanwezig: betrokkene, zijn advocaat, de psychiater [psychiater 4] en [psychiater 5] , afdelingsarts van GGZ Delfland.

1.7

Bij beschikking van 20 juli 2017 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven voor de periode tot 21 januari 2018. Het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is bij afzonderlijke beschikking op dezelfde datum afgewezen.4

1.8

Namens betrokkene is - tijdig5 - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onderdeel I klaagt dat de rechtbank in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zoals neergelegd in art. 19 Rv, en het art. 6 lid 1 EVRM neergelegde fair trial-beginsel heeft gehandeld door haar oordeel mede te baseren op een brief met bijlagen van de officier van justitie d.d. 27 juni 2017 waarvan de inhoud niet ter kennis van betrokkene, althans van zijn advocaat, is gebracht. Zoals uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 juli 2017 blijkt, heeft de advocaat van betrokkene geen kopie van deze brief met bijlagen ontvangen.

2.2

Art. 8a Wet Bopz bepaalt dat indien de rechtbank op grond van het door haar ingestelde onderzoek zich afvraagt of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de verzochte niet passender is, zij dit gevoelen aan de officier van justitie kenbaar kan maken. De rechtbank kan daarbij bepalen dat de behandeling op een later tijdstip wordt voortgezet. Blijft de officier van justitie bij zijn eerdere verzoek, dan dient de rechter de toewijsbaarheid van het oorspronkelijke verzoek alsnog te beoordelen. De rechtbank kan niet ongevraagd (ambtshalve) een voorwaardelijke machtiging verlenen6.

2.3

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank ter zitting van 30 mei 2017 de behandeling van de zaak aangehouden en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld een verzoek in te dienen tot het verlenen van een andersoortige machtiging. De officier van justitie heeft bij schrijven van 27 juni 2017 aan de rechtbank laten weten geen verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging te zullen indienen. De officier heeft de rechtbank verzocht te beslissen op het oorspronkelijke verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging. Bij dat schrijven was een afschrift gevoegd van een brief van de behandelend arts [de arts] met de tekst:

“Er wordt geen andere maatregel aangevraagd gezien de heer [naam betrokkene] zich hier niet in kan vinden.”

Daarnaast was er een brief bijgevoegd van een administratief medewerker van Bouman GGZ, waarin werd aangegeven dat betrokkene niet akkoord gaat met de voorwaarden voor een voorwaardelijke machtiging en dat de behandeling binnen Bouman GGZ wordt afgesloten.

2.4

Ter zitting van 20 juli 2017 heeft de rechter gevraagd of de advocaat een afschrift van het schrijven van de officier van justitie had ontvangen. De advocaat heeft toen aangegeven die brief niet te hebben ontvangen. In het proces-verbaal is hierover te lezen:

“De rechter:

De officier van justitie heeft op basis van het standpunt van de behandelend arts geen aanleiding gezien om een verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging in te dienen.

De advocaat:

Het is mij onduidelijk om welke arts het gaat. Ik heb het bericht van de officier niet ontvangen.

De rechter:

U zult het bericht alsnog toegestuurd krijgen. (…)”

2.5

De rechtbank heeft het bericht van de officier van justitie d.d. 27 juni 2017 dat hij geen verzoek om een voorwaardelijke machtiging (als bedoeld in art. 14a Wet Bopz) zal indienen, onder het verloop van de procedure genoemd en nogmaals in rov. 2.1. Aan dit bericht met bijlagen heeft de rechtbank geen ander gevolg verbonden dan dat van het (ongevraagd) verlenen van een voorwaardelijke machtiging geen sprake kan zijn. Deze consequentie volgt uit de wet. Dat de (advocaat van) betrokkene niet tijdig vóór de beslissing een afschrift van de brief van de officier van justitie d.d. 27 juni 2017 met de bijlagen heeft ontvangen – zoals in cassatie veronderstellenderwijs tot uitgangspunt dient −, kan betrokkene in zoverre niet in zijn belangen hebben geschaad. De rechtbank heeft deze brief met bijlagen niet gebruikt ter onderbouwing van haar beslissing om een voorlopige machtiging te verlenen; voor zover het middelonderdeel veronderstelt dat de beslissing hierop is gebaseerd, mist het feitelijke grondslag. Evenmin kan worden gezegd dat de mededeling van de rechtbank ter zitting van 20 juli 2017 omtrent de inhoud van deze brief betrokkene in procedureel opzicht heeft overvallen. Blijkens rov. 2.1 had de rechtbank de advocaat van betrokkene ten minste op de hoogte gesteld van het feit dat de officier van justitie geen andere machtiging zou verzoeken en hem in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Per e-mail van 13 juli 2017 heeft de advocaat zich daarover uitgelaten.

