Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:139

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-01-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
16/00238
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:426, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen hennepteelt.. Falende bewijsklacht medeplegen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/05303; 15/05342; 15/05447; 15/05454; 16/00013; 16/00237; 16/00239; 16/00947; 16/00948; 16/00949; 16/00950; 16/00951 en 16/00952.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00238

Zitting: 24 januari 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 9 november 2015 de verdachte: - niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1, 2 (eerste gedachtestreepje), 3, 5 (eerste gedachtestreepje), 6 en 7 (telkens voor zover het een bepaald adres betreft) en het 12 primair tenlastegelegde, - vrijgesproken van het onder 2, 4 primair, 10 primair en 11 primair tenlastegelegde en - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar ter zake van 4 subsidiair “medeplegen van opzetheling” , 5 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 6 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking of braak”, 7 “medeplegen van opzettelijk een elektriciteitswerk vernielen, beschadigen of een stoornis in de gang of werking van een elektriciteitswerk veroorzaken terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, 8 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 9 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 10 subsidiair en 11 subsidiair (telkens) “medeplegen van opzetheling” en 13 primair “opzetheling”. Voorts heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder het gelasten van de teruggave van een geldbedrag van 2.000 euro aan de benadeelde partij [betrokkene 1] . Ook heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen, onder wie de benadeelde partij [betrokkene 2] , en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander als in het arrest omschreven.

  2. Er bestaat samenhang met twaalf andere zaken. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, zes middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Hieronder zal ik met betrekking tot de feiten 4 subsidiair, 5, 6 en 7 eerst de inhoud van de bewezenverklaringen, de daarvoor gebruikte bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen van het hof aanhalen en daarna de eerste drie middelen, die alle uit motiveringsklachten bestaan, weergeven en bespreken.

  5. Ten laste van de verdachte is, voor zover in het onderhavige verband relevant, bewezenverklaard dat:

“4 subsidiair:

hij op 4 september 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

- een boot van het merk Dolphin 17 Sport, rompnummer [0001] , motornummer [0002] ; en

- een aanhanger (trailer), registratienummer [0003] ,

heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die hiervoor vermelde goederen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

5:

hij in de periode van 9 maart 2010 tot en met 12 september 2011 Steenwijk, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld, in een pand aan de [a-straat 1] te Steenwijk, ongeveer 368 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6:

hij in de periode van 9 maart 2010 tot en met 12 september 2011 aan de [a-straat 1] te Steenwijk, tezamen en in vereniging met een ander telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Rendo, waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

7:

hij in de periode van 9 maart 2010 tot en met 12 september 2011 aan de [a-straat 1] te Steenwijk tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een elektriciteitswerk, te weten een zogenaamde elektriciteitsmeter en/of aansluitkast, voor de stroomvoorziening in de loods gelegen aan de [a-straat 1] te Steenwijk heeft vernield en/of beschadigd en/of een stoornis in de gang en/of in de werking van die elektriciteitsmeter en/of voor de stroomvoorziening heeft/hebben veroorzaakt en/of een ten opzichte van die meterkast en/of aansluitkast voor de stroomvoorziening, genomen veiligheidsmaatregel(en) heeft/hebben verijdeld, immers hebben hij, verdachte, en zijn medeverdachte in een elektriciteitswerk en/of elektriciteitsmeter en/of aansluitkast, welke onderdeel uitmaakt van voornoemde loods, te weten aan de [a-straat 1] te Steenwijk:

- het deksel van de (huis)aansluitkast ongeoorloofd geopend; en

- een installatie gemaakt/aangelegd rechtstreeks aangesloten op de voedingskabel van de (huis)aansluitkast;

zodanig dat daarvoor gemeen gevaar voor brand en/of kortsluiting en/of elektrocutie in die woning en/of één of meer belendende woning(en) en/of loods en/of één of meer belendende panden te duchten was.”

6. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (vindplaats p. 2064 e.v.), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik doe hierbij aangifte van diefstal van mijn boot, welke ik samen met [betrokkene 4] bezit. Het betreft een motorboot, merk: Dolphin/Marigold, type: 17 Sport: rood/wit, voorzien van registratieteken: [0001] . Achter de boot hangt een buitenboordmotor merk Mercury, voorzien van registratienummer: [0002] ,

De boot stond op een boottrailer merk voorzien van registratienummer:

[0003] .

De genoemde boot stond gestald bij het bedrijf [A] , gevestigd aan de [b-straat 1] te Bolsward in afwachting voor de winterstalling. De boot stond achter het hek op het terrein van het genoemde bedrijf. Dit hek was afgesloten met een kettingslot. Op 4 september 2011, omstreeks 15:00 uur, heb ik contact gehad met mijn vader, [medeverdachte 1] . Hij is uitvoerder binnen het eerder genoemde bedrijf. Hij heeft de boot die dag nog zien staan bij het genoemde bedrijf.

