Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1453

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
17/03102
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:44, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Snelheidsovertreding begaan door onbekend gebleven bestuurder van personenauto waarvan aanvrager eigenaar is, art. 62 jo. bord A1 RVV 1990 jo. 181.1 WVW 1994. Veroordeling door Ktr waarna verdachte n-o is verklaard in zijn h.b. Het aangevoerde, nl. dat aanvrager o.g.v. art. 181.3 WVW 1994 tijdig de naam en de volledige adresgegevens van de bestuurder van de op zijn naam staande auto t.t.v. de snelheidsovertreding bekend heeft gemaakt, doch dat die bekendmaking abusievelijk niet in het dossier is opgenomen op basis waarvan Ktr de beslissing heeft genomen, moet op de gronden als vermeld in de CAG worden aangemerkt als een gegeven ex art. 457.1.c Sv. CAG: In art. 181.3.c WVW 1994 is bepaald dat lid 1 van dat artikel niet geldt als de eigenaar uiterlijk tijdens tz. de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt. Uit de bijlagen bij de herzieningsaanvraag blijkt dat aanvrager zowel op een daartoe bestemd antwoordformulier als in een schrijven aan Ktr de (persoons)gegevens van de bestuurder kenbaar heeft gemaakt. Deze stukken zijn echter nooit in het strafdossier beland en dus niet onder ogen van Ktr gekomen. Aanvraag gegrond. HR verwijst zaak naar Hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03102 H

Zitting: 21 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de aanvrager bij arrest op tegenspraak op 23 maart 2017 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep1 tegen het op 13 april 2016 bij verstek gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, waarbij de aanvrager wegens overtreding van het bepaalde in artikel 62 jo. bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, gepleegd op 1 september 2014, is veroordeeld tot een geldboete van € 1.350,- subsidiair 23 dagen hechtenis met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

2. Mr. F.G.T. Meershoek, advocaat te Den Haag, heeft een aanvraag tot herziening van dat vonnis ingediend die blijkens het daarop door de griffie geplaatste stempel op 28 juni 2017 bij de Hoge Raad is binnengekomen. De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat de aanvrager, aan wie als eigenaar/houder van het motorrijtuig de straf was opgelegd, tijdig de naam en de volledige adresgegevens van de bestuurder had bekend gemaakt. De bekendmaking van de gegevens van de bestuurder ten tijde van de snelheidsovertreding door de aanvrager is abusievelijk niet in het strafdossier in eerste aanleg opgenomen, zodat de kantonrechter daarvan niet op de hoogte was en tot een veroordeling van de aanvrager is gekomen.

3. Ter staving van die stelling zijn de volgende bijlagen bij de aanvraag gevoegd:

- de aantekening mondeling arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 23 maart 2017, nummer 21-004743-16, waarin het hof de aanvrager niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep (bijlage I);

- de uitspraak van de kantonrechter van 13 april 2016, nummer 96-162863-15, waarbij de aanvrager (bij verstek) voor de snelheidsovertreding tot een geldboete en een rijontzegging is veroordeeld (bijlage II);

- een aan de aanvrager gerichte brief van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) met als titel ‘kennisgeving strafbaar feit en ontbieding verhoor’ met daar achter een door de aanvrager ingevuld en ondertekend antwoordformulier van 22 oktober 2014 gericht aan het CJIB gehecht dat inhoudt dat niet hij de bestuurder was op het moment van het strafbare feit, maar dat het voertuig op dat moment werd bestuurd door: [betrokkene 1], geboortedatum: [geboortedatum] 1992, geboorteplaats: [geboorteplaats], adres: [a-straat 1] [woonplaats], telefoonnummer: [06-001] (bijlage III);

- een tweetal brieven van 11 november 2014 van het CJIB waaruit blijkt dat het hiervoor genoemde antwoordformulier van de aanvrager op 10 november 2014 is ingekomen bij het CJIB en dat het stuk vervolgens is doorgestuurd naar de Centrale Verwerking O.M. (hierna: CVOM), de instantie waar de strafzaak van de aanvrager zich op dat moment bevond (bijlage IV);

- een brief van de aanvrager van 12 april 2016 gericht aan de griffier van de kantonrechter in de rechtbank te Utrecht, waarin de aanvrager (wederom) de gegevens van de bestuurder opgeeft, te weten: [betrokkene 1], geb. [geboortedatum] 1991, wonende aan de [b-straat 1] te [woonplaats]’, die de snelheidsovertreding zou hebben begaan (bijlage V);

- een e-mailbericht d.d. 24 maart 2017 van mr. R.T.J. van Dartel, plv. advocaat-generaal bij het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, gericht aan de raadsvrouw van de aanvrager, mr. Meershoek, waarin hij te kennen geeft dat het CJIB de beschikking heeft over een kopie van het door de aanvrager ingevulde antwoordformulier met daarop de bekendmaking van de gegevens van de bestuurder en dat het betreffende formulier op 11 november 2014 is doorgestuurd naar het CVOM, maar dat het formulier echter niet in het dossier in eerste aanleg is opgenomen op basis waarvan de kantonrechter een beslissing heeft genomen in de strafzaak tegen de aanvrager (bijlage VI).

4. De aanvrager is in eerste aanleg veroordeeld wegens een snelheidsovertreding begaan door een onbekend gebleven bestuurder van een personenauto waarvan hij, de aanvrager, eigenaar is. De mogelijkheid om in een dergelijk geval de eigenaar/houder van de auto te bestraffen is geregeld in art. 181 lid 1 WVW 1994. Ingevolge art. 181 lid 3 en onder c WVW1994 is bepaald dat lid 1 van dat artikel niet geldt als de eigenaar uiterlijk tijdens de terechtzitting de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt. Met ‘terechtzitting’ wordt gedoeld op de terechtzitting in eerste aanleg.2 Uit de bijlagen bij de herzieningsaanvraag blijkt dat de aanvrager zowel op een daartoe bestemd antwoordformulier als in een schrijven aan de kantonrechter de (persoons)gegevens van de bestuurder kenbaar heeft gemaakt. Echter, om een onverklaarbare reden zijn deze stukken nooit in het strafdossier beland en dus niet onder ogen van de kantonrechter gekomen. Een en ander levert het ernstige vermoeden op dat de kantonrechter, ware hij hiermee bekend geweest, de officier van justitie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard ter zake van het hem tenlastegelegde.3 Er is sprake van een gegeven als bedoeld in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv (een novum).

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de kantonrechter van 13 april 2016 zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden4, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op de voet van art. 472 lid 2 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De aanvrager is niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep te laat was ingesteld. De termijn voor het instellen van cassatieberoep is verlopen en de veroordeling van de aanvrager is onherroepelijk geworden. Een door de griffier ondertekende verklaring van 9 augustus 2017 dat tegen het gewezen arrest geen hogere voorziening open staat, bevindt zich in het strafdossier.

2 Vgl. HR 12 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AC2679, NJ 2000/24 en HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3568.

3 Dus niet: zou hebben vrijgesproken, zoals de aanvrager abusievelijk meent; zie HR 28 september 1999, VR 2000, 55. Voor de toepasselijkheid van herziening maakt dat geen verschil, aldus art. 457 lid 1 onder c Sv.

4 Welk gerechtshof in de strafzaak weliswaar de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft uitgesproken, maar – bij gebreke van een inhoudelijk oordeel – naar ik meen niet van de zaak heeft kennisgenomen in de zin van art. 472 lid 2 jo art. 471 lid 1 Sv.