Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1390

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
16/04897
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3219, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Art. 77a Sr jo. art. 77h Sr. Is de oplegging van de svm ex art. 77h.4.ahf.e Sr te verenigen met de toepassing van art. 9a Sr? CAG: het Hof heeft aan verdachte met toepassing van art. 9a Sr geen straf of andere maatregel dan de svm willen opleggen. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/103
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04897 J

Zitting: 28 november 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 29 september 2016 door het gerechtshof Den Haag schuldig verklaard wegens “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” en daarbij is bepaald dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het arrest van het hof innerlijk tegenstrijdig is, aangezien de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet te verenigen is met de beslissing van het hof dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

  4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 18 mei 2013 te ’s-Gravenhage, door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling bestaande uit het vastpakken/aanraken van een borst van [slachtoffer] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds vastpakken/aanraken van de borst van [slachtoffer].”

5. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Geen straf of maatregel” (pag. 5) het volgende overwogen:

“Het hof heeft gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen.

Met de kinderrechter is het hof van oordeel dat de verdachte met het plegen van onderhavig feit een inbreuk heeft gemaakt op de integriteit van het slachtoffer en dat het aannemelijk en voorstelbaar is dat dit voor haar een nare ervaring is geweest. Anderzijds is het van belang de juiste proporties van het gebeurde niet uit het oog te verliezen en kan vastgesteld worden dat het niet om een grove schending van de integriteit van het slachtoffer ging. Het had het hof dan ook wenselijk voorgekomen als dit incident niet in een strafrechtelijk kader was getrokken.

Met de kinderrechter is het hof voorts van oordeel dat het opleggen van een straf voor het onderhavige feit niet proportioneel is en, mede gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, een pedagogisch doel mist. Gelet hierop als ook op de jeugdige leeftijd van de verdachte en de lange tijd waarin de verdachte in onzekerheid heeft verkeerd over de afloop van de zaak acht het hof het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”

6. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij onder de aanhef “Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]” (pag. 5) het volgende in:

“In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële (à € 60,-) en immateriële schade (à € 300,-) als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van in totaal € 360,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 60,-, aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts met de kinderrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.”

7. Voorts is in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]” (pag. 6) het volgende overwogen:

“Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 60,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].
BESLISSING:
Het hof:
(…)
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
(…)
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Vordering van de. benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 60,- (zestig euro) ter zake van de geleden materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 60 (zestig euro) als vergoeding voor de geleden materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”

8. De voorliggende zaak betreft een jeugdzaak waarin het hof toepassing heeft gegeven aan art. 9a Sr, terwijl de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk is toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Over deze combinatie wordt in het middel geklaagd. Volgens de steller van het middel is het arrest innerlijk tegenstrijdig, aangezien de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel niet te verenigen is met de toepassing door het hof van art. 9a Sr en de overweging dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

9. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 9a Sr:

“Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”

- art. 36f, eerste en tweede lid, Sr:
“1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”

- art. 77a Sr:
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen 9, 10, 12 tot en met 31, 35 tot en met 38u, 43a tot en met 44 en 57 tot en met 62 niet van toepassing. In de plaats daarvan treden de bijzondere bepalingen vervat in de artikelen 77d tot en met 77hh.”

- art. 77h Sr:
“1. De hoofdstraffen zijn:
a. in geval van misdrijf: jeugddetentie, taakstraf of geldboete;
b. in geval van overtreding: taakstraf of geldboete.
(…)

3. De bijkomende straffen zijn:

a. verbeurdverklaring;

b. ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

4. De maatregelen zijn:

a. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

b. maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige;

c. onttrekking aan het verkeer;

d. ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;

e. schadevergoeding;

f. vrijheidsbeperkende maatregel.”