Op 6 september 2011, omstreeks 15:00 uur, werd ik gebeld door mijn vader. Hij vroeg aan mij of wij de boot op hadden gehaald. Ik zei toen tegen hem dat wij de boot niet op hadden gehaald. Hij vertelde mij dat de boot niet meer op het terrein stond en dat het hek open was. Ik ben daar toen naar toe gegaan en zag dat het kettingslot was doorgeknipt. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (vindplaats p. 2079 e.v.), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van [verbalisant 1] :

Op 6 september 2011 in de avond zat ik op marktplaats te kijken. Ik zag toen een advertentie staan met de mededeling dat er een boot was gestolen in Bolsward. Toen ik de foto bekeek herkende ik deze boot als zijnde de boot van een zoon van een buurtbewoner. Ik herinnerde mij toen dat ik op 4 september 2011, tussen 16:30 en 17.00 uur deze boot heb gezien. Ik stond op dat moment bij de verkeerslichten, op de N359 komende vanaf Workum. Ik zag toen dat er een witte of zilvergrijze bus bij de verkeerslichten aan de zijde van de [b-straat] staan. Achter de bus zat een trailer met een boot voorzien van een blauw afdekzeil. Ik zag aan de achterzijde onderin dat de boot rood van kleur was. Ik herkende deze boot aan zijn vorm. Ik wist dat deze boot van een zoon van een buurtbewoner van mij is.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (vindplaats p. 2113 e.v.), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verbalisant:

Op 27 september 2011, omstreeks 09.40 uur, heb ik een onderzoek ingesteld, op locatie [a-straat] te Steenwijk, binnen de gemeente Steenwijkerland waarbij het volgende is bevonden:

Op 12 september 2011 zijn goederen in beslag genomen die zijn aangetroffen onder verdachte omstandigheden in een loods aan de [a-straat 1] te Steenwijk, waar tevens een hennepkwekerij was aangetroffen. Deze goederen bleken van diefstal afkomstig.

Dit betrof een trailer met een speedboot voorzien van een buitenboordmotor en een grijze Peugeot 807 voorzien van gestolen kentekenplaten.

PEUGEOT 807

Ik zag dat genoemd voertuig een grijze Peugeot 807 betrof. Ik zag dat het chassisnummer zichtbaar was achter de voorruit en dit nummer was:

[0004]

Blijkens onderzoek in het Kentekenregister van het RDW was bij het voertuig met dit chassisnummer het volgende kenteken afgegeven: [BB-00-BB] .

Blijkens onderzoek in BVH was dit voertuig gestolen bij een inbraak in een woning aan de [c-straat 1] te Zwolle tussen 28 juli 2011 en 1 augustus 2011.

Hiervan is op 1 augustus aangifte gedaan onder BVH-nummer [0005] .

SPEEDBOOT

Ik zag dat de speedboot op de trailer een rood met witte speedboot was, voorzien van een zwarte buitenboordmotor van het merk “Mercury 90”. Ik zag dat het registratieteken op de zijkant van de boot grotendeels was weggeschuurd.

BUITENBOORDMOTOR

Ik zag dat de Mercury buitenboordmotor was voorzien van het serienummer [0002] .

TRAILER

Ik zag dat de trailer een enkelassige geremde aanhanger was. Ik zag dat op de spatlappen en op de dissel “LOUBEN” stond. Ik verbalisant kon geen serienummer of chassisnummer vinden. Ik zag op de voorste dwarsbalk een afdruk van een rechthoekig plaatje waar twee afgebroken nagels staken, (foto 13) Vermoedelijk is hier het plaatje met serienummer afgehaald.

Blijkens onderzoek in het landelijke politiesysteem Blue View is er in Bolsward tussen 4 september 2011 en 6 september 2011 een dergelijk boot/trailer combinatie gestolen. Hiervan had de aangever op marktplaats een aandachtsvestiging geplaatst met kleurenfoto’s en serienummers. Ik zag dat het opgegeven serienummer van de buitenboordmotor was: [0002] en dus overeen komt met het door mij geconstateerde serienummer.

Ik verbalisant [verbalisant 2] , herken de speedboot op de trailer van de foto’s van de aangever in bijlage 1 en 3. Ik herken de boot aan de opvallende rode kleur, de vormen en het getinte kuipraam. Ik herken tevens de buitenboordmotor van de foto op bijlage 2 aan de verchroomde schroef, serienummer, merk en type.

Ik herken de trailer van de foto’s op bijlage 1 aan de blauwe verf op het neuswiel en het merk LOUBEN op de spatlap op de foto op bijlage 3 en op de plaat op de dissel.

