Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1402

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
16/02344
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:16, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

T.b.v. hennepkwekerij in woning medeplegen van opzettelijk een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is, art. 161bis sub 2 en 3 Sr. 1. Is een meterkast een “elektriciteitswerk”? 2. “Te duchten levensgevaar” toereikend gemotiveerd? 3. Medeplegen toereikend gemotiveerd?

Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat de meterkast voor de stroomvoorziening in de woning kan worden aangemerkt als een "elektriciteitswerk" a.b.i. art. 161bis en 90ter Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Om in rechte het in art. 161bis Sr bedoelde levensgevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige b.m. volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar t.t.v. het verijdelen van de veiligheidsmaatregel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich doorgaans geen personen in de nabijheid van het betreffende elektriciteitswerk bevinden. Nu uit de gebezigde b.m. kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededader de stroomvoorziening t.b.v. een hennepkwekerij hadden aangelegd op een wijze die niet voldeed aan de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen en aldus de t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen hadden verijdeld, terwijl dit geschiedde in een appartementencomplex waarin personen huizen en ook aanwezig waren, en daadwerkelijk brand is ontstaan op de zolderruimte van het perceel, kunnen de b.m. ‘s Hofs oordeel dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was.

Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. de motiveringsplicht voor de rechter indien medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Hof heeft o.m. vastgesteld dat de in verdachtes woning aangetroffen hennepkwekerij van hem was, dat hij een kennis, die geen elektricien was, heeft gevraagd om daarvoor de elektrische installatie aan te leggen, dat die installatie niet professioneel was en dat verdachte zelf de kabels in de meterkast heeft gezien. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij eerder had gehoord dat in een wietplantage brand was ontstaan en dat een dergelijke brand kan ontstaan door kortsluiting of oververhitting. In dat verband heeft Hof nog overwogen dat een feit van algemene bekendheid is dat het aftappen van elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om meebrengt dat de veiligheidsmaatregelen die in de meterkast aanwezig zijn worden omzeild en dat daardoor brand kan ontstaan. Mede in aanmerking genomen dat verdachte heeft verklaard dat hij verder niet heeft gecontroleerd of de in zijn opdracht aangelegde elektrische installatie veilig was aangelegd, geeft ’s Hofs oordeel dat de bijdrage van verdachte aan het bewezenverklaarde feit van voldoende gewicht is om zijn gedragingen als medeplegen van dit delict aan te merken, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. CAG: anders t.a.v. medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02344

Zitting: 7 november 2017 (bij vervroeging)

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 15 april 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van opzettelijk een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.1

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat een meterkast een elektriciteitswerk is als bedoeld in art. 161bis Sr getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat ’s hofs kwalificatie van het bewezenverklaarde feit op een onjuiste rechtsopvatting berust, dan wel dat het oordeel van het hof dat er een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk is veroorzaakt en een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel is verijdeld terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

3.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot 24 oktober 2013 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een elektriciteitswerk, te weten een zogenaamde meterkast voor de stroomvoorziening in een woning althans een gebouw aan de [a-straat 1], heeft vernield en/of beschadigd en/of een stoornis in de gang en/of in de werking van die meterkast en/of voor die stroomvoorziening heeft veroorzaakt en/of een ten opzichte van die zogenaamde meterkast en/of die stroomvoorziening, genomen veiligheidsmaatregel(en) heeft verijdeld, zodanig dat daardoor gemeen gevaar voor brand in die woning, althans dat gebouw en/of in een of meer belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meer in die belendende percelen aanwezige personen en/of in geval van brand, een of meer personen, belast met het blussen van die brand, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was”

3.3.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van overgelegde pleitnotities heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

“Verder ben ik nog van mening dat het t.l.l. veroorzaken van een stoornis in de meterkast niet kan worden gekwalificeerd als het veroorzaken van een stoornis in een elektriciteitswerk omdat een elektriciteitswerk is met een beroep op art 90ter SR. Ik vind in de jurisprudentie op HR-niveau alleen in de conclusie van Knigge HR 22-02-‘11 Rvdw, 2011/317, terug dat hij vindt dat de meterkast behoort tot een elektriciteitswerk omdat dat een werk is dat er voor zorgt dat de klant van stroom wordt voorzien. Ik zie echter een meterkast louter als een kast waar een meter in zit soms vergezeld van een (warm) water meter & evt. een gasmeter & dus niet een werk is dat de klant van stroom voorziet. Ik vraag ontslag van alle rechtsvervolging vanwege niet kwalificeerbaarheid, dan wel vrijspraak.”

3.4.

Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het tenlastegelegde niet kan worden gekwalificeerd als het veroorzaken van een stoornis in een elektriciteitswerk, omdat een meterkast geen elektriciteitswerk is zoals bedoeld in artikel 90ter van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt als volgt.

