Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1391

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-10-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
16/05031
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3220, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzet strafbeschikking. Art. 257e Sv. APV Nijmegen. Het Hof heeft bevestigd het vonnis van de Ktr. inhoudende dat verdachte n-o wordt verklaard nu hij na het instellen van verzet alsnog het sanctiebedrag heeft betaald. HR: in art. 257e.1 Sv wordt het doen van het verzet geregeld. Daarin is o.m. bepaald dat het verzet niet kan worden gedaan indien vrijwillig aan de strafbeschikking is voldaan dan wel na schriftelijke afstand van de bevoegdheid tot het doen van verzet. Intrekking van een gedaan verzet wordt mogelijk gemaakt in het achtste lid; daarbij is niet bepaald dat intrekking kan geschieden door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat een eenmaal gedaan verzet niet vervalt enkel door vrijwillig te voldoen aan de strafbeschikking. Zulks komt ook overeen met de regeling over intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen in art. 453 e.v. Sv. Het andersluidende oordeel van het Hof is dus onjuist. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05031

Zitting: 17 oktober 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 28 september 2016 het vonnis van de kantonrechter waarbij het door de verdachte ingestelde verzet niet-ontvankelijk is verklaard, onder aanvulling van gronden bevestigd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte het vonnis van de kantonrechter heeft bevestigd, althans het namens de verdachte gevoerde verweer dat het verzet wel ontvankelijk is ten onrechte heeft verworpen.

  4. De bestreden overwegingen van het hof luiden als volgt:

Overwegingen ten aanzien van het verweer

De raadsman heeft betoogd dat de kantonrechter het verzet ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard.

Daarbij heeft de raadsman allereerst aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat de kantonrechter er ten onrechte van is uitgegaan dat het verzet niet ontvankelijk was omdat sprake zou zijn geweest van het doen van afstand van verzet, door vrijwillig aan de beschikking te voldoen.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte noch de strafbeschikking, noch een aanmaning heeft ontvangen en dat het verzet gelijk is ingesteld toen op basis van een - door de raadsman opgevraagd - CJIB zaaksoverzicht bleek van die beschikking. In dat verband heeft de raadsman erop gewezen dat uit het dossier blijkt dat verdachte bij zijn aanhouding op 13 september 2014 heeft opgegeven dat hij tot 27 oktober 2014 op het adres [a-straat 1] te Maasbommel zou verblijven en daarna op een ander door hem opgegeven adres. Een en ander blijkt onder meer uit pagina 2 van het mutatierapport dat is opgenomen in het dossier, aldus de raadsman. Nu verdachte de strafbeschikking noch enige aanmaning heeft ontvangen heeft hem ook niet de vereiste ondubbelzinnige mededeling bereikt dat het voldoen aan de beschikking betekent dat daarmee afstand wordt gedaan van verzet. Verdachte heeft daarnaast slechts aan de sanctie voldaan om verdere verhogingen van de boete tegen te gaan. Dit kan - in samenhang met het voorgaande - niet worden beschouwd als een ‘vrijwillig voldoen’ aan de sanctie, waarmee afstand is gedaan van het rechtsmiddel van verzet. Die voldoening kan ook niet gelden als een intrekking van het rechtsmiddel verzet. In de wet is daarover niets geregeld. De raadsman heeft gewezen op de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2004/05. 29849, nr 3, pag 43) waaruit blijkt dat bij een OM afdoening is vereist dat betrokkene de implicaties van het voldoen aan de sanctie overziet.

Tot slot heeft de raadsman nog aangevoerd dat verdachte zélf heeft besloten om aan de beschikking te voldoen en dat het niet zo is dat hij dat aan zijn cliënt heeft geadviseerd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter het namens verdachte ingediende verzet terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.

De advocaat-generaal heeft daarbij verwezen op het bepaalde in lid 1 van artikel 257e Sv inhoudende dat verzet niet kan worden gedaan, indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen.

De advocaat-generaal heeft er op gewezen dat uit de wet niet volgt dat een strafbeschikking in persoon moet worden betekend. Uit het dossier blijkt dat verdachte de aankondiging van de strafbeschikking op 13 september 2014 - de dag van de aanhouding - heeft ontvangen.

