Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1385

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/03614
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3214, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen gekwalificeerde diefstal. Strafmotivering. Middelen over motivering “aanstonds” uitspraak doen, uos t.a.v. art. 22b Sr (taakstrafverbod) en begrijpelijkheid strafmotivering. HR: art. 81.1 RO. CAG maakt ambtshalve opmerkingen over de eisen die gelden voor een schriftelijk eindarrest als Hof ex art. 345.1 Sv “aanstonds” na afloop van het onderzoek uitspraak doet en gaat daarbij in op de vraag of in het schriftelijke arrest voor de motivering van de opgelegde straf mag worden volstaan met een verwijzing naar de mondeling gegeven motivering als opgenomen in het p-v van de tz. waarop de uitspraak is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03614

Zitting: 7 november 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 juli 2016 de verdachte ter zake van primair. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3 Ambtshalve opmerkingen vooraf

3.1.

Ik vind in het derde middel aanleiding om enkele opmerkingen te maken over de eisen die gelden als de rechtbank of het hof op de voet van art. 345 lid 1 Sv ‘aanstonds’ uitspraak doet. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of – zoals in de onderhavige zaak is geschied – in het schriftelijke eindvonnis of arrest voor de motivering van de uitspraak mag worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting waarop die uitspraak is gedaan.

3.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2016 houdt - voor zover van belang - het volgende in:

“Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

Na een korte schorsing voor beraad wordt het onderzoek hervat.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.

De voorzitter deelt - zakelijk weergegeven - mede:

Het hof acht kort gezegd wettig en overtuigend bewezen dat u op 15 september 2015 in Weesp aan de [a-straat] tezamen en in vereniging met een ander een inbraak heeft gepleegd. Het hof zal u derhalve ten aanzien van het primair ten laste gelegde veroordelen. U heeft zelf verklaard dat u met een ander was en u heeft ook gesproken in de zogenaamde wij-vorm’. Het hof is van oordeel dat het ook een voltooide inbraak is geweest. U had spullen in uw hand, er lagen al spullen in de auto en er stonden buiten tassen met spullen klaar om mee te nemen. Hierdoor is er sprake van een voltooide diefstal van parfumartikelen die [betrokkene 1] toebehoorden.

Het gaat om een strafbaar feit en u bent een strafbare dader.

Deze inbraak is een ernstig feit. Het werd in de nacht gepleegd. Er is schade veroorzaakt. U moet met uw handen van de spullen van een ander afblijven. U heeft anderen veel overlast bezorgd en op het moment dat u overlopen werd heeft u zich ook nog tegen de aanhouding verzet en gevochten met de politie. Daarbij komt dat u ook nog eens in een proeftijd liep, zoals ook blijkt uit uw justitiële documentatie. Dat werkt niet in uw voordeel. Tevens is artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Het hof acht de eis van de advocaat-generaal passend en geboden en het hof zal u overeenkomstig veroordelen.”

3.3.

In het verkorte arrest van 11 juli 2016 heeft het hof de opgelegde gevangenisstraf van tien weken onder de kop ‘Oplegging van straf en/of maatregel’ als volgt gemotiveerd:

“Op het moment dat het hof onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak heeft gedaan is de strafoplegging mondeling gemotiveerd. Die motivering is opgenomen in het proces-verbaal van die zitting en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Die aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.”

3.4.

Art. 345 Sv, dat ook in hoger beroep van toepassing is, luidt voor zover hier van belang:

“1. Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal plaats vinden.

(…)

3. In geen geval mag de uitspraak later plaats vinden dan op den veertienden dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis.”

Art. 365 lid 1 Sv, dat eveneens ook in hoger beroep van toepassing is, luidt:

“Het vonnis wordt binnen tweemaal vier en twintig uren na de uitspraak ondertekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en door den griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest.”

3.5.