Wat onder elektriciteitswerk moet worden verstaan, is te vinden in artikel 90ter van het Wetboek van Strafrecht. Het moet gaan om ‘werken dienende tot voortbrenging, geleiding, transformatie of levering van elektriciteit en daarmede in verband staande beveiligings-, ondersteunings- en waarschuwingswerken'. Deze begripsomschrijving maakt duidelijk dat het moet gaan om werken die ervoor zorgen dat de klant (huishoudens en bedrijven) van stroom wordt voorzien. Het hof legt het voorgaande zo uit dat het werken zijn die direct onderdeel uitmaken van het gehele productieproces van elektriciteit, inclusief het vervoer en aflevering aan afnemers. Juist bij de aflevering van elektriciteit bij de afnemer is de meterkast een onderdeel dat daarbij onontbeerlijk is. De meterkast maakt daar onderdeel van uit en is een elektriciteitswerk zoals bedoeld in artikel 161bis Sr.”

3.5.

Het middel klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof dat een meterkast een elektriciteitswerk is als bedoeld in art. 161bis Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.

3.6.

De bewezenverklaring is toegesneden op art. 161bis Sr. Dit artikel luidt:

“Hij die opzettelijk enig electriciteitswerk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemenen nutte ontstaat;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

4°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”

3.7.

Voor de betekenis van het in art. 161bis Sr opgenomen bestanddeel “electriciteitswerk” dient aansluiting te worden gezocht bij art. 90ter Sr. Dit artikel luidt:

“1. Onder electriciteitswerken worden verstaan werken dienende tot voortbrenging, geleiding, transformatie of levering van electriciteit en daarmede in verband staande beveiligings-, bevestigings-, ondersteunings- en waarschuwingswerken.

2. Onder electriciteitswerken worden niet begrepen telegraaf- en telefoonwerken.”

3.8.

Het lijkt mij buiten enige twijfel dat een “meterkast voor de stroomvoorziening in een woning”, zoals bewezenverklaard, een elektriciteitswerk is in de zin van art. 90ter Sr. Daarbij teken ik aan dat het in de tenlastelegging genoemde begrip “meterkast” in de context van die tenlastelegging door het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk is verstaan als de zich doorgaans ín die meterkast – nu in ruimtelijke zin - bevindende componenten2 die tezamen verantwoordelijk zijn voor de aflevering van elektriciteit in de woning. Welnu, een ‘meterkast’ in zo-even bedoelde zin is een onmisbare ‘schakel’ in de levering van elektriciteit en valt zodoende binnen de reikwijdte van art. 90bis ter.3 Dat ook de Hoge Raad van oordeel is dat een meterkast als een elektriciteitswerk in voormelde zin kan worden beschouwd, zou kunnen worden afgeleid uit een arrest uit 2017 waarin de Hoge Raad de middelen liet falen op grond van art. 81.1 RO.4 Een van de middelen klaagde dat het bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijk een elektriciteitswerk vernielen, beschadigen of een stoornis in de gang of werking van een elektriciteitswerk veroorzaken ontoereikend was gemotiveerd. Het betreffende elektriciteitswerk betrof in die zaak een “elektriciteitsmeter en/of aansluitkast”.5 Voorts meent ook mijn ambtgenoot Knigge in een conclusie - waarnaar ook de cassatieschriftuur verwijst - dat onder een elektriciteitswerk zoals bedoeld in art. 90ter Sr een meterkast behoort,6 waarbij hij art. 90ter Sr zo uitlegt dat de daarin opgenomen begripsomschrijving duidelijk maakt dat het moet gaan om werken die ervoor zorgen dat de klant van stroom wordt voorzien. Dat lijkt mij een plausibele uitleg. Dat niet alle onderdelen van een meterkast onder de begripsbepaling “elektriciteitswerk” vallen, zoals de steller van het middel lijkt te bepleiten, is wellicht juist, maar dat doet mijns inziens geenszins af aan de opvatting dat een meterkast (als geheel) als een “elektriciteitswerk” in de zin van art. 90ter Sr kan worden beschouwd.

3.9.

Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof, zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.

3.10.

Het middel klaagt in de tweede plaats dat het hof het bewezenverklaarde feit ten onrechte heeft gekwalificeerd als “het opzettelijk een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is”, dan wel dat het oordeel van het hof dat er een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk is veroorzaakt en een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel is verijdeld terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

3.11.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De verdediging heeft ter zake van het onder 3 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - voor zover van belang, kort samengevat - aangevoerd, dat niet kan worden bewezen dat verdachte het feit heeft medegepleegd. Hij heeft niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat een stoornis in de werking van het elektriciteitswerk zou worden veroorzaakt en dat veiligheidsmaatregelen zouden worden verijdeld. Voorts wordt bestreden dat het een feit van algemene bekendheid is dat dergelijk handelen levensgevaar voor anderen oplevert.

(…)

Het hof overweegt als volgt.

(…)

Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat het aftappen van elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om meebrengt dat de veiligheidsmaatregelen die normaliter na de elektriciteitsmeter in de meterkast aanwezig zijn - zoals zekeringen en/of aardlekschakelaars - worden omzeild en dat daardoor brand kan ontstaan, welk gevaar zich hier ook verwezenlijkt heeft. Evenzeer is het een feit van algemene bekendheid dat van brand in een flat waarin personen huizen en ook daadwerkelijk aanwezig zijn, gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.”

