Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1404

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
16/02031
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:19, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

T.b.v. hennepkwekerij in woning opzettelijk verijdelen van t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, art. 161bis.3 Sr. “Te duchten levensgevaar” toereikend gemotiveerd? Om in rechte het in art. 161bis Sr bedoelde levensgevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige b.m. volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar t.t.v. het verijdelen van de veiligheidsmaatregel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich doorgaans geen personen in de nabijheid van het betreffende elektriciteitswerk bevinden. Nu uit de gebezigde b.m. kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededader door de stroomvoorziening t.b.v. een door hen opgebouwde en ook tijdens hun afwezigheid in werking zijnde hennepkwekerij een erg brandgevaarlijke situatie in het leven hadden geroepen door de t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen te verijdelen, dat dit geschiedde in twee slaapkamers in een hoekpand met houten vloeren op de derde etage van een portiekflat, terwijl de aangrenzende woningen bewoond waren o.m. door een gepensioneerde buurman die veel thuis was, kunnen de b.m. ‘s Hofs oordeel dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02031

Zitting: 7 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 8 april 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en 3. “opzettelijk een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daardoor levensgevaar voor een ander te duchten is” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 1

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel

3.1. Het middel klaagt - kort gezegd – dat het onder 3 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, dan wel dat de verwerping van het dienaangaande verweer van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.

3.2. Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

“hij in de periode 27 september 2013 tot en met 6 december 2013 te IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, enig electriciteitswerk heeft vernield, althans beschadigd, althans onbruikbaar heeft gemaakt, althans een stoornis in de werking van dat werk heeft veroorzaakt en/of/althans ten opzichte van dat werk genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld, hebbende hij, verdachte een hennepkwekerij aangelegd ten behoeve waarvan verdachte buiten de electriciteitsmeter en/of de aardlekschakelaar om middels een stroomkabel electriciteit afgetapt (waardoor een/of meer deel/delen van de hennepkwekerij, dan wel (een) installatie(s) ten behoeve van de hennepkwekerij onder stroom/electriciteit zijn/is komen te staan) terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten was”

3.3. Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode 27 september 2013 tot en met 6 december 2013 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander, ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld, hebbende hij een hennepkwekerij aangelegd ten behoeve waarvan verdachte buiten de elektriciteitsmeter en de aardlekschakelaar om middels een stroomkabel elektriciteit heeft afgetapt (waardoor delen van de hennepkwekerij onder elektriciteit zijn komen te staan) terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten was.”

3.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging aan de hand van zijn pleitnotities, die door hem aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt. In aanvulling daarop voert hij het volgende aan:

Bij feit 3 wordt het gevaarzettingscriterium gehanteerd. Uit het dossier zal genoegzaam moeten blijken dat ook daadwerkelijk sprake was van levensgevaar, maar er blijkt daaromtrent helemaal niets uit het dossier. Ik verzoek u mijn cliënt vrij te spreken van feit 3.”

3.5. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Voorts heeft de raadsman vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 3, omdat er geen sprake zou zijn geweest van levensgevaar.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat een fraudespecialist van Liander N.V. de elektriciteitsinstallatie in de [a-straat 1] te IJmuiden heeft onderzocht. Daarbij werd onder meer geconstateerd dat op de aansluiting van de ingaande kant van de elektriciteitsmeter een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Deze fraudespecialist zag dat sprake was van een handelwijze waarbij niet was voldaan aan de norm ‘NEN 1010’. Deze norm beschrijft de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen. In de bij de aangifte behorende toelichting op de gevaarzetting is opgenomen dat de minimale voorschriften ertoe strekken gevaar voor elektrocutie en brandgevaar te voorkomen. Het betreft hier een hoekpand op de derde etage van een portiekflat. De vloeren van deze flat zijn van hout. Het hof is op basis hiervan van oordeel dat er wel degelijk levensgevaar voor een ander te duchten was.”