De mogelijkheid die art. 345 lid 1 Sv biedt om ‘aanstonds’ uitspraak te doen, wordt in de praktijk wel benut in gevallen waarin de verdachte wordt vrijgesproken, in het bijzonder als die verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt. De wet maakt echter geen onderscheid, zodat ook andere einduitspraken ‘aanstonds’ kunnen worden gedaan. Een reden om een veroordelend vonnis aanstonds uit te spreken, zou kunnen zijn om een aansluitende tenuitvoerlegging met andere veroordelingen mogelijk te maken. Een andere denkbare reden is ‘pedagogisch’ van aard: de rechtbank kan het van belang achten dat de verdacht, die mogelijk niet zal terugkomen voor de uitspraak, de motivering van in het bijzonder de straf aanhoort.

3.6.

Het ‘aanstonds’ uitspraak doen waarin art. 345 lid 1 Sv voorziet, moet worden onderscheiden van het mondeling uitspreken van het vonnis of arrest door de alleensprekende rechter (ik noem de politierechter of de kantonrechter in eerste aanleg en de enkelvoudige kamer van het hof in hoger beroep). De hoofdregel die uit de Vierde Afdeling van Titel VI van Boek III kan worden afgeleid, is dat schriftelijk vonnis wordt gewezen. De mogelijkheid om in bij de wet bepaalde gevallen mondeling uitspraak te doen, vormt een uitzondering op die regel. Als mondeling uitspraak wordt gedaan, blijft een schriftelijk vonnis achterwege. De uitspraak wordt aangetekend in een stuk dat aan het dubbel van de dagvaarding wordt gehecht (zgn. stempelvonnis) of aangetekend in het proces-verbaal van de zitting. In theorie kan misschien worden volgehouden dat (voor zover de wet niet anders bepaalt1) het vonnis zoals dat mondeling wordt uitgesproken, moet voldoen aan alle eisen die de artt. 357 Sv e.v. aan een schriftelijk vonnis stellen2, maar de praktijk is toch een andere.3 Het komt zelden of nooit voor dat de bewijsmotivering die is vervat in de aantekening van het mondelinge vonnis in het proces-verbaal van de zitting, op die wijze door de politierechter is uitgesproken. Ik denk dat het ook moeilijk anders kan en dat het dus een overspanning van de rechtseis zou betekenen als werkelijk geëist wordt dat de tekst die de politierechter uitspreekt, beantwoordt aan alle eisen die aan een schriftelijk vonnis worden gesteld.4 Iets anders is dat er geen wezenlijke verschillen mogen zijn tussen de aantekening van het vonnis en het uitgesproken vonnis. Aanvullen mag, veranderen niet.

3.7.

De mogelijkheid die art. 345 lid 1 Sv biedt om aanstonds uitspraak te doen, moet ook worden onderscheiden van de mogelijkheid die art. 283 Sv de rechtbank biedt om zonder onderzoek van de zaak zelf de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechtbank of de niet-ontvankelijkheid van de OvJ uit te spreken. De beraadslaging die aan een dergelijke, op art. 283 Sv gebaseerde einduitspraak voorafgaat, vindt niet plaats na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. Volgens art. 283 lid 4 Sv gaat de rechtbank ingeval van een preliminair verweer, na de procespartijen te hebben gehoord, tot beraadslaging over en doet zij vervolgens uitspraak over het gevoerde verweer. Als het verweer ongegrond wordt bevonden, wordt, zo bepaalt art. 283 lid 5 Sv, het onderzoek onmiddellijk voortgezet. Een sluiting van dat onderzoek heeft dus niet plaatsgevonden, niet voorafgaand aan de beraadslaging en ook niet voorafgaand aan de uitspraak. Dat laatste geldt naar ik aanneem ook als het verweer wel gegrond wordt bevonden en de beraadslaging dus resulteert in een einduitspraak. Dat betekent dat het onderzoek ter terechtzitting gesloten wordt nadat de einduitspraak is gedaan. Dat is een verschil met art. 345 lid 1 Sv.

3.8.

