Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1445

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
16/01129
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:38, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht, dubbel verstek. Vermelding kantooradres raadsvrouwe, zoals opgenomen in aan schriftuur gehechte brief aan Hof met verzoek om toezending dossier, aan te merken als adresopgave a.b.i. art. 588a.1.c Sv? Falende klacht dat Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen niet-verschenen verdachte, aangezien i.s.m. art. 588a.1.c. Sv geen afschrift van appeldagvaarding is verzonden naar kantooradres. Opvatting waarop klacht berust, nl. dat indien een raadsman van een verdachte aan de griffie van het gerecht schriftelijk heeft verzocht om toezending van een afschrift van het procesdossier en aldus zijn kantooradres heeft opgegeven, dat adres heeft te gelden als adres waaraan o.g.v. art. 588a.1.c Sv een afschrift van de appeldagvaarding dient te worden gezonden, vindt geen steun in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:2017:3190). CAG (anders): Leest in middel een slagende klacht over art. 51 (oud) Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01129

Zitting: 21 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 september 2015 de verdachte wegens ‘overtreding van het bepaalde bij artikel 20, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990’, veroordeeld tot een geldboete van € 850,-, subsidiair 17 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. L. van Poucke, advocaat te Best, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

  3. Het eerste middel

3.1. Het eerste middel beoogt kennelijk mede te klagen over de omstandigheid dat er geen afschrift van de appeldagvaarding is verzonden aan de raadsvrouw van de verdachte, zodat het voorschrift van art. 51 (oud)1 Sv niet is nageleefd.

3.2. De stukken van het geding houden, voor zover van belang, het volgende in:

(i) Blijkens een akte van uitreiking is de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 oktober 2014 op 11 september 2014 uitgereikt aan [betrokkene 1] (een huisgenoot van de verdachte), die zich op het (toenmalige) GBA-adres2 ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’ van de verdachte bevond;

(ii) De inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft op 17 oktober 2014 plaatsgevonden. De verdachte was niet ter terechtzitting verschenen en tegen hem is verstek verleend. De kantonrechter heeft op diezelfde datum mondeling vonnis gewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld;

(iii) Blijkens een akte van uitreiking is een mededeling uitspraak van het vonnis van de kantonrechter van 17 oktober 2014 op 17 november 2014 uitgereikt aan [betrokkene 1] (een huisgenoot van de verdachte) op het (toenmalige) GBA-adres van de verdachte ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’;

(iv) Een door de griffier opgemaakte ‘Akte instellen hoger beroep’, inhoudende dat op 25 november 2014 [betrokkene 2] , ambtenaar bij de griffie van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, ter griffie van die rechtbank is gekomen en, daartoe blijkens een bijzondere volmacht van een advocaat schriftelijk gemachtigd, namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 17 oktober 2014;

(v) Een schrijven ondertekend door mw. mr. S.H.J. Raessens, advocaat te Helmond, gericht aan de rechtbank Limburg, gedateerd 8 december 2014, inhoudende:
“Geachte heer, mevrouw,
Bijgaand treft u het grievenformulier in opgemelde zaak. Ik verwijs u naar de inhoud hiervan.”
Aan dit schrijven is als bijlage bevestigd een "Grievenformulier Hoger Beroep." Het schrijven is blijkens een daarop geplaatst stempel op 11 december 2014 bij de centrale balie van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, ingekomen en vervolgens doorgestuurd naar het hof te ’s‑Hertogenbosch. Bedoeld schrijven is aldaar op 16 december 2014 binnengekomen. Het als bijlage opgenomen grievenformulier staat op naam van de verdachte en vermeldt als adres van de verdachte ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’. Op het formulier is aangekruist dat de verdachte onder meer om de volgende redenen in hoger beroep komt: ‘niet op de hoogte van datum’, ‘onschuldig, niet bestuurder voertuig’ en voorts ‘grote gevolgen voor eigen onderneming door OBM’. Onder de kop ‘andere opmerkingen’ is nog vermeld: ‘nadere toelichting van cliënt kan worden gegeven na ontvangst dossier. Aangevraagd op 24 november 2014, tot op heden niet ontvangen’. Uit de handtekening onderaan dit formulier kan worden afgeleid dat het formulier op 8 december 2014 is ingevuld en ondertekend door mr. S.H.J. Raessens;

