Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1382

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/02871
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3211, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen door opbrengsten uit seksclub en andere rechtspersonen te verzwijgen voor de belastingdienst, art. 420ter Sr. Middelen m.b.t. de begrijpelijkheid van de strafoplegging i.h.l.v. LOVS-oriëntatiepunten en schatting benadelingsbedrag, de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen, ’s Hofs oordeel over de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring en de samenstelling en compleetheid van het procesdossier. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02871

Zitting: 21 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 18 mei 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het onder 1 bewezenverklaarde “medeplegen van een gewoonte maken van witwassen”, het onder 2 bewezenverklaarde “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”, het onder 3 bewezenverklaarde “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” en het onder 4 bewezenverklaarde “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek.

  2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Hiertoe heeft mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel richt zich tegen de strafoplegging. Het middel valt blijkens de toelichting uiteen in twee deelklachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat de toepassing van de LOVS-oriëntatiepunten door het hof onbegrijpelijk is. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd tot de schatting van het benadelingsbedrag, waarop de hoogte van de straf (mede) is gebaseerd, is gekomen.

3.2.

Het hof heeft de verdachte voor van het onder 1. van deze conclusie weergegeven bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden. Het hof heeft deze strafoplegging als volgt gemotiveerd:

“Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen door de opbrengsten uit zijn seksclub [A] en andere gelieerde rechtspersonen te verzwijgen voor de Belastingdienst. Hij stalde deze opbrengsten buiten het zicht van de Belastingdienst, via anderen op een tweetal Duitse bankrekeningen. Voorts betaalde hij met die opbrengsten verkapt loon, bestaande uit etentjes, kleding, een keuken en sieraden aan zijn mede- exploitant [betrokkene 1] . Verdachte heeft door zo te handelen willens en wetens de Belastingdienst en dus de Staat benadeeld.

Verdachte heeft geldstromen aan het zicht van de belastingdienst willen onttrekken door het opzetten van een woud aan stichtingen, steeds met verschillende bestuurders die niet of nauwelijks wisten waarom ze als zodanig moesten optreden. Steeds was het verdachte die op de achtergrond de touwtjes in handen had. Verdachte heeft geen deugdelijke administratie bijgehouden en weigert ieder inzicht te geven aan de Belastingdienst in de activiteiten en inkomsten van en uit al die stichtingen en andere rechtspersonen. Verdachte, als ondernemer, weet dat ook in het geval geen winst wordt gemaakt, belastingaangifte moet worden gedaan, en dat alle bescheiden die tot het doen van die aangifte geleid hebben gedurende de daarvoor bij de wet voorgeschreven termijn bewaard moeten worden, teneinde de belastingdienst de gelegenheid te bieden een en ander te controleren. Verdachte heeft dat bewust nagelaten. Verdachte heeft het in hem als ondernemer gestelde vertrouwen op grove wijze misbruikt en van dit stelsel op een grove wijze geprofiteerd. Verdachte heeft bovendien geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. En, tenslotte, heeft verdachte zijn geld op naam van een derde ondergebracht bij een buitenlandse bank en op deze wijze aan het zicht van de Belastingdienst onttrokken.

Het hof houdt bij de strafoplegging ook rekening met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 maart 2016, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke feiten in aanraking is geweest met politie en justitie.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen door het hof worden opgelegd. Het hof verwijst in dit kader ook naar de rechterlijke oriëntatiepunten van straftoemeting. Het hof neemt daarbij het fiscale benadelingsbedrag, oftewel het beoogde fiscale nadeel, als uitgangspunt.

Ten aanzien van het benadelingsbedrag overweegt het hof dat gebleken is dat het te belasten inkomen enkel voor het jaar 2002 redelijkerwijs op ruim € 658.832 kan worden geschat. Dit betreft dan nog maar het inkomen over één jaar.

Zelfs indien ervan uit moet worden gegaan dat 50% van de opbrengsten aan [betrokkene 1] zou moeten worden toegerekend dan nog heeft verdachte jaarlijks een belastbaar inkomen genoten van ruim € 300.000,-. Verdachte wordt verweten dat hij over de jaren 2002 tot en met 2006 geen of onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan. Op grond van het bovenstaande oordeelt het hof dat het redelijk is om het benadelingsbedrag op € 900.000 à € 1.000.000,- te schatten. Bij een benadelingsbedrag van een dergelijke omvang geven de oriëntatiepunten als begin uitgangspunt aan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden tot het wettelijk maximum aan gevangenisstraf.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, het doelbewust niet of onjuist doen van aangifte over een reeks van jaren en de hoogte van het benadelingsbedrag, de door de rechtbank opgelegde straf de ernst van de gepleegde feiten miskent. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden geboden.

