Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1384

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/03590
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3213, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

N-o in h.b. op de grond dat het te laat is ingesteld. Middel m.b.t. verontschuldigbare termijnoverschrijding i.v.m. verwarde toestand van verdachte. HR: art. 81.1 RO. CAG: Uit de door de raadsman overgelegde stukken kan niet z.m. de conclusie getrokken worden dat bij verdachte sprake was van een toestand waarvan de aard en intensiteit zodanig is dat het laten verlopen van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel daaraan kan worden toegeschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03590

Zitting: 21 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 29 juni 2016 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 12 juni 2015, waarbij de verdachte ter zake van ‘als houder van een dier dat dier de nodige verzorging onthouden’ bij verstek is veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3 Het middel

3.1.

Het middel behelst de klacht dat het hof de verdachte ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof heeft verzuimd om naar aanleiding van het dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer te onderzoeken of de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep verontschuldigbaar was vanwege de verwarde toestand van de verdachte.

3.2.

De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden het volgende in:

(i) de dagvaarding van de verdachte voor de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 12 juni 2015 is op 26 mei 2015 aan de verdachte in persoon uitgereikt;

(ii) de verdachte heeft bij diverse brieven, ingekomen ter griffie van de rechtbank Gelderland op resp. 9 en 11 juni 2015, om uitstel van de behandeling van haar strafzaak verzocht1;

(iii) bij vonnis van 12 juni 2015 is de verdachte door de politierechter bij verstek (onder meer) veroordeeld tot een geldboete wegens - kort gezegd - een overtreding van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren;

(iv) de verdachte is door het openbaar ministerie bij schrijven van 1 juli 2015 op de hoogte gesteld van de uitspraak van de politierechter;

(v) blijkens een daartoe opgemaakte ‘Akte instellen hoger beroep’ is op 6 juli 2015 ter griffie van de rechtbank namens de verdachte beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 12 juni 2015;

(vi) ter terechtzitting van 29 juni 2016 is de zaak in hoger beroep op tegenspraak behandeld. De aantekening van het mondelinge arrest van diezelfde datum houdt in dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep omdat dit te laat is ingesteld.

3.3.

Aangezien de inleidende dagvaarding in persoon aan de verdachte was uitgereikt, diende de verdachte ingevolge art. 408 lid 1, onder a, Sv binnen 14 dagen na het vonnis van de politierechter van 12 juni 2015, te weten uiterlijk op 26 juni 2015, hoger beroep tegen dat vonnis in te stellen. Eerst op 6 juli 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat de termijn voor het instellen van hoger beroep is overschreden.

3.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2016 vermeldt dat de verdachte niet is verschenen. De raadsman van de verdachte is wel ter terechtzitting verschenen en heeft aldaar het woord tot verdediging gevoerd. De raadsman heeft het volgende aangevoerd:

“Aan cliënte is per brief van 1 juli 2015 mededeling gedaan van haar veroordeling door de politierechter te Arnhem bij vonnis van 12 juni 2015. Zij heeft ons kantoor vervolgens een brief gestuurd met het verzoek om hoger beroep in te stellen. Zij heeft daarbij kladaantekeningen meegestuurd, waarvan ik u een kopie overleg (Bijlage II). Op zich is het juist dat de appeltermijn veertien dagen na het vonnis verloopt als iemand in persoon is gedagvaard. Cliënte is echter een leek op dat gebied. Bovendien verkeerde zij - blijkens de overgelegde kladaantekeningen en de door haar opgestelde brief - in een verwarde toestand. Mijns inziens is dan ook sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Relevante jurisprudentie van de Hoge Raad houdt in dat het gegeven dat het hoger beroep te laat is ingesteld voor leken niet direct fataal hoeft te zijn als er sprake is van een verschoonbare overschrijding. Ik verzoek dan ook om mijn cliënte te ontvangen in haar hoger beroep nu de wens van cliënte duidelijk is.”

3.5.

Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld. In de aantekening van het mondeling arrest heeft het hof als volgt overwogen en beslist:

“1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is voor de zitting in eerste aanleg in persoon opgeroepen en was derhalve van de zitting op de hoogte. Op grond hiervan kon zij derhalve volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Deze termijn is van openbare orde en wordt doorgaans streng gehanteerd. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Het daaraan in beginsel te verbinden rechtsgevolg, te weten de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door of namens verdachte ingestelde hoger beroep, kan slechts dan daaraan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn. Het hof is van oordeel dat het door de raadsman omtrent verdachte naar voren gebrachte onvoldoende reden oplevert om aan te nemen dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar zou zijn. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

2 Beslissing

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

3.6.