Dit verschil maakt dat de wet niet (expliciet) voorschrijft aan welke eisen een op art. 283 Sv gebaseerde einduitspraak moet voldoen. Van een beraadslaging waarop art. 348 Sv betrekking heeft (dat is een beraadslaging die na de sluiting van het onderzoek op de zitting plaatsvindt), is strikt genomen geen sprake, zodat ook geen sprake is van een geval als bedoeld in art. 349 lid 1 Sv waarop art. 358 lid 1 Sv betrekking heeft. Op grond van de tekst van de wet zou dus verdedigd kunnen worden dat motivering van de einduitspraak niet is voorgeschreven en dat met de vermelding van de beslissing in het proces-verbaal van de terechtzitting kan worden volstaan. De Hoge Raad heeft echter anders beslist. Hij oordeelde “dat einduitspraken in den zin van art. 138 Sv (…) buiten de gevallen waarin de Wet zulks toestaat, niet mondeling kunnen worden gedaan, doch dienen te worden vervat in een vonnis, beantwoordende aan de daaraan in den zesden titel van het tweede boek van genoemd wetboek gestelde vereisten”.5 Ook ingeval van een einduitspraak die op art. 283 Sv is gebaseerd, moet dus een aan de eisen van art. 357 Sv e.v. beantwoordend schriftelijk vonnis worden gewezen. Het bijzondere daarbij is dat dit schriftelijke vonnis wordt uitgesproken voordat het op schrift is gesteld.

3.9.

De vraag is hoe het ‘aanstonds’ uitspreken van het vonnis op grond van art. 345 lid 1 Sv zich verhoudt tot de beraadslagingsvoorschriften van de artt. 348 en 350 Sv en tot het vereiste van een schriftelijk vonnis dat voldoet aan het bepaalde in de artt. 357 Sv e.v. Geldt ook ingeval van een aanstonds uitgesproken vonnis dat de voorafgaande beraadslaging dient plaats te vinden na de sluiting van het onderzoek op de zitting en dat het vonnis op schrift moet zijn gesteld voordat het wordt uitgesproken? Blok en Besier lijken beide vragen bevestigend te beantwoorden. 6 Omdat aan de uitspraak “uit den aard der zaak de beraadslaging vooraf behoort te gaan, “alsmede het opstellen van het vonnis”, moet het begrip ‘aanstonds’ volgens hen niet in al te letterlijke zin worden opgevat. Het zal intussen niet steeds nodig zijn, zo voegen zij daaraan toe, dat de terechtzitting hiervoor wordt geschorst en dat de rechtbank zich in raadkamer terugtrekt. In “zéér eenvoudige zaken” achten zij het mogelijk dat de leden van de rechtbank “ter terechtzitting even overleg plegen en dat het vonnis, dat eerst later in het net geschreven en onderteekend behoeft te worden (art. 365), ter plaatse wordt samengesteld met gebruikmaking van een voorhanden formulier en van de gemaakte aanteekeningen betreffende hetgeen het onderzoek heeft opgeleverd”.

3.10.

Wat de voorafgaande beraadslaging betreft, behoeft naar ik meen niet strikt vast gehouden te worden aan het uitgangspunt dat de beraadslaging eerst na de sluiting van het onderzoek op de zitting plaatsvindt. Ik acht het niet per se onjuist als al op een eerder moment in voorlopige zin is beraadslaagd over de mogelijkheid om, afhankelijk van de resultaten van het onderzoek op de zitting, vervroegd uitspraak te doen. Meer dan een verkennende bespreking zal dat echter niet mogen zijn. De fundamentele eis dat beraadslaagd wordt naar aanleiding van het onderzoek op de zitting brengt mee dat de uiteindelijk besluitvorming moet plaatsvinden nadat dit onderzoek in zijn geheel is afgerond. In de onderhavige zaak heeft het hof nadat de verdachte het laatste woord heeft gehad, het onderzoek op de terechtzitting geschorst en na een korte tijd weer hervat. Daarna werd het onderzoek gesloten en deelde de voorzitter mee dat de uitspraak “volgens de beslissing van het hof” ter terechtzitting van heden zal plaatsvinden, waarna de voorzitter het arrest uitsprak. Het kan ervoor gehouden worden dat de beraadslaging in dit geval plaatsvond vóór de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting. Nu die beraadslaging plaatsvond nadat de verdachte het laatste woord was gelaten, meen ik dat de handelwijze van het hof niet indruist tegen enig fundamenteel beginsel van strafprocesrecht en daarom in elk geval niet een verzuim oplevert dat tot cassatie zou moeten leiden. Ik meen zelfs dat er, nu de door het hof gevolgde werkwijze praktisch gezien het minste gedoe oplevert, geen reden is om die werkwijze in strijd met het recht te oordelen.

