Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1443

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-10-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
16/03916
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:36, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Medeplegen (poging tot) moord (meermalen gepleegd). Schietpartij met automatische vuurwapens buiten de aankomsthal van luchthaven Hato in Curaçao, waarbij twee personen om het leven zijn gekomen en meerdere omstanders gewond zijn geraakt. Tijdens de vlucht is met automatische vuurwapens op een achtervolgende politieauto geschoten. Falende klachten over afwijzing getuigenverzoeken, motivering medeplegen en motivering voorbedachte raad en opzet. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/02331A en /1602332 A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03916 A

Zitting: 31 oktober 2017

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft bij vonnis van 28 april 2016, met aanvulling van gronden,1 het strafvonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 2015 bevestigd. Bij dat vonnis van 18 juni 2015 was de verdachte vrijgesproken ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en veroordeeld ter zake van 1. primair en 2. primair “medeplegen van moord, strafbaar gesteld bij artikel 2:262 in verbinding met artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd”, 3. primair “medeplegen van poging tot moord, strafbaar gesteld bij artikel 2:262 in verbinding met de artikelen 1:119 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd”, 5. “medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, strafbaar gesteld bij artikel 2:334 in verbinding met artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht” en 6. “overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930, strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze verordening, meermalen gepleegd”. Het gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het gerecht in eerste aanleg van Curaçao de onttrekking aan het verkeer van een vuurwapen en acht scherpe patronen bevolen en heeft het de vorderingen van negen benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader omschreven in het bevestigde strafvonnis.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/02331 A ( [medeverdachte 3] ) en 16/02332 A ( [medeverdachte 1] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het gaat in deze zaak om een schietpartij met automatische vuurwapens net buiten de aankomsthal van de internationale luchthaven Hato te Curaçao. Naast het beoogde slachtoffer is een tweede persoon om het leven gekomen en zijn er meerdere omstanders gewond geraakt. Voorts is een taxi door kogels beschadigd. Tijdens de vlucht is met automatische vuurwapens op een achtervolgende politieauto geschoten. De verdachte wordt door het Hof gehouden voor de bestuurder van de zwarte Kia Sportage, waarin de twee schutters waren gezeten.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft besloten tot afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek “tot het horen van een aantal getuigen, onder wie drie opsporingsambtenaren en twee zaaksofficieren van justitie, en/of het verzoek tot het overleggen van stukken betreffende alle strafdocumentatie en optredens van medeverdachten/getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] als getuige in andere onderzoeken en stukken die betrekking hebben op de vraag of voormelde getuigen ooit voor valsheid in geschrift, geweldsdelicten en/of meineed zijn vervolgd”.

6. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat de klacht ziet op de afwijzing van het verzoek de (tien) getuigen [getuige 1] , [getuige 4] , [getuige 3] , [getuige 5] , [getuige 2] , [getuige 10] , [getuige 11] , [getuige 8] , [getuige 9] en [getuige 7] te horen.2 Voorts leid ik daaruit af dat het verzoek tot het overleggen van stukken mede ziet op documenten betreffende (kort gezegd) contacten en afspraken met verdachten, getuigen en/of familieleden.3

7. De met dit middel bestreden beslissingen zijn opgenomen in ‘s Hofs eindvonnis van 28 april 2016. Ik lees het middel zo dat het zich niet tevens richt tegen de beslissingen die het Hof heeft genomen bij tussenvonnis van 19 november 2015 naar aanleiding van de onderzoekswensen die de verdediging heeft geformuleerd op de regiezitting van 30 oktober 2015, met inbegrip van het horen van tien getuigen.4

Het is terecht dat het middel niet opkomt tegen de beslissingen die zijn opgenomen in dit tussenvonnis. Bij aanvang van de zittingen van 7 en 8 april 2016 heeft het Hof het onderzoek namelijk wegens een gewijzigde samenstelling opnieuw aangevangen. Wat betreft de zittingen in hoger beroep meldt het eindvonnis van 28 april 2016 dan ook met zoveel woorden dat het is gewezen naar aanleiding van de terechtzittingen van 7 en 8 april 2016, en dus niet naar aanleiding van die van 30 oktober 2015. Bij gebreke van een bepaling in het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (SvC)5 waarvan de strekking overeenkomt met die van art. 322, vierde lid Sv, bouwt het bestreden vonnis van 28 april 2016 niet voort op de beslissingen die in het tussenvonnis zijn vastgelegd.6 Het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting betekent dat hetgeen op c.q. naar aanleiding van de eerdere terechtzitting heeft plaatsgehad, in beginsel betekenis verliest voor het door het Hof te wijzen vonnis.7 Indien de verdediging op de door haar ter zitting van 30 oktober 2015 voorgedragen onderzoekswensen een in cassatie toetsbare beslissing wilde verkrijgen, had zij die verzoeken dienen te herhalen op de terechtzittingen van 7 en 8 april 2016.

8. Daarmee rijst de vraag of de verdediging haar verzoeken tot het oproepen van getuigen en het overleggen van documenten op de terechtzittingen van 7 en 8 april 2016 metterdaad aan het Hof heeft voorgelegd. Dat antwoord zou bevestigend luiden indien het vonnis van 28 april 2016 ter zake de enige kenbron zou zijn. Ofschoon de verdediging op de regiezitting van 30 oktober 2015 nog had verzocht om de oproeping van (slechts) tien getuigen, motiveert het Hof in het bestreden vonnis (naar aanleiding van de zittingen van 7 en 8 april 2016) onder meer zijn afwijzing van het verzoek tot oproeping van maar liefst veertien getuigen.8

9. Het opmerkelijke is echter dat noch het proces-verbaal van de terechtzittingen van 7 en 8 april 2016, noch de op die terechtzitting overgelegde pleitnota blijk geeft van een (voorwaardelijk) herhaald verzoek tot het horen van de veertien, althans tien getuigen en net zo min van een herhaald verzoek tot het aanvullen van het procesdossier met bescheiden betreffende contacten en afspraken van openbaar ministerie en politie met verdachten, getuigen en/of familieleden, en anderszins. Weliswaar heeft de raadsvrouw bij pleidooi op de zitting van 8 april 2016 verwezen naar passages uit de pleitnota’s van 29 mei 2015 (eerste aanleg) en de pleitnota van 30 oktober 2015 (regiezitting),9 doch dat betreft telkens passages die in het pleidooi op de terechtzitting van 8 april 2016 kennelijk strekten ter onderbouwing van de door de verdediging gevoerde bewijsverweren aangaande de (on)betrouwbaarheid van de besproken getuigenverklaringen. Naar de uitdrukkelijke verzoeken tot het (doen) oproepen en horen van die getuigen, zoals nog wél opgenomen in de pleitnota’s van 29 mei 2015 (eerste aanleg) en de pleitnota van 30 oktober 2015 (regiezitting), wordt nou juist niet verwezen.