4. Een proces-verbaal cameraobservatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (vindplaats p. 2053 e.v,), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verbalisant:

Ik heb de camerabeelden van 04 september 2011 en 06 september 2011 uitgekeken van het woonwagenkamp aan de [d-straat] te Zwolle en daarbij het volgende waargenomen:

4 september 2011:

17.57

uur: Bmw 3-serie voorzien van kenteken [CC-00-CC] rijdt het woonwagenkamp op en parkeert voor de woning van [verdachte] . Achter de bmw zit een trailer met daarop een boot. Uit de auto stappen drie mannen. De bestuurder herken ik als [medeverdachte 2] , geboren op [...] - [...] -1987. De bijrijder herken ik als [verdachte] , geboren op [...] - [...] -1987. De derde man is een voor mij een onbekende man en zal hem verder ook NN-man noemen.

[medeverdachte 2] draagt een zwarte broek en een zwart t-shirt. [verdachte] draagt een zwarte broek, wit t-shirt en een witte cap. NN-man draagt een lichtkleurige blauwe broek, wit shirt met lange mouwen. Over de boot ligt een blauw dekzeil. De onderkant van de boot is wit en de neus en achterzijde zijn rood. Aan de achterzijde van de boot zit een zwarte buitenboordmotor. De trailer is grijs van kleur. [medeverdachte 2] kruipt onder het dekzeil de boot in

18.02

uur: [verdachte] en [medeverdachte 2] staan tussen de auto en de boot, ze zijn iets bij de koppeling aan het doen. NN-man is aan de zijkant van de boot bezig. Het lijkt erop dat hij de stickers van het registratiekenteken aan het verwijderen is en vervolgens gooit hij iets in de container. Hierna trekt NN-man ook aan de andere kant van de boot iets af.

Verder lopen ze om de trailer heen en af en toe zitten ze aan het dekzeil en zijn ze iets bij de voorzijde van de trailer aan het doen. [medeverdachte 2] is de zijkant met iets aan het schoonmaken.

18.42

uur: [medeverdachte 2] stapt als bestuurder in de bmw en NN-man als bijrijder waarna de bmw vertrekt. De boot blijft voor de woning van [verdachte] staan.

[verdachte] en zijn vriendin [betrokkene 5] lopen naar de boot. [verdachte] wil de trailer met boot vanaf de parkeerplaats naast zijn woning duwen, maar dat lukt hem niet alleen. [betrokkene 5] helpt [verdachte] en samen duwen ze de trailer met boot naast hun woning tussen de woningen [d-straat 1] en [2] in.

6 september 2011 :

12.38

uur. Bmw 3serie voorzien van kenteken [CC-00-CC] rijdt het woonwagenkamp op en parkeert iets voorbij de woning van [verdachte] op de straat.

[verdachte] en [medeverdachte 2] stappen uit en lopen naar de woning van [verdachte]

12.39

uur [verdachte] en [medeverdachte 2] komen bij de woning van [verdachte] vandaan. [verdachte] loopt naast zijn woning, tussen de woningen [d-straat 1] en [2] . [medeverdachte 2] stapt in de bmw en rijdt zijn auto achterwaarts tussen [d-straat 1] en [2] in.

12.42

uur De bmw komt er uit rijden met daarachter dezelfde trailer en boot die ze op 04- 09-2011 hebben gebracht.

[verdachte] stapt uit de bmw als bijrijder en loopt naar de achterzijde van de boot. Het lijkt er op dat hij de verlichting van de trailer aan het controleren is.

Hierna stapt [verdachte] in de bmw waarna de bmw met daarachter de trailer met boot het woonwagenkamp verlaat.

Op de trailer zit een kentekenplaat voorzien van kenteken [CC-00-CC] .

Tenaamstelling voertuig bmw 3 serie:

Blijkens onderzoek bij het RDW, staat de bmw 3 serie voorzien van kenteken [CC-00-CC] sinds 05-08-2011 tot heden op naam van:

[medeverdachte 2]

Geboren te [geboorteplaats] op [...] - [...] -1987

[e-straat 1] .

5. Een proces-verbaal van aanhouding, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (vindplaats p. 1979 e.v.), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring/bevindingen van verbalisant:

Op 12 september 2011, hadden wij, verbalisanten, kennis genomen van collega's [verbalisant 5] en [verbalisant 4] dat er op de eerste verdieping van unit [...] op de [a-straat 1] te Steenwijk een hennepkwekerij gevestigd was.