(vi) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2015 te 10.00 uur is op 24 augustus 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, aangezien van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Voorts is de appeldagvaarding op 27 augustus 2015 tevergeefs aangeboden op het laatst bekende GBA-adres van verdachte ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’ en vervolgens op 3 september 2015 nogmaals uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Bovendien is op 3 september 2015 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar voornoemd adres in [plaats] ;

(vii) De aan de dagvaarding in hoger beroep gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 24 augustus 2015 en 3 september 2015 houden in dat de verdachte niet is gedetineerd, dat hij met ingang van 20 juni 2015 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”), vanaf 6 november 2009 tot 18 maart 2015 in de GBA stond ingeschreven op het adres ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’, en dat hij vanaf 18 maart 2015 tot 20 juni 2015 niet stond ingeschreven in de GBA (‘adres: Onbekend’);

(viii) De verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2015. Het hof heeft verstek verleend tegen de verdachte en na de behandeling van de zaak heeft het hof het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan;

(ix) Een brief van mr. L. van Poucke aan de strafgriffie van het hof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2016, ingekomen ter strafgriffie van het hof op 21 januari 2016, die de mededeling inhoudt dat de verdachte zich tot haar heeft gewend en dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 17 oktober 2014. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om toezending van een kopie van het procesdossier van de zaak. Op deze brief is met pen bijgeschreven ’10-2 stukken verzonden’;

(x) Een brief d.d. 10 februari 2016 van de griffier van het hof 's-Hertogenbosch gericht aan mr. L. van Poucke, waaruit blijkt dat een kopie van de gevraagde stukken in de strafzaak tegen de verdachte naar de raadsvrouw is opgestuurd;

(xi) De mededeling uitspraak is op 25 november 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Blijkens een proces-verbaal (van betekening vonnis in persoon) van 17 maart 2016 opgemaakt door verbalisant [verbalisant] is op die datum aan de verdachte in persoon medegedeeld dat hij 25 september 2015 bij arrest van het hof is veroordeeld;

(xii) Een door de griffier opgemaakte ‘Akte cassatie’, inhoudende dat op 12 februari 2016 [betrokkene 3] , administratief ambtenaar bij de griffie van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, ter griffie van dat hof is gekomen en, daartoe blijkens een bijzondere volmacht van een advocaat schriftelijk gemachtigd, namens de verdachte cassatieberoep heeft ingesteld tegen het arrest van 25 september 2015.

3.3. Aan de cassatieschriftuur is nog gehecht een brief van 8 december 2014 van mr. S.H.J. Raessens gericht aan het hof, waarin melding wordt gemaakt dat de verdachte zich tot haar heeft gewend, dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 17 oktober 2014 en wordt verzocht om toezending van een kopie van het procesdossier. In het dossier heb ik deze brief niet aangetroffen. Aangezien geen bewijsstuk is overgelegd waaruit blijkt dat deze (stel)brief daadwerkelijk naar het hof is toegezonden (bijv. een fax-verzendrapport) en dat zulks ook anderszins niet blijkt, laat ik dit stuk verder buiten beschouwing.

3.4. Bij de beoordeling van een klacht omtrent de toepassing van art. 51 (oud) Sv moet het volgende worden vooropgesteld. De regeling van art. 39 (oud) Sv3 moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend.4 De appelakte is niet als een dergelijk stuk aan te merken. Uit de enkele omstandigheid dat namens de verdachte door een advocaat een rechtsmiddel is ingesteld, kan immers niet worden afgeleid, dat die advocaat de verdachte ook bij de daarop volgende behandeling zal bijstaan.5 Het indienen van een appelschriftuur, geldt wel als een dergelijk stuk, aangezien deze een onderdeel vormt van de verdediging in hoger beroep. Uit de omstandigheid dat een advocaat namens de verdachte een appelschriftuur heeft ingediend, kan worden afgeleid dat die advocaat in hoger beroep als raadsman van de verdachte zal optreden.6

3.5. Uit de hiervoor onder 3.2. aangehaalde stukken kan worden afgeleid dat zowel de inleidende dagvaarding als de appeldagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend maar dat geen afschrift van de appeldagvaarding is verzonden aan de raadsvrouw van de verdachte. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat dit niet is gebeurd.

