Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:142

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
15/03212
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:428, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Tonen camerabeelden in opsporingsprogramma. Beroep op bewijsuitsluiting. Van de door het Hof gebezigde b.m. zien de b.m. 2 en 3 op een herkenning van verdachte op basis van vanwege het OM openbaar gemaakte privacy-gerelateerd beeldmateriaal. Wat er zij van het oordeel van het Hof dat het door de raadsvrouwe t.t.z. in h.b. aangevoerde niet behoeft te leiden tot bewijsuitsluiting, het middel kan niet tot cassatie leiden omdat de bewezenverklaring ook met weglaten van deze b.m. toereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03212

Zitting: 10 januari 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 29 juni 2015 de verdachte in de zaak met parketnummer 16/281091-14 wegens “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels” en in de zaak met parketnummer 16/239644-14 wegens “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Voorts heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in de zaak met parketnummer 16/281091-14 - kort gezegd - om het volgende. Op 21 juni 2013 is [betrokkene 1] tijdens zijn werk als stratenmaker beroofd van zijn portemonnee. Diezelfde dag is met de weggenomen pinpas van [betrokkene 1] in Utrecht bij twee verschillende pinautomaten een geldbedrag van in totaal € 1.250,- opgenomen. Bij één van de pinautomaten zijn camerabeelden gemaakt, die door de politie zijn gevorderd. Daarop is een man te zien die met de pinpas van [betrokkene 1] € 1.000,- heeft opgenomen. In oktober 2013 kreeg de politie nog geen toestemming om de camerabeelden te tonen in het regionale opsporingsprogramma “Bureau Hengeveld”, aangezien er sprake zou zijn van een te eenvoudig feit en het middel in dit geval te zwaar zou zijn. In februari 2014 heeft de politie van de officier van justitie en van de persofficier alsnog toestemming gekregen om de beelden te tonen in het voornoemde televisieprogramma. Op 26 februari 2014 zijn de camerabeelden getoond in het programma “Bureau Hengeveld” en op de internetsite “www.boevenvangen.nl” geplaatst. De ex-vriendin van de verdachte ( [betrokkene 2] ) heeft de verdachte op de op die website geplaatste beelden herkend. Op 27 april en op 13 augustus 2014 heeft zij deze herkenning gemeld bij de politie. In oktober 2014 zijn de camerabeelden vertoond tijdens een interne dienstbriefing van de politie. Vervolgens hebben vier verschillende verbalisanten de verdachte op die beelden herkend.1
    Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de verdediging een beroep gedaan op bewijsuitsluiting van de herkenningen naar aanleiding van de camerabeelden. De politierechter en het hof hebben dit verweer verworpen. Het hof heeft de herkenning van de verdachte door [betrokkene 2] op de op internet geplaatste camerabeelden als bewijsmiddel 2 voor het bewijs gebruikt. Daarnaast heeft het hof de herkenningen van de verdachte door de desbetreffende verbalisanten op een “aandachtvestiging” naar aanleiding van een interne briefing van de politie als bewijsmiddelen 4 tot en met 6 tot het bewijs gebezigd.

4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/281091-14 ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat het tonen van camerabeelden in een televisieprogramma en op internet toelaatbaar was, aangezien daarvoor geen toestemming was gegeven door de hoofdofficier van justitie en door het tonen van die camerabeelden inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, terwijl daarbij niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

5. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 16/281091-14 bewezen verklaard dat:

“hij op meerdere tijdstippen omstreeks 21 juni 2013 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere geldbedragen toebehorende aan [betrokkene 1] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 22 juni 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de aangever [betrokkene 1] , voor zover inhoudende:

“Op vrijdag 21 juni 2013 bevond ik mij in het winkelcentrum Overkapel te Utrecht, waar ik sigaretten ging halen. Ik heb de sigaretten betaald door middel van mijn bankpas. De bankpas heb ik in mijn portemonnee in mijn rugtas gedaan. De tas heeft terwijl ik aan het werk was in de bus gestaan bij de versnellingspook. Ik kan niet zeggen of de bus op slot of open was. De volgende dag, zaterdag 22 juni 2013 wilde ik mijn portemonnee uit mijn tas pakken, en zag ik dat mijn portemonnee niet meer in mijn tas zat. Mijn vrouw heeft toen contact opgenomen met de bank om de bankpas te laten blokkeren. Mijn vrouw en ik gingen vervolgens via internetbankieren kijken of er geld van de rekening af was. Ik zag toen dat er totaal 1250 euro van mijn rekening af was. Iemand heeft dus met mijn bankpas geldopnames gedaan. Hier heb ik geen toestemming voor gegeven.”