Wij zagen dat de roldeur van unit [...] geopend was. Door de opening van de roldeur zagen wij, verbalisanten, twee verdachten staan bij een Peugeot 807. Dit voertuig was voorzien van kenteken [DD-00-DD] . Tevens zagen wij verbalisanten, dat de motorkap van dit voertuig open stond. Ook zagen wij, verbalisanten, dat er naast dit voertuig een boot op een trailer gestald stond. Wij, verbalisanten, zagen dat naast het voertuig met voornoemd kenteken twee personen stonden. Desgevraagd gaf de persoon welke zich aan de passagierszijde van de betreffende personen auto stond op te zijn genaamd [medeverdachte 2] tevens deelde hij mede de huurder van de desbetreffende unit te zijn. Op dat moment hebben wij, verbalisanten, beide personen aangehouden.

Tijdens de fouillering heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , bij verdachte [verdachte] een sleutelbos aangetroffen. Collega [verbalisant 4] vroeg naar de sleutel die toegang gaf tot de hennepkwekerij. Hierop gaf verdachte [verdachte] aan dat deze aan zijn sleutelbos zat. Een van de sleutels die aan de sleutelbos van verdachte [verdachte] zat paste op het hangslotje waarmee de toegangsdeur van de hennepkwekerij was vergrendeld.

6. Een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij [a-straat 1] Steenwijk, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (dossierpagina 1967 e.v,) zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring/bevindingen van verbalisanten:

Wij verbalisanten hebben een onderzoek ingesteld op 12 september 2011 op het adres: [a-straat 1] te Steenwijk gereden. Op dit adres werden hennepplanten geteeld. Er werden door ons verbalisanten 368 hennepplanten aangetroffen. Alle planten waren van het ras Cannabis. Door mij verbalisant [verbalisant 4] is met behulp van de Drugs Test Kit (Cannabistest) een monster van het in beslaggenomen plantenmateriaal aan de [a-straat 1] te Steenwijk getest. Het resultaat van de test was POSITIEF. Het plantenmateriaal werd door mij verbalisant [verbalisant 4] herkend als hasjiesj of marihuana.

Bij onderzoek naar de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij werd door een medewerker van nutsbedrijf N.V. Rendo een onderzoek ingesteld. Door hem werd vastgesteld dat de elektriciteit “BUITEN DE METER OM” werd verkregen en dat er dus sprake was van diefstal van elektriciteit.

7. Een proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding d.d. 12 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (dossierpagina 7386 e.v.) zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] , wonende te Genemuiden:

Ik zat in geldnood en daarom had ik een plantage.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (dossierpagina 2006 e.v.) zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van [betrokkene 6] :

De getuige is bevraagd in verband met de hennepkwekerij die op 12 september 2011 is aangetroffen in een loods aan de [a-straat 1] te Steenwijk.

V = Ik begrijp dat jij een gesprek heb gehad met beide jongens (het hof begrijpt: de aangehouden jongens, zijnde [verdachte] en [medeverdachte 2] ). Wat kan jij mij daar over vertellen?

A = Ik heb twee keer een gesprekje met de jongens gehad. Deze gesprekjes vonden plaats voor de loods. De ene jongen vertelde dat hij de garagebox had gehuurd en dat hij uit Genemuiden kwam. De andere jongen vertelde dat hij uit Zwolle kwam.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (dossierpagina 2003 e.v.) zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van [betrokkene 7] :

Ik huur een loods aan de [a-straat 1] te Steenwijk. De loods naast mij, waar op 12 september 2011 een hennepkwekerij is aangetroffen, is sinds augustus 2011 verhuurd aan twee jongens. Ik heb een keer contact met hen gehad. Ik heb ze een paar keer samen naar de loods zien komen.

10. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (dossierpagina 2031 e.v.) zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van [verdachte] :

V: Wanneer ben je daar eerder in de loods aan de [a-straat 1] te Steenwijk geweest?

A: Ik ben een poosje geleden daar geweest.

V: Wat heb jij daar gedaan?

A: Ik heb daar beneden een houten wand gemaakt. [medeverdachte 2] had de loods gehuurd.

O: We hebben een getuige gesproken die jullie daar eerder hebben aangesproken en gezien. Althans, hij beschrijft jullie signalement.

V: Zou hij jullie herkennen als degene die hij eerder gezien heeft?

A: Ja, want we hebben met jongens daar gesproken die daar naast een schuur hebben.

A: Als mijn vingersporen op een aantal lampen worden gevonden, dan kan dat zo zijn, omdat ik ongeveer anderhalve maand geleden bij [medeverdachte 2] thuis aan de spullen had gezeten. De politie was toen eerder bij hem thuis geweest, ook voor hennep. Hij had nog een hoeveelheid spullen liggen. Ik heb hem toen wel geholpen dit te verhuizen.

O: Toen jullie werden aangehouden, stonden jullie in de loods naast een auto, een Peugeot 807, waarvan de motorkap openstond. Deze auto bleek te zijn gestolen.