3.6. De door het hof in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen houden het volgende in:

“De bewijsmiddelen

Ten aanzien van feiten 1,2 en 3


1. Een proces-verbaal van bevindingen (met nummer PL1251-2013124052-2) van 4 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina 2).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

De [a-straat] is in de wijk [...] gelegen. Tijdens de surveillance in de wijk op 4 december 2013 viel het mij op dat van de woning in een portiekflat op de [a-straat 1] te IJmuiden alle ramen op een kier stonden, zowel aan de voor- als aan de achterzijde. Tevens zag ik dat van deze woning alle gordijnen waren gesloten. Op de het naamkaartje van perceel [a-straat 1] stond de naam [verdachte] vermeld. Blijkens informatie uit de administratie van het bevolkingsregister van de gemeente Velsen staat er op dat adres niemand ingeschreven. Vervolgens heb ik nader onderzoek ingesteld en aangebeld bij meerdere bewoners van deze portiekflat. Zij verklaarden dat zij het ook een zeer vreemde zaak vonden en dat er al sinds drie maanden een Turkse man woont, die alleen maar af en toe in zijn woning komt en dat er nooit meubelen de woning zijn ingebracht. Ik ben vervolgens naar de woning aan de [a-straat 1] gegaan en rook bij de voordeur de voor mij herkenbare typische zoete weeïge lucht van hennep. Blijkens telefonische informatie van woningbedrijf [...] wordt de woning aan de [a-straat 1] te IJmuiden sinds 12 september 2013 verhuurd aan [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

Blijkens informatie uit de politieregisters is [verdachte] voomoemd eerder met de politie in aanraking geweest voor het in werking hebben van een hennepkwekerij op 2 december 2012.


2. Een proces-verbaal van bevindingen (met nummer PL1251-2013124052-5) van 13 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 3-6).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling Van de verbalisanten (of één van hen):

Door inspecteur H. Kievit van de Regiopolitie Noord-Holland, in de hoedanigheid van hulpofficier van justitie, is op 6 december 2013 een machtiging tot binnentreden in een woning ter opsporing en inbeslagneming op grond van artikel 9 lid 1 onder b van de Opiumwet afgegeven. Op 6 januari 2013 {het hof begrijpt 6 december 2013) te 10.10 uur werd de woning [a-straat 1] te IJmuiden, gemeente Velsen, door ons betreden.
Het bleek dat op dit adres een werkende hennepkwekerij aanwezig was. Na het openen van de voordeur zag ik dat er in de twee slaapkamers hennepkwekerijen waren ingericht. In de ruimtes hingen een houten plaat met daarop een volautomatische groepenkast, alsmede een geïntegreerde tijdschakelaar. In totaal hingen er in de kweekruimten 10 - in werking zijnde - assimilatielampen van 600 watt. Op de grond stonden in totaal 143 hennepplanten.

De stroomvoorziening van de kwekerij is onderzocht door fraudespecialist [betrokkene 1] van energiebedrijf Liander. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de kwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat de gehele stroomafname voor de in werking zijnde hennepkwekerij draaide op twee elektriciteitsdraden. Volgens de aanwezige fraude-expert was dit zeer gevaarlijk in verband met de gevraagde energie en was de situatie erg brandgevaarlijk. Door de gevraagde warmte van de hennepkwekerij en capaciteit van de elektriciteitsdraden was het zeer goed mogelijk dat deze draden zouden smelten en er brand zou kunnen ontstaan.


3. Een proces-verbaal van bevindingen (met nummer PL1251-2013124052-6) van 11 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 7-8).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Ik heb op 11 december 2013 een buurtonderzoek gehouden bij de woningen direct gelegen bij perceel [a-straat 1] te IJmuiden. Dit perceel betreft een portiekwoning met drie woonlagen waarvan perceel [1] op de bovenste woonlaag is gesitueerd. Ik heb gesproken met de bewoner van perceel [a-straat 2] , [betrokkene 2] . Deze verklaarde dat de bewoner van perceel [1] zich omstreeks augustus 2013 had voorgesteld aan hem. [betrokkene 2] verklaarde gepensioneerd te zijn en veel thuis te zijn, dat hij in het begin veel overlast door boorgeluiden had ondervonden van de bewoner van perceel [1] en dat die bewoner maar enkele keren per week bij de woning kwam, altijd tijdens de avonduren en nachtelijke uren wanneer het donker was.

Ik heb vervolgens gesproken met de bewoonsters van perceel [a-straat 3] en [4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Deze verklaarden dat de bewoner van perceel 14 zich eind augustus c.q. begin september 2013 had voorgesteld aan hen. Deze man had zich voorgesteld met de achternaam [verdachte] , welke later ook stond op het naambordje bij de brievenbus van perceel [1] . Zij verklaarden verder dat de man een Turks uiterlijk had en klein van lengte was. De man zou enkele keren per week bij de woning langs komen wanneer het buiten reeds donker was. Tevens verklaarden zij dat er ook vaak een andere man met een Turks uiterlijk bij was. De bewoners verklaarden verder aan mij dat zij vanaf september 2013 overlast ondervonden door geluiden van timmeren en boren in de avonduren, dat het hun opviel dat er nooit meubels de woning van perceel [1] zijn binnengedragen en dat de mannen nooit langer dan één uur verbleven in de woning. De bewoonster van perceel [4] heeft de huurder van perceel [1] erop aangesproken dat alle ramen aan de voorzijde en achterzijde op een kier stonden.