2.6

In de toelichting op deze klacht in alinea’s 1.3 en 1.4 van het cassatierekest is nog aangevoerd dat betrokkene op grond van het beginsel van equality of arms er belang bij had, in de gelegenheid te worden gesteld zich uit te laten over de bevinding van Bouman GGZ dat hij niet akkoord gaat met de voorgestelde voorwaarden. Deze klacht miskent dat er geen verzoek is ingediend om een voorwaardelijke machtiging te verlenen. Zoals gezegd, had een uitlating van betrokkene (dus ook een betwisting van die bevinding) nimmer kunnen leiden tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging als alternatief voor de verzochte voorlopige machtiging. De klacht mist in dit geval derhalve belang.

2.7

Onderdeel II klaagt dat de rechtbank in strijd met art. 20 Rv en met art. 6 lid 1 EVRM heeft gehandeld door niet te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure en door niet zo spoedig mogelijk te beslissen op het verzoek van de officier van justitie. In elk geval had de rechtbank volgens de klacht moeten uitleggen waarin de kennelijke stagnatie van de zaak was gelegen.

2.8

Art. 9 lid 1 Wet Bopz bepaalt voor een geval als dit dat de rechter “zo spoedig mogelijk” op het verzoek beslist.7 Art. 20 Rv bepaalt voor procedures bij de burgerlijke rechter in het algemeen dat een onredelijke vertraging van het geding moet worden voorkomen. De laatstgenoemde bepaling is mede een uitwerking van het voorschrift in art. 6 lid 1 EVRM, dat een procespartij recht heeft op vaststelling van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen binnen een redelijke termijn.

2.9

In het onderhavige geval heeft de officier van justitie op 18 mei 2017 het verzoek ingediend om een voorlopige machtiging te verlenen. Op 30 mei 2017 is betrokkene thuis gehoord. Zoals gezegd heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek vervolgens aangehouden tot 20 juni 2017 om de officier van justitie op de voet van art. 8a Wet Bopz de gelegenheid te geven een verzoek tot het verlenen van een andersoortige machtiging in te dienen. Nadat de officier van justitie bij schrijven van 27 juni 2017 aan de rechtbank had laten weten dat geen ander verzoek zal worden ingediend en nadat de advocaat van betrokkene bij e-mail van 13 juli 2017 hierop had gereageerd, heeft op 20 juli 2017 een nieuwe mondelinge behandeling plaatsgevonden. Nog diezelfde dag heeft de rechtbank op het verzoek van de officier van justitie beslist.

2.10

De vertraging tussen 30 mei en 20 juni 2017 vloeit voort uit de tussenbeslissing van de rechtbank, waartegen het cassatieberoep zich niet richt. De vertraging tussen 20 juni en 20 juli 2017 kan niet worden aangemerkt als een onredelijke vertraging, voor zover deze het onvermijdelijk gevolg was van het feit dat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan art. 8a Wet Bopz en de behandeling van het oorspronkelijke verzoek heeft aangehouden tot na de uitlating van de officier van justitie. Ook het belang van de patiënt is ermee gemoeid dat door de officier van justitie wordt onderzocht of een voorwaardelijke machtiging een passend alternatief kan zijn. Voor zover de vertraging voortvloeit uit een andere oorzaak, blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 juli 2017 noch uit andere gedingstukken dat door of namens betrokkene een beroep is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM of aan de rechtbank is gevraagd om een verklaring voor de inmiddels verstreken tijd. Voor de rechtbank was er geen aanleiding ongevraagd hierop in te gaan; ik teken hierbij aan dat betrokkene vrijwillig werd behandeld tot het tijdstip waarop ten aanzien van hem een last tot inbewaringstelling werd gegeven (17 juli 2017).