A: Ik heb wel met mijn handen de auto op verzoek van [medeverdachte 2] , een stukje naar voren geduwd. Ik had mijn handen tegen de achterkant van de auto. Ik denk dat ik de auto misschien ook aan de zijkant heb aangeraakt. Ik heb ook in de auto gezeten. [medeverdachte 2] probeerde de auto te starten, maar dat lukte niet. Hij wilde de auto met startkabels starten, maar kon de accu niet vinden. Ik heb toen geholpen en vond de accu onder een van de voorstoelen.

11. Een geschrift, zijnde een aangifteformulier diefstal elektriciteit/onrechtmatige handelingen ondertekend door [betrokkene 3] op 30 september 2011 (dossierpagina 2002), zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik ben namens het energiebedrijf NV. RENDO bevoegd tot het doen van aangiftes en doe bij deze aangifte van diefstal van stroom.

Op 13 september 2011 is een monteur van N.V. RENDO op verzoek van de politie gegaan naar perceel [a-straat 1] te Steenwijk. Deze garagebox is aangesloten op het elektriciteitsnet van N.V. RENDO.

Het bleek dat er verboden handelingen aan de elektrische installatie verricht waren. De monteur trof het volgende aan:

De huisaansluitkast was geopend. De aansluitwaarde was 3 x 25Amp. Elektra werd voor de meter afgetakt door middel van een 4 x 2,5mm2 kabel, rechtstreeks op de voedingskabel van de huisaansluitkast voor de automaten. Deze is dan afgezekerd met 200 Ampere vanuit het trafostation. Zeer brandgevaarlijk! Er was hier sprake van een onveilige situatie.”

7. Voorts heeft het hof met betrekking tot het bewijs, voor zover hier van belang, in het arrest overwogen:

Feit 4

“Uit een aangifte van [betrokkene 2] blijkt dat zijn boot en trailer te Bolsward zijn gestolen op 4 september 2011. Het tijdstip van de diefstal is niet exact bekend. Door een getuige is gezien dat de boot die dag tussen circa 16:30 uur en 17:00 uur op een trailer werd vervoerd tussen Workum en Leeuwarden, derhalve niet ver van Bolsward. Het trekkende voertuig was toen een grijze bus. Op camerabeelden van het woonwagenkamp waar verdachte woont d.d. 4 september 2011 is omstreeks 18.00 uur te zien dat een boot op een trailer welke voldoet aan de omschrijving van aangever, het kamp op komt rijden, dat verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] en een derde, niet herkende, persoon (verder: NN) uit de trekkende wagen (de BMW van [medeverdachte 2] ) stappen. De boot wordt geparkeerd bij de woonwagen van verdachte. Verdachte en [medeverdachte 2] zijn vervolgens bezig in de buurt van de koppeling tussen auto en boot. NN is bezig aan de zijkant. Hij lijkt stickers van de zijkant aan het verwijderen te zijn. NN trekt ook aan de andere kant iets van de boot af. De drie heren lopen voorts om de boot heen, trekken wat aan het dekzeil en doen ook nog wat aan de voorkant ervan. [medeverdachte 2] maakt de zijkant nog schoon. Even later, als [medeverdachte 2] en NN vertrokken zijn probeert verdachte de boot naast zijn woonwagen te duwen. Met behulp van zijn vriendin lukt hem dat uiteindelijk. Op 6 september 2011 wordt de boot opgehaald: verdachte en [medeverdachte 2] voeren die af van het kampje, waarbij de BMW van [medeverdachte 2] het trekkende voertuig is. Op 12 september 2011 worden boot en trailer in gezelschap van verdachte en [medeverdachte 2] aangetroffen in de loods waarin ook de hennepkwekerij van feit 5 (zie hierna) aanwezig blijkt. De gestolen en toen aangetroffen boot had het registratienummer [0001] . Die cijfer-/lettercombinatie bleek op de zijkant van de boot weggeschuurd te zijn.

Het hof overweegt dat dat het tijdstip van de diefstal niet exact vast staat. Het tijdsverloop tussen het moment van de diefstal en het moment waarop verdachte (met [medeverdachte 2] en NN) het kamp komt oprijden met de gestolen boot en trailer kan daardoor te groot zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte medepleger is van de diefstal. De twijfel wordt versterkt door het gegeven dat trailer en boot op 4 september 2011 eerst nog achter een ander voertuig zijn waargenomen. Verdachte zal derhalve vrijgesproken worden van de primair ten laste gelegde diefstal.