3.12.

De door het hof bij het verkorte arrest opgenomen aanvulling met bewijsmiddelen houdt het volgende in:


“Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal, genummerd PL078L-2013113942, gesloten en getekend op 28 november 2013 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, Gelderland-Midden, met bijlagen;

Een als bijlage bij voornoemd stamproces-verbaal gevoegd, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer: PL078C-2013113942-14, gesloten en ondertekend op 28 november 2013 door [verbalisant 1], voomoemd, pagina 33-34, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als aangifte van [betrokkene 1]:

Ik ben namens de benadeelde, Liander N.V. gerechtigd tot het doen van aangifte. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Een aangifte diefstal, opgemaakt door [betrokkene 1], door het hof te bezigen als een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende -zakelijk weergegeven- :

AANGEVER

Bedrijf Liander N.V

Naam [betrokkene 1]

Voornamen [voornamen betrokkene 1]

Adres Postbus 1101, 8200 BC Lelystad

BENADEELDE

Naam Liander N.V.

Telefoon 023-8904944

VERKLARING AANGEVER

Op verzoek van Liander N.V. is - in samenwerking met de politie te Arnhem op 24 oktober 2013 door monteur (5179) van Liander N.V. een onderzoek ingesteld naar de aansluiting, waaronder de meetinrichting die eigendom is van Liander en die zich bevindt in het perceel gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats].
Bij dit onderzoek is het volgende geconstateerd.

De monteur (5179) constateerde op 24 oktober 2013 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:

De eerdergenoemde monteur zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Nadat hij het deksel van de aansluitkast had verwijderd, zag hij dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit.

De eerdergenoemde monteur zag dat er sprake was van een handelwijze waarbij niet is voldaan aan de norm NEN 1010. Deze norm beschrijft de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen. Het gevolg van de handelwijze is dat er gevaar voor goederen te duchten is geweest.

Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. De eerdergenoemde monteur heeft de elektriciteitsmeter met nummer [001] en stand(en) 11443 - 40603 verwijderd en de toevoer onderbroken.

Niemand had het recht of de toestemming van Liander N.V. om het zegel te verbreken of wijziging in de bedrading aan te brengen.

Een als bijlage bij voornoemd stamproces-verbaal gevoegd, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer: PL0785-2013113942-4, gesloten en ondertekend op 25 oktober 2013 door [verbalisant 2], hoofdagent van politie, pagina 16-20, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

Uit het onderzoek dat ter plaatse werd uitgevoerd door een deskundige van het energiebedrijf Liander, werd vastgesteld dat de elektriciteit voor de hennepkwekerij illegaal werd afgetapt.

De deskundige toonde mij, verbalisant, de wijze waarop de elektriciteit werd ontvreemd. Ik zag dat er een illegale aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om. Hierdoor werd de afgenomen elektriciteit niet via de meter geregistreerd. Er werden twee externe schakelaars buiten de stoppenkast aangetroffen met drie stoppen van elk 35 Ampère.

Een als bijlage bij voornoemd stamproces-verbaal gevoegd, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer: PL078L-2013113942-8, gesloten en ondertekend op 28 oktober 2013 door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, pagina 48-51, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik woon alleen op het adres [a-straat 1] te Arnhem. De hennepkwekerij die op dat adres is aangetroffen is van mij. De hennepkwekerij is door een kennis van mij aangelegd. Ik heb die kennis gevraagd de elektrische installatie aan te leggen. Die kennis was geen elektricien van beroep. De elektrische installatie was niet professioneel aangelegd. Als je de meterkast openmaakte zag je al die kabels. Ja, ik heb wel eens eerder gehoord dat er brand is ontstaan bij een wietplantage. Dat kan ontstaan door kortsluiting of oververhitting. Ja, ik weet dat je je schuldig kunt maken aan brandstichting door schuld bij het aanleggen van een wietplantage.

Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 11 april 2014 van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

U vraagt mij of ik in de woning aan de [a-straat 1] te Arnhem een hennepkwekerij heb gehad. Ja dit klopt. U vraagt mij of ik ten behoeve daarvan stroom heb afgetapt. Ja, dit klopt ook. Een kennis van mij heeft de installatie aangelegd. Hij is elektricien. Ik heb verder niet gecontroleerd of het veilig was aangelegd.

Een als bijlage bij voornoemd stamproces-verbaal gevoegd, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met nummer: PL078L-2013113942-2, gesloten en ondertekend op 24 oktober 2013 door [verbalisant 4], [verbalisant 5], [verbalisant 6], [verbalisant 7], [verbalisant 8] en [verbalisant 9], allen ambtenaar van politie, pagina 10-12, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Op 24 oktober 2013, omstreeks 03:50 uur, hebben wij een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden.