4. Een geschrift, te weten een aangifteformulier met nummer 2013-124052 van 13 december 2013 van Liander N.V. (doorgenummerde pagina’s 30-32 met bijlagen).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de door [betrokkene 5] opgemaakte en ondertekende verklaring van 13 december 2012, in ontvangst genomen door verbalisant [verbalisant 3] onder proces-verbaalnummer 2013126250-1 :
Namens Liander N.V. ben ik gerechtigd om aangifte te doen. Op verzoek van Liander N.V. is - in samenwerking met de politie te IJmuiden - op 6 december 2013 door een fraudespecialist van Liander N.V. een onderzoek ingesteld naar de aansluiting, waaronder de meetinrichting, die eigendom is van Liander N.V. en die zich bevindt in perceel [a-straat 1] , [...] te IJmuiden. Het betreft een hoekpand op de derde etage. De fraudespecialist constateerde op 6 december 2013 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie. Hij zag dat de zegels van het zogenoemde klemmendeksel van de elektriciteitsmeter waren verbroken. Nadat hij het klemmendeksel had verwijderd, zag hij dat op de aansluiting van de ingaande kant van de elektriciteitsmeter een illegale elektriciteits-aansluiting was gemaakt. Hij zag dat de uitgaande kant van de meter op de inkomende kant was aangesloten. Voorts zag hij dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en die voorzag van elektriciteit.

Hij zag dat er sprake was van een handelwijze waarbij niet is voldaan aan de norm NEN 1010. Het gevolg van de handelwijze is dat er gevaar voor goederen te duchten is geweest. De vloeren van deze flat zijn van hout en bij brand zouden ook de benedenburen hierdoor heel veel schade ondervinden. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Uit het onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel in ieder geval in de periode van oktober 2013 tot 6 december 2013. Door mij is een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 6772 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage.

Toelichting gevaarzetting/relatie met Nederlandse wetgeving fNEN 1010)

Er zijn twee mogelijke gevaren bij elektriciteit, te weten gevaar voor elektrocutie (door directe of indirecte aanraking) en brandgevaar. De NEN 1010 geeft de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen.


5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 juni 2015.

Deze verklaring van de verdachte houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik wist dat er een kwekerij in het pand zat. Ik zou een deel van de opbrengst krijgen. Het klopt dat ik de woning heb gehuurd. Toen ik de woning kreeg, werd ik aangesproken door een kennis die verstand heeft van elektriciteit en kweken. Die kennis heeft de hennepplantage opgebouwd. Omdat ik in een moeilijke positie zat, ben ik ermee akkoord gegaan.”

3.7. Het middel klaagt allereerst dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte “tezamen en in vereniging met een ander ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld”.

3.8. De bewezenverklaring is toegesneden op art. 161bis Sr. Dit artikel luidt:

“Hij die opzettelijk enig electriciteitswerk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemenen nutte ontstaat;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

4°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”

3.9. Het in art. 161bis Sr bedoelde “ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen verijdelen” betekent volgens de memorie van toelichting bij de totstandkoming van art. 161bis Sr dat het aan die veiligheidsmaatregelen zijn gevolgen ontneemt.2 Een veiligheidsmaatregel kan zowel een gebod als verbod, een voorschrift, als een handeling zijn.3 Een stoppenkast wordt wel als voorbeeld van een veiligheidsmaatregel gezien.4

3.10. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de elektriciteitsaansluiting zodanig is aangelegd dat deze de elektriciteitsmeter omzeilde en daarna, buiten de elektriciteitsmeter om, naar de hennepplantage voerde. Voorts blijkt daaruit dat de gehele stroomafname voor de hennepkwekerij – ten minste 6000 watt5 – over twee elektriciteitsdraden liep. Deze handelwijze voldeed niet aan de norm NEN 1010. Uit die gang van zaken leid ik af dat niet alleen de elektriciteitsmeter, maar ook de stoppenkast, die de stroomlevering in verschillende groepen met bijbehorende (smelt)veiligheden verdeelt en waarin ook een aardlekschakelaar is opgenomen, is omzeild. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen dat de norm NEN 1010 de minimale voorschriften beschrijft waaraan een elektrische installatie bij lage spanning moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen6, meen ik dat het oordeel van het hof dat “de genomen veiligheidsmaatregelen in de meterkast zijn verijdeld” niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd (en bovendien evenmin van een onjuiste rechtsopvatting getuigt).