10. Het proces-verbaal van de zitting vormt in beginsel de enige kenbron van het ter zitting voorgevallene.10 De vraag is daarmee of bij discrepantie tussen het proces-verbaal van de terechtzitting enerzijds en het mede naar aanleiding van die terechtzitting gewezen vonnis anderzijds een uitzondering moet worden gemaakt op dit zo-even omschreven beginsel, waarbij het vonnis alsdan zou moeten prevaleren. Een dergelijk vertrekpunt komt mij echter niet houdbaar voor. In dat geval zou er van het beginsel namelijk niets overblijven. Daar komt nog eens bij dat het er alle schijn van heeft dat in het vonnis van 28 april 2016 de weergave van de afwijzende beslissing die in dit middel wordt aangevochten niets meer is dan een kopieerabuis van een passage die afkomstig is uit de vonnissen in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , in welke zaken op de zittingen van 7 en 8 april 2016 (inderdaad) om het verhoor van veertien getuigen is verzocht.

11. Kortom, op basis van het proces-verbaal van de terechtzittingen van 7 en 8 april 2016 (met bijlagen) moet worden aangenomen dat de verdediging aldaar niet de onderzoekswensen heeft voorgedragen waarop in het middel wordt voortgeborduurd. Voor de bestreden afwijzende beslissing is dus geen basis. Daardoor mist het middel feitelijke grondslag.

12. Het eerste middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaringen van het onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5 tenlastegelegde11 ten aanzien van het ‘medeplegen’ ontoereikend heeft gemotiveerd. Het middel valt blijkens de toelichting daarop uiteen in drie onderdelen.

14. Het Hof heeft, met aanvulling van gronden, het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 2015 bevestigd. Het gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft, voor zover hier van belang, ten laste van de verdachte bewezenverklaard:

“feit 1 primair:

dat hij op 15 juli 2014, te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade,

[slachtoffer 8]

van het leven heeft beroofd, immers hebben zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met automatische vuurwapens een of meerdere (gerichte) schoten gelost op en/of in de richting van (het lichaam van) [slachtoffer 8] , tengevolge waarvan [slachtoffer 8] meerdere verwondingen heeft opgelopen en [slachtoffer 8] aan die verwondingen is overleden.

feit 2 primair:

dat hij op 15 juli 2014, te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, en met voorbedachten rade,

[slachtoffer 9] ,

van het leven heeft beroofd, immers hebben zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met automatische vuurwapens een of meerdere schot(en) gelost op en/of in de richting van (het lichaam van) [slachtoffer 9] , tengevolge waarvan [slachtoffer 9] een verwondingen heeft opgelopen en [slachtoffer 9] aan die verwondingen is overleden.

feit 3 primair:

dat hij op 15 juli 2014, te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade,

[slachtoffer 1] , en

[slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] en

[slachtoffer 5] en

[slachtoffer 6] en

[slachtoffer 7] ,

van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, zijn mededaders, met automatische vuurwapens een of meerdere schot(en) gelost in de richting van meerdere personen, tengevolge waarvan een of meerdere kogel(s) en/of kogelfragment(en) die,

[slachtoffer 1] , en

[slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] en

[slachtoffer 5] en

[slachtoffer 6] en

[slachtoffer 7] ,

in de arm en/of de elleboog en/of de voet en/of been, en/of thorax en/of knie en/of heup, heeft/hebben getroffen,

zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf niet voltooid.

feit 5:

dat hij op 15 juli 2014, te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk, een motorrijtuig (dat als taxi wordt gebruikt), toebehorende aan [betrokkene 2] , heeft beschadigd, door toen en aldaar, drie ruiten en het voorportier en een band en de stoelen van eerdergenoemde motorrijtuig met een of meerdere kogel(s) afkomstig uit een of meerdere automatische vuurwapen(s) te perforeren.”

15. Deze bewezenverklaringen steunen op de bewijsmiddelen zoals opgenomen onder het kopje “6.A Bewijsmiddelen” in het strafvonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 201512 en het bewijsmiddel zoals opgenomen onder het kopje “Aanvulling bewijsmiddelen” in het vonnis van het Hof van 28 april 2016.

16. Het Hof heeft in zijn vonnis ten aanzien van het medeplegen voorts het volgende overwogen:

“De verdediging heeft opnieuw betoogd dat, indien van de juistheid van de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] wordt uitgegaan, hoogstens van medeplichtigheid kan worden gesproken ten aanzien van de bestuurder van de vluchtauto waarin de schutters zaten. De door het Gerecht in eerste aanleg in zijn bewijsoverweging in aanmerking genomen omstandigheden zijn onvoldoende deugdelijk om te kunnen vaststellen dat de verdachte de delicten te Hato heeft medegepleegd. Ook anderszins kan uit de bewijsmiddelen het medeplegen niet volgen, aldus de verdediging.

De eerste rechter heeft ten aanzien van het medeplegen het volgende overwogen:

Voor de vaststelling of sprake is van medeplegen is vooral van belang of er een bewuste en nauwe samenwerking tussen betrokkenen heeft plaatsgevonden. Daartoe moet de intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht zijn geweest. De rechter kan rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Een en ander moet worden beoordeeld aan de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende feitenverloop - voor zover hier relevant - voorafgaand, tijdens en na de gebeurtenissen te Hato worden vastgesteld.

Op 15 juli 2014 omstreeks 17:00 uur treffen [getuige 2] , [medeverdachte 1] (verder: MOB), [verdachte] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 3] (verder: [medeverdachte 3] ) elkaar nabij de woning van [getuige 2] te Kustbatterij. MOB vertelt dat hij een pinbericht heeft ontvangen dat [slachtoffer 8] (het latere slachtoffer [slachtoffer 8] ) naar Curaçao terug zou reizen en zegt dat ze naar de luchthaven moeten gaan omdat hij met [slachtoffer 8] wil afrekenen. MOB of [medeverdachte 3] zegt dat ze bij [getuige 3] ( [getuige 3] ) bij de woning van [getuige 1] moeten gaan om auto's te halen. MOB, [medeverdachte 3] en/of [verdachte] hebben de beschikking over drie automatische machinegeweren. Vervolgens rijden MOB, [verdachte] samen met [betrokkene 3] naar Weg naar Fuik. [getuige 2] neemt de hoes met daarin de drie automatische machinegeweren mee in de auto van een kennis van [betrokkene 3] . Bij de woning van [getuige 1] wordt [getuige 3] gevraagd mee te gaan. Alvorens hij vertrekt zegt [getuige 3] tegen zijn vriendin [getuige 5] dat hij naar de luchthaven moet omdat [slachtoffer 8] zou aankomen en dat zij naar het nieuws moet luisteren.