Geen twijfel bestaat echter over de vraag of verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan de subsidiair tenlastegelegde heling. Verdachte komt op de dag van de diefstal en dus hoe dan ook vrij kort na die diefstal samen met anderen met de gestolen trailer en boot het kamp oprijden. Hij is vervolgens samen met die anderen druk in de weer met die boot, daaronder begrepen het weghalen van het registratienummer van de zijkant ervan. Boot en trailer worden door verdachte hoogst persoonlijk (met duwhulp van zijn vriendin) gestald naast zijn eigen woonwagen. Trailer en boot blijken daarna door verdachte en [medeverdachte 2] verplaatst te zijn naar de loods in Steenwijk. Verdachte en [medeverdachte 2] worden op 12 september 2011 aangehouden in die loods. Deze gang van zaken laat geen andere conclusie toe dan dat verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen van boot en trailer op 4 september 2011 wist dat het om een gestolen boot en trailer ging. Dat zou anders kunnen liggen indien verdachte een verklaring zou hebben gegeven voor zijn bemoeienis met boot en trailer die de redengevendheid van de bewijsmiddelen voor de daaruit getrokken conclusie in twijfel zou dienen te trekken. Verdachte heeft echter geen enkele verklaring gegeven.

Verdachte heeft nog wel aangevoerd dat hij niet degene is die op de camerabeelden is te zien. Dat verweer wordt verworpen omdat het hof ook hier vaart op het kompas van de waarnemingen van verbalisant [verbalisant 6] (…)”

Feit 5

“Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn aangehouden in het pand te Steenwijk alwaar een hennepkwekerij is aangetroffen. [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij deze hennepkwekerij is begonnen uit geldgebrek. Het medeplegen van dit feit door verdachte is echter ook bewezen. Twee getuigen hebben verklaard dat zij eerder meermalen twee personen bij de loods hebben gezien, dat één persoon zei dat hij in Genemuiden een garagebox had gehuurd en de andere persoon zei uit Zwolle te komen. Gebleken is dat [medeverdachte 2] uit Genemuiden komt en verdachte uit Zwolle. Daarnaast is aan de sleutelbos van verdachte een sleutel aangetroffen die toegang gaf tot de hennepkwekerij. Verdachte heeft over het bezit van deze sleutel ongeloofwaardig verklaard, namelijk dat [medeverdachte 2] diens sleutel in de broekzak van verdachte had gestopt. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat de sleutel niet los in de broekzak, maar aan de sleutelbos van verdachte zat. Verdachte heeft zelf nog wel erkend spullen naar de loods te hebben gebracht. Uit dit alles is af te leiden dat verdachte en [medeverdachte 2] regelmatig bij de kwekerij kwamen, dat verdachte over een sleutel daarvan beschikte, dat verdachte goederen ten behoeve van die kwekerij naar binnen heeft gebracht en dat verdachte op de plaats delict is aangehouden. Daaruit kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] bij het telen van hennep. Wat verdachte, ten verwere, heeft aangevoerd is ongeloofwaardig (sleutel) en voor het overige heeft hij niets aangevoerd dat de redengevendheid van deze conclusie zou kunnen aantasten.”

Feiten 6 en 7

“Uit de aangifte van de elektriciteitsleverancier blijkt dat de meterkast was geopend en dat sprake was van een vóór de meter aangelegde aftakking naar de kwekerij toe. De stroom ten behoeve van de kwekerij in Steenwijk werd aldus buiten de meter om afgenomen. De door deze wijze van stroomafname ontstane situatie wordt door de aangever aangemerkt als brandgevaarlijk en (dus) onveilig. Verdachte heeft, zoals hiervoor gemotiveerd, samen met [medeverdachte 2] de hennepkwekerij opgezet en draaiende gehouden tot het moment van ontmanteling daarvan. Deze feiten in onderling verband bezien laten redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte samen met [medeverdachte 2] de afname van stroom buiten de meter om heeft bewerkstelligd. Er zijn geen aanwijzingen dat anderen buiten medeweten van verdachte en zijn medeverdachte om wijzigingen hebben aangebracht in de meterkast. Verdachte heeft bovendien geen de redengevendheid van de getrokken conclusie ontzenuwende verklaring gegeven voor de stroomafname buiten de meter om. Gelet hierop acht het hof, medeplegen van het ten laste gelegde onder 6 en 7 bewezen.”

8. Het eerste middel behelst met betrekking tot feit 4 de klacht dat de overweging van het hof, dat de door het hof vastgestelde gang van zaken geen andere conclusie toelaat dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van boot en trailer wist dat het om een gestolen boot en trailer ging, niet toereikend is gemotiveerd.