3.11. Het middel faalt in zoverre.

3.12. Het middel klaagt voorts dat het bewezenverklaarde “te duchten levensgevaar” ontoereikend is gemotiveerd.

3.13. De steller van het middel merkt allereerst op dat “indien de bewezenverklaring zo gelezen dient te worden dat het hof heeft beoogd het levensgevaar bewezen te achten omdat gevaar voor elektrocutie aanwezig is geweest doordat delen van de hennepkwekerij onder elektriciteit zijn komen te staan”, de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed nu dit uit de gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, blijkt. Ik meen dat de bewezenverklaring niet op die manier gelezen moet worden, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist. Uit zowel de bewijsvoering van het hof als uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt immers dat het hof het te duchten levensgevaar niet op het gevaar voor elektrocutie heeft gegrond.7 Voor dat oordeel pleit overigens ook dat het bestreden onderdeel van de bewezenverklaring zowel in de tenlastelegging als in de bewezenverklaring tussen haken staan.

3.14. De klacht houdt in de kern genomen in dat het bewezenverklaarde “te duchten levensgevaar” ontoereikend is gemotiveerd.

3.15. Anders dan bij krenkingsdelicten wordt bij gevaarzettingsdelicten niet de schending of krenking van een rechtsgoed strafbaar gesteld, maar het gevaar voor krenking. In de wetsgeschiedenis van art. 161bis Sr en art. 161ter Sr (de schuldvariant van art. 161bis Sr8) wordt weinig aandacht besteed aan het gevaarzettingsvereiste in die strafbaarstellingen. Art. 161bis Sr kan qua gevaarzetting goed vergeleken worden met art. 157 Sr; brandstichting met nader omschreven ‘te duchten’ gevaren,9 of art. 385b Sr; gevaarlijk gedrag aan boord van een luchtvaartuig met nader omschreven ‘te duchten’ gevaren.10 Dat gevaar te duchten is betekent echter niet dat dit gevaar zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt; voldoende is dat het gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is.11 Duidelijk wordt door het hanteren van ‘te duchten’ dat het gaat om een beoordeling ‘ex ante’, dus ten tijde van de in het gronddelict gedefinieerde handeling12 – in art. 161bis Sr dus ten tijde van het ‘knutselen’ aan het elektriciteitswerk. Bij een dergelijke beoordeling, waarbij dus het aannemen van gevaar niet in de eerste plaats afhankelijk is van wat is, maar van wat men weet, is gevaar meer iets dat ‘is te duchten’ dan dat het ‘bestaat’ of ‘ontstaat’.13 Dat, door tijdig en deskundig ingrijpen of door toeval, het gevaar zich (achteraf bezien) niet heeft gerealiseerd neemt de strafbaarheid dus niet weg. Voorts is in art. 161bis Sr het te duchten gevaar een bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid zodat het opzet van de dader daarop niet is vereist.14 Het betreft een objectief gegeven.15

3.16. Stamhuis definieert gevaar als een toestand waarin de kans op het zich voordoen van een concrete onwenselijke gebeurtenis onaanvaardbaar groot is.16 Hij beschrijft het prototype gevaarzettingsdelict als gedrag waardoor het risico op een gevreesde gebeurtenis onaanvaardbaar vergroot wordt en waarmee de dader blijk geeft van een laakbare onverschilligheid ten opzichte van de beschermde rechtsgoederen.17 Een belangrijk element in die omschrijving is de onaanvaardbaarheid van het gecreëerde risico. Dat sluit aan bij hetgeen Simmelink in zijn beschouwing over het begrip ‘gevaar’ opmerkt, met verwijzing naar o.m. Nieboer, door wie de onaanvaardbaarheid van de kans wordt gerelateerd aan ‘de aard van de rechtsbelangen die op het spel staan.18 Wat betreft de graad van waarschijnlijkheid dat het gevaar zich voordoet houdt J.W. Fokkens de definitie aan dat “het gevaar bestaat wanneer naar de gewone loop der dingen zonder buitengewone omstandigheden de ernstige mogelijkheid van noodlottige afloop aanwezig is”.19 Dat lijkt mij een mooie samenvatting van het voorgaande.