(ii) Een op 13 augustus 2014 bij de politie afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 2] , voor zover inhoudende:

“Ik had foto ’s gezien van een man die in Utrecht een stratenmaker bestolen had. Ik had deze foto ’s, volgens mij waren het twee foto 's, gezien op internet. Volgens mij had ik de foto ’s gezien op de internetsite www.boevenvangen.nl. Op de foto ’s zag ik dat een man geld pinde met wat bleek een gestolen pinpas. Ik herkende de man als [verdachte] . Ik herkende hem voor 100%. Ik ken [verdachte] van Spaarnezicht, een jeugdpension in Haarlem. Ik heb hem ongeveer één of twee maanden gekend. Ik heb hem dit jaar leren kennen. Ik kan [verdachte] als volgt omschrijven:

- man

- ongeveer 21 jaar oud

- kort donker haar met krullen bovenop of het haar langs zijn gezicht lopend of gemillimeterd haar.

Ik las het bericht met de foto ’s op volgens mij www.boevenvangen.nl samen met [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij zichzelf ook herkende op de foto ’s.”

(iii) Een proces-verbaal van politie van 12 augustus 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Op dinsdag 12 augustus 2014 heb ik de camerabeelden van de pintransactie gepleegd op 21 juni 2014 (het hof begrijpt 21 juni 2013) bekeken. Naar aanleiding van de getoonde beelden van deze diefstal kwam er op 27 april 2014 een herkenning van een verdachte van deze diefstal. De getuige, genaamd [betrokkene 2] , verklaarde dat de verdachte van deze diefstal was genaamd: [verdachte] . [verdachte] zou ongeveer 21 jaar oud zijn. Vervolgens heb ik in de politiesystemen gezocht naar deze persoon voor zijn volledige personalia. Uit de politieadministratie bleek de volledige personalia van de verdachte te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] en zonder vaste woon of verblijfplaats. Ook zag ik dat er een foto van hem in het systeem stond. Ik zag dat de foto van [verdachte] uit de politieadministratie overeen kwam met de foto's van de verdachte van de diefstal van geld. Ik zag dat dit een en dezelfde persoon was.”

(iv) Een proces-verbaal van politie van 3 oktober 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Op vrijdag 3 oktober 2014 zag ik, verbalisant, op de regionale briefing een aandachtvestiging. Deze aandachtvestiging betrof een vraag om herkenning van een persoon op twee foto ’s. De foto ’s waren afkomstig van een camera bij een geldautomaat, waar de persoon gepind had met een gestolen pinpas. Ik herkende de persoon op de foto ’s als de mij ambtshalve bekende:

- [verdachte] ,

- Geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

- Zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Ik herkende [verdachte] omdat ik op maandag 16 juni 2014 [verdachte] enkele malen heb bezocht in een ophoudkamer op het bureau van politie te Hoofddorp. [verdachte] zat daar omdat hij op heterdaad, was aangehouden naar aanleiding van een insluiping. Ten tijde van deze aanhouding en zijn verblijf op het bureau van politie te Hoofddorp, had [verdachte] zeer kort, gemillimeterd haar. In het onderzoek naar de insluiping waarvoor [verdachte] op heterdaad werd aangehouden, werd de mobiele telefoon van [verdachte] in beslag genomen en uitgelezen. In de veiliggestelde data trof ik meerdere foto ’s van [verdachte] aan, waarop hij langer haar had, zoals dit ook te zien is op de foto’s van de camera bij de geldautomaat.”

