Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1378

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
15/03449
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3206, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) en medeplegen gewoontewitwassen. Falende klachten m.b.t. de bewijsconstructie, waarbij de door het Hof bevestigde aanvulling op het verkorte vonnis van de Rb inhoudt dat delen van de b.m. in fotokopie aan de uitspraak zijn gehecht, terwijl niet redengevende passages uit de fotokopieën zijn gestreept. HR: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03449

Zitting: 28 november 2017

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 maart 2015 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, waarbij de verdachte werd veroordeeld ter zake van 1. en 2. telkens “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van gewoontewitwassen”, vernietigd ten aanzien van de straf en voor het overige bevestigd. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt geklaagd over het ontbreken van de aanvulling op het verkorte vonnis. Vervolgens heeft een gerechtssecretaris van de Hoge Raad bij brief aan mr. Kuijper bericht dat de aanvulling op het verkorte vonnis bij een nadere controle van het dossier is aangetroffen en is een afschrift daarvan aan mr. Kuijper toegezonden. De rolraadsheer heeft mr. Kuijper een nadere termijn verleend teneinde de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen of het daarbij voorgestelde middel in te trekken. Mr. Kuijper heeft hierop binnen de nadere termijn een aanvulling op de eerder ingediende schriftuur ingediend, waarin een tweede middel van cassatie wordt voorgesteld.

  3. Het (eerste) middel, dat bij de oorspronkelijke schriftuur is voorgesteld en nadien niet is ingetrokken, faalt -gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt- bij gebrek aan feitelijke grondslag.

  4. Het tweede middel klaagt dat het hof het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd inclusief de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de straf, terwijl de aanvulling op het vonnis waarin de bewijsmiddelen zijn opgenomen niet de inhoud van die bewijsmiddelen behelst en/of uit die bewijsmiddelen niet is af te leiden welke de voor de bewezenverklaring relevante redengevende feiten en omstandigheden zijn. Daarmee zou niet zijn voldaan aan het ook in hoger beroep toepasselijke voorschrift van art. 359, derde lid, Sv dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

  5. De rechtbank heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor onder 1 genoemde feiten. In verband met de omvang van de bewezenverklaring, die in het verkorte vonnis circa zeven pagina’s beslaat, zie ik ervan af die hier integraal weer te geven. Bij de feiten 1 en 2 gaat het telkens om het valselijk opmaken of laten opmaken van leenovereenkomsten tussen (buitenlandse) rechtspersonen. Het gewoontewitwassen (feit 3) houdt verband met de desbetreffende (schijn)leenconstructies.

  6. De aanvulling op het verkorte vonnis als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt op de eerste pagina het volgende in:

“De bewijsmiddelen - algemeen -.

1. een ordner overzichtsproces-verbaal (0-OPV) van de FIOD-ECD, met dossiernummers 30378/27510/35035/37132/35034/40568 d.d. 28 juli 2008, aantal doorgenummerde bladzijden: 419.

Dit proces-verbaal bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.

2. een tweetal bij het overzichtsproces-verbaal gevoegde ordners ambtshandelingen 1 en 2, genummerd vanaf p. 420 tot p. 1364;

3. een vijftal bij het overzichtsproces-verbaal gevoegde ordners documenten, D-001 tot D-224;

4. een bij het overzichtsproces-verbaal gevoegde ordner verhoren verdachten, V7, V8, V9, V11, V12, V16, V17, V19, V22, V23, V24, genummerd vanaf 200319 tot en met 200669;

5. een bij het overzichtsproces-verbaal gevoegde ordner verhoren getuigen, opgesomd met codes G-01 tot en met G-15, genummerd 300000 tot en met 300115;

6. een bij het overzichtsproces-verbaal gevoegde ordner verdachten dossier NNP, genummerd 200001 tot en met 200055.

7. tien ordners Rechtshulpverzoeken, RHV-1 tot en met RHV-10.

De inhoud van deze bewijsmiddelen wordt hierna vermeld door het noemen van de vindplaats, alsmede doordat de betreffende (delen van die) bewijsmiddelen in fotokopie aan dit vonnis worden gehecht. Deze fotokopieën maken deel uit van het vonnis.

Ten behoeve van de leesbaarheid heeft de rechtbank de nummering van de bewezen verklaarde feiten aangepast, zie bijlage A. In het bewijsmiddelenoverzicht - specifiek - zal worden uitgegaan van deze nummering.”