9. Dat zie ik anders. Uit ’s hofs bewijsvoering met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde laat zich zonder meer de bestreden conclusie van het hof afleiden. Ik zal niet de gehele overweging van het hof herhalen (bij de hierna te bespreken middelen overigens ook niet), maar wel wil ik op een paar sterke bewijselementen wijzen: na de diefstal van de trailer en de boot op 4 september 2011 worden deze goederen (vrijwel) linea recta naar de verdachte gereden, alwaar de boot door de verdachte en de medeverdachten kennelijk nauwkeurig wordt bekeken en bewerkt om vervolgens door de verdachte, met hulp van zijn vriendin, naast diens woonwagen te worden geduwd. Mede in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd die de redengevendheid voor de conclusie van het hof zou kunnen weerleggen, is de bewezenverklaring van feit 4 naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. Daaraan kan niet afdoen dat het hof – in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk1 – de handeling van NN aan de zijkant van de boot, volgens de verbalisant lijkend op het verwijderen van stickers van het registratiekenteken, heeft uitgelegd als het weghalen van het registratienummer.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 tekortschiet en niet voldoet aan de motiveringseisen die de Hoge Raad aan de kwalificatie medeplegen stelt, nu het hof niets heeft vastgesteld omtrent de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte, de rol van de verdachte in bijvoorbeeld de planvorming (de intellectuele bijdrage) et cetera.

12. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de onderhavige zaak wellicht niet het allersterkste voorbeeld van medeplegen is. Toch meen ik met een beroep op onder meer HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 dat het hof medeplegen kon aannemen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zodanig bij de hennepkwekerij betrokken was dat zijn rol verder ging dan die van medeplichtige. De getuige [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij de loods waarin de hennepkwekerij is aangetroffen aan twee jongens verhuurde. Ook volgens zijn eigen verklaring, is een van die jongens de verdachte. Voorts bleek de verdachte te beschikken over een eigen sleutel die toegang gaf tot de hennepplantage. Daar is de verdachte regelmatig gezien en ook aangehouden. Ook kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte van meet af aan bij de hennepkwekerij betrokken is geweest omdat hij voor de kweek benodigde spullen heeft vervoerd. Dit alles bijeen genomen, maakt dat ten aanzien van de verdachte van medeplegen gesproken kan worden; zijn materiele bijdrage aan het delict is daarvoor van voldoende gewicht. Dat betekent dat het oordeel van het hof dat uit het voorgaande geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] bij het telen van hennep, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof in de bewijsoverweging niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat hetgeen de verdachte ten verwere heeft aangevoerd over de sleutel ongeloofwaardig is en dat de verdachte voor het overige niets heeft aangevoerd dat de redengevendheid van die conclusie zou kunnen aantasten.

13. Het middel faalt.

14. Het derde middel richt de pijlen op ’s hofs bewezenverklaring van de feiten 6 en 7.

15. Ik meen vooreerst dat dit middel geen bespreking behoeft, nu in de toelichting daarop wordt opgemerkt: “Als Uw Raad feit 5 zou casseren zoals onder middel 2 voorgesteld, dan brengt een en ander met zich mee dat de bewezenverklaring van de feiten 6 en 7 evenmin in stand kan blijven”. Welnu, het tweede middel faalt mijns inziens.

16. Overigens kan, zoals gezegd, uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden worden afgeleid dat de verdachte van meet af aan betrokken is geweest bij de hennepkwekerij. Het is een feit van algemene bekendheid dat daarvan het “knoeien met de meterkast” een niet onbelangrijke handeling vooraf is; er moet immers op illegale wijze elektriciteit kunnen worden afgetapt. Kennelijk waren de handelingen aan de elektrische handelingen aan de elektrische installatie amateuristisch verricht en meteen voor het blote oog zichtbaar (de huis-aansluitkast was geopend; bewijsmiddel 11). Voorts heeft het hof vastgesteld (in cassatie niet bestreden) dat er geen aanwijzingen zijn dat anderen buiten medeweten van de verdachte en zijn medeverdachte om wijzigingen hebben aangebracht in de meterkast en dat de verdachte geen de redengevendheid van de getrokken conclusie ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor de stroomafname buiten de meter om. Op grond van het voorgaande is het oordeel van het hof dat medeplegen van het onder 6 en 7 tenlastegelegde bewezen geacht kan worden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

17. Voor zover in de toelichting op het middel nog de klacht besloten ligt dat in het verband van feit 7 opzet bij de verdachte ontbrak, wijs ik erop dat blijkens de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden de wil van de verdachte erop was gericht om de meterkast en de stroomafname zodanig te manipuleren dat stroom illegaal buiten de meter om kon worden afgetapt.