Daartegenover staat dat bij de strafvervolging van verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, is geschonden. Verdachte is op 20 mei 2008 in verzekering gesteld. Op 8 oktober 2010 heeft er een regiezitting plaatsgevonden, waarbij door de verdediging onderzoekswensen naar voren zijn gebracht. De zaak wordt daarop naar de rechter-commissaris verwezen. Op 3 oktober 2011 vindt opnieuw een regiezitting plaats, waarbij de inhoudelijke behandeling op 14 december 2011 wordt bepaald. Op 14 december 2011 wordt de behandeling van de zaak aangehouden , omdat de raadsvrouw van verdachte ziek is. Uiteindelijk vindt de inhoudelijke behandeling plaats op 11 april 2012 en heeft de rechtbank op 27 april 2012 vonnis gewezen. Vervolgens is er op 10 mei 2012 namens verdachte hoger beroep ingesteld. Op 16 december 2013, 25 november 2015 en 20 april 2016 heeft het hof de zaak ter terechtzitting behandeld. Op 18 mei 2016 doet het hof uitspraak in deze zaak. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.”

3.3.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van de factoren die bij de strafoplegging in aanmerking worden genomen, is voorbehouden aan de feitenrechter. Dit kan in cassatie slechts zeer terughoudend worden getoetst.1 Slechts indien de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie worden ingegrepen.2 Daarnaast moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter niet is gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten. In gevallen waarin hij de oriëntatiepunten toepast en/of uitlegt kan echter in cassatie worden getoetst of die uitleg en toepassing begrijpelijk is. Vanwege de rechterlijke straftoemetingsvrijheid en de aard van de oriëntatiepunten heeft die toetsing een beperkt karakter.3

3.4.

Gezien het in 3.3. vooropgestelde is het door het hof in het kader van de straftoemeting geschatte benadelingsbedrag een factor die in beginsel is voorbehouden aan de feitenrechter. Mede gelet op hetgeen door het hof is bewezenverklaard wekt de vaststelling van de hoogte daarvan geen verbazing. Dat de rechtbank en de advocaat-generaal bij het hof tot een andere inschatting zijn gekomen doet daaraan niet af. Voorts heeft het hof, gelet op zijn overweging dat hij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten en in aanmerking genomen wat het hof heeft bewezenverklaard, kennelijk het oog gehad op de LOVS-oriëntatiepunten aangaande fraude. Deze oriëntatiepunten houden onder meer in:

Toelichting oriëntatiepunt fraude

Het oriëntatiepunt ziet op fraude in algemene zin. Daaronder zijn begrepen fraudedelicten in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, (…). Onder fraudedelicten worden tevens geschaard de in de titels (…) 30a (witwassen) van het Wetboek van Strafrecht opgenomen artikelen, mits deze gedragingen in een frauduleuze context plaatsvinden.

Bij de straftoemeting in fraudezaken dient men zich naast het benadelingsbedrag evenzeer te oriënteren op de hieronder, niet limitatief, opgesomde strafvermeerderende en strafverminderende factoren.

Strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren:

(…)

- de mate waarin de verdachte medewerking heeft verleend aan het onderzoek

- de mate waarin door de gedraging het vertrouwen in de markt is geschaad

- recidive(gevaar)

- de duur van de strafprocedure

- type slachtoffer (professional, leek, overheidsinstantie) en de rol van de het slachtoffer bij de gedraging

(…)”

Voor zover het middel beoogt te betogen dat het hof van een verkeerde categorie zoals weergegeven in de oriëntatiepunten is uitgegaan, berust het op een onjuiste lezing van ’s hofs arrest. Immers, het hof geeft aan uit te gaan van een benadelingsbedrag van “€ 900.000,- à € 1.000.000,-” en niet, zoals de steller van het middel wil tussen een bedrag van € 900.000,- á € 1.000.000,-. In ’s hofs oordeel dat hij uitgaat van de hoogste categorie uit de oriëntatiepunten ligt derhalve besloten dat het is uitgegaan van het door hem genoemde hoogste schattingsbedrag. Uit ’s hofs motivering blijkt voorts dat hij, naast het geschatte benadelingsbedrag, bij de strafoplegging tevens een groot aantal, eveneens in de oriëntatiepunten genoemde, strafvermeerderende factoren betrokken heeft. Daarenboven heeft hij het tijdsverloop als strafverminderende factor meegewogen.4De strafoplegging is aldus niet onbegrijpelijk, en evenmin ontoereikend gemotiveerd.

