Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1377

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/02241
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3205, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek i.v.m. ziekte op de grond dat onvoldoende is gebleken dat verdachte niet in staat zou zijn zitting bij te wonen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2000:AA5730 m.b.t. toetsingskader i.g.v. aanhoudingsverzoek wegens ziekte. Gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, te weten dat de psychiater van verdachte van mening is dat het bijwonen van de tz. door verdachte een negatieve invloed zou kunnen hebben op de gezondheid van verdachte, verdachte zware medicatie slikt en in afwachting is van klinische opname, kan de door het Hof genoemde grond de afwijzing van het verzoek niet dragen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02241

Zitting: 7 november 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 april 2016 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag, waarbij hij wegens “verduistering, meermalen gepleegd”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard, een en ander zoals in het vonnis vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het aanhoudingsverzoek afgewezen diende te worden nu onvoldoende gebleken zou zijn dat de verdachte niet in staat was de zitting bij te wonen.

3.2. Het hof heeft het in het middel bedoelde verzoek afgewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2016 houdt hieromtrent het volgende in:

“Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld voert de raadsvrouw het woord als volgt:

Bij faxbericht van 29 maart 2016 heb ik verzocht dat de behandeling van de zaak heden ter terechtzitting zal worden aangehouden, nu de psychiater van de verdachte van mening is dat het bijwonen van de terechtzitting door de verdachte een negatieve invloed zou kunnen hebben op de gezondheid van de verdachte. De verdachte zou graag bij de behandeling van zijn zaak aanwezig willen zijn, maar hij is daar thans niet toe in staat. Hij slikt zware medicatie en hij is in afwachting van een klinische opname. Daarnaast zijn de ouders van de verdachte overleden en is zijn partner in het ziekenhuis opgenomen.


Op de vraag van de voorzitter naar het vooruitzicht van de verdachte antwoordt de raadsvrouw:
De verdachte is arbeidsongeschikt verklaard. Momenteel wordt medicatie opgebouwd in het kader van ADHD. Het verschilt per persoon hoelang dat duurt. Hij staat op een wachtlijst.

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld voert de advocaat-generaal het woord als volgt:

Ik stel mij op het standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen. Het verzoek is onvoldoende gemotiveerd. Mijns inziens staat nergens vermeld dat de verdachte niet in staat zou zijn om heden terechtzitting te verschijnen.

(…)
Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het aanhoudingsverzoek zal worden afgewezen nu onvoldoende is gebleken dat verdachte niet in staat zou zijn de zitting bij te wonen en dat de zaak heden ter terechtzitting zal worden behandeld.”

3.3. Het aanwezigheidsrecht is een belangrijk recht in het kader van de realisering van een eerlijk proces, maar het is niet absoluut. In Hoge Raad 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009, 323 m.nt. Borgers is overwogen dat indien een verdachte door ziekte is verhinderd ter terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, de rechter aan dit verzoek voldoet, maar dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering ernstig in het gedrang zou komen bij aanhouding van de zaak en dat dit belang zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Voorts is overwogen dat het ter beoordeling van de rechter staat of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het onderzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd staat het de rechter vrij om daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.1 Bij het voorgaande is voorts van belang dat het overleggen van – kort gezegd – bewijsstukken van de ziekte wel in redelijkheid van de verdachte moet kunnen worden verlangd.2

3.4. De Hoge Raad neemt in zijn jurisprudentie tot uitgangspunt dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij de nodige bewijsstukken overlegt die de rechter relevant acht, hetgeen meebrengt dat een enkele ziekmelding niet zonder meer leidt tot aanhouding van de zaak. Daar staat echter tegenover dat indien het overleggen van een medische verklaring of een ander bewijsstuk niet van de verdachte kan worden verlangd, die omstandigheid niet tot afwijzing van een verzoek tot aanhouding mag leiden.3

3.5. In de voorliggende zaak kan mijns inziens worden aangesloten bij de voornoemde jurisprudentie die ziet op een aanhoudingsverzoek wegens ziekte. Namens de verdachte is verzocht dat de behandeling van de zaak zal worden aangehouden, nu de psychiater van de verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat het bijwonen van de terechtzitting door de verdachte een negatieve invloed op de gezondheid van de verdachte zou kunnen hebben, en voorts dat de verdachte zware medicatie slikt en in afwachting is van een klinische opname. Aan voornoemd verzoek zijn derhalve medische omstandigheden ten grondslag gelegd. Het hof heeft ter motivering van zijn oordeel dat het aanhoudingsverzoek zal worden afgewezen enkel overwogen dat onvoldoende is gebleken dat de verdachte niet in staat zou zijn de zitting bij te wonen. Mede gelet op het standpunt dat ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal is ingenomen, inhoudende dat hij het verzoek onvoldoende gemotiveerd acht nu nergens staat vermeld dat de verdachte niet in staat zou zijn om ter terechtzitting te verschijnen, begrijp ik voornoemd oordeel van het hof zo, dat het heeft geoordeeld dat het verzoek tot aanhouding onvoldoende met bewijsstukken is gestaafd. Ik meen dat dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Uit de overweging van het hof blijkt niet dat het hof heeft onderzocht of het overleggen van bijvoorbeeld een medische verklaring of een brief van de behandelend psychiater4 dan wel van andere gegevens in redelijkheid van de verdachte verlangd had kunnen worden. Maar ook als ervan uitgegaan zou moeten worden dat in de overweging van het hof als diens oordeel besloten ligt dat dit, gelet op het tijdsverloop tussen het faxbericht d.d. 29 maart 2016 en het onderzoek ter terechtzitting, van de verdachte verlangd had mogen worden, geldt dat het verzoek niet op die enkele grond afgewezen had mogen worden. Of het hof heeft onderzocht of het aangevoerde ondanks het ontbreken van bewijsstukken aannemelijk is geworden, blijkt niet. Ik merk daarbij op dat de raadsvrouw niet aanvoerde dat de verdachte niet lijfelijk aanwezig kon zijn bij het onderzoek ter terechtzitting, maar dat die aanwezigheid zijn gezondheid zou schaden en wellicht ook dat hij zo zwaar onder de medicijnen zat dat hij niet effectief in dat onderzoek kon participeren. Het oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de verdachte “niet in staat zou zijn de zitting bij te wonen”, gaat zo gezien heen langs hetgeen is aangevoerd. Bij dit alles komt nog dat niet blijkt dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds het aanwezigheidsrecht van de verdachte en anderzijds het belang van een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.5

3.6. Het middel treft doel.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002, 466 m.nt. Knigge, HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0940, NJ 1998, 428, HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9714, NJ 1994, 582 en HR 4 december 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8944, NJ 1985, 340.

2 Zie HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.4. Zie ook HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0566, rov. 2.4.

3 Zie HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009, 323, m.nt. Borgers onder punt 8.

4 Vgl. HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:193 waarin de verdachte in zijn aanhoudingsverzoek verwees naar het bij zijn brief gevoegde schrijven van zijn behandelend arts.

5 Vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:622, waarin het hof het aanhoudingsverzoek van de verdachte had afgewezen op de grond dat het onvoldoende was onderbouwd en van de noodzaak de zaak aan te houden niet was gebleken, omdat op geen enkele wijze was aangetoond dat verdachte recent werk had gevonden en in verband daarmee niet in de gelegenheid was ter terechtzitting aanwezig te zijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof met die overweging niet had vastgesteld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geworden, en het hof voorts een afweging had dienen te maken tussen alle daarbij betrokken belangen. Vgl. ook HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999, 294 en HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1286.