De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.2 Daarbij kan worden gedacht aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. In dat geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde rechtsmiddel indien hij, nadat een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld niet meer van toepassing is, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.3

3.7.

Zoals hiervoor onder 3.4 is weergegeven, heeft de raadsman ter onderbouwing van zijn verweer dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding vanwege de ‘verwarde toestand van de verdachte’ enkel gewezen op een door de verdachte aan hem toegezonden brief met kladaantekeningen en deze overgelegd. Daaraan heeft hij nog toegevoegd dat de verdachte een leek is met betrekking tot de gang van zaken in een hoger beroepsprocedure. Om met dat laatste te beginnen: dat de verdachte een leek is op juridisch gebied kan op zich geen reden zijn om het termijnverzuim verschoonbaar te doen zijn. De meeste verdachten zijn niet juridisch geschoold – ook al hebben sommigen een niet te onderschatten ervaringswijsheid op juridisch gebied opgedaan. Maar het moet er in beginsel voor gehouden worden dat ook leken, door de informatie die op de achterzijde van de dagvaarding is afgedrukt en die – indien de verdachte bij die gelegenheid verschenen is – door de rechter bij de uitspraak wordt verschaft voldoende op de hoogte kán zijn van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend. En mochten er toch vragen op die punten resteren dan moet de verdachte zich door een meer deskundige persoon of instantie laten informeren. Daarvoor moet de verdachte dus zelf in de benen komen.
Dan het punt van de ‘psychische gesteldheid’. Uit de door de raadsman overgelegde stukken kan mijns inziens niet meer blijken dan dat het gaat om een aantal onsamenhangende aantekeningen van de verdachte en een handgeschreven brief die niet goed te volgen is, maar waarvan de strekking duidelijk is in die zin dat de verdachte het niet eens is met haar veroordeling. Daaruit kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat bij de verdachte sprake was van een ’psychische gesteldheid’ zoals hiervoor onder 3.6 bedoeld. Dan zal er sprake moeten zijn van een toestand, waarvan de aard en intensiteit zodanig is dat het laten verlopen van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel daaraan kan worden toegeschreven. Dat stelt dus ook eisen aan de duur van de psychische gesteldheid – dat (enkel) de brief van verwardheid blijk geeft zegt uiteindelijk niet zoveel. Verder geldt dat het termijnverzuim moet kunnen worden toegerekend aan de psychische gesteldheid. De oorzaak van de ‘verwarde toestand’ is dus ook op een ander vlak van belang: zelf-geïnduceerde verwarring kan aan toerekening in de weg staan. Welnu, omtrent dit pakket aan eisen blijkt nauwelijks iets uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd. Daarnaast heb ik in het dossier geen rapportages, verhoren van de verdachte dan wel andere stukken aangetroffen die – al was het maar als begin - het door de raadsman aangevoerde zouden kunnen ondersteunen. Bij deze stand van zaken, waarin sprake is van een weinig indringend betoog van de raadsman met een gebrekkige onderbouwing daarvan, dat het hof niet nader – als het ware ambtshalve - behoefde te onderzoeken of en zo ja gedurende welke periode na de uitspraak van de politierechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel diende te worden ingesteld.4

3.8.

Het voorgaande brengt mee dat het hof niet onbegrijpelijk heeft kunnen oordelen dat niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het hof heeft de verdachte, tegen de achtergrond van hetgeen namens hem in dit verband ter terechtzitting is aangevoerd, toereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

3.9.

Het middel faalt.

4. Het middel kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg.

2 Vgl. o.m. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587.

3 Vgl. o.m. HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9757, NJ 1998/577, HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696 m.nt. JdH en HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5700.

4 Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3378, de conclusie van voormalig AG Jörg (ECLI:NL:PHR:2014:137) vóór HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1741 (HR: art. 81.1 RO), de conclusie van voormalig AG Jörg (ECLI:NL:PHR:2013:2621) vóór HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:1817, de conclusie van AG Hofstee (ECLI:NL:PHR:2013:CA1779) vóór HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1779 (HR: art. 81.1 RO) en de conclusie van voormalig AG Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2007:BA1096) vóór HR 8 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1096 (HR: art. 81 RO). Voorbeelden van gevallen van vernietiging in vergelijkbare zaken zijn: HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2397, HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1345 en HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429.