3.5.

Het eerste middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd a) het verzoek tot het horen van getuigen heeft afgewezen en b) de verklaring van getuige [betrokkene 1] betrouwbaar heeft geacht.

4.2.

Het middel valt derhalve uiteen in twee deelklachten. Omtrent de eerste deelklacht, te weten de afwijzing van de getuigenverzoeken, kan in cassatie worden vastgesteld dat de verdediging bij appelschriftuur van 28 november 2014 heeft verzocht tot het horen van één getuige, [betrokkene 1] , omdat – samengevat - [betrokkene 1] verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn. De advocaat-generaal bij het hof heeft op 27 juli 2015 per e-mail aan de verdediging bericht dat zij niet adviseerde tot het horen van deze getuige en voorts dat de voorzitter van het hof daartoe geen aanleiding zag. Op 12 november 2015 heeft de verdediging een brief met bijlagen verzonden aan de voorzitter, waarbij verzocht werd tot het horen van getuigen en waaraan twee geschreven verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] gehecht zaten. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 25 november 2015 en de daaraan gehechte pleitnotitie heeft de verdediging gepersisteerd in het verzoek [betrokkene 1] te horen. Tevens heeft de verdediging bij diezelfde pleitnotitie verzocht tot het horen van drie andere getuigen, te weten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . De aan die verzoeken ten grondslag liggende motivering hield – kort weergegeven – in dat [betrokkene 2] nadere inlichtingen kon verschaffen over de inschatting van het belastingnadeel en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] konden betwisten. Het hof heeft hierop als volgt beslist:

“Na een korte onderbreking voor beraad, deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof bij de beoordeling van de verzoeken uit gaat van het noodzaakcriterium. De voorzitter merkt daarbij op:

Het hof acht het horen van [betrokkene 1] niet noodzakelijk. Zij is al meermalen gehoord in het bijzijn van de verdediging.

Ten aanzien van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] : het hof heeft gelezen wat zij geschreven hebben. In hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht ziet het hof geen noodzaak om deze getuigen te horen.

Ten aanzien van het horen van de opsporingsambtenaar [betrokkene 2] . Uit hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, blijkt dat [betrokkene 2] bij de berekening van het fiscaal rekening [ik lees: ‘nadeel’ AEH] al rekening heeft gehouden met diverse kosten en die in mindering heeft gebracht op het nadeel. Aangetoond noch gebleken is dat de door de verdediging berekende kosten van ongeveer € 50.000 welbewust bij de berekening van het fiscaal nadeel niet zijn meegenomen. Dat maakt dat het hof het horen van [betrokkene 2] in verband met de vraag of het Openbaar Ministerie wel of niet ontvankelijk is in zijn vervolging niet noodzakelijk acht.”

4.3.

Het verzoek tot het horen van deze vier getuigen is blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2016 (wederom) herhaald. Het hof heeft daarop als volgt beslist:

“Het herhaalde verzoek om de heren [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen wijst het hof af. De verdediging heeft geen enkel nieuw argument naar voren gebracht. Het hof ziet derhalve geen enkele reden om af te wijken van de eerder op het verzoek genomen beslissing. Het hof ziet geen noodzaak om deze getuigen te horen.

Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] stelt het hof vast dat een beroep wordt gedaan op mededelingen van een inspecteur van de Belastingdienst in de brieven van 17 juni 2004 en 22 juni 2004, welke brieven zijn gebruikt tijdens het verhoor van [betrokkene 1] door de rechter-commissaris van 28 februari 2011. Het hof constateert dat [betrokkene 1] ter terechtzitting van de rechtbank van 28 april 2014 uitgebreid is gehoord. Daarin is ook het door de verdediging naar voren gebrachte punt aan de orde gekomen. Het hof ziet derhalve geen noodzaak om [betrokkene 1] als getuige te horen.

Het verzoek wordt afgewezen.”

4.4.