Op 23 oktober 2013, omstreeks 23:53 uur kregen wij de melding te gaan naar de [a-straat 1] te Arnhem alwaar een woningbrand zou zijn. Wij zagen dat het dak van het complex in brand stond en dat er sprake was van een grote rookontwikkeling. Wij zagen dat het een appartementencomplex betrof. Wij zijn het complex ingegaan omdat er nog mensen in het complex zouden zijn. Wij troffen op de tweede verdieping nog mensen aan. Wij hebben contact met deze bewoners gemaakt en deze mensen naar beneden gestuurd. Wij zagen dat de brandweer op de tweede etage perceel 45 binnenging. Wij zagen dat er een hennepkwekerij in de woning was gevestigd. De OvD-B vertelde ons dat de brand was ontstaan op de zolderruimte van perceel [a-straat 1].

3.13.

De steller van het middel klaagt allereerst dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er handelingen zijn verricht die de stroomlevering hebben verstoord, zoals is bewezenverklaard.

3.14.

Bewezenverklaard is, voor zover van belang, dat de verdachte een “stoornis in de werking van de meterkast en/of voor die stroomvoorziening heeft veroorzaakt”. Deze bewezenverklaring roept wel vragen op – daarin kan met de steller van het middel op dit punt worden meegegaan. De delictsomschrijving van art. 161bis Sr houdt in de aanhef wel in het veroorzaken van een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk, maar niet het veroorzaken van een stoornis in de stroomvoorziening. Wel benoemt art. 161bis aanhef en onder 1o Sr als kwalificerend gevolg “indien daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemene nutte ontstaat”. In dat onderdeel betreft de verhindering of bemoeilijking van stroomlevering echter niet het handelen zelf, maar de uitkomst – dus het gevolg - daarvan. Bovendien gaat het in dat onderdeel van art. 161bis Sr om stoomlevering “ten algemene nutte”. Het openbaar ministerie heeft bij het tenlasteleggen van het feit in de onderhavige zaak wellicht aansluiting gezocht bij een uitleg die wel aan het in art. 161bis Sr bedoelde “veroorzaken van een stoornis in de gang of in de werking van een elektriciteitswerk” wordt gegeven. Het veroorzaken van een dergelijke stoornis omvat, in ieder geval volgens J.W. Fokkens in Noyon-Langemeijer/Remmelink, namelijk “alle handelingen die, ook zonder vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken te zijn, de stroomlevering verhinderen of zo zijn dat er gevaar van te duchten is, zodat reeds het wegnemen van een noodzakelijke verbinding hetzij in de machinerie hetzij in de leiding het strafbaar gestelde feit kan opleveren”.7 De wetsgeschiedenis van art. 161bis Sr, in het bijzonder de memorie van toelichting bij het op 28 juni 1922 in werking getreden nieuwe art. 161bis Sr8, houdt als toelichting op de betreffende bestanddelen van art. 161bis Sr slechts in dat het veroorzaken van een stoornis in de gang of in de werking van een elektriciteitswerk “het functioneren” van dat elektriciteitswerk betreft.9

3.15.

Gelet op het voorgaande meen ik, evenals de steller van het middel, dat de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen niet “een stoornis in de werking van de stroomvoorziening” kunnen hebben veroorzaakt. Door het maken van kort gezegd een elektriciteitsomleiding buiten de elektriciteitsmeter om wordt de stroomlevering immers niet verhinderd; de stroom wordt slechts via een andere ‘route’ geleverd. Gelet op de bewijsvoering als geheel heeft het hof echter kennelijk en bij vergissing “en/of voor die stroomvoorziening” en “en die stroomvoorziening” niet uit de bewezenverklaring weggestreept. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden, nu de bewezenverklaring met herstel van deze misslag kan worden gelezen op de grond dat daarmee de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit als geheel niet worden aangetast. Immers, na herstel van de genoemde misslag houdt de bewezenverklaring nog wel in dat er een stoornis in de werking van de meterkast is veroorzaakt. Voor zover het middel tevens beoogt te klagen dat deze stoornis ontoereikend is gemotiveerd, merk ik op dat, zoals reeds vermeld, het veroorzaken van een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk het functioneren van dat elektriciteitswerk betreft en alle handelingen bevat “die zo zijn dat er gevaar van te duchten is”. Of daarvan sprake was is een kwestie apart. Ik kom daar later in deze conclusie op terug.

3.16.

Met de voorgestelde verbeterde lezing komt aan deze klacht de feitelijke grondslag te ontvallen en is deze tevergeefs voorgesteld.

3.17.

De steller van het middel klaagt voorts dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet is op te maken dat “de genomen veiligheidsmaatregelen zijn verijdeld”, zoals is bewezenverklaard.

3.18.

