Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1455

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
16/04503
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:45, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzettelijk 25 valse bankbiljetten van € 500,- waarvan valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad hebben, art. 209 Sr. Oogmerk valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven? ’s Hofs oordeel dat verdachte het oogmerk had de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR in aanmerking dat uit b.m. blijkt dat het Hof heeft vastgesteld dat in de auto waarin verdachte zat 25 valse bankbiljetten van € 500,- zijn aangetroffen, dat verdachte heeft erkend dat het valse geld van hem was, dat hij dat geld in zijn bezit had gekregen via een ander, dat verdachte wist dat het geld vals was, dat hij wist dat hij vals geld niet in zijn bezit mocht hebben en dat verdachte het geld op de bewuste dag had meegenomen en in zijn vest had gestopt. Aan deze f&o heeft het Hof de gevolgtrekking kunnen verbinden dat verdachte de valse biljetten met de bedoeling om deze in omloop te brengen had meegenomen, waarbij het mede betekenis heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat verdachte geen verklaring heeft gegeven waarom hij het valse geld bij zich had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04503

Zitting: 21 november 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 16 augustus 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “diefstal door twee of meer verenigde personen” en 3. “bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben”, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van een maand, met aftrek van voorarrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. E.M. Witjens, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde feit dat het oordeel van het hof dat de verdachte het oogmerk had de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven onjuist is, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.

3.2. Het hof heeft onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 11 november 2014 te Fijnaart, gemeente Moerdijk, opzettelijk 25 bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.”

3.3. Deze bewezenverklaring berust voor zover hier van belang op de navolgende bewijsmiddelen:

“6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2014 van de politie Landelijke Eenheid met proces- verbaalnummer PL2000-2014268895-21. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 6 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 11 november 2014 gaven wij, verbalisanten, de bestuurder van een personenauto een stopteken op de A59 ter hoogte van Fijnaart. Rechts achterin de auto zat [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], een zoeking gedaan in het voertuig. Ik, [verbalisant 1], trof in de bestuurdersstoel, aan de achterzijde in het opbergvak een plastic boterhamzakje aan. Ik zag dat er in dit zakje een aantal biljetten van € 500,- zaten. Hierop heb ik de bankbiljetten uit het zakje gehaald. Nadat ik het geld geroken en gevoeld had, kreeg ik het vermoeden dat het vals geld betrof. Na onderzoek bleek dat het om 25 biljetten van € 500,- ging met een totale waarde van € 12.500,-.

(…)

9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 maart 2015 van de politie Eenheid Rotterdam met proces- verbaalnummer PL1700-2015066663-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16 e.v.) :

als de op 11 maart 2015 afgelegde verklaring van de verdachte :

Het valse geld is van mij. Het waren allemaal biljetten van € 500,-. Ik heb dat valse geld in mijn bezit gekregen van een man van wie ik de naam niet ga noemen. Hij had het geld besteld op internet. Ik wist dat het geld vals was en dat je het niet in je bezit mag hebben. Ik had het geld die dag meegenomen en in mijn vest gestopt. Toen wij een stopteken kregen van de politie heb ik het direct weggestopt in een opbergvak aan de achterkant van de bestuurdersstoel.”

3.4. Het bestreden arrest bevat nog de volgende nadere bewijsoverweging:

“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte niet het oogmerk had om de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat in het algemeen een ander gebruik van valse bankbiljetten dan deze als echt en onvervalst uit te geven dan wel te doen uitgeven zich moeilijk laat denken. Daarbij heeft de verdachte geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om tijdens enig verhoor bij de politie zelfs maar te stellen dat hij niet het oogmerk heeft gehad om de betreffende valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of deze te doen uitgeven. De verdachte heeft bij de politie in het geheel geen verklaring gegeven waarom hij het geld waarvan hij volgens eigen verklaring wist dat het vals was, had gekregen van een man wiens naam hij niet wilde noemen en evenmin waarom hij dat valse geld in de auto bij zich had toen hij door de politie werd aangehouden.

Op grond van vorenstaande omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om voormelde valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, omdat dat oogmerk uit de aard der zaak slechts bij uitzondering zal ontbreken.”

3.5. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 209 Sr. Dit artikel luidt als volgt:

“Hij die opzettelijk als echte en onvervalste muntspeciën of munt- of bankbiljetten uitgeeft muntspeciën of munt- of bankbiljetten die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

3.6. Het misdrijf van art. 209 Sr is opgenomen in Titel X Boek II Sr, welke titel strafbepalingen omvat met betrekking tot “Valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten”. De gemeenschappelijke rechtsgrond van de strafbepalingen in deze titel is gelegen in de schending van de openbare trouw (publica fides).1