(v) Een proces-verbaal van politie van 11 november 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 5], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Op dinsdag 11 november 2014 zag ik een aandachtvestiging van Politie Nederland, waarin afbeeldingen werden getoond van een persoon en de volgende informatie werd gegeven: Diefstal portemonnee waarna vervolgens 1250,00 euro wordt weggenomen van de rekening van benadeelde. De persoon op de afbeeldingen herken ik als:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [voornamen verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1992

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Geslacht : Man

Burgerservicenummer : [001]

Nationaliteiten : Nederlandse en Colombiaanse

GBA-nummer : [002]

Ik, verbalisant, ken de bovengenoemde verdachte ambtshalve. Ik herken de verdachte omdat ik ambtshalve bekend ben met [verdachte] . Ik herken de verdachte aan zijn gezicht en zijn postuur. [verdachte] heeft veelvuldig bij ons in de Haarlemmermeer op de briefing gestaan. Tevens heb ik [verdachte] aangehouden op heterdaad van meerdere insluipingen op de IJweg in Hoofddorp. Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de afbeeldingen zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.”

(vi) Een proces-verbaal van 13 november 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Op donderdag 13 november 2014 zagen wij een aandachtvestiging van de recherche van eenheid Utrecht, waarin afbeeldingen werden getoond van een persoon en de volgende informatie werd gegeven:

Diefstal van portemonnee waarna vervolgens 1250,00 euro wordt weggenomen van de rekening van benadeelde.

De persoon op de afbeeldingen herkennen wij als:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [voornamen verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1992

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Geslacht : Man

Burgerservicenummer : [001]

Nationaliteiten : Nederlandse en Colombiaanse

GBA-nummer : [002]

Wij verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , (her)kennen de persoon ambtshalve na diverse strafbare feiten/verdachte situaties welke hij gepleegd heeft binnen ons gebied. Hierop hebben wij veelvuldig contact gehad met de verdachte. Dit contact blijkt uit veelvuldig staande dan wel aanhouden van de verdachte. Tevens heeft de verdachte meerdere malen bij ons op de briefing gestaan.

Wij herkenden de persoon onmiddellijk toen wij de afbeeldingen zagen. Over zijn identiteit was ons door anderen geen informatie verstrekt.”

7. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft de raadsvrouwe van de verdachte betoogd dat het door middel van de camerabeelden verkregen bewijsmateriaal van het bewijs moet worden uitgesloten en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 16/281091-14 ten laste gelegde feit. Volgens de raadsvrouwe is onnodig en onevenredig veel inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte door het tonen van de camerabeelden in het televisieprogramma “Bureau Hengeveld” en de verspreiding van de camerabeelden op internet. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. In strijd met de Aanwijzing opsporingsberichtgeving is de beslissing om de beelden te vertonen niet genomen door de hoofdofficier van justitie maar door de officier van justitie en de persofficier. Er is sprake van een vormverzuim, aangezien de hoofdofficier van justitie geen toestemming heeft gegeven voor de opsporingsberichtgeving. Dit vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de herkenningen, zowel de herkenning door de ex-vriendin van de verdachte als die door de politieambtenaren. Het gaat om een ernstig vormverzuim, waardoor het recht op privacy van de verdachte zoals bedoeld in art. 8 EVRM is geschonden en waardoor de verdachte ernstig is benadeeld. Voorts is niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Het gaat immers om een eenvoudig strafbaar feit met een relatief laag schadebedrag, terwijl het publiekelijk tonen van herkenbare beelden een zeer grote inbreuk maakt op de belangen van de verdachte. Door de camerabeelden publiekelijk te vertonen is evenmin voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Voor de opsporing van de verdachte was het immers niet noodzakelijk om de camerabeelden uit te zenden in het opsporingsprogramma “Bureau Hengeveld” en vervolgens op internet te publiceren, aangezien uit het dossier blijkt dat de verdachte naar aanleiding van een interne regionale/landelijke briefing bij de politie op de getoonde beelden door meerdere verbalisanten is herkend.

8. Het hof heeft dit verweer onder “overweging met betrekking tot het bewijs” als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16-281091-14 heeft zij - kort gezegd - aangevoerd dat de politierechter ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de herkenning van verdachte op getoonde beelden van een pintransactie bij een regionale/landelijke briefing. De herkenningen zijn onder zeer twijfelachtige omstandigheden tot stand gekomen. Volgens de verdediging is er onnodig en onevenredig veel inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet, door het tonen van de camerabeelden in het televisieprogramma Bureau Hengeveld, en nadien door verspreiding van die beelden op het internet. Er is niet voldaan aan de eisen die de Aanwijzing opsporingsberichtgeving stelt. Voorts is met het inzetten van zo’n zwaar opsporingsmiddel niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Dit vormverzuim is zodanig ernstig dat bewijsuitsluiting de enige passende consequentie kan zijn.