De advocaat-generaal heeft er in dit verband op gewezen dat de verdachte volgens eigen verklaring in oktober 2014 is verhuisd terwijl de overschrijving in het GBA naar een ander adres pas in februari 2015 plaatsvond.

De advocaat-generaal heeft voorts op gewezen dat gelet op de hoogte van het boetebedrag - een bedrag lager dan € 340,-, het bedrag dat wordt genoemd in het eerste lid van artikel 257e Sv - het verzet in dit geval tot uiterlijk 6 weken na de toezending van de strafbeschikking of aanmaning kon worden ingediend. Toezending van de aanmaning heeft blijkens het dossier plaatsgevonden op 3 november 2014 zodat de termijn om in verzet te gaan in elk geval verstreek op 15 december 2014. Het verzet werd pas ingediend op 29 januari 2015 zodat het verzet, ook om die reden, niet ontvankelijk is.

Tot slot heeft de advocaat-generaal er nog op gewezen dat verdachte aan de strafbeschikking heeft voldaan na hierover in contact te zijn getreden met zijn raadsman. Niets duidt erop dat geen sprake was van een vrijwillig voldoen aan de sanctie.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat verdachte door aan de beschikking te voldoen afstand heeft gedaan van het rechtsmiddel van verzet.

Het hof overweegt als volgt

Uit het dossier blijkt dat op 13 september 2014 tegen verdachte een proces-verbaal is opgemaakt wegens overtreding van artikel 2.4.6. lid 1b van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen. Het dossier bevat een aankondiging van een strafbeschikking gedateerd 13 september 2014, inhoudende - kortgezegd - een geldboete van € 140,00 terzake van ‘verstoring van de openbare orde’. Op de aankondiging staat vermeld dat verdachte op 13 september 2014 om 13.51 uur werd aangehouden, vervolgens is voorgeleid en dat hij nog dezelfde dag om 15.15 uur in vrijheid is gesteld.

Verdachte heeft bij zijn aanhouding - blijkens een mutatierapport van 13 september 2014 - als adres opgegeven: ‘[a-straat 1] te Maasbommel’. Voorts maakt het mutatierapport melding van het feit dat van hem ‘nog een adres bekend’ was.

Het dossier bevat voorts:

- Een strafbeschikking (CJIB-nummer 1132 5420 0201 3849), gedateerd 3 november 2014, gericht aan verdachte, inhoudende een geldboete van € 140,- wegens overtreding van artikel 2.4.6. lid lb van de APV Nijmegen, met daarop de volgende vermeldingen: ‘Bent u het niet eens met de strafbeschikking, dan kunt u verzet instellen bij de officier van justitie. De officier van justitie moet uw verzet twee weken na kennisneming van de strafbeschikking hebben ontvangen’; en ‘Betaal niet als u in verzet gaat.’

en daarnaast:

‘Betaal op tijd, zo voorkomt u een verhoging’.

Uit het dossier blijkt niet wanneer verdachte de strafbeschikking heeft ontvangen.

- Een akte instellen verzet van 29 januari 2015 na ontvangst van een brief van de raadsman van verdachte, mr. J. Visscher.

- Een brief van het CVOM (Centrale Verwerking O.M.), waaruit blijkt dat het CVOM op 29 januari 2015 de akte instellen verzet heeft ontvangen.

- Een tweetal zaaksoverzichten van het CJIB van 26 februari 2015 en 22 november 2015, waaruit onder meer blijkt dat de zaak op 16 december 2014 de status ‘onherroepelijk’ heeft gekregen en dat de zaak aan het OM wordt overgedragen onder vermelding van ‘verzet’.

Uit de zaaksoverzichten blijkt dat het bedrag na twee verhogingen van € 15,- respectievelijk € 7,- bedraagt: € 162,-, en dat op 30 januari 2015 een bedrag van € 162,- is voldaan.

Artikel 257e lid 1 van het Wetboek van Strafvordering - in werking sinds 1 februari 2008 - luidt als volgt:

(…)

Het hof stelt vast dat op grond van het dossier niet duidelijk is of, en zo ja wanneer verdachte de strafbeschikking met CJIB-nummer 1132 5420 0201 3849, dan wel aanmaningen, heeft ontvangen.

