Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1447

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
16/01341
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:40, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. Uit telefonisch contact tussen griffier Hof en advocatenkantoor blijkt dat zittingsdatum h.b. onjuist is aangetekend in kantooragenda, dat raadsman langdurig ziek is en zijn zaken heeft overgedragen maar dat niet kan worden gezegd aan wie, terwijl uit aan cassatieschriftuur gehechte stukken volgt dat raadsman is geschrapt als advocaat. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/01340.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01341

Zitting: 3 oktober 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 23 februari 2016 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 mei 2014. Daarbij is de verdachte wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen” bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, subsidiair twaalf dagen hechtenis.

  2. Deze zaak hangt samen met een andere strafzaak tegen de verdachte (nr. 16/01340), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Uit de toelichtingen op het eerste middel en het tweede middel leid ik af dat deze zich richten zich tegen het oordeel van het hof dat verstek kan worden verleend tegen de verdachte en dat de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte kan worden afgedaan. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

  5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

(i) De kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij vonnis van 9 mei 2014 de verdachte bij verstek veroordeeld ter zake van onverzekerd rijden.

(ii) Namens de verdachte is op 9 november 2015 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. Aan de appelakte is een brief van mr. P.M.J. Graus, advocaat te Heerlen, van 5 november 2015 gehecht, die is aangemerkt als een schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep. In deze brief heeft mr. Graus voorts verzocht om toezending van het dossier teneinde dit te kunnen bestuderen en bespreken met de verdachte en gelet op het feit dat hij nog een appelmemorie moet opstellen. Op de appelakte is handgeschreven aangetekend dat op 9 november 2015 een kopie van de akte en een grievenformulier naar mr. Graus zijn gestuurd. De appelakte vermeldt geen adres van de verdachte (“vertrokken, onbekend waarheen”).1

(iii) Op 9 december 2015 zijn door het hof afschriften van de processtukken verzonden naar mr. Graus. In de begeleidende brief van de griffier van het hof is opgemerkt dat mr. Graus als raadsman zal optreden in de zaak tegen de verdachte.

(iv) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 23 februari 2016 is op 22 december 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Oost Brabant, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Daarbij is voldaan aan de zogenoemde VIP-controle, aangezien uit de ID-staat SKDB van 22 december 2015 betreffende de verdachte blijkt dat de verdachte niet was gedetineerd en dat van hem geen GBA-adres2 bekend was.3 Aan de appeldagvaarding is een kopie van een brief gehecht van de advocaat-generaal bij het hof van 22 december 2015, gericht aan mr. Graus, inhoudende dat de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte zal plaatsvinden op 23 februari 2016 om 13:30 uur.

(v) Een tweede appeldagvaarding is op 14 januari 2016 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte ([a-straat 1] in [plaats]), zoals aangetekend in de ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 20 januari 2016 en 22 december 2015 (datum registratie 11 december 2015). Ook aan deze appeldagvaarding is een kopie van een brief gehecht van de advocaat-generaal bij het hof van 22 december 2015, gericht aan mr. Graus, inhoudende dat de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte zal plaatsvinden op 23 februari 2016 om 13:30 uur.

(vi) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2016, is noch de verdachte noch een raadsman verschenen. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

“De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek teneinde de griffier in de gelegenheid te stellen contact op te nemen met het kantoor van mr. P.M.J. Graus.

De voorzitter hervat de onderbroken zitting en deelt mede dat de griffier tot tweemaal toe telefonisch contact heeft opgenomen met het kantoor van mr. Graus. Aan de griffier is medegedeeld dat mr. Graus langdurig ziek is en dat hij zijn zaken heeft overgedragen. Er kon door de medewerker geen antwoord worden gegeven op de vraag aan wie de zaak is overgedragen. De medewerker heeft voorts medegedeeld dat de behandeling van de onderhavige zaak in de agenda staat gepland voor 27 februari 2016, zijnde een zaterdag. Er is namens mr. Graus geen aanhoudingsverzoek gedaan.

De voorzitter stelt voorts vast dat mr. Graus weliswaar namens verdachte hoger beroep heeft ingesteld, maar dat hij zich formeel niet heeft gesteld in hoger beroep.

De voorzitter verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte wordt voortgezet.”