Het in art. 161bis Sr bedoelde “ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen verijdelen” betekent volgens de memorie van toelichting bij de totstandkoming van art. 161bis Sr dat het aan die veiligheidsmaatregelen zijn gevolgen ontneemt.10 Een veiligheidsmaatregel kan zowel een gebod als verbod, een voorschrift, als een handeling zijn.11 Een stoppenkast wordt wel als voorbeeld van een veiligheidsmaatregel gezien.12

3.19.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de elektriciteitsaansluiting is aangelegd aan de bovenzijde van de hoofdaansluitkast en dat deze aansluiting daarna, buiten de elektriciteitsmeter om, naar de hennepplantage voerde. In aanmerking genomen de standaard ‘opbouw’ van een meterkast, met onderaan de hoofdaansluitkast, daarboven de elektriciteitsmeter en ten slotte de stoppenkast, leid ik daaruit af dat deze aansluiting niet alleen de elektriciteitsmeter, maar ook de kast waarin de zekeringen en/of aardlekschakelaars aanwezig zijn heeft omzeild. Mede gelet op de in de bewijsmiddelen opgenomen bevindingen van de monteur van Liander, inhoudende dat bij de meterkast sprake was van een handelwijze die niet voldeed aan de norm NEN 1010, welke norm de minimale voorschriften beschrijft waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen13, meen ik dat het oordeel van het hof dat “de genomen veiligheidsmaatregel in de meterkast is verijdeld” niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd (en bovendien evenmin van een onjuiste rechtsopvatting getuigt). Daaraan kan overigens, anders dan de steller van het middel meent, niet afdoen dat het hof heeft vastgesteld dat er twee externe schakelaars buiten de stoppenkast waren aangebracht met drie stoppen van elk 35 Ampère. Ik neem daarbij in aanmerking dat – naar hetgeen wel van algemene bekendheid mag worden geacht - de beveiliging van een huisinstallatie dient te geschieden met ‘stoppen’ van maximaal 16 Ampère.14

3.20.

Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld.

3.21.

Het middel bevat ten slotte de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd voor zover inhoudende dat het bewezenverklaarde handelen zodanig was dat “gemeen gevaar voor brand in die woning en een of meer belendende percelen en levensgevaar voor in die belendende percelen aanwezige personen te duchten was”.

3.22.

Anders dan bij krenkingsdelicten wordt bij gevaarzettingsdelicten niet de schending of krenking van een rechtsgoed strafbaar gesteld, maar het gevaar voor krenking. In de wetsgeschiedenis van art. 161bis Sr en art. 161ter Sr (de schuldvariant van art. 161bis Sr15) wordt weinig aandacht besteed aan het gevaarzettingsvereiste in die strafbaarstellingen. Art. 161bis Sr kan qua gevaarzetting goed vergeleken worden met art. 157 Sr; brandstichting met nader omschreven ‘te duchten’ gevaren,16 of art. 385b Sr; gevaarlijk gedrag aan boord van een luchtvaartuig met nader omschreven ‘te duchten’ gevaren.17 Dat gevaar te duchten is betekent echter niet dat dit gevaar zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt; voldoende is dat het gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is.18 Duidelijk wordt door het hanteren van ‘te duchten’ dat het gaat om een beoordeling ‘ex ante’, dus ten tijde van de in het gronddelict gedefinieerde handeling19 – in art. 161bis Sr dus ten tijde van het ‘knutselen’ aan het elektriciteitswerk. Bij een dergelijke beoordeling, waarbij dus het aannemen van gevaar niet in de eerste plaats afhankelijk is van wat is, maar van wat men weet, is gevaar meer iets dat ‘is te duchten’ dan dat het ‘bestaat’ of ‘ontstaat’.20 Dat, door tijdig en deskundig ingrijpen of door toeval, het gevaar zich (achteraf bezien) niet heeft gerealiseerd neemt de strafbaarheid dus niet weg. Voorts is in art. 161bis Sr het te duchten gevaar een bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid zodat het opzet van de dader daarop niet is vereist.21 Het betreft een objectief gegeven.22

3.23.

Stamhuis definieert gevaar als een toestand waarin de kans op het zich voordoen van een concrete onwenselijke gebeurtenis onaanvaardbaar groot is.23 Hij beschrijft het prototype gevaarzettingsdelict als gedrag waardoor het risico op een gevreesde gebeurtenis onaanvaardbaar vergroot wordt en waarmee de dader blijk geeft van een laakbare onverschilligheid ten opzichte van de beschermde rechtsgoederen.24 Een belangrijk element in die omschrijving is de onaanvaardbaarheid van het gecreëerde risico. Dat sluit aan bij hetgeen Simmelink in zijn beschouwing over het begrip ‘gevaar’ opmerkt, met verwijzing naar o.m. Nieboer, door wie de onaanvaardbaarheid van de kans wordt gerelateerd aan ‘de aard van de rechtsbelangen die op het spel staan.25 Wat betreft de graad van waarschijnlijkheid dat het gevaar zich voordoet houdt J.W. Fokkens de definitie aan dat “het gevaar bestaat wanneer naar de gewone loop der dingen zonder buitengewone omstandigheden de ernstige mogelijkheid van noodlottige afloop aanwezig is”.26 Dat lijkt mij een mooie samenvatting van het voorgaande.

3.24.