7. Bijlage A bij de aanvulling op het verkorte vonnis bevat een door de rechtbank vernummerde bewezenverklaring. Deze vernummering komt erop neer dat de rechtbank de afzonderlijke onderdelen van de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 heeft voorzien van een letteraanduiding. De bewezenverklaring van feit 1 is opgedeeld in de feiten 1A en 1B. De bewezenverklaring van feit 2 is opgedeeld in de feiten 2A t/m 2F. De bewezenverklaring van feit 3 is opgedeeld in de feiten 3A t/m 3G.

8. De aanvulling op het verkorte vonnis bevat op de pagina’s 2 t/m 9 onder het kopje “De bewijsmiddelen - specifiek -” een overzicht van de gebezigde bewijsmiddelen met daarbij telkens de vermelding van de vindplaats in het dossier. Ten aanzien van elk van de vernummerde bewezenverklaarde feiten wordt vermeld welke bewijsmiddelen de rechtbank heeft gebezigd. De rechtbank heeft daarbij gebruik gemaakt van afzonderlijke kopjes ten aanzien van de feiten 1A, 1B, 2A, 2B, 2C, 2D, 2E, 2F, 3A, 3B, 3C, 3D, 3E, 3F en 3G.

9. De rechtbank heeft voorts bij bepaalde onderdelen van de bewijsvoering uitdrukkelijk aangegeven welke bewijsmiddelen zij daarvoor redengevend heeft geacht. Zo heeft de rechtbank na het overzicht van de ten aanzien van feit 1A gebezigde bewijsmiddelen in de aanvulling het volgende overwogen:

“De rechtbank acht redengevend voor de zeggenschap in de betreffende ondernemingen de bewijsmiddelen: AH-36, AH-37, D-255.

Voor de activiteiten en bezittingen van die ondernemingen zijn redengevend de bewijsmiddelen: AH-63, D-273, D-285, D-280, D-274.”

10. Verder heeft de rechtbank bij een aantal feiten gebruik gemaakt van tussenkopjes. Zo heeft de rechtbank onder het kopje “ten aanzien van feit 2A” de gebezigde bewijsmiddelen onderverdeeld onder de tussenkopjes “(algemeen)”, “(zeggenschap [A] Ltd/[verdachte])”, “(zeggenschap [B] Ltd ([betrokkene 1])”, “activiteiten/bezittingen [A] Ltd)” en “(activiteiten/bezittingen [B] Limited)”.

11. In de aanvulling op het verkorte vonnis heeft de rechtbank aangegeven dat de desbetreffende (delen van de) bewijsmiddelen ‘in fotokopie aan dit vonnis worden gehecht’ en deel uitmaken van het vonnis. Dat kan, naar het mij voorkomt, zo worden begrepen dat de fotokopieën, die klaarblijkelijk zijn geselecteerd toen de aanvulling is gemaakt en daar deel van uitmaken (art. 365a, tweede lid, Sv), met het vonnis één geheel vormen. Het gaat hierbij om 533 pagina’s aan fotokopieën. De rechtbank heeft passages uit de fotokopieën uitgestreept, kennelijk omdat de uitgestreepte passages niet redengevend werden geacht en aldus niet tot het bewijs zijn gebezigd.

12. Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het zich verenigt met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen1, en met de gronden waarop dit berust, behalve wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering. Aldus heeft het hof, behoudens ten aanzien van de strafoplegging, het vonnis bevestigd met overneming van gronden (art. 423, eerste lid, Sv). Tot die overgenomen gronden behoort de in de eerste volzin van art. 359, derde lid, Sv bedoelde inhoud van de bewijsmiddelen.

13. De eerste klacht van het middel, te weten dat de aanvulling op het verkorte vonnis niet de inhoud van de bewijsmiddelen behelst, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft immers de redengevend geachte inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in de aanvulling op het vonnis opgenomen door de desbetreffende (delen van de) bewijsmiddelen in fotokopie aan het vonnis te hechten.

14. De tweede klacht van het middel, te weten dat uit de bewijsmiddelen niet is af te leiden welke de voor de bewezenverklaring relevante redengevende feiten en omstandigheden zijn, faalt eveneens. Duidelijk is immers dat de door het hof -in navolging van de rechtbank- redengevend geachte inhoud van de bewijsmiddelen bestaat uit de niet uitgestreepte gedeelten van de in fotokopie aan het vonnis gehechte schriftelijke bescheiden.