(vii) Vervolgens heeft het hof op diezelfde datum uitspraak gedaan en de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

6. Indien de appeldagvaarding van de verdachte, van wie een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, rechtsgeldig is betekend en noch de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, kan het hof - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.4

7. Wanneer door of namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, dienen justitiële autoriteiten rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Gelet daarop mag van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijke verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman, die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd, opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.5

8. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, zodat hij op de hoogte was van de tegen hem lopende vervolging en de voortzetting daarvan. De appeldagvaarding is op 14 januari 2016 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op de woon- of verblijfplaats van de verdachte, zoals vermeld in de ID-staten SKDB betreffende verdachte van 20 januari 2016 en 22 december 2015. Aldus is de appeldagvaarding overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 2°, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder c, Sv, rechtsgeldig betekend. De stukken van het geding houden niet in dat door of namens de verdachte aan het openbaar ministerie dan wel aan de rechtbank of het hof een ander adres is medegedeeld met het oog op de betekening van gerechtelijke mededelingen, terwijl de verdachte ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding en ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep niet stond ingeschreven in de GBA. Op 22 december 2015 zijn door de advocaat-generaal bij het hof kennisgevingen gedaan aan de raadsman van de verdachte ten aanzien van de zittingsdatum in hoger beroep. De verdachte is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen. Op die terechtzittingen is namens hem evenmin een (gemachtigde) raadsman verschenen. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat door of namens de verdachte een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak in hoger beroep is gedaan.

9. De zaak vertoont enige gelijkenis met HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:118, NJ 2017/118. In die zaak was de verdachte eveneens opgekomen tegen een verstekvonnis, waren de verdachte en zijn raadsvrouwe niet ter terechtzitting verschenen en had het hof telefonisch navraag gedaan en van de secretaresse van de raadsvrouwe van de verdachte vernomen dat de datum van de terechtzitting in de agenda verkeerd was genoteerd, met daaraan gekoppeld het verzoek de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden. Het hof had verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en was met de behandeling van de zaak voortgegaan, waaruit de Hoge Raad afleidde dat het aanhoudingsverzoek ongemotiveerd was afgewezen. Mede in het licht van het recht op verdediging van de verdachte, had het hof de afwijzing van een motivering moeten voorzien. De Hoge Raad casseerde. De zaken onderscheiden zich in verschillende opzichten van elkaar. Belangrijk verschil is dat uit de mededelingen van de secretaresse in de laatstgenoemde zaak de wens tot het voeren van de verdediging ter terechtzitting naar voren kwam. Daarbij behartigde de secretaresse de belangen van de raadsvrouwe en van de verdachte die de raadsvrouwe bijstond. Dat ligt in de onderhavige zaak anders. Door de medewerker van het kantoor van mr. Graus werd immers (a) meegedeeld dat de zaken van mr. Graus waren overgedragen, (b) meegedeeld dat geen antwoord kon worden gegeven op de vraag aan wie de onderhavige zaak was overgedragen en (c) geen aanhoudingsverzoek gedaan. Een aanhoudingsverzoek laat zich in de gegeven constellatie ook moeilijk denken, omdat niet duidelijk was wie de belangen van de verdachte op dat moment behartigde. De vraag rijst wat van het hof kan worden verwacht in een geval waarin onbekend is wie de advocaat is aan wie de zaak zou zijn overgedragen en waarin dus kennelijk taal noch teken van een andere advocaat is vernomen. De foutieve vermelding van de zittingsdatum in de agenda maakt zulks niet anders. Indien de zaak daadwerkelijk zou zijn overgedragen, zou de juiste zittingsdatum voor de opvolgend raadsman kenbaar zijn geweest en was het hof niet gehouden aan de omstandigheid dat in de agenda van mr. Graus kennelijk de verkeerde datum stond genoteerd gevolgtrekkingen te verbinden. Ook de in de cassatieschriftuur vermelde en met stukken onderbouwde omstandigheid dat de raadsman bij beslissing van de raad van discipline van 4 januari 2016 is geschrapt als advocaat en dat deze beslissing is bevestigd bij beslissing van het hof van discipline van 11 juli 2016, maakt dat niet anders.6 Aan het hof was immers ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep kenbaar gemaakt dat mr. Graus de behandeling van de zaak had overgedragen aan een ander.