3.11.

Ook zie ik, anders dan Blok en Besier, geen reden om te eisen dat de inhoud van het schriftelijke vonnis dat wordt uitgesproken al ten tijde van de uitspraak op papier staat, zodat dat vonnis alleen nog maar in het net behoeft te worden overgeschreven. De eis van een schriftelijk vonnis brengt niet noodzakelijk met zich mee dat dit vonnis vóór de uitspraak op schrift is gesteld, zo leert de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 283 Sv. Het uitgangspunt is weliswaar dat het vonnis wordt uitgeschreven voordat het wordt uitgesproken, maar art. 345 lid 1 Sv legitimeert mijns inziens dat van dit uitgangspunt wordt afgeweken.7 Ik merk daarbij op dat tegenwoordig hogere eisen aan de motivering van een vonnis worden gesteld dan het geval was ten tijde van het verschijnen van de commentaar van Blok en Besier. Dat geldt ook voor de motivering van een vrijspraak. Tegenwoordig wordt meer dan vroeger onderkend dat het openbaar ministerie, het slachtoffer en de samenleving aanspraak hebben op uitleg, met als gevolg dat in veel gevallen niet meer wordt volstaan met de standaardoverweging dat de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs niet geleverd acht. Het zou jammer zijn als deze ontwikkeling het in feite onmogelijk maakt om aanstonds uitspraak te doen, zeker in gevallen waarin de verdachte voorlopig gehecht is. Ik merk ook op dat het uitspreken van het vonnis niet impliceert dat het gehele vonnis wordt voorgelezen. Doorgaans wordt met het dictum volstaan. Ook zo gezien is het dus niet nodig dat het hele vonnis op papier staat voordat het wordt uitgesproken. Ik merk ten slotte op dat de professionaliteit van de rechter een voldoende waarborg vormt dat hetgeen de voorzitter aan beslissing en motivering uitspreekt, gedragen wordt door de beraadslaging die daar direct aan is voorafgegaan. De eis van art. 365 lid 1 Sv dat het schriftelijke vonnis binnen twee maal vierentwintig uur moet worden ondertekend, een eis die ook geldt als aanstonds uitspraak is gedaan, vormt daarbij een extra waarborg dat het op schrift gestelde vonnis inhoudelijk niet afwijkt van hetgeen is uitgesproken.

3.12.

Het schriftelijke vonnis dat moet worden opgemaakt nadat aanstonds uitspraak is gedaan, moet voldoen aan de eisen die de wet aan een (al dan niet verkort) vonnis stelt. Dat betekent onder meer dat een dergelijk vonnis de strafmotivering moet bevatten. Het is op dit punt dat het verkorte arrest in de onderhavige zaak tekortschiet. In het arrest wordt verwezen naar een passage in het proces-verbaal van de terechtzitting die als ingelast en herhaald zou moeten worden beschouwd. Een wettelijke grondslag voor die werkwijze ontbreekt. Het is het hof toegestaan om gedeelten van het vernietigde vonnis dat in eerste aanleg is gewezen, in zijn arrest over te nemen (art. 423 lid 3 Sv). Het is de alleensprekende rechter (de politierechter, de kantonrechter en de unus in hoger beroep) onder meer toegestaan om bij de aantekening van het mondelinge vonnis in het proces-verbaal van de zitting wat de inhoud van de bewijsmiddelen betreft te verwijzen naar het proces-verbaal van de zitting en naar andere processtukken.8 Deze uitzonderlijke voorzieningen zijn hier niet van toepassing. Voor het hof gold derhalve de normale regel dat de vereiste motivering in het arrest zelf moet worden opgenomen. Die regel voorkomt dat de redenen die de straf hebben bepaald alleen gekend kunnen worden door raadpleging van verschillende processtukken die in onderling verband moeten worden beschouwd en geïnterpreteerd. De motivering moet geen zoekplaatje worden.

3.13.