Het hof stelt voorts vast dat uit het dossier blijkt dat de overschrijving naar een ander adres dan het door verdachte bij zijn aanhouding opgegeven adres ([a-straat 1] te Maasbommel) eerst heeft plaatsgevonden op 23 februari 2015 en dat de wet geen bepaling kent inhoudende dat een strafbeschikking in persoon moet worden betekend.

Tenslotte stelt het hof op grond van het dossier vast dat tegen de strafbeschikking van 3 november 2014 verzet is ingesteld op 29 januari 2015 en dat verdachte op 30 januari 2015 aan de strafbeschikking heeft voldaan.

Het hof is gelet op de inhoud van het dossier, mede in het licht van de wetsgeschiedenis van de Wet OM-afdoening, en gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat verdachte niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzet.

Dat door de vrijwillige voldoening van de strafbeschikking een eenmaal ingesteld verzet niet zonder meer als intrekking wordt aangemerkt volgt uit het aanbrengen door het openbaar ministerie van het verzet bij de kantonrechter. Uit de voldoening van de strafbeschikking kan naar het oordeel van het hof terecht worden afgeleid dat verdachte zich bij die strafbeschikking had neergelegd. Daarbij komt ook betekenis toe aan het feit dat verdachte op het moment van voldoening bijstand had van een advocaat, immers door mr. J. Visscher was daags voor de datum van voldoening verzet ingesteld tegen de strafbeschikking.

De door de raadsman genoemde bijzondere omstandigheden doen aan het voorgaande niet af. In het bijzonder is het hof van oordeel dat het standpunt van de raadsman dat het door verdachte vrijwillig voldoen aan de strafbeschikking niet kan gelden als een afstand van de bevoegdheid daartoe, geen steun vindt in de wet of de wetsgeschiedenis van de Wet OM-afdoening.

De andere door de advocaat-generaal gestelde grond voor niet-ontvankelijkheid van het verzet behoeft in het licht van het bovenstaande geen verdere bespreking.

Gelet op het voorgaande zal het hof het vonnis van de eerste rechter bevestigen.”

5. Art. 257e Sv luidt, voor zover hier van belang:

“1. Tegen een strafbeschikking kan de verdachte verzet doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Onverminderd de vorige zin kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending. Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.

(…)

8. Uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het verzet ter terechtzitting kan degene die het heeft gedaan, dat intrekken. Deze intrekking brengt mede afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden. Intrekking geschiedt met overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met zevende lid.”

6. Het hof heeft de beslissing van de kantonrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van het door de verdachte ingestelde verzet bevestigd omdat het – kort gezegd – van oordeel is dat de daarop volgende vrijwillige betaling van het boetebedrag kan gelden als het doen van afstand van de bevoegdheid tot het doen van verzet.

7. De kwestie die hier in cassatie wordt opgeworpen, is van belang voor de praktijk. Het gaat daarbij immers om de vraag of met het vrijwillig voldoen aan de strafbeschikking nadat verzet is gedaan, eenzelfde situatie in het leven wordt geroepen als bij een vrijwillige voldoening die aan de mogelijkheid tot het doen van verzet voorafgaat. In het laatstgenoemde geval mag het ervoor worden gehouden dat de verdachte zich bij de strafbeschikking heeft neergelegd en zal hij derhalve, indien hij niettemin verzet instelt, daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat daarvoor grond is blijkt niet alleen uit de wetsgeschiedenis,1 maar ook uit de tekst van art. 257e, eerste lid, Sv zelf: door vrijwillige voldoening wordt afstand gedaan van het recht op het doen van verzet. Volgens de wetgever spreekt uit die handeling namelijk dat de verdachte daarvan de gevolgen overziet en zich derhalve bij de strafbeschikking neerlegt. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever daarbij enkel het oog had op de vrijwillige betaling die aan de mogelijkheid tot het doen van verzet voorafgaat. Dat neemt niet weg dat de wetgever in het achtste lid van art. 257e Sv de verdachte na het gedane verzet de bevoegdheid heeft gegeven om tot aan de aanvang van de behandeling ervan dit rechtsmiddel in te trekken. Aan de intrekking kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen en een daarvan kan vanzelfsprekend zijn – wettekst en wetsgeschiedenis verzetten zich daar niet tegen – dat de verdachte (alsnog) vrijwillig betaalt.