In art. 161bis Sr onder 2° Sr wordt het te duchten gevaar omschreven als “gemeen gevaar voor goederen”. Het artikel kent onder 3o en 4o strafverzwarende trappen voor het geval de strafbare handeling respectievelijk “levensgevaar voor een ander” of “levensgevaar voor een ander en het feit iemands dood ten gevolge heeft”. Dat dergelijke gevolgen zeer nauw gerelateerd zijn aan gevaarlijk gedrag met betrekking tot een elektriciteitswerk spreekt vanzelf. De achterliggende rechtsbelangen van art. 161bis Sr en art. 161ter Sr, de algemene veiligheid van personen of goederen27, moeten evenzeer vanzelfsprekend hoog worden ingeschat. Als voorlopige gedachtebepaling, kan mijn inziens gelet op de context van het onderhavige delict worden aangenomen dat ogenschijnlijk kleine kansen op het ontstaan van (levens)gevaar voor personen of goederen toch onaanvaardbaar groot genoemd kunnen worden.

3.25.

De Hoge Raad heeft zich, voor zover mij bekend, nog niet uitgelaten over een concrete vraag of het veroorzaken van een stoornis in de werking van een meterkast of het verijdelen van een ten opzichte van een meterkast genomen veiligheidsmaatregel zoals een stoppenkast, waardoor ‘levensgevaar was te duchten’, toereikend was gemotiveerd. Wel heeft de Hoge Raad meerdere arresten gewezen waarin hij oordeelde over de vraag of het bewezenverklaarde ‘brandstichting met te duchten levensgevaar’ in de zin van art. 157 Sr toereikend was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat om dergelijk gevaar als vaststaand te kunnen aannemen, vereist is dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar inderdaad te duchten was. Zoals eerder in deze conclusie vermeld, stelt de Hoge Raad in dergelijke zaken verder voorop dat “het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest”. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat van die voorzienbaarheid in de regel geen sprake is indien de bewoner(s) zich ten tijde van de brandstichting niet in de woning bevind(en).28 De Hoge Raad casseerde in die zaak omdat het bewezenverklaarde van de brandstichting te duchten levensgevaar voor de te aan de X-straat nr. 14 woonachtige personen niet zonder meer kon worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, “die immers niet inhielden dat die personen toen daar aanwezig waren”. In zijn arrest HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170 nam de Hoge Raad bij zijn oordeel dat de bewijsmiddelen het oordeel van het hof dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor andere personen voorzienbaar was konden dragen, mede in aanmerking “dat de bewoners van twee ondergelegen woningen inderdaad thuis waren”.

3.26.

Terug naar de onderhavige zaak. Het hof heeft zijn – hiervoor in paragraaf 3.11 weergegeven - oordeel dat er levensgevaar voor een ander te duchten was gegrond op zijn oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het aftappen van elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om meebrengt dat de veiligheidsmaatregelen die normaliter na de elektriciteitsmeter in de meterkast aanwezig zijn worden omzeild en dat daardoor brand kan ontstaan en dat van brand in een flat waarin personen huizen en ook daadwerkelijk aanwezig zijn, gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is. Behalve die ‘algemene bekendheid’ heeft het hof nog meer specifiek als bewijsmiddel gebezigd de aangifte van de stroomleverancier waarin is verklaard dat bij de (illegale) aanleg van de elektriciteit niet was voldaan aan de norm NEN 1010 en dat het gevolg van de handelwijze is geweest dat gevaar voor goederen te duchten is geweest. Uit het met betrekking tot de brand opgenomen bewijsmiddel blijkt vervolgens dat zich personen bevonden op de 2e etage van het appartementencomplex waar de brand woedde.

3.27.

Het uiteindelijke oordeel van het hof dat het levensgevaar voor een ander naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest, is mijns inziens niet onbegrijpelijk en toereikend is gemotiveerd. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt zonder enige twijfel dat door het handelen van de verdachte en/of zijn mededader een onaanvaardbaar grote kans op brandgevaar in het leven was geroepen. De illegale elektriciteitsaansluiting liep immers buiten de kast waarin de zekeringen en/of aardlekschakelaars aanwezig zijn om, waardoor de stroomtoevoer bij mogelijke kortsluiting niet automatisch onderbroken zou worden. Deze handelwijze voldeed bovendien niet aan de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen, hetgeen zeer (brand)gevaarlijk is. Naar de gewone loop der dingen heeft het hof hier kennelijk en niet onbegrijpelijk rekening gehouden met de ernstige mogelijkheid dat het (hele) appartement in brand zou zijn geraakt en het vuur en/of de rook zou zijn overgeslagen naar de buren op de tweede etage van het appartementencomplex. Het kennelijke oordeel van het hof dat deze overslaande brand een onaanvaardbaar grote kans op levensgevaar voor die buren in het leven zou hebben geroepen acht ik evenmin onbegrijpelijk. Ik meen kortom dat het te duchten levensgevaar naar algemene ervaringsregelen voorzienbaar was op het moment van het knutselen aan de meterkast. Het hof heeft het bewezenverklaarde “te duchten levensgevaar” dan ook toereikend gemotiveerd. Datzelfde geldt overigens eveneens voor het “gemeen gevaar voor goederen”.29 Daaraan kan overigens, anders dan de steller van het middel meent, niet afdoen dat het hof heeft vastgesteld dat buiten de stoppenkast twee externe schakelaars zijn aangetroffen met drie stoppen van elk 35 Ampère. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de elektriciteitsomleiding op een niet-professionele wijze is aangelegd. Naar algemene ervaringsregelen valt dan niet te verwachten dat deze stoppen en/of zekeringen genoeg bescherming zouden bieden tegen het gevaar voor brand. Ten overvloede merk ik op dat deze stoppen kennelijk, nu er daadwerkelijk brand is ontstaan, deze bescherming ook niet konden bieden. Het middel faalt ook in zoverre.