2.11

Dan resteert nog de vraag of de rechtbank ‘zo spoedig mogelijk’ op het verzoek heeft beslist. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 9 Wet Bopz valt op te maken dat de maatstaf ‘zo spoedig mogelijk’ niet nader is gespecificeerd:

“(…) Een nadere precisering kunnen wij niet geven. De termijn binnen welke de rechter de zaak kan behandelen is afhankelijk van de werklast en van de spoedeisendheid van aanhangige zaken. De betrokkene ondervindt echter geen of weinig nadeel van het niet op korte termijn beslissen over het verlenen van een voorlopige machtiging. Hij verkeert immers in vrijheid. Eventueel zou zelfs in de periode tussen het indienen van de vordering en de behandeling van de zaak door de rechter nog kunnen blijken dat een opneming niet meer noodzakelijk is.”8

2.12

Na indiening van het verzoek op 18 mei 2017 is dit mondeling behandeld op 30 mei 2017. De behandeling is aangehouden tot 20 juni 2017, waarbij de officier van justitie de mogelijkheid kreeg om een andersoortige machtiging te verzoeken. Op 27 juni 2017 heeft de officier van justitie aangegeven van deze mogelijkheid geen gebruik te maken en de rechtbank verzocht een beslissing te geven op het oorspronkelijke verzoek. De rechtbank heeft vervolgens (de advocaat van) betrokkene de gelegenheid gegeven daarop te reageren, hetgeen de advocaat bij e-mail van 13 juli 2017 heeft gedaan. Op 20 juli 2017 heeft een nieuwe zitting plaatsgevonden en is een eindbeschikking gegeven. Van een onredelijke vertraging is m.i. geen sprake. Bovendien blijkt uit de beschikking van 20 juli 2017 welke stappen er tussen 18 mei 2017 en 20 juli 2017 genomen zijn. De beschikking is daarmee voldoende gemotiveerd. Het onderdeel faalt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv

1 In deze brief geeft de officier van justitie aan, het proces-verbaal van de zitting van 30 mei 2017 pas op 23 juni 2017 te hebben ontvangen.

2 Zie beschikking van 20 juli 2017, blz. 2. De email is, desverzocht, door de advocaat van betrokkene aan het cassatiedossier toegevoegd.

3 Betrokkene verbleef sinds 13 juli 2017 vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis en wilde met ontslag gaan, waarna een inbewaringstelling volgde. Zie het proces-verbaal van 20 juli 2017 blz. 3.

4 Bij een samenloop van verzoeken als deze is de rechter niet afhankelijk van de volgorde van indiening. Indien de rechter van oordeel is dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een voorlopige machtiging, kan hij deze meteen toewijzen; HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0285, NJ 2013/83, JVggz 2013/6. Zie ook T.P. Widdershoven, SDU commentaar Wet Bopz, aant. CII.18.3.1.

5 Het verzoekschrift tot cassatie is op 16 oktober 2017 als faxcopie ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Het door de advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel is op 17 oktober 2017 ontvangen.

6 Wet Bopz (Dijkers), art. 8a, aant. C.1 t/m C.5.

7 In de onderhavige zaak is niet de beslistermijn van drie weken als bedoeld in art. 9 lid 1 Wet Bopz van toepassing; dat is in het cassatiemiddel ook niet beweerd.

8 Kamerstukken II, vergaderjaar 1990/1991, 21 239, nr. 6, blz. 16.