Vijf mannen verdelen zich over twee auto's die zich op het terrein van [getuige 1] bevinden. MOB, [medeverdachte 3] en [verdachte] stappen in een zwarte Kia Sportage; [verdachte] als bestuurder, [medeverdachte 3] voorin als passagier en MOB achterin achter de bestuurder. [getuige 2] haalt twee van de machinegeweren uit de hoes en plaatst deze in de Kia Sportage. Met het derde machinegeweer stapt [getuige 2] samen met [getuige 3] in een witte Hyundai Accent. [getuige 3] stopt iets verderop naast de Kia Sportage. [getuige 2] ontvangt een paar patroonhouders van [medeverdachte 3] . [getuige 2] heeft verklaard over de rolverdeling: [getuige 2] moest rugdekking geven aan MOB, [medeverdachte 3] en [verdachte] , [verdachte] moest rugdekking geven aan MOB en [medeverdachte 3] .

Vervolgens rijden de twee auto's vlak achter elkaar naar Hato en parkeren respectievelijk om 19.55.15 uur en 19.56.54 op het parkeerterrein gelegen ten zuiden van de aankomsthal. [getuige 3] parkeert de witte Hyundai achter de zwarte Kia Sportage. Als er een parkeerplek dichterbij de Kia Sportage vrijkomt, verplaatst [getuige 3] de auto om 20.05.30 uur naar de vrijgekomen plek. [medeverdachte 3] en MOB stappen uit de zwarte Kia Sportage en rennen ieder met een automatisch machinegeweer in handen om 20.19.10 uur richting de taxi standplaats gelegen voor de aankomsthal. Gedurende enkele seconden worden er tientallen patronen afgevuurd in de richting van het slachtoffer [slachtoffer 8] . [medeverdachte 3] en MOB rennen terug naar de Kia Sportage en stappen op dezelfde plaats in, [medeverdachte 3] naast [verdachte] voorin en MOB achterin achter [verdachte] . Bij het achteruit rijden botst de Kia op een naderende auto. MOB schiet op deze auto. De twee auto's rijden vlak op elkaar met hoge snelheid het terrein van Hato af. Bij de T-splitsing van de uitgang van de luchthaven wordt weer geschoten vanuit de Kia Sportage op een andere auto. Om respectievelijk 20.20.21 uur en 20.20.24 uur slaan de auto's linksaf op de F.D. Rooseveltweg. De auto's blijven vlak achter elkaar doorrijden. Ter hoogte van de Mirador worden de auto ’s achtervolgd door een politiepatrouille. Op de patrouille wordt door MOB en [medeverdachte 3] geschoten wederom vanuit de Kia Sportage. [medeverdachte 3] wordt onderweg afgezet. De anderen rijden door naar Weg naar Fuik. Aldaar haalt [getuige 2] de twee machinegeweren uit de Kia en stopt deze samen met het geweer dat hij bij zich had terug in de hoes.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij 10.000 gulden heeft gekregen voor zijn rol. Uit de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 5] is af te leiden dat er een totaalbedrag van 1 miljoen gulden mee zou zijn gemoeid en dat de anderen ook geld hebben gekregen voor hun aandeel.

Op basis van deze feiten en omstandigheden concludeert het Gerecht dat de vijf betrokken mannen, waaronder verdachte, als een hecht team hebben gehandeld, zowel bij de voorbereiding als bij de uitvoering van de delicten. Daarbij neemt het Gerecht in het bijzonder het volgende in aanmerking. Vier van de vijf betrokken mannen beramen gezamenlijk een plan om met [slachtoffer 8] , een lid van een bende, af te rekenen. Om auto’s te halen rijden zij naar de woning van [getuige 1] waar zich de vijfde man bevindt. De vijfde man wordt ook betrokken in het plan. De vijf mannen bewapenen zich met drie automatische vuurwapens en verdelen zichzelf en de wapens over twee auto’s. De auto’s rijden vlak achter elkaar, als een eenheid, naar Hato. Op Hato aangekomen parkeren de bestuurders de auto’s dicht bij elkaar. De Hyundai wordt zodanig geparkeerd dat er zicht is op de Kia Sportage en wordt verplaatst zodra er een plaats dichterbij vrijkomt. Dit verplaatsen van de Hyundai is, naast het voorhanden hebben van een derde automatisch vuurwapen, een belangrijke aanwijzing voor de vaststelling dat niet alleen [getuige 2] maar beide inzittenden van de Hyundai rugdekking moesten geven aan de inzittenden van de Sportage. Het geven van rugdekking is gegeven de omstandigheden, waaronder het opereren op een drukke luchthaven en het willen ombrengen van een lid van een criminele bende die mogelijk zelf gewapend is, geenszins aan te merken als een rol van ondergeschikt belang. De rol van [getuige 3] en [getuige 2] en ook die van [verdachte] is daarom meer dan enkel ondersteunend geweest maar betrof een actieve bijdrage aan het handelen van de twee schutters MOB en [medeverdachte 3] , ook al hebben zij feitelijk geen schoten gelost. Nadat de twee schutters, waaronder verdachte, weer zijn ingestapt in de Kia Sportage, zijn beide bestuurders direct rijklaar en rijden de twee auto ’s weer als een eenheid van Hato weg en blijven vlak bij elkaar ook na de schietincidenten tijdens de vlucht. Bij de uitvoering van deze handelingen heeft geen van de vijf mannen, voorafgaand, tijdens of na het schietincident bij de aankomsthal, zich van de anderen gedistantieerd, noch op enig moment ingegrepen om enige handeling te beletten of te belemmeren dan wel de gevolgen daarvan te beperken. Er zijn aanwijzingen in het dossier dat elk van de mannen een beloning heeft gehad voor zijn rol. In ieder geval is vast te stellen dat [getuige 2] een aandeel van 10.000 gulden heeft ontvangen, een aanzienlijk bedrag dat niet duidt op een slechts faciliterende rol.

Uit al hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen leidt het Gerecht af, dat sprake is geweest van bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de op de plaats van het delict betrokken daders. Het Gerecht acht de vijf inzittenden van de beide auto's elk als medepleger schuldig aan de op het parkeerterrein van Hato Airport gepleegde handelingen, waardoor twee dodelijke slachtoffers zijn gevallen, zeven mensen gewond zijn geraakt en een taxibus is beschadigd.

Dit oordeel is juist. In aanvulling daarop wordt het volgende overwogen.