De voorgestelde middelen klagen niet over het hier gesignaleerde motiveringsgebrek. Dat gebrek levert naar mijn mening ook geen reden op om ambtshalve te casseren. Wel zou ik mij kunnen voorstellen dat de Hoge Raad de onderhavige zaak aangrijpt om te verduidelijken wat in casu rechtens is.

4 Het derde middel

4.1.

Het derde middel klaagt erover dat het hof aanstonds uitspraak heeft gedaan zonder te motiveren waarom het daartoe is overgegaan. Het hof diende zijn handelwijze te motiveren, nu het direct doen van uitspraak tegen de gebruikelijke gang van zaken indruist, aldus de steller van het middel.

4.2.

Art. 345 Sv schrijft niet voor dat de “bepaling” van het moment van de uitspraak door de rechtbank met redenen moet zijn omkleed. Het middel stelt dan ook een eis die het recht niet kent. Ik merk daarbij nog op dat uit het proces-verbaal van de zitting niet blijkt dat de raadsvrouw heeft geïnformeerd naar de reden van de ongebruikelijke, maar door de wet toegelaten gang van zaken, laat staan dat zij daartegen heeft geprotesteerd.

4.3.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5 Het eerste middel

5.1.

Het eerste middel klaagt dat het hof niet, dan wel onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat art. 22b Sr niet van toepassing is aangezien de verdachte een eerder opgelegde taakstraf niet heeft uitgevoerd, althans dat het oordeel van het hof dat voornoemd artikel van toepassing is, zodat aan de verdachte geen taakstraf kan worden opgelegd, ontoereikend is gemotiveerd.

5.2.

Art. 22b Sr luidt, voor zover hier van belang:

“2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.”

5.3.

Het in het middel bedoelde verweer, te weten dat geen sprake is van een art. 22b Sr situatie, nu de verdachte de eerder opgelegde taakstraf niet heeft uitgevoerd, heb ik niet kunnen terugvinden in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 juli 2016 en evenmin in de door de raadsvrouw ter zitting overgelegde pleitnota. De raadsvrouw heeft ten aanzien van art. 22b Sr geen verweer gevoerd. De verdachte zelf heeft dienaangaande slechts het volgende verklaard: “U houdt mij nogmaals mijn strafblad voor en zegt dat er nog nieuwe zaken open staan. Met die toen opgelegde taakstraf ben ik het niet eens, die is omgezet in gevangenisstraf.” Deze opmerking van de verdachte had het hof niet hoeven te verstaan als een verweer inhoudende dat art. 22b Sr niet van toepassing is. Als als van de juistheid van hetgeen door de verdachte is verklaard wordt uitgegaan, volgt daaruit juist dat het taakstrafverbod gelet op het bepaalde onder 2° van het tweede lid van art. 22b Sr (de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen) van toepassing is.

5.4.

Het hof heeft in de strafmotivering vastgesteld dat art. 22b Sr van toepassing is. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel Justitiële Documentatie van 10 juni 2016 betreffende de verdachte. Dit uittreksel vermeldt op pag. 4 onder het kopje “volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” - voor zover van belang - dat de verdachte op 30 januari 2014 door de politierechter Utrecht (parketnummer 16-130000-13) onder meer ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen gepleegd op 21 mei 2013 onherroepelijk9 is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is daarbij vermeld ‘Executie:  25 februari 2014 – 30 januari 2015. Voldaan’, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte die taakstraf heeft voldaan. Het hof heeft in zijn strafmotivering gedoeld op deze veroordeling, aangezien het hof in dit verband ook heeft overwogen dat de verdachte nog in een proeftijd liep.10 Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat art. 22b Sr van toepassing is, niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

5.5.

Het middel faalt.

6 Het tweede middel

6.1.

Het tweede middel behelst de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof tot een hogere straf is gekomen dan de politierechter heeft opgelegd, terwijl niet blijkt dat het hof rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die uitdrukkelijk door de verdediging ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

6.2.