3.6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 september 2015 houdt voor zover van belang het volgende in:

“Het hof doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte genaamd:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,

is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De voorzitter houdt voor het grievenformulier dat namens verdachte is ingediend. Daaruit blijkt dat verdachte meent ten onrechte te zijn veroordeeld en de straf te zwaar te acht.

(…)”

3.7. Vervolgens is de verdachte door het hof bij verstek veroordeeld. Uit het zojuist geciteerde proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 september 2015 kan worden afgeleid dat het namens de verdachte ingediende grievenformulier zich in het ter beschikking van het hof staande dossier bevond. Zoals hiervoor onder 3.2 sub (v) is beschreven, heeft de raadsvrouw van de verdachte op dit grievenformulier namens de verdachte de redenen van hoger beroep opgegeven en het formulier ondertekend. Hoewel het formulier niet binnen de in art. 410 lid 1 Sv genoemde termijn van veertien dagen bij de rechtbank is ingekomen, stond het het hof vrij, zonder aan de termijnoverschrijding enig gevolg te verbinden, acht te slaan op het ingediende grievenformulier, hetgeen het hof op de terechtzitting in hoger beroep ook heeft gedaan.

3.8. Aldus is naar ik meen sprake van “enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten [waaruit] kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman.”7 Dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend. In de jurisprudentie van de Hoge Raad heb ik niet eenzelfde geval, dus waar het ging om een namens de verdachte ingediend grievenformulier, aangetroffen. Wel is een sterke parallel aanwezig met de gevallen waarin een appelschriftuur door een raadsman was ingediend. In ander verband overwoog de Hoge Raad dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld, zodat een namens de verdachte ingevuld grievenformulier, waarop de redenen voor het hoger beroep zijn aangegeven, kan worden aangemerkt als een appelschriftuur als bedoeld in art. 416 lid 2 Sv.8 Ook in het onderhavige geval is er dus sprake van enig stuk waaruit het hof had moeten afleiden dat zich in hoger beroep een raadsman had gesteld.9 Derhalve is ten onrechte geen afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar mr. Raessens. Aldus is het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet nageleefd. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep lijdt aan (substantiële) nietigheid.

3.9. Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.

3.10. Het tweede middel - waarin wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg alsmede in de hoger beroepsfase - kan bij deze stand van zaken buiten bespreking blijven. Mocht de Hoge Raad ten aanzien van het eerste middel tot een ander oordeel komen dan ik, dan heb ik geen behoefte om nader te concluderen ten aanzien van dit tweede middel, aangezien de daarin vervatte klachten naar mijn mening evident ongegrond zijn.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Thans art. 48 Sv; zie de wet van 17 november 2016, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen (Stb. 2016, 476) in werking getreden op 1 maart 2017.

2 Huidige benaming: BRP-adres.

3 Thans neergelegd in art. 38 lid 5 en art. 40 lid 2 Sv.

4 Vgl. o.a. HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1072, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, rov. 2.5. en HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182.

5 Vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, r.o. 3.3. N.B.: een verzetschrift tegen de strafbeschikking geldt niet als een dergelijk stuk, zie HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2256.

6 Vgl. o.m. de conclusie van AG Knigge (ECLI:NL:PHR:2012:BY4303) vóór HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303.

7 Vgl. het hierboven onder 3.4 reeds genoemde arrest HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182.

8 Vgl. HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1454, HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4306, HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3194, en de conclusie van AG Knigge (ECLI:NL:PHR:2011:BP0079, rov. 8) vóór HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0079.

9 Ik wijs in dit verband op de aanscherping door de Hoge Raad van de stelplicht van de raadsman in het kader van de op 1 maart 2017 in werking getreden wet van 17 november 2016, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen (Stb. 2016,476). Het recente arrest van 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250 bevat een uitvoerige verhandeling dienaangaande. Voor de onderhavige zaak gelden echter nog de oude bepalingen: art. 39 (oud) en 51 (oud) Sv.