3.28.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De verdediging heeft ter zake van het onder 3 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - voor zover van belang, kort samengevat - aangevoerd, dat niet kan worden bewezen dat verdachte het feit heeft medegepleegd. Hij heeft niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat een stoornis in de werking van het elektriciteitswerk zou worden veroorzaakt en dat veiligheidsmaatregelen zouden worden verijdeld.

(…)

Het hof overweegt als volgt.

(…)

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de in de woning aan de [a-straat 1] te Arnhem aangetroffen hennepkwekerij van hem is. Voorts heeft hij verklaard dat hij een kennis heeft gevraagd om de elektrische installatie aan te leggen. Verdachte heeft zelf gezien dat er kabels in de meterkast hingen en heeft verklaard dat het slordig was gedaan. Verdachte was zich er dus van bewust dat de stroomvoorziening was gemanipuleerd en was aangepast door iemand die daartoe niet bevoegd was, ook al was deze kennis elektricien van beroep volgens verdachte. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte bekend dat er stroom werd afgetapt ten behoeve van zijn hennepkwekerij.

Verdachte heeft een kennis gevraagd om de elektrische installatie voor zijn hennepkwekerij aan te leggen. Hij wist dat de stroom voor de hennepkwekerij werd afgetapt. Gelet op deze feiten en omstandigheden is er sprake van een zodanige bewust en nauwe samenwerking tussen verdachte en die kennis bij de aanleg van de elektriciteitsvoorziening voor de hennepkwekerij dat van medeplegen kan worden gesproken.”

4.3.

De steller van het middel klaagt in het bijzonder dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het bewezenverklaarde feit heeft geleverd, nu die bewijsmiddelen slechts inhouden dat een kennis van de verdachte op zijn verzoek een elektrische installatie voor de hennepkwekerij heeft aangelegd en dat de verdachte niet heeft gecontroleerd of dat veilig was gebeurd.

4.4.

Met zijn hiervoor onder 4.2 weergegeven oordeel heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte als opdrachtgever van de door zijn mededader feitelijk uitgevoerde bewezenverklaarde gedragingen heeft gefungeerd. Met zijn oordeel dat “de elektriciteitsvoorziening voor de hennepkwekerij” is aangelegd heeft het hof kennelijk en gelet op de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk vastgesteld dat speciaal ten behoeve van de hennepkwekerij een stroomvoorziening is aangelegd. Dat de verdachte daartoe opdracht heeft gegeven kan uit de bewijsmiddelen volgen. Maar daarmee is de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte nog niet gegeven. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat deze ‘opdracht’ niet in de sleutel van het functioneel daderschap (of het daaraan verwante leerstuk van de strafbaarheid van de opdrachtgever in de sfeer van een rechtspersoon in de zin van art. 51 Sr) is geplaatst maar in die van het medeplegen. Dat maakt wel verschil, want voor het medeplegen geldt, bij het ontbreken van een rechtstreekse participatie, in de vorm van uitvoeringshandelingen van het delict zelf, de tamelijk zware eis dat de bijdrage van die medepleger wel van voldoende gewicht is geweest, aldus de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest over medeplegen en medeplichtigheid: “Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.”30 Die specifieke aandacht mis ik in de bewijsvoering in de onderhavige zaak.31 Hoewel eveneens uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte – na de aanleg van die stroomvoorziening, dus achteraf – wist dat hij stroom aftapte ten behoeve van die hennepkwekerij en dat de elektrische installatie niet professioneel was aangelegd en dat de verdachte niet heeft gecontroleerd of de installatie veilig was aangelegd, kan uit de bewijsvoering mijns inziens echter niet volgen dat de verdachte zijn kennis heeft gevraagd (dan wel opdracht heeft gegeven) tot het “een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen” (met het daarbij te duchten levensgevaar) zoals bewezenverklaard. De bewijsvoering laat de mogelijkheid immers open dat de verdachte voor ogen heeft gestaan dat zijn kennis de hennepkwekerij van stroom zou voorzien zonder dat daarbij de elektriciteitsmeter en de stoppenkast zouden worden omzeild door bijvoorbeeld slechts een verzwaarde stroomvoorziening aan te leggen. Reeds daarom heeft het hof ontoereikend gemotiveerd dat de verdachte nauw en bewust met zijn kennis heeft samengewerkt bij de aanleg van de elektriciteitsvoorziening en is het bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend gemotiveerd. Ten overvloede merk ik op dat het bewezenverklaarde feit, hoewel bewezen dat dit in een periode van ruim drie weken is gepleegd, uiteraard geen ‘voortdurend delict’ is en dat het hof dus terecht het moment van de aanleg van de elektriciteitsvoorziening bepalend heeft geacht voor de vraag of sprake was van medeplegen.