Vooropgesteld zij dat de waardering van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan het hof en dat het oordeel daaromtrent geen motivering behoeft. Behoudens bijzondere omstandigheden is het hof voorts niet gehouden om te motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd. Dit is slechts anders wanneer de in hoger beroep opgelegde straf, in het licht van bijvoorbeeld hetgeen ter zitting is aangevoerd, zonder nadere motivering verbazing wekt. Uit de strafmotivering volgt dat het hof wel degelijk rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte11, maar dat andere factoren - in het bijzonder de ernst van het feit (dat in de nacht is gepleegd en schade en overlast veroorzaakte), de omstandigheid dat de verdachte zich tegen de politie heeft verzet en met hen heeft gevochten en het feit dat hij ook nog eens in een proeftijd liep - het hof tot het opleggen van tien weken gevangenisstraf hebben gebracht. Aldus heeft het hof in het bijzonder de redenen opgegeven die tot de strafsoort en de hoogte daarvan hebben geleid, terwijl in hoger beroep door of namens de verdachte geen strafmaatverweer is gevoerd. De straf is toereikend gemotiveerd en wekt geen verbazing.12

6.3.

Het middel faalt.

7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Art. 395 lid 1 Sv bepaalt met betrekking tot het mondelinge vonnis van de kantonrechter dat de artikelen 357 en 359, derde en vijfde lid buiten toepassing blijven.

2 In die zin Blok-Besier, Het Nederlandsche Strafproces, Tweede Deel, p. 254: het “gesproken woord” is het vonnis, niet hetgeen daarvan later op schrift wordt gesteld.

3 Vgl. A. den Hartog in: Melai-Groenhuijsen, aant. 2 op art. 378. Zij verwijst naar het onderzoek van P.A.M. Mevis, Ingekort en weggelaten, Arnhem 1982, p. 89 e.v.

4 Een schriftelijk vonnis behoeft niet in zijn geheel te worden voorgelezen. Doorgaans wordt alleen het zogenaamde dictum uitgesproken. Misschien kan het onderscheid dat aldus wordt gemaakt tussen de inhoud van het vonnis en hetgeen daarvan uitgesproken wordt, ook met betrekking tot het mondelinge vonnis gehanteerd worden. Dan zou gelden dat het vonnis dat de politierechter ten tijde van de uitspraak in ongearticuleerde vorm in zijn hoofd heeft, aan alle wettelijke eisen moet voldoen, maar dat de politierechter zich bij het uitspreken van dat vonnis kan beperken tot de essentialia daarvan.

5 HR 17 mei 1955, NJ 1956/5 m.nt. B.V.A.R. Zie ook HR 16 september 1996, NJ 1997/122 m.nt. ’t H.

6 Blok/Besier II, p. 169-170.

7 In HR 31 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7356 overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de vraag of het hof zich schuldig had gemaakt aan een praktijk die inhield dat in eerste instantie wordt volstaan met een zogenaamd ‘uittreksel-arrest’ dat “beslissend is (..) of ten tijde van de uitspraak een aan de wettelijke eisen beantwoordend al dan niet verkort arrest was opgemaakt”. Daaruit kan wellicht worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat het arrest moet zijn opgemaakt als het wordt uitgesproken, zodat niet voldoende is als er twee maal 24 uur na de uitspraak een opgemaakt en ondertekend arrest beschikbaar is. De mogelijkheid dat de Hoge Raad een uitzondering maakt voor het geval waarin aanstonds uitspraak wordt gedaan, lijkt mij echter niet uitgesloten. Vgl. mijn conclusie vóór HR 6 juli 2010 (ECLI:NL:PHR:2010:BM5251), rov. 8, noot 4.

8 Zie de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep, Stcrt. 1996, 197.

9 Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 14 februari 2014. De proeftijd is ook ingegaan op die datum en is geëindigd op 13 februari 2016.

10 Het onderhavige feit is gepleegd op 19 september 2015 en de proeftijd in de zaak (met parketnummer 16-130000-13) waar de taakstraf was opgelegd liep van 14 februari 2014 - 13 februari 2016.

11 Zie pag. 3 arrest onder de kop ‘Oplegging van straf en/of maatregel’.

12 Ik teken aan dat het hof wel in strijd met art. 359 lid 6 Sv heeft verzuimd in de strafmotivering in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Nu in het middel niet wordt geklaagd dat het motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 6 Sv is geschonden, laat ik het punt hier rusten.