In de onderhavige zaak bevat de – tijdig ingediende5 – appelschriftuur (slechts) het (onderbouwde) verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 1] . Gezien de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank van 21 oktober 2014 en 28 april 2014, heeft de berechting in eerste aanleg op tegenspraak plaatsgevonden. Bovendien is getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting in eerste aanleg op 28 april 2014 (uitgebreid) gehoord en is zij bovendien door de rechter-commissaris gehoord. In dergelijke gevallen is de geldende maatstaf het noodzakelijkheidscriterium.6 ‘s Hofs afwijzing van dat getuigenverzoek berust derhalve niet op hantering van een onjuiste maatstaf. Het oordeel is voorts niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat de voorgenoemde getuige reeds was gehoord en het noodzakelijkheidscriterium ziet op hetgeen de rechter noodzakelijk acht voor de volledigheid van het onderzoek.7

4.5.

Ten aanzien van getuigen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , is van belang dat deze getuigen niet bij (tijdig) appelschriftuur zijn opgegeven. In beginsel geldt dan het noodzaakcriterium, tenzij de verdediging ten tijde van het indienen van het appelschriftuur nog niet beschikte over relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis.8 De steller van het middel neemt het standpunt in dat die laatstgenoemde uitzondering van toepassing is, omdat de verdediging ten tijde van het indienen van de appelschriftuur nog niet bekend was met de verklaringen van getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en met de administratie in de aan de strafzaak parallel lopende belastingzaak, waarin getuige [betrokkene 2] als opsporingsambtenaar is opgetreden. Ik kan het middel echter niet volgen. Mijn inziens kunnen deze (al dan niet onvoorziene) omstandigheden niet leiden tot een uitzondering op de doorgaans door de Hoge Raad gehanteerde strikte toepassing van het noodzakelijkheidscriterium,9 omdat dit geen stukken betreffen die vergelijkbaar zijn met de aanvulling op het verkorte vonnis. De hantering van het noodzaakcriterium door het hof ter afwijzing van het verzoek om de getuigen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] te horen, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Immers, in het oordeel van het hof ligt besloten dat het zich voldoende ingelicht heeft geacht op grond van de geschreven verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , alsmede de door de [betrokkene 2] opgestelde berekening die (tevens) rekening hield met de door de verdachte gemaakte kosten. De eerste deelklacht faalt.

4.6.

De tweede deelklacht behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd de verklaring van getuige [betrokkene 1] betrouwbaar heeft geacht. Deze deelklacht kan evident niet slagen. De waardering van verklaringen behoort tot het domein van de feitenrechter, welke in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. 10 Blijkens de bewijsmiddelen heeft het hof de verklaring van getuige [betrokkene 1] voor de bewezenverklaring gebezigd. Daarin ligt besloten dat het hof deze verklaring betrouwbaar heeft geacht. Uit geen rechtsregel blijkt dat het hof gehouden was tot (nadere) motivering. De tweede deelklacht faalt eveneens.

4.7.

Het tweede middel faalt.

5 Het derde middel

5.1.

Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte a) in zijn tussenarrest heeft geoordeeld dat enkele, uit het nietige onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg voortkomende, stukken geen onderdeel uitmaken van het procesdossier en ten onrechte de verdediging heeft opgedragen die stukken bij te voegen, b) het hof eindarrest heeft gewezen op grond van een incompleet dossier dan wel zijn eindarrest niet heeft gewezen naar aanleiding van hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is voorgevallen en c) het hof (ambtshalve) een proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank, dat leidde tot het vernietigde (eerste) vonnis, inhoudende de verklaring van de verdachte, aan het procesdossier heeft toegevoegd dan wel die verklaring heeft gebezigd voor het bewijs.

5.2.

Het middel valt aldus uiteen in drie deelklachten. De eerste deelklacht komt op tegen de beslissing van het hof in zijn tussenarrest van 9 december 2015. In dat tussenarrest heeft het hof het volgende overwogen:

“Overweging hof

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken, dat het onderzoek niet volledig is geweest. Mr. Goris heeft ter terechtzitting van het hof er op gewezen dat ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 april 2012 (welke zitting eerder door het hof nietig is verklaard) door de verdediging een aantal stukken is ingebracht. Ook heeft de raadsvrouw in haar pleidooi verwezen naar de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 4 april 2012 en naar de verklaring van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris alsmede de daarbij behorende bijlagen.