15. Gelet op het voorgaande kan het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

16. Ten overvloede merk ik op dat, ook indien de tweede klacht welwillender zou worden gelezen, in die zin dat beoogd is te klagen dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet redengevende onderdelen bevatten en de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt niet voldoende nauwkeurig zouden zijn aangegeven, cassatie naar mijn mening niet in beeld komt.

17. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2015 blijkt het volgende. De verdachte is op die terechtzitting niet verschenen. Bij aanvang van de terechtzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat uit een brief van de raadsman blijkt dat de verdachte het appel wil beperken tot een strafmaatappel. De uitdrukkelijk tot de verdediging gemachtigde raadsman heeft vervolgens opgegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de deelvrijspraken en dat de verdachte het niet eens is met de opgelegde straf. De voorzitter heeft hierop medegedeeld dat de bewezenverklaring van de rechtbank voorligt en gevraagd of er van de zijde van de verdediging opmerkingen zijn ten aanzien van de feiten, waarop de raadsman aangaf geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten. Vervolgens heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarbij met instemming van de raadsman en de advocaat-generaal het dossier als voorgehouden werd beschouwd. De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir medegedeeld dat het door de verdediging ingestelde appel een strafmaatappel is en dat hij zich aansluit bij de bewijsmiddelen zoals gebezigd door de rechtbank, waarna hij bevestiging van het vonnis heeft gevorderd.2 De raadsman heeft bij pleidooi, nadat hij heeft gerefereerd aan zijn hiervoor genoemde brief waarin wordt aangegeven dat de verdachte het appel wil beperken tot een strafmaatappel, bepleit een lagere straf op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd.

18. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dus niet dat de raadsman bezwaren heeft geuit tegen de bewezenverklaring van de rechtbank of de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, ook niet in reactie op het standpunt van de advocaat-generaal dat hij zich aansluit bij de bewijsmiddelen zoals deze door de rechtbank zijn gebezigd. Integendeel, de raadsman heeft op een vraag van de voorzitter uitdrukkelijk medegedeeld geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten.

19. Het hof heeft, kennelijk naar aanleiding van de procesopstelling van de verdediging in hoger beroep, de behandeling van de zaak geconcentreerd op de strafoplegging. Die vormde voor de verdediging immers de inzet van het hoger beroep. Daarmee heeft het hof gehandeld naar de letter van art. 415, tweede lid, Sv en in de geest van het concept van het voortbouwend appel, dat aan die bepaling ten grondslag ligt. Dat een dergelijke werkwijze is toegelaten kan (onder meer) worden afgeleid uit HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3614, NJ 2012/610. De voorzitter had aan de verdachte medegedeeld dat het hof in het kader van het voortbouwend appel niet alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten apart met hem ging bespreken, nu dit reeds in eerste aanleg was gebeurd. Dat strookte naar het oordeel van Uw Raad met de in art. 415, tweede lid, Sv tot uitdrukking gebrachte bedoeling van de wetgever het onderzoek op de terechtzitting te concentreren op de bezwaren die tegen het vonnis worden ingebracht.

20. De gedachte van het voortbouwend appel is niet zo ver doorgevoerd dat het hof zich zou mogen beperken tot een beoordeling van die bezwaren. Ook bij het ontbreken van bezwaren tegen de bewezenverklaring die de rechtbank heeft uitgesproken is het hof niet ontslagen van de verplichting om te beslissen op de vraag ‘of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan’ (art. 350 Sv).3 De Contourennota (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 88) stelt voor het nieuwe wetboek een stelsel voor waarin ‘de appelrechter zich in zijn uitspraak meer kan concentreren op de ingediende bezwaren’. Maar dat is toekomstmuziek.

21. Het cassatieprocesrecht biedt echter een aanknopingspunt om klachten over de -door het hof overgenomen- bewijsconstructie van de rechtbank die bij het hof naar voren hadden kunnen worden gebracht niet meer onder alle omstandigheden tot cassatie te laten leiden. Ingevolge art. 80a RO kan het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Blijkens het overzichtsarrest HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen ziet de Hoge Raad klachten die ‘betrekking hebben op bij de behandeling in eerste aanleg begane vormverzuimen waarop bij de behandeling van het appel geen beroep is gedaan’ als klachten die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Er zijn verschillende arresten gewezen waarin de procesopstelling in hoger beroep er toe heeft geleid dat de verdachte onvoldoende belang had bij zijn cassatieberoep.4

