Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1389

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
16/04831
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3218, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, art. 552a Sv. Bromfiets teruggegeven aan een derde. CAG over o.m. de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie en de vraag of een derde bij de behandeling van het klaagschrift mondeling mag vragen een inbeslaggenomen goed terug te geven zonder zelf een klaagschrift in te dienen. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04831 B

Zitting: 21 november 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. Bij beschikking van 21 juni 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, het door de klager op de voet van art. 552a Sv gedane beklag ongegrond verklaard en de teruggave van de desbetreffende bromfiets gelast aan de belanghebbende [betrokkene 1].

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3 De ontvankelijkheid van de klager in het beroep

3.1.

Uit ingewonnen inlichtingen kan worden afgeleid dat de onderhavige bromfiets inmiddels is teruggegeven aan de belanghebbende [betrokkene 1]. Aan de ontvankelijkheid van de klager in het cassatieberoep kan deze premature teruggave, die een miskenning vormt van het bepaalde in art. 116 lid 3 Sv, niet in de weg staan. Zie o.m. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1656.

3.2.

De klager is bij onherroepelijk vonnis van 4 juli 2016 door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van de diefstal van de bromfiets waarop het beklag betrekking heeft. Uit de aantekening mondeling vonnis, die zich bij de gedingstukken bevindt, blijkt dat de rechtbank geen beslissing heeft gegeven met betrekking tot de onderhavige bromfiets. Een reden om de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep levert dit vonnis dus niet op.

4 Het middel

4.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de klager voorshands niet als rechthebbende kan worden aangemerkt, onbegrijpelijk is. Tevens klaagt het middel over de last tot teruggave van de bromfiets aan [betrokkene 1].

4.2.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat het belang van de strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Tegen dat oordeel keert het middel zich niet. De rechtbank heeft voorts het volgende overwogen:

“De rechtbank is echter van oordeel dat hetgeen in beslag is genomen dient te worden teruggegeven aan een ander, die daar op het eerste gezicht een sterker recht op heeft dan klager. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende:

[betrokkene 1] heeft op maandag 29 februari 2016 aangifte gedaan van diefstal van zijn bromfiets Piaggio C38 met kenteken [AA-00-BB] in Nieuwegein tussen vrijdag 26 februari 2016 te 21.30 en zaterdag 27 februari 2016 te 03.30 uur. In de buddyseat van zijn bromfiets zaten de kentekenbewijzen deel 1 en deel 2. De bromfiets was WA-verzekerd. Volgens de RDW is de bromfiets op 27 februari 2016 om 11.27 uur op naam gesteld van klager.

Klager heeft tegenover de politie verklaard dat hij op vrijdag 26 februari 2016 vrij is gekomen uit Breda. Die avond had hij in Nieuwegein pech met zijn eigen brommer en liep hij daarmee. Er kwam een jongen aan met een brommer die hem een duwtje heeft gegeven. Hierna heeft klager hem gevraagd of deze zijn bromfiets niet aan hem wilde verkopen, waarna de koop werd gesloten voor € 950,- euro. De volgende dag heeft klager de jongen € 950,- contant gegeven en heeft hij de bromfiets geleverd gekregen. Klager heeft geen identiteitsgegevens van de verkoper.

Gelet op voornoemde omstandigheden kan klager voorshands niet als rechthebbende van de bromfiets worden aangemerkt, aangezien [betrokkene 1] als oorspronkelijk eigenaar conform het bepaalde in artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek deze gedurende drie jaar vanaf de dag van de diefstal als zijn eigendom kan opeisen, nu klager de bromfiets niet heeft gekocht bij een erkend bedrijf/handelaar in bromfietsen.

De rechtbank zal daarom de teruggave van de bromfiets gelasten aan belanghebbende [betrokkene 1].”

4.3.