3.17. In art. 161bis Sr onder 2° Sr wordt het te duchten gevaar omschreven als “gemeen gevaar voor goederen”. Het artikel kent onder 3e en 4e strafverzwarende trappen voor het geval respectievelijk “levensgevaar voor een ander” of “levensgevaar voor een ander en het feit iemands dood ten gevolge heeft”. Dat dergelijke gevolgen zeer nauw gerelateerd zijn aan gevaarlijke gedrag met betrekking tot een elektriciteitswerk spreekt vanzelf. De achterliggende rechtsbelangen van art. 161bis Sr en art. 161ter Sr, de algemene veiligheid van personen of goederen20, moeten evenzeer vanzelfsprekend hoog worden ingeschat. Als voorlopige gedachtebepaling, kan mijn inziens gelet op de context van het onderhavige delict worden aangenomen dat ogenschijnlijk kleine kansen op het ontstaan van (levens)gevaar voor personen of goederen toch onaanvaardbaar groot genoemd kunnen worden.

3.18. De Hoge Raad heeft zich, voor zover mij bekend, nog niet uitgelaten over een eerdere vraag of het bewezenverklaarde veroorzaken van een stoornis in de werking van een meterkast21 of het verijdelen van een ten opzichte van een meterkast genomen veiligheidsmaatregel zoals een stoppenkast, van welke handelingen ‘levensgevaar was te duchten’, toereikend was gemotiveerd. Wel heeft de Hoge Raad meerdere arresten gewezen waarin hij oordeelde over de vraag of het bewezenverklaarde ‘brandstichting met te duchten levensgevaar’ in de zin van art. 157 Sr toereikend was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat om dergelijk gevaar als vaststaand te kunnen aannemen, vereist is dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar inderdaad te duchten was. Zoals eerder in deze conclusie vermeld, stelt de Hoge Raad in dergelijke zaken verder voorop dat “het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest”. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat van die voorzienbaarheid in de regel geen sprake is indien de bewoner(s) zich ten tijde van de brandstichting niet in de woning bevind(en).22 De Hoge Raad casseerde in die zaak omdat het bewezenverklaarde van de brandstichting te duchten levensgevaar voor de te aan de X-straat nr. 14 woonachtige personen niet zonder meer kon worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, “die immers niet inhielden dat die personen toen daar aanwezig waren”. In zijn arrest HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170 nam de Hoge Raad bij zijn oordeel dat de bewijsmiddelen het oordeel van het hof dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor andere personen voorzienbaar was konden dragen, mede in aanmerking “dat de bewoners van twee ondergelegen woningen inderdaad thuis waren”.

3.19. Terug naar de onderhavige zaak. Niet blijkt dat de verdachte door zijn handelen direct levensgevaar voor een ander heeft veroorzaakt, maar dat is ook niet vereist. Het gevaar hoeft zich immers niet te verwezenlijken. Of het gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest, vergt een beoordeling van feiten en omstandigheden die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het hof heeft zijn – hiervoor in paragraaf 3.5 weergegeven - oordeel dat er levensgevaar voor een ander te duchten was (kennelijk) gegrond op zijn oordeel dat, nu de minimale voorschriften die ertoe strekken (elektrocutie en) brandgevaar te voorkomen niet zijn nageleefd, de woning waarin de meterkast stond een hoekpand op de derde etage van een portiekflat betrof waarvan de vloeren van hout waren, er sprake was van brandgevaar.

3.20. Het (kennelijke) oordeel van het hof dat het levensgevaar voor een ander naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest, is mijns inziens niet onbegrijpelijk en toereikend is gemotiveerd. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt zonder enige twijfel dat door het handelen van de verdachte en/of zijn mededader een onaanvaardbaar grote kans op brandgevaar in het leven was geroepen. Eerder bleek al dat de gehele stroomafname voor de hennepkwekerij – ten minste 6000 watt – over twee elektriciteitsdraden liep, wat zeer (brand)gevaarlijk was omdat het zeer goed mogelijk was dat deze draden zouden smelten en er brand zou kunnen ontstaan, terwijl bovendien de stoppenkast was omzeild waardoor de stroomtoevoer bij mogelijke kortsluiting niet automatisch onderbroken zou worden. Naar de gewone loop der dingen heeft het hof hier kennelijk en niet onbegrijpelijk rekening gehouden met de ernstige mogelijkheid dat de (hele) woning inclusief de houten vloer in brand zou zijn geraakt en het vuur en/of de rook zou zijn overgeslagen naar de benedenburen. Het kennelijke oordeel van het hof dat deze overslaande brand een onaanvaardbaar grote kans op levensgevaar voor die buren in het leven zou hebben geroepen acht ik evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat het in de bewezenverklaring bedoelde elektriciteitswerk zich bevond in een hoekpand op de derde etage van een portiekflat en dat uit het als bewijsmiddel 3 gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de politie kan worden afgeleid dat in de bewezenverklaarde periode – 27 september 2013 tot 6 december 2013 – de buren geregeld thuis waren. Ik meen kortom dat het te duchten levensgevaar naar algemene ervaringsregelen voorzienbaar was ten tijde van het knutselen aan de meterkast. Het hof heeft het bewezenverklaarde “te duchten levensgevaar” dan ook toereikend gemotiveerd.