Het hof beschikt niet over deze door de verdediging ingebrachte stukken en ook niet over de verklaring van verdachte afgelegd op 4 april 2012 noch over de bedoelde verklaring van [betrokkene 1] . Het hof zal daarom het onderzoek heropenen om de verdediging in staat testellen om de hiervoor genoemde stukken (met kopie aan de advocaat-generaal) voor 1 maart 2016 in deze zaak in te brengen.

BESLISSING

Het hof:

Heropent het onderzoek.

Stelt de verdediging in de gelegenheid om voor 1 maart 2016 de door de verdediging bij gelegenheid van de verhoren door de rechter-commissaris voorafgaande aan de terechtzitting van 4 april 2012 ingebrachte stukken aan het hof over te leggen, met een kopie daarvan aan de advocaat-generaal.

Stelt de verdediging in de gelegenheid om de verklaring als afgelegd door de verdachte ter terechtzitting op 4 april 2012 aan het hof over te leggen, met een kopie daarvan aan de advocaat-generaal.

Stelt de verdediging in de gelegenheid om de verklaring als afgelegd door [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris met de daarbij behorende bijlagen aan het hof over te leggen, met een kopie daarvan aan de advocaat-generaal.”

5.3.

Na het wijzen van het tussenarrest heeft de verdediging zich bij brief van 15 februari 2016 op het standpunt gesteld dat – samengevat – niet de verdediging, maar het openbaar ministerie, dan wel de rechtbank verantwoordelijk is voor het completeren van het procesdossier. Desalniettemin heeft de verdediging op 9 maart 2016 per emailbericht aan de voorzitter een afschrift van de getuigenverklaring [betrokkene 1] van 28 februari 2011 verzonden, inclusief de door de verdediging tijdens het verhoor aan de getuige voorgehouden stukken. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2016 deelt het hof vervolgens – kort gezegd – mede dat de in het tussenarrest bedoelde stukken, te weten de getuigenverklaring van [betrokkene 1] bij de R-C, de door de verdediging bij gelegenheid van de verhoren door de R-C ingebrachte stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 april 2012, inmiddels door het hof uit eigen beweging aan het dossier zijn gevoegd.

5.4.

De eerste deelklacht kan evident niet slagen. Voor zover wordt beoogd te klagen dat de in het tussenarrest genoemde stukken niet aan het dossier zijn toegevoegd, ontbeert deze stelling feitelijke grondslag. Het hof heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2016 immers de stukken zoals vermeld in zijn tussenarrest van 9 december 2015 aan het dossier gevoegd. Dat wordt door de steller van het middel ook niet ontkend. Voor zover de steller van het middel beoogt te klagen dat het in het tussenarrest gegeven oordeel van het hof, inhoudende dat de verdediging zorg dient te dragen voor het completeren van het dossier, onjuist is, kan niet worden ingezien welk belang de verdachte bij die klacht heeft, daar de stukken zoals gezegd (ook) door het hof aan het dossier zijn gevoegd. Voor zover de steller van het middel beoogt te klagen dat ándere stukken dan genoemd in het tussenarrest aan het procesdossier aan het dossier hadden moeten gevoegd, in het bijzonder de (kennelijk) door het openbaar ministerie ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 april 2012 ingebrachte stukken aangaande meerdere ontnemingsvorderingen, kan het tevens niet slagen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2015,11 evenals het daarop gewezen tussenarrest, maakt van dergelijke stukken immers geen melding. Over het – kennelijk – ontbreken van stukken die tijdens het (nietige) eerste onderzoek ter terechtzitting door het openbaar ministerie zijn ingebracht, kan bovendien niet eerst in cassatie worden geklaagd.12 De eerste deelklacht faalt.

5.5.