" [slachtoffer 8] " is snel en op een onbewaakt moment geliquideerd. Kennelijk was dat zo beraamd. Aan de snelheid […] van de uitvoering van de moordaanslag heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd, zoals reeds blijkt uit de overwegingen van de eerste rechter. Op de luchthaven heeft de verdachte bovendien de vluchtauto zo dicht mogelijk bij de aankomsthal geparkeerd, is hij rijklaar gebleven en direct na het instappen van de schutters naar achteren gereden, daarbij botsend op een voorbijrijdende auto, en met hoge snelheid dwars door twee hefbomen naar de uitgang van de luchthaven gereden. De verdachte heeft hiermee een wezenlijke bijdrage geleverd aan zowel de uitvoering als de afhandeling van de moord, die gelet op de aard hiervan (huurmoord op een rivaliserend bendelid) op een snelle wijze en onverhoeds diende te worden uitgevoerd en door toedoen van de verdachte aldus is uitgevoerd. Hieraan doet niet af dat de uitvoeringshandelingen die in de bewezenverklaring zijn opgenomen (het lossen van schoten) niet door de verdachte zelf zijn verricht.”

17. Het eerste onderdeel van het tweede middel klaagt dat “het bewijs van het medeplegen rust op twee met elkaar innerlijk tegenstrijdige bewijsoverwegingen, die beide essentieel van aard [zijn]”. De klacht ziet op de volgende overwegingen van het Hof: “De rol van [getuige 3] en [getuige 2] en ook die van [verdachte] is daarom meer dan enkel ondersteunend geweest maar betrof een actieve bijdrage aan het handelen van de twee schutters MOB en [medeverdachte 3] , ook al hebben zij feitelijk geen schoten gelost” en “Nadat de twee schutters, waaronder verdachte, weer zijn ingestapt (…)”.

18. Blijkens ’s Hofs bewijsvoering13 heeft het Hof vastgesteld dat er bij het schietincident bij Hato sprake is geweest van twee schutters, zijnde MOB (medeverdachte [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 3] (medeverdachte [medeverdachte 3] ). Gezien het voorgaande lijkt mij dat sprake is van een kennelijke misslag14 en dat de bewijsoverweging “Nadat de twee schutters, waaronder verdachte, weer zijn ingestapt (…)” moet worden gelezen met weglating van de woorden “waaronder verdachte”, waardoor resteert: “Nadat de twee schutters weer zijn ingestapt (…)”. De desbetreffende overweging van het Hof dient in de hiervoor bedoelde zin verbeterd te worden gelezen, waardoor aan het eerste onderdeel van het tweede middel de feitelijke grondslag komt te ontvallen. Het eerste onderdeel van het tweede middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

19. Het tweede onderdeel van het tweede middel is gericht tegen de overweging van het Hof dat “Er aanwijzingen in het dossier [zijn] dat elk van de mannen een beloning heeft gehad voor zijn rol”. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof in strijd met art. 381 SvC het bewijs met betrekking tot het ‘medeplegen’ heeft doen berusten op ‘aanwijzingen’, welke niet kunnen worden beschouwd als wettige bewijsmiddelen als bedoeld in art. 382 SvC, en voorts dat het Hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan kan worden ontleend de voor de bewezenverklaring redengevende omstandigheid dat de verdachte een geldelijke beloning heeft ontvangen.

20. Dat er aanwijzingen zijn dat elk van de mannen, waaronder dus de verdachte, een beloning heeft gehad voor zijn rol, betreft een conclusie van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de gebezigde bewijsmiddelen zijn vastgesteld.

21. Deze bewijsmiddelen houden immers, voor zover hier van belang, het volgende in. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat [getuige 3] [ [getuige 3] ] na het luchthavenincident met 10.000 gulden rondliep (bewijsmiddel 27). [getuige 3] heeft verklaard dat hij van [getuige 1] [ [getuige 1] ] heeft gehoord dat de mannen grote koffers met geld hadden en dat hij veronderstelt dat hij MOB [ [medeverdachte 1] ] en/of [medeverdachte 3] [ [medeverdachte 3] ] bedoelde. Wanneer de verbalisant aan [getuige 3] mededeelt: “jij hebt verteld dat de mannen, onder wie [getuige 2] [ [getuige 2] ], van het geld hebben genoten” en vraagt wie hij bedoelde met ‘de mannen’, antwoordt [getuige 3] : “Ik bedoelde de mannen zoals [getuige 1] [ [getuige 1] ], [getuige 2] [ [getuige 2] ], MOB [ [medeverdachte 1] ] en [medeverdachte 3] [ [medeverdachte 3] ]. Ik bedoelde het geld dat uitbetaald werd voor de moord van [slachtoffer 8] [slachtoffer [slachtoffer 8] ] (bewijsmiddel 28). [getuige 2] heeft verklaard een bedrag van tienduizend guldens te hebben gekregen om met hen naar de luchthaven te gaan (bewijsmiddel 33).

22. In cassatie kan niet worden onderzocht of de conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld juist zijn. Dergelijke gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.15

23. Uit ‘s Hofs bewijsvoering volgt dat de in de hiervoor vermelde gebezigde bewijsmiddelen bij naam genoemde mannen die een geldbedrag hebben ontvangen, allen daadwerkelijk betrokken zijn geweest bij de schietpartij bij Hato.16 Voorts volgt uit bewijsmiddel 28 dat [getuige 3] geen limitatieve opsomming heeft gegeven van de mannen die van het geld zouden hebben genoten.17 De bewijsmiddelen wijzen ten slotte uit dat [getuige 3] , die als bestuurder van de tweede auto (Hyundai Accent) een enigszins vergelijkbare rol als de verdachte heeft gehad, maar ook [getuige 2] , de inzittende van de tweede auto, een bedrag van 10.000 gulden hebben ontvangen. Gelet op het voorgaande is de gevolgtrekking van het Hof dat (er aanwijzingen zijn dat) elk van de mannen, onder wie dus de verdachte, een beloning zou hebben gekregen, niet onbegrijpelijk.

24. Hetgeen door het Hof als ‘aanwijzingen’ wordt omschreven, betreft aldus een gevolgtrekking van het Hof welke berust op de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen zijn wettige bewijsmiddelen als bedoeld in art. 382 SvC. Gelet hierop heeft het Hof het bewijs dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan ook in zoverre aangenomen overeenkomstig het bepaalde in art. 381 SvC.

25. Bovendien zij opgemerkt dat de verdachte geen belang heeft bij het slagen van dit onderdeel van het middel, omdat de bewezenverklaringen ter zake het ‘medeplegen’ ten aanzien van de feiten 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5 ook zonder de gewraakte bewijsoverweging door ’s Hofs bewijsconstructie worden gedragen.

26. Het tweede onderdeel van het tweede middel faalt.

27. Het derde onderdeel van het tweede middel is gericht tegen de overweging van het Hof dat sprake is geweest van een huurmoord op een lid van een rivaliserende bende.18 Ook hier wordt geklaagd dat het Hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan deze voor de bewezenverklaring redengevende omstandigheid kan worden ontleend. Daartoe is aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen slechts kan volgen dat MOB [ [medeverdachte 1] ] met [slachtoffer 8] [slachtoffer [slachtoffer 8] ] wilde afrekenen, omdat hij problemen met hem had, maar niet wat de aard van deze problemen was.