22. Naar het mij voorkomt ligt toepassing van artikel 80a RO tegen die achtergrond in de onderhavige strafzaak ook bij een welwillende lezing van het middel als eerder omschreven in de rede. De toelichting klaagt dat een bewijsredenering ontbreekt waarin de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring berust zijn opgenomen. Mij komt het voor dat, indien de raadsman in hoger beroep uitdrukkelijk te kennen geeft geen opmerkingen te hebben over de in eerste aanleg bewezen verklaarde feiten, de verdachte in cassatie onvoldoende belang heeft bij de klacht dat het hof heeft nagelaten op eigen houtje, ongevraagd, een aanvullende bewijsredenering te maken. Ook de bij welwillende lezing in het middel te ontwaren klacht dat onderdelen van de bewijsmiddelen niet redengevend zijn, leidt niet tot cassatie. Zeker als in appel ten aanzien van de bewezenverklaring uitdrukkelijk geen verweer is gevoerd mag naar het mij voorkomt in cassatie -op straffe van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep- worden verwacht dat de advocaat aangeeft welke onderdelen van de bewijsmiddelen niet redengevend zijn, bijvoorbeeld doordat de bewijsvoering op -in de schriftuur te benoemen- onderdelen tegenstrijdig is of doordat die onderdelen niet zien op de bewezen verklaarde feiten.5 Een dergelijke klacht komt in de schriftuur niet voor. Dat is te meer van belang nu het onder de bewijsmiddelen opnemen van niet redengevende bewijsmiddelen of onderdelen daarvan niet zonder meer tot cassatie behoeft te leiden.6Het voorgaande zou nog uitzondering kunnen lijden indien de bewijsvoering evident niet voldoet aan het voorschrift van art. 359, derde lid, Sv. Bijvoorbeeld doordat die de vorm aanneemt van -in de woorden van mijn ambtgenoot Bleichrodt7- een puzzel die de lezer nog moet leggen. Dan zou tekort worden gedaan aan een wezenlijke functie van de bewijsmotivering, te weten dat de rechter op controleerbare wijze zich ervan vergewist dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, steunt op daartoe redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen.8 Van een dergelijke evident ondermaatse bewijsvoering is in de onderhavige zaak geen sprake, gelet op de hiervoor beschreven werkwijze waarbij de bewezenverklaring is vernummerd, gebruik is gemaakt van (tussen)kopjes en ten aanzien van onderdelen van de bewijsvoering uitdrukkelijk is overwogen welke bewijsmiddelen voor die onderdelen redengevend worden geacht. Gelet op die werkwijze faalt ook de in de toelichting verwoorde klacht dat niet kan blijken welke onderdelen van de in fotokopie aangehechte stukken het hof ‘meer in het bijzonder redengevend heeft geoordeeld voor de onderscheidenlijk bewezen verklaarde feiten.’

23. Gelet op het voorgaande rechtvaardigen de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

24. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie op de voet van art. 80a RO.9

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft overwogen dat het hoger beroep moet worden begrepen als niet te zijn gericht tegen twee deelvrijspraken.

2 Met herstel van een kennelijke verschrijving in de bewezenverklaring van de rechtbank.

3 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294, m.nt. Mevis, rov. 2.5.

4 Zie HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2855, NJ 2014/450, m.nt. Borgers onder NJ 2014/441 (verzuim zich in appel op een latere terechtzitting te beroepen op het niet beslissen op een getuigenverzoek), HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:52 (verzuim zich in appel te beroepen op de onbevoegdheid van het hof kennis te nemen van de zaak), HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1238 (verzuim zich in appel te beroepen op het ontbreken van de voor het instellen van de strafvervolging vereiste klacht) en HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:516 (verzuim zich in appel erop te beroepen dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg rechtskracht mist omdat het niet overeenkomstig art. 327 Sv is vastgesteld en ondertekend en dat het vonnis daarom niet (partieel) had mogen worden bevestigd).

5 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 283, ten aanzien van de taak van de cassatieadvocaat bij de controle van een bewijsmotivering volgens de Promis-werkwijze.

6 Vgl. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:715, HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:272, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014/381, m.nt. Keulen en HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382.

7 Zie de conclusie (onder 19) voor HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:473.

8 Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, m.nt. Buruma, rov. 5.5.2.

9 Mocht Uw Raad niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie op grond van art. 80a RO overgaan dan vraagt de mogelijke verjaring van het eerste onderdeel van feit 2 ambtshalve de aandacht.