Gezien hetgeen onder 5.4 is besproken, kan ook de tweede deelklacht evident niet slagen. Immers, voor zover wordt betoogd dat het hof het eindarrest heeft gewezen op grond van een incompleet dossier, mist het feitelijke grondslag. De in het tussenarrest bedoelde stukken zijn immers aan het dossier gevoegd. Ook de klacht dat stukken aangaande de tegen verdachte gerichte ontnemingsvorderingen ontbreken, faalt. De opvatting dat het hof vanwege het betoogde ontbreken van de stukken niet eindarrest heeft gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting kan eveneens evident niet slagen. De verdediging heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van het hof van 20 april 2016 met verwijzing naar de als bijlage 2 bij het proces-verbaal van 25 november 2015 gehechte pleitnotitie bepleit dat de stukken als bedoeld in de ontnemingsprocedures jegens verdachte aan het procesdossier moeten worden gevoegd. Het hof heeft daarop – samengevat – gerespondeerd dat de stukken na sluiting van het onderzoek aan het dossier zullen worden toegevoegd en dat de verdediging op die stukken een beroep kan doen. Voorts blijkt noch uit ’s hofs arrest, noch uit de aanvulling daarop, dat het hof ten bezware van de verdachte acht heeft geslagen op stukken die ten grondslag lagen aan de door de verdediging genoemde ontnemingsvorderingen.13 Enig in cassatie relevant belang bij de klacht heb ik – mede daarom – niet kunnen ontwaren. De tweede deelklacht faalt eveneens.

5.6.

De derde deelklacht, tenslotte, komt op tegen het door het hof aan het procesdossier (ambtshalve) voegen van een nietig stuk, te weten de tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2012 afgelegde verklaring van verdachte. Ook deze klacht kan niet slagen. Uit het dossier blijkt dat het hof in de onderhavige zaak bij arrest van 16 december 2013 het vonnis van de rechtbank van 27 april 2012 heeft vernietigd en teruggewezen, vanwege – kort gezegd – een tot nietigheid leidend vormverzuim. Het voorgaande staat echter niet in de weg aan het gebruik van verklaringen die zijn afgelegd op het voor terugwijzing gehouden onderzoek, mits deze tijdens het na terugwijzing gehouden onderzoek ter terechtzitting zijn voorgelezen of daarvan de korte inhoud is medegedeeld.14 In het onderhavige geval heeft het hof blijkens de aanvulling op het arrest van 3 augustus 2016 acht geslagen op de verklaring van verdachte die hij blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 april 2012 bij de rechtbank heeft afgelegd (bewijsmiddel 1). Uit de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2015 en 20 april 2016 blijkt echter niet dat het hof deze verklaring heeft voorgelezen of daarvan de korte inhoud heeft medegedeeld. Dit verzuim van art. 301 lid 4 Sv behoeft echter niet tot cassatie te leiden, daar mag worden aangenomen dat de verdachte bekend is met zijn eigen verklaring. Aldus is de verdachte niet in zijn belangen geschaad.15 De derde deelklacht faalt eveneens.

5.7.

Het derde middel faalt.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Het middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.

2 HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313 en Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 313-314.

3 HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114 en HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:2480.

4 In die zin verschilt het onderhavige geval van HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2067, waarin het geen door het hof in te schatten factoren betrof, maar een middels meting vast te stellen feitelijk gewicht van een hoeveelheid cocaïne.

5 Ingediend op 28 november 2014, terwijl op 17 november 2014 cassatie is ingesteld.

6 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, in het bijzonder r.o. 2.47-2.48 en nader ingevuld in het licht van de jurisprudentie van het EHRM in HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

7 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

8 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, in het bijzonder r.o. 2.59.

9 Zie HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3733 en tevens (in mindere mate) de conclusie van mijn ambtgenoot Aben ECLI:NL:PHR:2017:1162. In deze zaak heeft de Hoge Raad ten tijde van het schrijven van deze conclusie nog geen uitspraak gedaan.

10 Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 278-279.

11 Oftewel de kenbron van de door het hof vastgestelde feiten, Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 191-192.

12 Nog daargelaten dat een beslissing van het openbaar ministerie, die in de onderhavige zaak kennelijk heeft besloten de bedoelde ontnemingsvorderingen niet (meer) aan het dossier toe te voegen, in cassatie niet wordt getoetst. Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 14-15.

13 Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 739.

14 Vgl. HR 20 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BR0403, met betrekking tot de bruikbaarheid van (getuigen)verklaringen na terugwijzing door de Hoge Raad. De rechtstreekse weg via art. 322 lid 1, laatste volzin Sv – luidende: “De beraadslaging [in hoger beroep, AEH] geschiedt voorts naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij artikel 378a of artikel 395a in eerste aanleg is toegepast.” lijkt uitgesloten vanwege de nietigheid van het eerdere onderzoek, vgl. H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, p. 150, met verwijzing naar HR 27 januari 1930, NJ 1930, p. 1326.

15 Zie Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk p. 706-707.