18. Het vierde middel klaagt over hetgeen onder 13 is bewezenverklaard.

19. Ten laste van de verdachte is onder 13primair bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 19 oktober 2011 tot en met 28 oktober 2011 te Zwolle een Volkswagen Polo, Fun 55 Kw, kenteken [EE-00-EE] , toebehorende aan [betrokkene 1] te Dalfsen, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het hiervoor vermelde goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

20. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“21. Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (dossierpagina 2510 e.v.), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring/bevindingen van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte ter zake diefstal door middel van insluiping uit mijn woning, welk feit werd gepleegd op 19 oktober 2011 te op het [f-straat 1] , Dalfsen. De autosleutel is weggenomen, alsmede de auto, zwarte Volkswagen Polo, type Fun 55 Kw, voorzien van kenteken [EE-00-EE] . Deze auto heb ik teruggevonden in Zwolle. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

22. De verklaring afgelegd door verdachte ter zitting van het hof op 24 augustus 2015, zakelijk weergegeven inhoudende:

Het klopt dat ik geregeld heb dat de eigenaar van de Polo zijn gestolen auto met daarin de spullen tegen betaling terug kreeg. Ik hoorde van de diefstal en ik heb dat doorgegeven aan iemand die daar belangstelling voor had. Ik wist wie de spullen had. Ik wist dat het om gestolen spullen ging.”

21. Voorts heeft het hof ten aanzien van deze bewezenverklaring het volgende overwogen:

“Het hof acht dit feit bewezen gelet op de verklaring van verdachte dat hij er voor heeft gezorgd dat de gestolen auto tegen betaling van een geldbedrag is teruggegaan naar de eigenaar. Verdachte wist derhalve dat deze auto gestolen was en hij had de beschikkingsmacht over deze auto, hetgeen gekwalificeerd kan worden als zijnde het voorhanden hebben van een gestolen goed, derhalve heling.”

22. Uit ’s hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte een gestolen auto voorhanden heeft gehad, dat hij wist dat de auto gestolen was en dat hij in een al dan niet bemiddelende rol met de eigenaar heeft onderhandeld over teruggave aan de eigenaar van die auto. Voor het “voorhanden hebben” – een van de delictsbestanddelen van art. 416 Sr (opzetheling) – is niet nodig dat men te allen tijde onverwijld over het goed kan beschikken. Het omvat ook het kunnen beschikken van iets dat elders is opgeslagen.2

23. Voor zover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat de bewezenverklaring voorts vermeldt dat de verdachte “tezamen en in vereniging met een ander” de Polo voorhanden heeft gehad en daaraan een klacht is verbonden, is sprake van een verkeerde lezing van de bewezenverklaring.

24. Het vierde middel faalt.

25. Het vijfde middel is een voorwaardelijk voorgesteld middel en heeft betrekking op de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 2.000,00 aan de benadeelde partij [betrokkene 1] . In de toelichting op het middel valt te dien aanzien te lezen:

“Rekwirant merkt op dat hij dit vijfde middel voorstelt onder de voorwaarde dat uw Raad 's Hofs bewijsbeslissing omtrent de heling van de VW Polo (feit 13, zie hiervoor middel 4) casseert”.

26. Omdat de voorwaarde mijns inziens niet wordt vervuld (ik verwijs naar mijn bespreking van het vierde middel), meen ik dat het vijfde middel geen bespreking behoeft.

27. Het zesde middel klaagt dat het hof de aan de benadeelde partij toegewezen civiele vordering van € 3.118,16 heeft vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, nu de stukken van het geding niet inhouden dat de benadeelde partij (ook) deze wettelijke rente heeft gevorderd.

28. Het dictum in het arrest van het hof luidt, voor zover hier van belang:

“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 2] ter zake van het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.118,16 (drieduizend honderdachttien euro en zestien cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 2] , ter zake van het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.118,16 (drieduizend honderdachttien euro en zestien cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.”

29. Ook het zesde middel kan niet tot cassatie leiden. De steller van het middel verwijst in een voetnoot weliswaar naar twee arresten waarin de Hoge Raad de toen bestreden uitspraak vernietigde voor zover beslist was dat wettelijke rente vergoed moest worden over het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij, maar beide arresten zijn gewezen vóór het arrest van HR 28 juni 2016, ECLI:NL:2016:1341 dat onder meer het volgende inhoudt:

“De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.”

In zijn aan dit arrest voorafgaande conclusie heeft mijn ambtgenoot Harteveld uiteengezet dat en waarom de verdachte daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft: vernietiging laat de verplichting voor de verdachte de wettelijke rente te betalen over het bedrag van de aan hem opgelegde verplichting tot betaling aan de staat in stand. Welnu, dat heeft ook te gelden voor de onderhavige zaak.

30. Het zesde middel faalt.

31. Het eerste, het tweede middel, het vierde middel en het zesde middel falen en kunnen alle worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde en het vijfde middel behoeven geen bespreking.

32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Nu immers uit bewijsmiddel 3 volgt dat het registratieteken op de zijkant van de boot grotendeels bleek te zijn weggeschuurd.

2 Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 416 Sr (bewerkt door prof.mr. J.W. Fokkens; bij t/m 1 juli 2000). Zie ook Tekst & Commentaar Strafrecht, elfde druk 2016, aant. 7b bij art. 416 Sr (bewerkt door V. Mul).