(…)

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16-281091-14

Naar het oordeel van het hof is de Aanwijzing opsporingsberichtgeving een instructienorm voor de politie en het openbaar ministerie en kan verdachte daarop in beginsel geen beroep doen. Voor zover verdachte een beroep kan doen op de Aanwijzing opsporingsberichtgeving, stelt het hof vast dat de beelden zich op zichzelf bij uitstek leenden om de onbekende dader van de diefstal op te sporen en dat met de opsporing van deze dader in de gegeven omstandigheden een voldoende zwaarwegend belang was gediend, waarbij van belang is dat andere opsporingshandelingen nog niets hadden opgeleverd. Een belangenafweging is met name dan aan de orde als het niet zeker is of de persoon die op de beelden staat de dader is en als anderen dan de mogelijke dader op de beelden staan, maar dat is hier niet het geval. Het hof stelt voorts vast dat de beelden zonder de vereiste voorafgaande toestemming van de hoofdofficier van justitie op de regionale televisiezender zijn vertoond. Niet is gebleken dat de hoofdofficier van justitie achteraf alsnog toestemming heeft verleend. In zoverre is sprake van een ‘onherstelbaar vormverzuim’.

Het hof weegt de inbreuk op de belangen van verdachte echter niet zwaar, omdat verdachte als hij zich op een openbare plaats schuldig maakt aan een misdrijf, zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer op de tocht zet en rekening moet houden met de mogelijkheid dat zijn handelen door beeldapparatuur wordt opgenomen en vastgelegd en dat die beelden zullen worden gebruikt om de dader(s) op te sporen.

Het hof ziet, voor zover verdachte een beroep kan doen op de aanwijzing, dan ook in dit geval geen aanleiding om aan het verzuim enige consequentie te verbinden. Er is geen sprake geweest van een situatie waarin aan de belangen van de verdachte en aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Voor bewijsuitsluiting, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, is daarom geen plaats.

Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de herkenning van verdachte door de verbalisant en de getuige [betrokkene 2] . Beiden beschrijven voldoende nauwkeurig hoe en waaraan zij de persoon op de beelden herkennen als verdachte. De diefstal door middel van de valse sleutel kan wettig en overtuigend worden bewezen.”

9. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel, onder verwijzing naar HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024, NJ 2016/111 m.nt. Myjer, onder meer de klacht dat het hof een ander beoordelingskader, waarin de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol spelen, had moeten toepassen.

10. Ik val met de deur in huis door te concluderen dat het middel wegens het ontbreken van een in rechte te respecteren belang niet tot cassatie zal kunnen leiden. Daartoe wijs ik op het volgende. Uit de omschrijving van het middel en de toelichting daarop blijkt dat het is beperkt tot het oordeel van het hof ten aanzien van camerabeelden die zijn getoond op de televisie en op het internet. Uit de onder 6 weergegeven bewijsconstructie blijkt dat de verklaring van [betrokkene 2] is afgelegd naar aanleiding van het zien van de beelden op internet. Uit het als bewijsmiddel 3 opgenomen proces-verbaal van politie blijkt dat de daarin neergelegde herkenning van de verdachte door de verbalisant [verbalisant 1] aan de hand van een foto in de politiesystemen tot stand is gekomen, nadat de getuige [betrokkene 2] had verklaard dat zij de verdachte op de camerabeelden had herkend. Dat geldt echter niet voor andere herkenningen van de verdachte door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] , [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , zoals neergelegd in de bewijsmiddelen 4 tot en met 6. Deze vonden plaats na een interne “aandachtvestiging”. Zowel tijdens het pleidooi van de raadsvrouwe in hoger beroep als in de schriftuur is het beroep op de persoonlijke levenssfeer en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit toegespitst op het tonen van camerabeelden op de televisie en op internet en niet gericht tegen de interne “aandachtvestiging”, die ook naar haar aard een veel geringer bereik en geen openbaar karakter heeft. Als de bewijsmiddelen 2 en 3 uit de bewijsconstructie zouden worden weggedacht, is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Dat betekent dat het middel bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.2