3.21. Het middel faalt ook in zoverre.

3.22. De steller van het middel merkt ten slotte op dat het hof “niet expliciet heeft vastgesteld dat de gevaarzetting voor de verdachte voorzienbaar is geweest ten tijde van zijn gedragingen” en dat de gedragingen van de verdachte “naar de kern genomen in het algemeen worden beschouwd als opleverende overtreding van art. 161ter Sr en niet art. 161bis Sr”, waardoor het hof de bewezenverklaring onvoldoende met redenen heeft omkleed. De steller van het middel miskent dat bij een gevaarzettingsdelict als het onderhavige niet van belang is of de verdachte de gevaarzetting heeft voorzien. Het gevaar hoeft immers slechts naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.23 Het middel faalt ook in zoverre.

4. Het middel is in zijn geheel tevergeefs voorgesteld.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De onderhavige zaak vertoont op een aantal punten overeenkomst met die onder nr. 16/02344, waarin ik vandaag ook concludeer.

2 Kamerstukken II 1920-1921, Aanpassing van het W. van S. aan huidige toestanden op het gebied der aanwending van electrisch arbeidsvermogen, nr. 3.

3 Aldus J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 4 bij art. 161bis Sr, bijgewerkt tot 1 maart 2006.

4 Zie A. de Lange in Tekst en Commentaar Strafrecht, aant. 10c bij art. 161bis Sr, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 1144.

5 Alleen al voor de lampen. Het ligt voor de hand dat er ook afzuigapparatuur aanwezig was die de nodige stroom verbruikte.

6 Art. 6.8 lid 1 van het Bouwbesluit 2012 houdt, voor zover van belang, in dat een voorziening voor elektriciteit voldoet aan NEN 1010 bij lage spanning.

7 Waarop het hof dat oordeel wel heeft gebaseerd komt hierna aan de orde.

8 Overigens houdt art. 161ter Sr niet in 'indien (…) gevaar (…) te duchten is,' maar 'indien daardoor (…) gevaar (…) ontstaat.'

9 Zie ook J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 75.

10 Zie HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2752, NJ 2015/247 en de conclusie die ik voor dat arrest schreef (ECLI:NL:PHR:2015:1943). In die zaak werd in cassatie geklaagd over het oordeel van het hof dat door de gedragingen van de verdachte gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig te duchten is geweest.

11 HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120.

12 Vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8840.

13 J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 157 Sr, bijgewerkt tot 1 maart 2006.

14 Vgl. A. de Lange in Tekst en Commentaar Strafrecht, aant. 8 en 9 bij art. 161bis Sr, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 1143-1144.

15 Zie o.m. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230 en HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653.

16 Stamhuis, p. 5 met verwijzing naar J. Remmelink, D. Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlands strafrecht, Deventer 1996, p. 98 en J.B.H.M. Simmelink, Algemeenheden in het wegenverkeerswet, Arnhem 1995, p. 136.

17 Stamhuis, p. 14.

18 J.B.H.M. Simmelink, Algemeenheden in het wegenverkeersrecht, diss. Nijmegen, 1995, p.144.

19 J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 157 Sr, bijgewerkt tot 1 maart 2006.

20 De artikelen zijn opgenomen in titel VII van boek 2 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende de misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht.

21 Deze vraag is aan de orde in de zaak die bij de Hoge Raad bekend is met nummer 16/02334, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

22 HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120. Een variant daarop is HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0594. Die zaak werd gecasseerd omdat de gebezigde bewijsmiddelen niet inhielden dat zich ten tijde van de brandstichting in de (directe) omgeving van het sportcentrum personen bevonden.

23 Zie bijv. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120 t.a.v. art. 157 Sr, brandstichting.