10. Uit art. 77a Sr volgt dat art. 36f Sr in het jeugdstrafrecht buiten toepassing is verklaard.1 Art. 9a Sr is wel van toepassing. Deze bepaling wordt in art. 77a Sr voor het jeugdstrafrecht immers niet uitgesloten. Het jeugdstrafrecht liep in dit verband zelfs voorop. Na de invoering van art. 9a Sr kon de afzonderlijke bepaling die het rechterlijk pardon in het jeugdstrafrecht mogelijk maakte, worden geschrapt.2 Art. 77a Sr is laatstelijk gewijzigd bij Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht3, in werking getreden op 1 april 2014. Opeenvolgende wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht hadden een redactionele verbetering van de bepaling noodzakelijk gemaakt. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat de uitsluiting in art. 77a Sr van bepaalde voorzieningen uit het strafrecht voor volwassenen onverlet laat dat sommige daarvan in de bijzondere bepalingen van art. 77d Sr tot en met 77gg Sr voor jeugdigen van (overeenkomstige) toepassing zijn verklaard.4 De rechter kan in jeugdstrafzaken op grond van art. 77h, vierde lid, onder e, Sr aan een jeugdige verdachte schadevergoeding als maatregel opleggen. Daarbij geldt dat de maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de jeugdige civielrechtelijk aansprakelijk is voor de door hem toegebrachte schade. De oplegging ervan is alleen mogelijk aan verdachten die ten tijde van het bewezen verklaarde veertien jaar of ouder waren.5 Bij jongere verdachten stuit civielrechtelijke aansprakelijkheid af op art. 6:164 BW, dat bepaalt dat een gedraging van een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt aan hem niet als een onrechtmatige daad kan worden toegerekend. De verdachte was in de onderhavige zaak ten tijde van het bewezen verklaarde 14 jaar en 8 dagen.

11. De formulering ‘geen straf of maatregel’ in art. 9a Sr zou de indruk kunnen wekken dat art. 9a Sr niet zou kunnen worden gecombineerd met een maatregel. Die indruk is echter onjuist. Als art. 9a Sr niet zou bestaan, zou kunnen worden betoogd dat niet zou kunnen worden afgezien van de oplegging van een straf, omdat in strafbepalingen staat vermeld: “wordt gestraft”. Bij maatregelen is dat anders. Vandaar dat in de wettelijke regeling van verschillende maatregelen uitdrukkelijk is opgenomen dat de oplegging ervan kan geschieden in combinatie met art. 9a Sr.6 Daarmee wordt buiten twijfel gesteld wat bij een andere formulering tot discussie zou kunnen leiden. In een dergelijk geval betekent art. 9a Sr dat wordt afgezien van de oplegging van een straf, niet van een maatregel.7

12. De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3203 – kort gezegd - geoordeeld dat de toepassing van art. 9a Sr in het licht van de wetsgeschiedenis van art. 36f, eerste lid, Sr niet aan het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel in de weg staat.8 Het hof had de verdachte in deze zaak wegens vernieling veroordeeld en met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd, terwijl het wel een schadevergoedingsmaatregel oplegde. Anders dan in de onderhavige zaak, werd in cassatie niet geklaagd dat in dezen sprake zou zijn van innerlijke tegenstrijdigheid. De Hoge Raad heeft zich hierover in het voornoemde arrest dan ook niet expliciet uitgesproken. Uit het arrest volgt wel dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f, eerste lid, Sr ook kan worden gecombineerd met de toepassing van art. 9a Sr, ook al wijst de tekst van art. 36f Sr in een andere richting.

13. Ook in het jeugdstrafrecht is een combinatie van de toepassing van art. 9a Sr en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel niet uitgesloten. In een dergelijk geval moet de combinatie aldus worden begrepen, dat op de voet van art. 9a Sr wordt afgezien van de oplegging van een straf maar niet van de oplegging van een maatregel.

14. Ik begrijp het bestreden arrest aldus, dat het hof in zijn beslissing en zijn overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat het hof aan de verdachte met toepassing van art. 9a Sr geen straf of andere maatregel dan de schadevergoedingsmaatregel heeft willen opleggen.9 Daarmee is van innerlijke tegenstrijdigheid van het arrest van het hof geen sprake en mist het middel feitelijke grondslag.

15. Het middel faalt.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in jeugdstrafzaken ook de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg voorafgaand aan HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5801, NJ 2006, 84.

2 Zie Kamerstukken II 1977/78, 15 012, nrs. 1-3, p. 51.

3 Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht, Stb. 2013, 485.

4 Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 3, p. 50.

5 HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5801, NJ 2006/84.

6 Vgl. bijvoorbeeld art. 36b, eerste lid, sub 2, Sr over de onttrekking aan het verkeer.

7 Zie F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, tweede druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 59.

8 Zie HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3203 (rov. 2.5.5).

9 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3203 onder punt 8.