De hoofdregel is dat het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene moet worden teruggegeven als het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert. Op die regel moet echter een uitzondering worden gemaakt in het geval een derde redelijkerwijs als de rechthebbende moet worden aangemerkt.1 In de overwegingen van de rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat [betrokkene 1] redelijkerwijs als de rechthebbende op de bromfiets moet worden aangemerkt.

4.4.

In de toelichting op het middel wordt tegen dit oordeel enkel ingebracht dat uit “hetgeen namens de klager in de klaagschriftenprocedure is gesteld, volgt dat twijfel bestaat over de aangifte van [betrokkene 1] en dat het oordeel van de rechtbank “gelet op de bestaande twijfel” onbegrijpelijk is. Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt dat de raadsman van de klager aldaar heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] weliswaar aangifte heeft gedaan van diefstal, maar twijfel heeft gezaaid door tegenstrijdig te verklaren over de sleutels, waaraan de raadsman toevoegde: “Dan deel ik de twijfel van de politie”. Met enige goede wil kan de klacht aldus worden begrepen dat is aangevoerd dat [betrokkene 1] mogelijk een valse aangifte heeft gedaan en dat de rechtbank daaraan niet stilzwijgend voorbij had mogen gaan.

4.5.

Bij de behandeling in raadkamer heeft [betrokkene 1] het volgende verklaard:

“De agent die mij hielp met de afhandeling van de zaak was niet gedegene die mijn aangifte had opgenomen. De eerste twee verklaringen bij de politie kloppen, de derde verklaring klopt niet. Die verbalisanten hebben mij beschuldigd en geen vragen gesteld. Ik heb meteen geprobeerd mij daarvan te distantiëren. Ik ben enorm in spanning geweest, het zal aan mezelf liggen dat het verwarrend is. Ik weet 100% zeker dat het mijn scooter is en dat deze is gestolen. De sleutel die past op het slot is dezelfde als die verdachte heeft. Sleutels zijn niet identiek maar het komt voor dat ze op elkaar lijken en het kan een loper zijn. Mijn sleutel past maar op één slot, en die van hem op twee. Ik ben heel dom geweest dat ik de papieren erin heb laten zitten. De sleutel heeft niet in het contact gezeten. Het kwam als een schok binnen dat de sleutel van de verdachte identiek is aan de sleutel van mij. Dat is absoluut niet mogelijk.”

Gelet op deze verklaring en in aanmerking genomen dat de raadsman niet heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] door de politie is aangemerkt als verdachte van het doen van een valse aangifte, acht ik het kennelijke oordeel van de rechtbank dat er onvoldoende reden is om aan de juistheid van de gedane aangifte te twijfelen, niet onbegrijpelijk. Dit feitelijke oordeel leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie. Ik merk nog op dat, anders dan de steller van het middel lijkt te menen, het feit dat de klager nadat de bestreden beschikking is uitgesproken, is vrijgesproken van de hem tenlastegelegde diefstal, dit niet anders maakt. Nog afgezien van de vraag of op deze feitelijke omstandigheid in cassatie een beroep kan worden gedaan, geldt dat de bedoelde vrijspraak geenszins wil zeggen dat de brommer niet gestolen was. Uit het feit dat de klager wegens diefstal werd vervolgd, wijst er veeleer op dat het openbaar ministerie uiteindelijk geen reden zag om aan de aangifte te twijfelen.

4.6.

Het middel faalt in zoverre. Voor zover het middel erover klaagt dat de rechtbank ten onrechte de teruggave van de bromfiets aan [betrokkene 1] heeft gelast, is het gegrond. Nu [betrokkene 1] niet zelf een klaagschrift heeft ingediend, maar enkel bij de behandeling in raadkamer mondeling heeft verzocht om de bromfiets aan hem terug te geven, had de rechtbank de bedoelde last niet mogen geven.2 Tot cassatie kan de klacht evenwel niet leiden, nu de klager daarbij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft.3

4.7.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie o.m. HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9074 en HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0482.

2 Zie o.m. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0482.

3 Zie HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:170.