28. Het betreft hier omstandigheden welke gedeeltelijk in de bewijsmiddelen zijn vermeld. Dat er sprake is geweest van een huurmoord kan immers worden afgeleid uit de bij de bespreking van het tweede onderdeel genoemde bewijsmiddelen, waaruit volgt dat geld werd uitbetaald voor de moord op [slachtoffer 8] .19 Dat de huurmoord is gepleegd ten aanzien van een lid van een rivaliserende bende kan uit de gebezigde bewijsmiddelen echter niet worden afgeleid.20 Met betrekking tot deze omstandigheid heeft mijns inziens evenwel te gelden dat het Hof niet het wettige bewijsmiddel behoefde aan te geven waaraan het dit heeft ontleend, nu deze omstandigheid voor de bewezenverklaring van het medeplegen niet redengevend kan worden geacht en het Hof deze omstandigheid klaarblijkelijk ten overvloede heeft vermeld.21 Dat de moord op een snelle wijze en onverhoeds diende te worden uitgevoerd, volgt immers reeds uit de omstandigheid dat het een huurmoord betrof. Bovendien zij ook hier opgemerkt dat de verdachte geen belang heeft bij het slagen van dit onderdeel van het middel, omdat de bewezenverklaringen ter zake het ‘medeplegen’ ten aanzien van de feiten 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5 ook zonder de gewraakte overweging door ’s Hofs bewijsconstructie worden gedragen. Het derde onderdeel van het tweede middel faalt.

29. Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsvoering, is het oordeel van het Hof dat de verdachte “een wezenlijke bijdrage [heeft] geleverd aan zowel de uitvoering als de afhandeling van de moord” en dat “sprake is geweest van bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de op de plaats van het delict betrokken daders”, bestaande in een gezamenlijke uitvoering22 en dat de verdachte aldus als medepleger betrokken is geweest bij de onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5 bewezenverklaarde feiten, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

30. Het tweede middel faalt in alle onderdelen.

31. Het derde middel klaagt over ’s Hofs motivering van de onder 3 primair bewezenverklaarde “voorbedachte raad en/of het voorwaardelijk opzet op de dood”.

32. Het Hof heeft, door het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 2015 te bevestigen, ten laste van de verdachte onder 3. primair bewezenverklaard:

“dat hij op 15 juli 2014, te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade,

[slachtoffer 1] , en

[slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] en

[slachtoffer 5] en

[slachtoffer 6] en

[slachtoffer 7] ,

van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, zijn mededaders, met automatische vuurwapens een of meerdere schot(en) gelost in de richting van meerdere personen, tengevolge waarvan een of meerdere kogel(s) en/of kogelfragment(en) die,

[slachtoffer 1] , en

[slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] en

[slachtoffer 5] en

[slachtoffer 6] en

[slachtoffer 7] ,

in de arm en/of de elleboog en/of de voet en/of been, en/of thorax en/of knie en/of heup, heeft/hebben getroffen,

zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

33. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen onder het kopje “6.A Bewijsmiddelen” in het strafvonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 201523 en het bewijsmiddel zoals opgenomen onder het kopje “Aanvulling bewijsmiddelen” in het vonnis van het Hof van 28 april 2016.

34. Het Hof heeft, door het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 2015 te bevestigen, ten aanzien van het opzet en de voorbedachte rade voorts het volgende overwogen:

“Opzet

Het opzet ten opzichte van het doden van [slachtoffer 8] ( [slachtoffer 8] ) is een gegeven, gelet op het vooraf gemaakte plan en het gericht op hem schieten (zijn lichaam is geraakt door meerdere kogels).

Hoewel het slechts het voornemen was van verdachte en zijn mededaders om [slachtoffer 8] te doden, strekt het opzet zich mede uit tot het schieten op het slachtoffer [slachtoffer 9] en de zeven omstanders, nu zij met meerdere automatische machinegeweren op [slachtoffer 8] zijn afgegaan, op het moment dat hij met een vlucht uit Duitsland zou aankomen op de luchthaven. Het is een feit van algemene bekendheid dat vooral bij aankomst van een vlucht veel mensen, passagiers en mensen die passagiers komen ophalen, zich (bij de aankomsthal) op de luchthaven bevinden. Het voornemen omvat daarom het vooraf accepteren en incalculeren van het mogelijk maken van meer dodelijke slachtoffers.

Er is uiteindelijk door twee schutters met twee automatische machinegeweren die voor militaire doeleinden worden gebruikt en een effectieve dracht hebben van 400 tot 600 meter op nietsontziende wijze geschoten in de richting van [slachtoffer 8] en wie er ook maar in de buurt stond. Op dat moment bevonden zich veel mensen op de luchthaven. De afstanden van waar de patroonhulzen werden aan getroffen tot en met de aankomsthal varieert van 40 á 45 meter. Onder deze omstandigheden is de kans dat de afgevuurde kogels ook andere mensen dan [slachtoffer 8] zouden raken en de dood zouden veroorzaken naar de algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht brengen met zich dat het handelen van verdachte zozeer was gericht op het mogelijke gevolg, het toebrengen van de dood van eenieder in zijn schootsveld, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Het voorwaardelijk opzet strekt zich ook uit over de beschadigingen aan de taxibus.

Voorbedachte rade

Op grond van het feitenverloop dat hierboven is vastgesteld is het Gerecht van oordeel dat het schieten op [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en de zeven omstanders het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte en zijn mededaders genomen besluit.

Mede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de verrichte handelingen kan het niet anders zijn dan dat er kalm beraad en rustig overleg is geweest. Verdachte heeft zich gezien het tijdsverloop tussen het nemen van het besluit en de uitvoering hiervan enige tijd kunnen beraden op zijn besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over en zich rekenschap te geven van de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad. Vanaf het moment van het beramen van de aanslag op 15 juli 2014 rond 17.00 uur in Kustbatterij hebben verdachte en zijn mededaders planmatig en gestaag gewerkt aan de uitvoering ervan. Zij hebben zich van zware vuurwapens voorzien, zijn naar Fuik gereden om vluchtauto’s en nog een mededader op te halen, en zijn vervolgens gezamenlijk naar Hato gereden. Ter plaatse zijn er nog ruim twintig minuten verstreken alvorens [slachtoffer 8] in zicht kwam en de twee schutters op hem af renden. Er is geen enkele contra-indicatie van voorbedachte rade. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Uit voornoemde feiten en omstandigheden leidt het Gerecht af dat verdachte goed voorbereid, weloverwogen en doelgericht heeft gehandeld.”