3.7. De wetgever heeft het in art. 209 Sr vereiste oogmerk tot de essentialia van het valsheidsdelict gerekend. “Geen muntmisdrijf zonder uitgifte of oogmerk van uitgifte”, aldus de MvT. Wie “tot eigen vermaak” geld namaakt of vervalst, randt de openbare trouw niet aan.2 De Raad van State voorzag grote bewijsproblemen, maar de regering hield aan haar opvatting vast. Zij stelde in het Rapport aan den Koning onder meer dat “bij gebreke van direct bewijs het zoo bezwaarlijk zou zijn, voor het oogmerk der uitgifte het bewijs door aanwijzingen te leveren, kan (…) niet worden toegegeven”.3 In haar reactie op het Verslag van de Commissie herhaalde zij dat zonder oogmerk geen falsum bestaanbaar was en voegde daaraan toe: “Het oogmerk zal in den regel uit de omstandigheden blijken. Voor zoover het in een zeldzaam geval niet blijkt, mag men geen falsum fingeren.”.4 De wetgever was dus van oordeel dat het bewijs van het vereiste oogmerk bijna steeds uit de omstandigheden kon worden afgeleid en dat dit alleen in zeldzame gevallen anders kon zijn. De gedachte lijkt daarbij te zijn geweest dat het louter “tot eigen vermaak” vervalsen van geld zelf een zeldzaam verschijnsel is. Hetzelfde zal gelden voor het in voorraad hebben van vals geld. Er zijn maar weinig mensen die valse munten verzamelen uit liefhebberij.5

3.8. Onder ‘oogmerk’ lijkt voorwaardelijk opzet in het algemeen niet te kunnen worden gebracht.6 Er zijn geen aanwijzingen dat dit voor het oogmerk van art. 209 Sr anders is. Integendeel. In 2001, bij de parlementaire behandeling van het (toenmalige) wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten (eurovalsemunterij), stelde de minister: “De constatering (…) dat door de opneming van de zinsnede “met het oogmerk om” geen ruimte wordt geboden voor voorwaardelijk opzet is juist.”. Hij voegde daaraan toe dat hij geen reden zag voor een wetswijziging op dit punt omdat het pas redelijk is om iemand strafrechtelijk aansprakelijk te achten voor onder meer het in voorraad hebben van vals geld wanneer hij “de bedoeling” heeft dit geld in omloop, in het verkeer te brengen.7

3.9. De Hoge Raad heeft enkele voor de onderhavige zaak relevante arresten gewezen waarin werd geklaagd over de bewezenverklaring van het oogmerk ex art. 209 Sr. Op 20 juli 1926 (NJ 1926, p. 1043) oordeelde de Hoge Raad dat het hof uit de bewijsmiddelen aanwijzingen heeft kunnen putten dat de verdachte muntbiljetten, waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, in voorraad heeft gehad met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven. De bewijsmiddelen hielden – kort gezegd – in dat de politie bij fouillering op de verdachte een zilverbon tussen zijn papieren heeft gevonden, dat de verdachte op de vraag of hij nog een valse zilverbon had, heeft geantwoord “misschien heb ik er nog een in mijn zak”, dat bij huiszoeking bij de verdachte 35 valse “zilverbons” van ƒ 2,50 zijn aangetroffen in een portemonnee die was opgeborgen in een linnenkast, staande in de voorkamer, achter papieren, boeken en dozen en dat de verdachte deze zilverbonnen had gevonden in de door A. bewoonde zolderkamer, dat hij een bundel zilverbonnen tot zich heeft genomen en dat hij onmiddellijk had gezien dat de zilverbonnen vals waren. In HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861 deed de Hoge Raad de cassatiemiddelen af met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Uit de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga blijkt het volgende over de zaak. In de auto van de verdachte was een plastic tas aangetroffen met daarin in plastic gesealde bundeltjes valse bankbiljetten van DM 100,- en ƒ 1.000,-. Het hof stelde vast dat de verdachte met de inhoud van de tas bekend was. Het hof achtte vervolgens het oogmerk om deze bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven bewezen en nam daarbij de volgende drie punten in aanmerking: a) dat in het algemeen een ander gebruik van valse bankbiljetten dan deze als echt en onvervalst uit te geven dan wel te doen uitgeven zich moeilijk laat denken, b) dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat valse bankbiljetten met dezelfde oorsprong als de onder verdachte in beslag genomen partij valse bankbiljetten in het betalingsverkeer zijn gebracht en c) dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om tijdens enig verhoor zelfs maar te stellen dat hij niet het oogmerk heeft gehad om de desbetreffende bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.