11. Hierbij zal ik het echter niet laten. Gelet op het belang van de materie, zal ik het middel inhoudelijk bespreken.

12. Het vertonen van camerabeelden van een delict in een televisieprogramma en het plaatsen van deze camerabeelden op een internetwebsite, is door het openbaar ministerie nader genormeerd in de Aanwijzing opsporingsberichtgeving (Stcrt. 2009, 51).3 Volgens deze aanwijzing is opsporingsberichtgeving een opsporingsmiddel in strafvorderlijke zin, waarbij de hulp van het publiek wordt ingeroepen via de media en andere openbare berichten, teneinde voor het opsporingsonderzoek relevante informatie te verkrijgen. De bevoegdheid tot het inzetten van dit opsporingsmiddel valt onder de algemene bepalingen van art. 141 Sv en art. 148 Sv, waarin is bepaald dat de officier van justitie is belast met de opsporing van strafbare feiten en in dat kader bevelen kan geven aan de overige personen die met de opsporing zijn belast. Bij de inzet van opsporingsberichtgeving kan sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, die wordt beschermd door art. 8 EVRM. Volgens de aanwijzing moet de hoofdofficier van justitie toestemming geven voor de opsporingsberichtgeving. Bij het onderzoek naar een onbekende verdachte is de inzet van het middel, voor zover hier van belang, toegestaan bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van opsporingsberichtgeving dient er altijd een afweging plaats te vinden tussen de verschillende belangen, te weten de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer van de verdachte anderzijds. Net als bij de inzet van andere opsporingsmiddelen gelden de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het openbaar ministerie moet bij de inzet van het middel rekening houden met het grote bereik van verschillende mediavormen. Er wordt in de aanwijzing op gewezen dat het opsporingsbericht van tijdelijke aard is en dat publicatie van informatie op internet op gespannen voet kan staan met de beoogde tijdelijkheid van het bericht. Ten slotte houdt de aanwijzing in dat strafbare feiten steeds vaker zijn vastgelegd op beeld- en geluidsdragers en dat veel opnamen geschikt zijn om te worden ingezet voor opsporingsberichtgeving onder voorwaarde dat daarbij wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

13. In de hiervoor onder 8 weergegeven overwegingen heeft het hof vastgesteld dat de camerabeelden van de gekwalificeerde diefstal zonder de vereiste voorafgaande toestemming van de hoofdofficier van justitie op een regionale televisiezender zijn vertoond en op internet zijn geplaatst. Uit de onderliggende stukken blijkt dat daartoe slechts toestemming is verleend door de officier van justitie en de persofficier.4 Voorts ligt in deze overwegingen besloten dat het hof, gelet op het ontbreken van de vereiste toestemming, een aan het openbaar ministerie toe te rekenen schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte heeft aangenomen, als gevolg waarvan er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Het hof heeft geoordeeld dat het, gelet op de omstandigheid dat de inbreuk op de belangen van de verdachte niet zwaar weegt, geen aanleiding ziet om aan het verzuim enige consequentie te verbinden. De verdachte moest immers rekening houden met de mogelijkheid dat zijn handelen door beeldapparatuur werd opgenomen en dat die beelden zouden worden gebruikt om de dader(s) op te sporen, aangezien hij zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer op de tocht had gezet door zich op een openbare plaats schuldig te maken aan een misdrijf, aldus het hof. Voorts heeft het hof geoordeeld dat het verzuim niet dient te leiden tot bewijsuitsluiting, op de grond dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin aan de belangen van de verdachte en diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

14. In de zogenoemde “Eindhovense kopschopperzaak” heeft de Hoge Raad het toetsingskader uiteengezet voor de beoordeling van (de gerechtvaardigdheid van) de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte op wie het privacygerelateerde beeldmateriaal, dat in opdracht van het openbaar ministerie openbaar is gemaakt, betrekking heeft. Een zelfstandige of afzonderlijke toets aan de hand van beginselen van een behoorlijke procesorde of aan de hand van de factoren van art. 359a, tweede lid, Sv is niet nodig. De na te noemen, niet limitatief opgesomde, factoren, waarin ook de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit een plaats hebben, bieden een toereikend autonoom beoordelingskader.5

15. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is niet absoluut. Bij de beantwoording van de vraag of een (on)gerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op het, onder meer in art. 8 EVRM gewaarborgde, recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte komt het aan op een weging van de omstandigheden van het geval. In het algemeen geldt dat door het verspreiden van persoonlijke informatie ten aanzien waarvan de verdachte redelijkerwijs mag verwachten dat deze niet zonder zijn toestemming openbaar wordt gemaakt, een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De enkele omstandigheid dat met een dergelijke publicatie het belang van de opsporing van de verdachte van een (ernstig) strafbaar feit is gediend, maakt dat niet anders. Een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte kan afstuiten op de omstandigheid dat openbaarmaking van de persoonlijke gegevens een voorzienbaar gevolg is van het eigen handelen van de verdachte, in het bijzonder wanneer dit een ernstig strafbaar feit betreft.6

16. Voor de beantwoording van de vraag of in gevallen als het onderhavige sprake is van een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en of deze inbreuk gerechtvaardigd is, kunnen onder meer de volgende factoren, die ook kunnen worden afgeleid uit de jurisprudentie van het EHRM,7 van belang zijn:
- het publieke dan wel private karakter van de op het beeldmateriaal waarneembare plaats waar de verdachte zich bevindt;
- de persoon van de verdachte, waaronder diens leeftijd of bijzondere kwetsbaarheid;
- de hoedanigheid van de verdachte, zoals de publieke bekendheid van de verdachte, dan wel de omstandigheid dat hij wordt verdacht van een (ernstig) strafbaar feit;
- de mate van herkenbaarheid van de verdachte op het beeldmateriaal en de aard en de indringendheid van de informatie, die door het beeldmateriaal wordt verstrekt, omtrent de identiteit, de uiterlijke kenmerken of de gedragingen van de verdachte;
- het doel waarmee het beeldmateriaal is vergaard en geopenbaard, waarbij aan de orde kan komen of het gaat om de opsporing of de identificatie van de verdachte van een (ernstig) strafbaar feit en of het voorzienbaar is dat het beeldmateriaal wordt gebruikt op een wijze die verder gaat dan hetgeen redelijkerwijze nodig is voor het te bereiken doel;
- de wijze van vergaring en openbaarmaking van het beeldmateriaal, waarbij aan de orde kan komen of het beeldmateriaal is gemaakt en gepubliceerd met toestemming van de verdachte, of de beeldopnamen zijn gemaakt op publieke plaatsen waar opnameapparatuur normaliter wordt gebruikt met een gelegitimeerd en voorzienbaar doel, en of er sprake is van een naar tijd en reikwijdte beperkt gebruik dan wel dat de beelden integraal zijn vrijgegeven aan het algemene publiek; en
- de mate waarin het beeldmateriaal in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving is verkregen en verspreid.8

17. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het, zonder toestemming van de hoofdofficier van justitie, verstrekken van de camerabeelden van de gekwalificeerde diefstal aan het regionale opsporingsprogramma “Bureau Hengeveld” en aan de internetwebsite “www.boevenvangen.nl” en het vervolgens vertonen daarvan aan het algemene publiek slechts een beperkte inbreuk opleveren op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en dat die inbreuk zonder consequenties kan blijven. Het hof heeft ter onderbouwing van dit oordeel slechts in aanmerking genomen dat met de opsporing van de tot dan toe onbekende dader een voldoende zwaarwegend belang was gediend, dat andere opsporingshandelingen nog niets hadden opgeleverd, dat een belangenafweging niet aan de orde is en dat degene die zich op een openbare plaats schuldig maakt aan een misdrijf zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer op de tocht zet. Uit deze overwegingen blijkt niet dat het hof de hiervoor onder 16 genoemde factoren in zijn beoordeling heeft betrokken. Het hof heeft immers geen belangenafweging gemaakt, maar zelfs expliciet overwogen dat een belangenafweging hier niet aan de orde is, en evenmin getoetst of door het vertonen van de camerabeelden is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, terwijl de raadsvrouwe van de verdachte gemotiveerd heeft betwist dat aan die eisen zou zijn voldaan. Aldus heeft het hof het hiervoor weergegeven toetsingskader van de Hoge Raad miskend.