35. ( (De toelichting op) het middel blinkt niet uit in helderheid: ziet het op ’s Hofs motivering van het voorwaardelijk opzet of op de motivering van voorbedachte raad? Het middel zelf schept geen duidelijkheid en dat geldt eveneens voor de toelichting daarop. In de toelichting op het middel wordt eerst geklaagd over het oordeel van het Hof dat er geen enkele contra-indicatie is voor het aannemen van voorbedachte raad, nu “het Hof daarbij [heeft] miskend dat verwondingen aan arm, ellenboog, been, knie, voet en heup jurisprudentieel gezien niet met moord in verband worden gebracht”, maar met een poging tot zware mishandeling. Vervolgens wordt evenwel gesteld dat “de aard van deze niet dodelijke verwondingen mee[brengt] dat ondanks de door het [H]of genoemde omstandigheden in de opzet-bewijsoverweging niet gezegd kan worden dat verzoeker bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de personen met evengenoemde verwondingen heeft aanvaard.”

36. Het is mij niet duidelijk wat de steller van het middel heeft bedoeld: zijn de gestelde contra-indicaties (bestaande uit niet dodelijk letsel) volgens hem van belang in verband met ’s Hofs oordeel dat “de aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht met zich [brengen] dat het handelen van verdachte zozeer was gericht op het mogelijke gevolg, het toebrengen van de dood van eenieder in zijn schootsveld, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard” (voorwaardelijk opzet) of zijn deze van belang in verband met het oordeel van het Hof dat er sprake is geweest van voorbedachte raad?

37. Ik zal (de toelichting op) het middel welwillend lezen. In het onderstaande zullen zowel ‘s Hofs motivering van het voorwaardelijk opzet als de motivering van de voorbedachte raad aan bod komen, waarbij ik tevens de gestelde contra-indicaties zal betrekken.

38. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van een zevental omstanders bij een schietpartij – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.24

39. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof het volgende vastgesteld. Op het moment van de schietpartij bevonden zich heel veel mensen op de luchthaven. De schutters hebben [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9]25 zwaar onder vuur genomen. Zij hebben daarbij gebruik gemaakt van machinegeweren of automatische aanvalsgeweren die voor militaire doeleinden plegen te worden benut en die een effectieve dracht hebben van ongeveer 400 tot 600 meter. De schietrichting was voornamelijk vanaf de zuidelijke kant van het parkeerterrein in de richting van de aankomsthal. De gewond geraakte personen bevonden zich bij de aankomsthal van de luchthaven en daarmee tevens in de directe vuurlinie van de schutters. De afstanden tussen de locatie waar de patroonhulzen werden aangetroffen tot de aankomsthal varieert van 40 à 45 meter.26 De aangevers hebben verklaard dat zij zich, kort gezegd, voor de aankomsthal dan wel achter het bij de aankomstpoort geplaatste hek bevonden toen zij een geluid hoorden als van vuurwerk.27 Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij ten tijde van het voorval van de taxistandplaats richting Hato liep.28 De aangevers zijn allen (op verschillende plaatsen) in het lichaam geraakt door (een) kogel(fragment(en)).

40. Gelet op ’s Hofs vaststellingen omtrent de schietrichting van de verdachte, de effectieve dracht van de gebruikte geweren, de afstand tussen enerzijds de plek waar de patroonhulzen zijn aangetroffen en anderzijds de aankomsthal en de plekken waar de getroffen omstanders zich ten tijde van het schietincident hebben bevonden, is het oordeel van het Hof dat sprake is van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij voorts in aanmerking genomen ’s Hofs vaststellingen dat de schutters de slachtoffers [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] op een drukke luchthaven met machinegeweren of automatische aanvalsgeweren zwaar onder vuur hebben genomen, is ook ’s Hofs oordeel dat “de aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht met zich [brengen] dat het handelen van verdachte zozeer was gericht op het mogelijke gevolg, het toebrengen van de dood van eenieder in zijn schootsveld, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard”, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat de omstanders daarbij niet dodelijk letsel hebben opgelopen, doet aan dat oordeel niet af, reeds omdat het Hof heeft vastgesteld dat “op nietsontziende wijze [is] geschoten in de richting van [slachtoffer 8] en wie er ook maar in de buurt stond.” De verdediging heeft in hoger beroep niet aangevoerd dat de omstandigheid dat de omstanders geen dodelijk letsel hebben opgelopen het gevolg is van enig handelen van de verdachte noch volgt dit uit ’s Hofs bewijsvoering.

41. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.29

42. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof het volgende vastgesteld. [getuige 2] ontving op 15 juli 2014 omstreeks 17.00 uur een pinbericht van MOB [ [medeverdachte 1] ], waarin MOB hem vroeg of hij al gehoord had. Daarna stuurde [medeverdachte 1] hem een bericht om hem bij de gebruikelijke plek nabij de woning van [getuige 2] te ontmoeten. Daar waren aanwezig MOB, [medeverdachte 3] [ [medeverdachte 3] ], verdachte [verdachte] en [betrokkene 3] . MOB vertelde dat ze gewapend naar de luchthaven moesten gaan om naar [slachtoffer 8] [slachtoffer [slachtoffer 8] ] te gaan kijken. MOB wilde [slachtoffer 8] liquideren, omdat hij problemen met hem had. Vervolgens zijn ze machinegeweren en vluchtauto’s gaan halen, hebben ze zich verdeeld over de auto’s en zijn ze naar de luchthaven gereden (bewijsmiddelen 32 en 34). De door de verdachte bestuurde auto parkeerde op 15 juli 2014 om 19.55.15 uur bij de luchthaven. De tweede auto parkeerde om 19.56.54 uur en werd tussen 20.04.42 en 20.05.30 uur verplaatst. Om 20.19.10 uur renden de twee schutters vanuit de richting van de door de verdachte bestuurde auto in de richting van de taxistandplaats en vond de schietpartij plaats (bewijsmiddelen 2 en 3).

43. Het Hof heeft op grond van het feitenverloop dat in de bewijsoverweging ten aanzien van het opzet is vastgesteld, geoordeeld dat het schieten op [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en de zeven omstanders het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte en zijn mededaders genomen besluit. Bij zijn oordeel dat er kalm beraad en rustig overleg is geweest, heeft het Hof mede in aanmerking genomen de uiterlijke verschijningsvorm van de door de verdachte en zijn mededaders verrichte handelingen. Het Hof heeft belang toegekend aan het tijdsverloop tussen het moment van het beramen van de aanslag op 15 juli 2014 rond 17.00 uur in Kustbatterij en het moment dat [slachtoffer 8] in zicht kwam en de twee schutters op hem af renden op het vliegveld, alsook aan de omstandigheid dat de verdachte en zijn mededaders na het beramen van de aanslag planmatig en gestaag hebben gewerkt aan de uitvoering van de voorgenomen daad. Ten slotte heeft het Hof overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging en dat er geen enkele contra-indicatie is voor het aannemen van voorbedachte raad.