10. In het licht van het voorgaande meen ik dat het hof op goede gronden en toereikend gemotiveerd verstek heeft verleend tegen de verdachte en de zaak buiten zijn aanwezigheid heeft afgedaan.

11. Het had immers op de weg van de verdachte gelegen om tijdig op zoek te gaan naar een andere raadsman dan wel zelf te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep indien zijn raadsman niet of onvoldoende opkwam voor zijn belangen. Anders dan in de toelichting op het tweede middel wordt betoogd, rustte er op het hof geen plicht om de verdachte “tegen zijn eigen advocaat in bescherming te nemen” door de zaak aan te houden indien de raadsman van de verdachte de belangen van de verdachte niet naar behoren zou hebben behartigd.

12. Ten slotte merk ik nog op dat hetgeen aan het slot van de toelichting op het eerste middel wordt opgemerkt ten aanzien van de vaststelling van (de voorzitter van) het hof dat mr. Graus zich formeel niet heeft gesteld als raadsman van de verdachte in hoger beroep, geen zelfstandige cassatieklacht bevat. Een stellige en duidelijke klacht ten aanzien van het voorschrift van art. 51, tweede volzin, (oud) Sv7 kan ik daarin niet ontwaren. In het middel en in (de rest van) de toelichting daarop wordt uitsluitend geklaagd over de schending van het aanwezigheidsrecht en over de omstandigheid dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte. Daarin wordt niet betoogd dat de raadsman van de verdachte in strijd met art. 51, tweede volzin, (oud) Sv geen afschrift van de appeldagvaarding zou hebben ontvangen. Gelet hierop kan het antwoord op de vraag of de bijzondere volmacht van mr. Graus van 5 november 2015, in samenhang bezien met zijn brief van 19 november 2015, in het licht van de omstandigheid dat de griffier van het hof op de terechtzitting in hoger beroep telefonisch contact heeft opgenomen met het advocatenkantoor van mr. Graus, kan worden aangemerkt als een stuk aan de rechter of een andere justitiële autoriteit waaruit kan blijken dat de verdachte voor de procedure in hoger beroep was voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, in het midden blijven. Daarbij wijs ik er ten overvloede nog op dat uit de hiervoor onder 5 weergegeven inhoud van de stukken van het geding kan worden afgeleid dat aan voornoemd voorschrift is voldaan, aangezien op 22 december 2015 door de advocaat-generaal bij het hof kennisgevingen aan mr. Graus zijn gedaan ten aanzien van de dag en het tijdstip van de terechtzitting in hoger beroep.8

13. De middelen falen.

14. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

15. Het hof heeft de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe heeft het hof overwogen dat de verdachte noch binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter heeft ingediend en dat het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.

16. Ingevolge art. 416, tweede lid, Sv kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg heeft opgegeven.

17. De wetsgeschiedenis9 leert het volgende over de strekking van deze wetsbepaling. Vanwege het karakter van het appel als voortgezette instantie en uit een oogpunt van de inzet van beperkte (overheids-)middelen en mensen mag van de verdachte een actieve proceshouding worden gevergd. Van de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, mag worden verwacht dat hij duidelijk maakt welke bezwaren hij heeft tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis. Voorts dient de appelrechter de bevoegdheid te hebben bij het ontbreken van weerwoord van de kant van de verdachte het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De appelrechter is daartoe evenwel niet verplicht. Deze dient de ruimte te hebben - indien hij dat noodzakelijk acht - toch onderzoek te verrichten en ambtshalve geconstateerde fouten te herstellen.