3.10. In de beide zojuist besproken arresten kon het vereiste oogmerk telkens bij gebrek aan direct bewijs uit de omstandigheden worden afgeleid. Dat was anders in HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3446. Uit de bewijsvoering in die zaak bleek dat bij de aanhouding van de verdachte in zijn eigen woning twee valse bankbiljetten (een biljet van DM 100,- en een biljet van ƒ 100,-) waren aangetroffen in een kledingkast in de slaapkamer. De verdachte had tegenover de politie verklaard dat de biljetten vals waren en dat hij ze een keer van iemand had gekregen. De Hoge Raad oordeelde dat de gebezigde bewijsmiddelen “niets inhouden waaruit kan worden afgeleid” dat de verdachte het oogmerk had om de bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. Een verschil met de beide voorgaande arresten is dat het slechts om twee bankbiljetten ging, die ook nog eens verschillend waren. Een ander verschil is dat de verdachte die biljetten thuis bewaarde. In de beide andere zaken had de verdachte een deel van de zilverbonnen resp. de bankbiljetten bij zich terwijl hij onderweg was.

3.11. Terug naar de onderhavige zaak. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, voor zover van belang, dat de politie in de auto waarin de verdachte rechts achterin zat, in de bestuurdersstoel, aan de achterzijde in het opbergvak, een plastic boterhamzakje heeft aangetroffen met daarin 25 valse bankbiljetten van € 500,-. Voorts blijkt daaruit dat de verdachte heeft erkend dat het valse geld van hem was, dat hij dat geld in zijn bezit had gekregen via een ander en dat de verdachte wist dat het geld vals was en dat je vals geld niet in je bezit mag hebben. Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte het geld die dag had meegenomen en in zijn vest had gestopt en dat hij het geld, toen een stopteken was gegeven door de politie, direct heeft weggestopt in een opbergvak aan de achterkant van de bestuurdersstoel.

3.12. Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte het oogmerk had de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hier - anders dan in het besproken arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2006 - om een grote hoeveelheid bankbiljetten gaat en voorts dat de verdachte het geld “die dag had meegenomen”, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte de biljetten dus eerst elders in voorraad had en de biljetten derhalve met een bedoeling moet hebben meegenomen. Uit deze omstandigheden kon het hof afleiden dat het de bedoeling van de verdachte was om de biljetten in omloop te brengen en dat het zeldzame geval dat de verdachte het geld enkel “tot eigen vermaak” bij zich had, zich niet voordeed. Het hof kon daarbij in aanmerking nemen dat de verdachte bij zijn verhoor door de politie zelfs niet heeft gesteld dat hij niet het oogmerk had om het geld uit te geven en evenmin heeft aangegeven waarom hij het valse geld dan wel bij zich had. De verdachte is in eerste aanleg noch in hoger beroep verschenen, terwijl zijn raadsman aan zijn voor het eerst in hoger beroep gevoerde verweer blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting enkel ten grondslag heeft gelegd dat het oogmerk niet uit het dossier blijkt. Een Meer en Vaart-verweer levert dat niet op.

3.13. De steller van het middel voert nog aan dat het hof, anders dan het geval was in HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861, niet heeft vastgesteld dat valse bankbiljetten van dezelfde oorsprong in omloop zijn gebracht. Dat is juist, maar doorslaggevende betekenis komt daaraan mijns inziens niet toe. In zijn conclusie wijst mijn ambtgenoot Vellinga erop dat de redengevende betekenis van de bedoelde omstandigheid hierin gelegen is dat zij iets zegt over de kwaliteit van de bankbiljetten die de verdachte voorhanden had. Die was kennelijk zodanig dat de biljetten zich ervoor leenden om in omloop te worden gebracht. In de onderhavige zaak is in feitelijk aanleg niet door de verdediging aangevoerd dat de biljetten zo beroerd vervalst waren dat voor ieder in één oogopslag zichtbaar was dat zij niet deugden. Tot een nadere motivering op dit punt was het hof dan ook niet gehouden. Daaraan doet niet af dat het, zoals de steller van het middel aanvoert, hier gaat om biljetten van € 500,-, “waarvan feit van algemene bekendheid is dat deze veelvuldig geweigerd worden als betaalmiddel gelet op de risico’s van vervalsing”. Feit van algemene bekendheid is namelijk ook dat dergelijke biljetten in het criminele milieu wel, en naar het schijnt zelfs veelvuldig, als betaalmiddel worden geaccepteerd, waarbij nog opmerking verdient dat de mogelijkheid om dergelijke biljetten op echtheid te controleren in het criminele betalingsverkeer dikwijls beperkt zullen zijn.

3.14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 E.J. Hofstee in Noyon, Langemeijer Remmelink, aant. 1 bij Titel X Boek II Sr, bijgewerkt tot 15 juni 2017.

2 Smidt II, p. 233 e.v.

3 Smidt II, p. 234 en 235.

4 Smidt II, p. 238.

5 In gelijke zin mijn ambtgenoot Vellinga in zijn conclusie die voorafging aan het nog te bespreken arrest HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861. Dat diens standpunt niet zou stroken met de wetsgeschiedenis, zoals de steller van het middel lijkt te suggereren, vermag ik niet in te zien.

6 De Hullu, 6e druk, p. 253; Knigge-Wolswijk, 15e druk, p. 131.

7 Kamerstukken II, 2000-2001, 27 494, nr. 5, p. 6.