44. Gelet op voornoemde vaststellingen en mede in aanmerking genomen dat de verdediging in hoger beroep het bestaan van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad niet heeft gesteld, is het oordeel van het Hof dat de verdachte (ook ten aanzien van de omstanders) met voorbedachte raad heeft gehandeld, toereikend gemotiveerd. Nu voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad dient komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, zie ik niet in op welke wijze de gestelde contra-indicatie bestaande uit niet-dodelijk letsel bij de omstanders aan dat oordeel zou kunnen afdoen.

45. Tot slot zij opgemerkt dat, zoals reeds blijkt uit het voorgaande, de voorbedachte raad niet is beperkt tot bepaalde vormen van opzet, zodat ook voorwaardelijk opzet zonder bijzondere problemen met voorbedachte raad kan samengaan.30 Uit ’s Hofs bewijsvoering volgt, kort gezegd, dat de verdachte en zijn mededaders met tijd voor beraad en overleg het plan hebben gemaakt om [slachtoffer 8] van het leven te beroven en hebben gewerkt aan de uitvoering daarvan en daarbij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hun gedragingen de dood van anderen zouden kunnen veroorzaken. Deze niet (direct) beoogde gevolgen, of zoals de steller van het middel het noemt: ‘collateral damage’, zijn aldus opzettelijk en met voorbedachte raad teweeggebracht.

46. Gelet op het voorgaande zijn het onder 3 primair bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet en de voorbedachte raad toereikend gemotiveerd. Het derde middel faalt.

47. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

48. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 29 april 2016 beroep in cassatie doen instellen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

49. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Voor wat betreft de ontvankelijkheid en de bewijsvoering.

2 De ter terechtzitting van 30 oktober 2015 geformuleerde onderzoekswensen van de verdediging strekten onder meer tot het horen van deze tien getuigen. Deze getuigenverzoeken zijn bij vonnis van 19 november 2015 integraal afgewezen. Ik merk op dat ook het vonnis van 28 april 2016 een afwijzing inhoudt van de (vermeende) verzoeken tot het horen van de tien genoemde getuigen, alsook van de getuigen [getuige 6] , [getuige 12] , [getuige 13] en [getuige 14] . Deze laatstgenoemde verzoeken heb ik in de stukken überhaupt niet terug kunnen vinden. Deze kwestie komt in de hoofdtekst aan de orde. Het horen van de genoemde in totaal veertien getuigen is overigens wél verzocht door de verdediging in de zaken tegen de medeverdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . ’s Hofs overwegingen aangaande de onderzoekswensen in de zaken tegen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] (vonnissen d.d. 28 april 2016) komen met elkaar overeen.

3 De onderzoekswensen van de verdediging strekten onder meer tot het aanvullen van het proces-dossier met, kort gezegd, stukken betreffende contacten en afspraken van openbaar ministerie en politie met verdachten, getuigen en/of familieleden. Dit verzoek zou later (kennelijk) zijn aangevuld met het verzoek tot het overleggen van stukken betreffende alle strafdocumentatie en optredens van medeverdachten/getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] als getuige in andere onderzoeken en stukken die betrekking hebben op de vraag of voormelde getuigen ooit voor valsheid in geschrift, geweldsdelicten en/of meineed zijn vervolgd. Hoewel in het middel slechts deze laatste stukken worden genoemd, kan uit de toelichting daarop worden afgeleid dat het middel ook ziet op de stukken betreffende contacten en afspraken van openbaar ministerie en politie met verdachte, getuigen en/of familieleden.

4 Zie ‘Toelichting onderzoekswensen 30 oktober 2015’, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de terechtzitting van die datum.

5 Bij de staatkundige hervorming van 10 oktober 2010 is het land de Nederlandse Antillen opgeheven. Het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, dat bij ‘Landsverordening van 5 november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering’ (P.B. 1996, no. 164) werd vastgesteld, is toen voor Curaçao en Sint Maarten afzonderlijk van kracht gebleven. Voor wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering na 10 oktober 2010 geldt dat Aruba, Curaçao en Sint Maarten in de ‘Samenwerkingsregeling eenvormig procesrecht Aruba, Curaçao en Sint Maarten’ hebben afgesproken het strafprocesrecht eenvormig te regelen (gepubliceerd in de Landscourant van Aruba van 20 augustus 2010 en in de Curaçaose Courant van 27 augustus 2010). De samenwerkingsregeling is getroffen ten behoeve van de rechtsprekende taak van de gemeenschappelijke rechterlijke colleges.

6 Zie met name de artikelen 365 SvC en 394 SvC. Zie voorts HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8797, betrekking hebbende op een Arubaanse zaak. Zie ook: HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9480, NJ 2001/125 ten aanzien van art. 322 (oud) Sv, bij welke jurisprudentie aansluiting kan worden gezocht, juist omdat met art. 322, derde en vierde lid Sv vergelijkbare bepalingen in het SvC ontbreken.

7 Dat neemt uiteraard niet weg dat zowel de procesdeelnemers als de rechter om redenen van doelmatigheid (en indien voldoende gespecificeerd) mag verwijzen naar bescheiden die op die eerdere terechtzitting zijn overgelegd.