8. Hoe nu wanneer de verdachte aan zijn betalingsverplichting uit hoofde van de strafbeschikking heeft voldaan, maar niettemin tegen de strafbeschikking verzet doet of het reeds gedane verzet niet intrekt en de zaak ‘laat voorkomen’? Ik meen dat alsdan voor de rechter een taak is weggelegd om met betrekking tot deze gang van zaken duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of gezegd kan worden dat de verdachte vrijwillig heeft betaald of niet. Is sprake van vrijwilligheid, dan brengt zulks mee dat de verdachte afstand doet van zijn recht om het verzet voort te zetten. Een niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn verzet is dan een beslissing die zonder meer in de geest van de wet en de wetsgeschiedenis past.2 Door het doen van verzet brengt de verdachte immers tot uitdrukking dat hij het niet eens is met de strafbeschikking en daarvan is bij vrijwillige betaling nu juist geen sprake (meer).

9. In het andere geval – betaling, maar niet vrijwillig – is er, lijkt mij, plaats voor nuancering en ligt het op de weg van de rechter om te onderzoeken of de verdachte wellicht naar objectieve maatstaven verontschuldigbaar in de veronderstelling verkeerde dat hij ongeacht het doen van verzet gehouden was tot betaling (denk aan aanmaningen met telkens een verhoging van het boetebedrag) en om die reden reeds netjes aan de strafbeschikking heeft voldaan. Doet zich zo’n dwaling niet voor, dan zal het verzet weer door een niet-ontvankelijkheid kunnen worden afgedaan. Indien echter de verontschuldigbaarheid wordt aanvaard, is er mijns inziens ruimte voor de beslissing om het verzet op de voet van art. 257f Sv te behandelen.

10. Terug naar het middel. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 16 september 2016 heeft de raadsman onder meer het volgende naar voren gebracht:

“Mijn cliënt weet van deze zitting. Hij komt niet in verband met de reiskosten.

(…)

Er ontbreken diverse stukken die kennelijk niet zijn te achterhalen. Mijn cliënt kwam bij mij en had toen een aantal andere beschikkingen bij zich. In verband met die strafbeschikkingen vroeg ik bij het CJIB een overzicht op en die heb ik ook ontvangen. Naar aanleiding van de gegevens in dat overzicht heb ik namens cliënt in onderhavige zaak verzet ingesteld. Ik verwijs naar de inhoud van het verzetschrift. Na het instellen van verzet heeft mijn cliënt er zelf voor gekozen om te betalen. Hij had de beschikking weliswaar niet ontvangen maar hij zag dat sprake was van een verhoging. Hij was bang dat, als hij niet zou betalen, er nog meer verhogingen zouden volgen. Hij betaalde, pas nadat het verzet was ingesteld.

U, voorzitter, vraagt of mijn cliënt aan de beschikking heeft voldaan na daarover met mij overleg te hebben gepleegd. Dat kan ik mij niet herinneren. Hij heeft - voor zover ik weet - die overboeking zelf gedaan. U vraagt hoe mijn cliënt kon weten op welke wijze hij kon betalen. Voor zover ik weet staat er geen rekeningnummer op het overzicht van het CJIB maar ik denk dat dat rekeningnummer gemakkelijk kan worden achterhaald via de website. Het kenmerk van de strafbeschikking stond op het overzicht van het CJIB.

Ik weet niet of mijn cliënt zelf op de website van het CJIB heeft gekeken.

De voorzitter vraagt of de raadsman van mening is dat in de onderhavige zaak sprake is van bijzondere omstandigheden, nu uit de toelichting op artikel 257e lid 1 van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat het voldoen aan de strafbeschikking in beginsel impliceert dat afstand wordt gedaan van de mogelijkheid tot verzet.