18. Aan het voorgaande doet niet af dat de uitspraak van het hof van 29 juni 2015 dateert van vóór het arrest van de Hoge Raad in de “Eindhovense kopschopperzaak” van 13 oktober 2015. In die zaak heeft de Hoge Raad immers geen nieuwe rechtsregels geformuleerd ten aanzien van de beantwoording van de vraag of bij het publiekelijk vertonen van camerabeelden sprake is van een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en of deze inbreuk gerechtvaardigd is. De Hoge Raad heeft slechts de reeds bestaande kaders op dit punt, onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM, uiteengezet.

19. Daarbij wijs ik er nog op dat het in de onderhavige zaak gaat om een op zichzelf staande diefstal door middel van valse sleutels van een relatief klein geldbedrag (€ 1.250,-), terwijl het hof heeft vastgesteld dat de vereiste toestemming voor het vertonen van de camerabeelden niet door de hoofdofficier van justitie was verleend. Door de publicatie van de camerabeelden op de voornoemde internetwebsite blijven de beelden gedurende een lange periode toegankelijk voor het algemene publiek. Voorts moet worden bedacht dat het hof niet heeft gespecificeerd welke andere opsporingsactiviteiten de politie reeds had verricht en waarom niet had kunnen worden volstaan met het intern vertonen van de camerabeelden binnen de politie, mede gelet op de omstandigheid dat het intern vertonen van de beelden later wel tot verschillende herkenningen van de verdachte door verschillende verbalisanten heeft geleid.

20. Op inhoudelijke gronden klaagt het middel terecht over het bestreden oordeel van het hof. Op grond van hetgeen hiervoor onder 10 is uiteengezet, behoeft het middel evenwel niet tot cassatie leiden.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie de bewijsmiddelen 1 tot en met 6 en (ten aanzien van de (ontbrekende) toestemming) het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 15 augustus 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 6], politiedossier p. 17-18.

2 Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.1, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382 m.nt. Keulen, rov. 3.6, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014/381 m.nt. Keulen, rov. 2.6 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, rov 2.2.5.

3 De Aanwijzing opsporingsberichtgeving (2009A004) is vastgesteld op 16 februari 2009 en in werking getreden per 16 maart 2009. De geldigheidsduur van de aanwijzing eindigde aanvankelijk op 15 maart 2013. In Stcrt. 2013, 5114 is de geldigheidsduur verlengd tot 31 augustus 2013. Vervolgens is in Stcrt. 2013, 22031 bepaald dat dat met ingang van 1 september 2013 alle beleidsregels voor onbepaalde tijd geldig zijn.

4 Zie het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 15 augustus 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 6], politiedossier p. 17-18.

5 Zie HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024, NJ 2016/111 m.nt. Myjer, rov. 4.4.2 (slot). In een aantal zaken oordeelde het hof dat het tonen van camerabeelden van de verdachte op internet geen vormverzuim zoals bedoeld in art. 359a Sv opleverde dat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering aanleiding kon geven, op de grond dat dit in de gegeven omstandigheden niet in strijd was met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Hoge Raad liet de desbetreffende arresten in stand. Vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:41, NJ 2014/188 m.nt. Schalken, ECLI:NL:HR:2014:23, ECLI:NL:HR:2014:42, ECLI:NL:HR:2014:43 en ECLI:NL:HR:2014:28 (ongeregeldheden tijdens en na de voetbalwedstrijd FC Utrecht tegen FC Twente). Vgl. voorts HR 2 juni 2015, nr. 14/02888 (niet gepubliceerd; eerste en vierde middel, art. 81 RO) en HR 24 maart 2015, nr. 13/02556 (niet gepubliceerd; vierde middel, art. 81 RO).

6 Zie HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024, NJ 2016/111 m.nt. Myjer, rov. 4.3.1.

7 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee (ECLI:NL:PHR:2015:1198) voorafgaand aan HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024, NJ 2016/111 m.nt. Myjer.

8 Zie HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024, NJ 2016/111 m.nt. Myjer, rov. 4.3.2.