8 Het Hof heeft in zijn vonnis d.d. 28 april 2016 de volgende passage gewijd aan de (vermeende) verzoeken: Onderzoekswensen Ter terechtzitting van 8 april 2016 heeft de verdediging voorwaardelijk - indien het Hof niet meegaat in het betoog strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (verder: OM) dan wel bewijsuitsluiting en vrijspraak - alle op de regiezitting van 30 oktober 2015 ingebrachte onderzoekswensen herhaald en een aantal aanvullende verzoeken ingediend. Het betoog van de verdediging ter zitting van 8 april 2016 dat de belastende verklaringen van in het bijzonder de medeverdachten [getuige 2] en [getuige 3] - mede door toedoen van de politie en het OM - onwaar zijn, noopt tot een herbeoordeling van het eerdere verzoek strekkende tot het horen van de getuigen. [i.e. veertien getuigen, namelijk: [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] , [getuige 11] , [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 12] , [getuige 13] , [getuige 14] , D.A.] Verder heeft de verdediging verzocht (…) om het OM te bevelen stukken over te leggen betreffende contacten en afspraken met verdachten, getuigen en/of familieleden, en stukken betreffende alle strafdocumentatie en optredens van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] als getuige in andere onderzoeken, met de vraag of zij ooit voor valsheid in geschrift, geweldsdelicten en/of meineed vervolgd zijn geweest. De verzoeken zijn ter terechtzitting gedaan en zijn daarom op te vatten als verzoeken ex artikel 358 c.q. 359 Wetboek van Strafvordering (verder: Sv), waarbij het noodzakelijkheidscriterium geldt. Van noodzaak tot toewijzing van enige van de verzoeken is niet gebleken. Dit wordt als volgt toegelicht. horen getuigen en overleggen van stukken De verdediging heeft onvoldoende concreet aangegeven welke vragen in het kader van de gestelde normschendingen aan de getuigen moeten worden gesteld, wat de getuigen daarover zouden kunnen verklaren en in hoeverre de in de verzoeken genoemde stukken aan de onderbouwing van het verweer zouden kunnen bijdragen. In het dossier wordt op genoegzame wijze verantwoording afgelegd door het onderzoeksteam en het OM over de wijze van aanpak van het onderzoek en over de contacten die met de verdachten, getuigen en familieleden hebben plaatsgevonden. Er is geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat er ‘meer’ is dan dat. De verdediging is in de gelegenheid geweest om de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] op dit punt te ondervragen. Nadere vragen die gesteld zouden moeten worden aan deze getuigen zijn niet aangedragen. (…) Wat betreft het overleggen van stukken heeft het Hof geen reden om te twijfelen aan de stelling van het OM dat deze slechts zien op de operationele zijde van de getroffen veiligheidsmaatregelen. Een nadere onderbouwing van wat de stukken zouden kunnen bijdragen aan de vaststelling van de gestelde normschending dan wel aan het nemen van enige andere beslissing in deze zaak is niet gegeven. Het aanvullende verzoek betreffende het overleggen van stukken die zien op alle strafdocumentatie en optredens van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] als getuige in andere onderzoeken en op de vraag of zij ooit voor valsheid in geschrift, geweldsdelicten en/of meineed vervolgd zijn geweest, is niet onderbouwd.

9 Zie bladzijde 4 van het proces-verbaal van de terechtzittingen van 7 en 8 april 2016, onder het kopje “Pleidooi”.

10 HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219. Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 197-206.

11 ’s Hofs bewijsoverweging ter zake het medeplegen (p. 11 e.v. van het bestreden vonnis) raakt immers al deze feiten. In het strafvonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 2015 is voorts uitdrukkelijk vermeld dat diens bewijsoverweging ter zake het medeplegen (p. 29 e.v. van dat vonnis) op voormelde feiten ziet. Het Hof heeft deze in het laatstgenoemde vonnis opgenomen bewijsoverweging overgenomen en aangevuld.

12 Zie de bewijsmiddelen 1 t/m 37.

13 Zie in het bijzonder de bewijsmiddelen 28, 30, 34 en 35 opgenomen onder het kopje “6.A Bewijsmiddelen” in het (door het Hof bevestigde) strafvonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 juni 2015 en voorts het bewijsmiddel dat is opgenomen onder het kopje “Aanvulling bewijsmiddelen” in het vonnis van het Hof van 28 april 2016.

14 Ik merk op dat de (door het Hof bevestigde) overwegingen van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao ten aanzien van het medeplegen in de zaken betreffende de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] overeenkomen met het door het Hof uit het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao geciteerde gedeelte ten aanzien van het medeplegen (zoals hiervoor is opgenomen en door het Hof is aangevuld) in de onderhavige zaak. Kennelijk abusievelijk heeft het Hof (en overigens ook het gerecht in eerste aanleg van Curaçao) deze overwegingen uit de zaken betreffende voornoemde medeverdachten overgenomen bij het opstellen van het bestreden vonnis en daarbij over de woorden “waaronder verdachte” – welk zinsdeel wel van toepassing is in de zaken betreffende de medeverdachten – heen gekeken.

15 Vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530.

16 Alleen [getuige 1] was bij de schietpartij niet lijfelijk aanwezig. Bij diens woning, en in zijn aanwezigheid, werden evenwel de twee (gestolen) vluchtauto’s opgehaald en werden de wapens en de vijf personen die mee zouden gaan naar Hato over deze auto’s verdeeld. Zie de bewijsmiddelen 27, 28, 29 en 32.

17 Immers wordt gebruik gemaakt van het woord “zoals”.

18 De overwegingen van het Hof, zoals hierboven weergegeven, houden immers in: “De verdachte heeft hiermee een wezenlijke bijdrage geleverd aan zowel de uitvoering als de afhandeling van de moord, die gelet op de aard hiervan (huurmoord op een rivaliserend bendelid) op een snelle wijze en onverhoeds diende te worden uitgevoerd en door toedoen van de verdachte aldus is uitgevoerd.”

19 Zie in het bijzonder bewijsmiddel 28.

20 Uit bewijsmiddel 32 volgt enkel dat MOB [ [medeverdachte 1] ] met [slachtoffer 8] wilde afrekenen, omdat hij problemen met hem had.

21 Zie bijv. HR 3 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3973.

22 Mede in aanmerking genomen zijn overweging dat “de vijf betrokken mannen, waaronder verdachte, als een hecht team hebben gehandeld, zowel bij de voorbereiding als bij de uitvoering van de delicten”, is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat de handelingen van de verdachte en zijn mededaders het karakter droegen van een gezamenlijke uitvoering.

23 Zie de bewijsmiddelen 1 t/m 37.

24 Vgl. bijv. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Y. Buruma en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973.

25 Het slachtoffer van feit 1 respectievelijk het slachtoffer van feit 2.

26 Zie bewijsmiddel 1.

27 Zie bewijsmiddelen 10 en 11 voor aangeefster [slachtoffer 6] , zie bewijsmiddelen 14 en 15 voor aangeefster [slachtoffer 3] , bewijsmiddelen 16 en 17 voor aangever [slachtoffer 5] , bewijsmiddelen 18 en 19 voor aangeefster [slachtoffer 2] , bewijsmiddelen 20 en 21 (hoewel de omschrijving van het letsel onder 21 is opgesteld in het Papiamento) voor aangeefster [slachtoffer 7] , en de bewijsmiddelen 22 en 23 voor aangeefster [slachtoffer 4] .

28 Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zijn taxi bij de taxistandplaats bij Hato had geparkeerd en richting Hato liep (op p. 30 van het vonnis heeft het gerecht in eerste aanleg van Curaçao vastgesteld dat de taxistandplaats is gelegen voor de aankomsthal). Hij zag drie mannen voorbij lopen, waaronder een man die hij herkende als “ [slachtoffer 8] ” (slachtoffer [slachtoffer 8] , feit 1), en toen de mannen op een afstand van ongeveer twee meter van de aangever waren zag hij dat een man met een machinegeweer in de richting van die mannen begon te schieten (bewijsmiddelen 12 en 13).

29 Vgl. bijv. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. B.F. Keulen en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907.

30 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 259 en A.J. Machielse in NLR, aant. 4 bij art. 289 Sr (bijgewerkt t/m 26 mei 2015) en de aldaar in de voetnoot genoemde literatuur, respectievelijk jurisprudentie.