De raadsman voert het woord tot verdediging - zakelijk weergegeven — als volgt:

In de wet wordt uitgegaan van de situatie dat aan de beschikking wordt voldaan terwijl nog geen verzet is ingesteld. In onderhavige zaak is verzet ingesteld terwijl nog geen beschikking was ontvangen en heeft mijn cliënt de boete veiligheidshalve maar betaald.

Mijns inziens betekent het voldoen aan een strafbeschikking nadat verzet is ingesteld, niet dat het rechtsmiddel daarmee wordt ingetrokken. Het doen van afstand is iets anders dan het intrekken van een rechtsmiddel. De voorzitter vraagt op welke wijze volgens mij verzet kan worden ingetrokken. Ik zou menen dat dat gebeurt door een briefje naar het CVOM te sturen. In elk geval staat nergens in de wet dat het rechtsmiddel wordt geacht te zijn ingetrokken wanneer alsnog aan de beschikking is voldaan.

In feite voorziet de wet niet in een situatie als deze.”

11. Gezien de hierboven onder 4 weergegeven overwegingen is het hof kennelijk van oordeel dat de verdachte gezegd kan worden vrijwillig te hebben betaald en dat daarbij van verontschuldigbaarheid geen sprake is. Dat oordeel acht ik in het licht van hetgeen de raadsman te dien aanzien naar voren heeft gebracht – ik doel daarbij met name ook op “kan ik mij niet herinneren”, “voor zover ik weet”, “ik denk” en “ik weet niet of” – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het hof daarbij betrokken heeft dat de verdachte op het moment van voldoening bijstand had van een advocaat en het daaraan betekenis kon geven gelijk het heeft gedaan. Voorts acht ik het daarop berustende oordeel van het hof – inhoudende dat de opvatting dat het vrijwillig voldoen aan de strafbeschikking (na verzet) niet kan gelden als het doen van afstand daartoe, geen steun vindt in de wet of de wetsgeschiedenis – niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en evenmin onbegrijpelijk. Daarbij zij opgemerkt dat het hof de vrijwillige voldoening blijkens zijn overwegingen terecht niet heeft aangemerkt als een intrekking van het verzet.3

12. Maar ook als over het vorengaande anders moet worden gedacht, kan het middel niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang daarbij. Dan kan immers worden gezegd dat het hof niet anders dan tot een niet-ontvankelijkverklaring van het verzet had kunnen komen op de andere door de advocaat-generaal gestelde grond die volgens het hof geen verdere bespreking behoefde, nu: - het boetebedrag minder is dan € 340,00; - het boetebedrag is opgelegd voor een overtreding die minder dan vier maanden voor toezending is begaan (de overtreding dateert van 13 september 2014, de strafbeschikking is op 3 november 2014 verzonden); - de strafbeschikking is toegezonden aan het adres dat de verdachte bij zijn aanhouding heeft opgegeven4; - de verdachte het verzet binnen zes weken na 3 november 2014 had moeten doen; - namens de verdachte door zijn advocaat pas op 29 januari 2015 verzet is ingesteld. Dat het hof heeft vastgesteld dat niet blijkt wanneer de verdachte de strafbeschikking heeft ontvangen, maakt de slotsom in dit verband niet anders. Wanneer de uitreiking van het afschrift van de strafbeschikking niet in persoon plaatsvindt, stelt art. 257d, tweede lid, Sv, enkel de eis dat het afschrift wordt toegezonden aan het BRP-adres of, indien de verdachte niet in de BRP als ingezetene staat ingeschreven, aan zijn woon- of verblijfplaats van de verdachte, dan wel – en daarvan is in de onderhavige zaak sprake – aan het adres dat de verdachte bij zijn eerste verhoor in de strafzaak heeft opgegeven.

13. Het middel faalt mijns inziens.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. de MvT, Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 42-43.

2 In gelijke zin indien de procespartijen bij de behandeling de wens uitspreken om “de zaak niet meer door te laten gaan”; alsdan ontbreekt er enig verder belang om het verzet toch te behandelen.

3 Dat de verdachte bij vrijwillige voldoening het verzet kan intrekken tot aan de behandeling van het verzet (zie onder 7) is iets anders.

4 Blijkens het BRP was de verdachte destijds zonder vaste woon- of verblijfplaats.