18. Voorts dient bij de beoordeling van het middel het volgende te worden vooropgesteld. De beslissing zoals bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv is in hoge mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat diens oordeel in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.10

19. Het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter is namens de verdachte ingesteld, terwijl zich bij de stukken van het geding geen appelschriftuur met grieven tegen dit vonnis van de verdachte of diens raadsman bevindt. Bij de bespreking van de eerste twee middelen heb ik geconstateerd dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. Op de terechtzitting in hoger beroep is noch de verdachte noch een raadsman verschenen. Gelet hierop staat vast dat dat de verdachte niet tijdig een schriftuur houdende grieven heeft ingediend en evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Aangezien het hof evenmin ambtshalve redenen heeft gezien voor een inhoudelijke beoordeling van de zaak, heeft het hof de verdachte met inachtneming van de juiste maatstaf en toereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Tot een nadere motivering was het hof in het licht van hetgeen hiervoor onder 18 is vooropgesteld niet gehouden.11

20. Anders dan de steller van het middel betoogt, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de raadsman van de verdachte in zijn aan de appelakte gehechte brief van 5 november 2015, die is aangemerkt als een schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep, heeft verzocht om toezending van het dossier teneinde dit te kunnen bestuderen en te bespreken met de verdachte en gelet op het feit dat hij nog een appelmemorie moest opstellen. Uit de hiervoor - bij de bespreking van de eerste twee middelen - onder 5 weergegeven inhoud van de stukken van het geding blijkt immers dat op 9 december 2015 door de griffer van het hof afschriften van de processtukken zijn verzonden naar de raadsman en dat op 22 december 2015 door de advocaat-generaal bij het hof kennisgevingen aan de raadsman zijn gedaan ten aanzien van de dag en het tijdstip van de terechtzitting in hoger beroep. Deze toezending heeft niet geresulteerd in de indiening van een appelmemorie.

21. Het middel faalt.

22. De middelen falen, terwijl het derde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep vermeldt evenmin een adres van de verdachte. De daarin opgenomen opmerking dat verdachte “voor zover vereist en mogelijk domicilie kiest” bij zijn raadsman, kan niet als een adresopgave worden aangemerkt.

2 Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP). Omdat in de stukken van het geding de oude terminologie wordt gebruikt, volg ik die aanduiding.

3 De verdachte is met ingang van 13 februari 2014 vertrokken onbekend waarheen.

4 Vgl. HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2522, NJ 2006/510, rov. 3.3 (eerste alinea), HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6209, NJ 2006/298, rov. 4.3 (eerste alinea) en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.33 en 3.34.

5 Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:476, NJ 2017/207, rov. 2.5, HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, NJ 2014/351, rov. 2.6.1, HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2522, NJ 2006/510, rov. 3.3 (tweede alinea), HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6209, NJ 2006/298, rov. 4.3 (tweede alinea) en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.36 en 3.37.

6 Aan de cassatieschriftuur zijn de volgende stukken gehecht: (i) een beslissing van het hof van discipline van 11 juli 2016, nr. 160025, ECLI:NL:TAHVD:2016:137; en (ii) een nieuwsbericht op de nieuwssite voor de advocatuur “Advocatie” (http://www.advocatie.nl/ook-hof-van-discipline-schrapt-dove-advocaat-graus-van-tableau) betreffende de schrapping van mr. Graus. Uit de Landelijke Advocaten Tabel (http://lat.rechtspraak.minjus.nl) blijkt dat mr. P.M.J. Graus met ingang van 13 juli 2016 (definitief) is geschrapt als advocaat. Dit correspondeert met de beslissing van de raad van discipline in deze tuchtzaak van 4 januari 2016, nrs. 15-303/DB/L/D, 15-369/DB/L/D en 15-459/DB/L/D, ECLI:NL:TADRSHE:2016:12, inhoudende dat aan verweerder de maatregel van schrapping is opgelegd, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing. Gelet hierop is de schrapping pas na de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep ingegaan.

7 Met ingang van 1 maart 2017 is dit voorschrift opgenomen in art. 48 Sv (Stb. 2016, 476, in verbinding met Stb. 2017, 66).

8 Vgl. ten aanzien van kennisgevingen van de advocaat-generaal bij het hof aan de raadsman van de verdachte, gevolgd door telefonisch contact tussen de griffier van het hof en (het advocatenkantoor van) de raadsman op de zitting en de vraag of is voldaan aan het voorschrift van art. 51 (oud) Sv: HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:118 en HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9218.

9 Zie de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 11-13 en 51) en de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 6, p. 9) bij de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470).

10 Vgl. HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9208, rov. 2.3, HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5169, NJ 2012/353, rov. 2.4.2 en HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0910, NJ 2010/88, rov. 2.7.2.

11 Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:2017:976, rov. 3 en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:738, NJ 2016/251, rov. 3.