4.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

5. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen. Het tweede middel slaagt.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De onderhavige zaak vertoont op een aantal punten overeenkomst met die onder nr. 16/02031, waarin ik vandaag ook concludeer.

2 De hoofdaansluiting met bijbehorende hoofzekeringkast, de daarmee verbonden elektriciteitsmeter en de verdeel- of groepenkast.

3 Zie A.M. Machielse in zijn commentaar bij art. 90ter Sr, aant. 2, bijgewerkt tot en met 1 oktober 2000, waar hij onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis schrijft met betrekking tot elektriciteitsmeters: “De regering was van oordeel dat levering hier niet genoemd behoefde te worden omdat de daartoe strekkende werken tevens dienen tot geleiding, maar bij amendement is zij weder opgenomen opdat de betrokken artikelen ook toepasselijk zouden zijn op elektriciteitsmeters die niet behoren tot de werken, dienende tot overbrenging of geleiding. Ook is niet afzonderlijk gewag gemaakt van verdeling omdat die het gevolg is van transformatie.”

4 HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:426.

5 Zo leid ik af uit de daarbij geschreven conclusie van 24 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:139, par. 5 en 16.

6 Conclusie van 28 september 2010, ECLI:NL:PHR:2011:BN9287, par. 27.

7 J.W. Fokkens, aant. 3 bij art. 161bis Sr in Noyon, Langemeijer, Remmelink, bijgewerkt tot 1 maart 2006.

8 Stb. 1922, 313.

9 Kamerstukken II 1920-1921, Aanpassing van het W. van S. aan huidige toestanden op het gebied der aanwending van electrisch arbeidsvermogen, nr. 3.

10 Kamerstukken II 1920-1921, Aanpassing van het W. van S. aan huidige toestanden op het gebied der aanwending van electrisch arbeidsvermogen, nr. 3.

11 Aldus J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 4 bij art. 161bis Sr, bijgewerkt tot 1 maart 2006.

12 Zie A. de Lange in Tekst en Commentaar Strafrecht, aant. 10c bij art. 161bis Sr, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 1144.

13 Art. 6.8 lid 1 van het Bouwbesluit 2012 houdt, voor zover van belang, in dat een voorziening voor elektriciteit voldoet aan NEN 1010 bij lage spanning.

14 Zie Wikipedia onder het lemma Smeltveiligheid.

15 Overigens houdt art. 161ter Sr niet in 'indien (…) gevaar (…) te duchten is,' maar 'indien daardoor (…) gevaar (…) ontstaat.'

16 Zie ook J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 75.

17 Zie HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2752, NJ 2015/247 en de conclusie die ik voor dat arrest schreef (ECLI:NL:PHR:2015:1943). In die zaak werd in cassatie geklaagd over het oordeel van het hof dat door de gedragingen van de verdachte gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig te duchten is geweest.

18 HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120.

19 Vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8840.

20 J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 157 Sr, bijgewerkt tot 1 maart 2006.

21 Vgl. A. de Lange in Tekst en Commentaar Strafrecht, aant. 8 en 9 bij art. 161bis Sr, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 1143-1144.

22 Zie o.m. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230 en HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653.

23 Stamhuis, p. 5 met verwijzing naar J. Remmelink, D. Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlands strafrecht, Deventer 1996, p. 98 en J.B.H.M. Simmelink, Algemeenheden in het wegenverkeerswet, Arnhem 1995, p. 136.

24 Stamhuis, p. 14.

25 J.B.H.M. Simmelink, Algemeenheden in het wegenverkeersrecht, diss. Nijmegen, 1995, p.144.

26 J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 157 Sr, bijgewerkt tot 1 maart 2006.

27 De artikelen zijn opgenomen in titel VII van boek 2 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende de misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht.

28 HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120. Een variant daarop is HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0594. Die zaak werd gecasseerd omdat de gebezigde bewijsmiddelen niet inhielden dat zich ten tijde van de brandstichting in de (directe) omgeving van het sportcentrum personen bevonden.

29 Nu daar niet over geklaagd wordt merk ik ten overvloede op dat het hof het “te duchten gemeen gevaar voor goederen” uit de tenlastelegging heeft weggestreept maar dat wel in de kwalificatie heeft opgenomen. Art. 57 Sr is echter niet opgenomen bij de aangehaalde artikelen, zodat het niet aannemelijk is dat het hof meerdaadse samenloop, gebaseerd op de pluraliteit van gevolgen heeft aangenomen. Ik houd het dus maar op een verschrijving in de kwalificatie. Voor de strafoplegging – die ruim onder het maximum is gelegen - maakt een en ander geen wezenlijk verschil.

30 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, rov. 3.2.3.

31 Een goed voorbeeld van een zaak waarin de door de verdachte gegeven opdracht(en) rechtstreeks waren betrokken op de uitvoering biedt HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, waar de verdachte aan de medepleger telefonisch aanwijzingen gaf om met diens auto een politieauto te ‘botsen’.