Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/04770
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3200, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Motivering strafoplegging. De bestreden uitspraak behelst niet een opgave van de redenen die de strafoplegging hebben bepaald. Dat verzuim leidt krachtens art. 359.8 Sv tot nietigheid. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04770

Zitting: 7 november 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 12 september 2016 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 januari 2015, waarbij de verdachte ter zake van 1. “Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 2. “Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” is veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij, en met aanvulling en verbetering van gronden.1 Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel behelst de klacht dat het hof geen aanvulling met bewijsmiddelen heeft opgemaakt.

3.2.

Nu niet blijkt dat de raadsman van de verdachte met betrekking tot de aanvulling bewijsmiddelen zich tot de rolraadsheer van de Hoge Raad heeft gewend met het verzoek om aanvulling van de processtukken, kan het middel reeds om die reden niet tot cassatie leiden.2

3.3.

Bovendien ziet de steller van het middel over het hoofd dat het hier gaat om een bevestiging van het vonnis van de politierechter, met aanvulling en verbetering van gronden als bedoeld in art. 423 lid 1 Sv, zodat een aparte aanvulling met bewijsmiddelen niet behoefde te worden opgemaakt. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zijn immers reeds opgenomen in de aantekening mondeling vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. Daarbij merk ik op dat aan het slot van het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 29 augustus 2016 een aantekening van de griffier is opgenomen inhoudende dat abusievelijk in het arrest in de bewijsoverweging is opgenomen dat de door de raadsman bepleite vrijspraak wordt weerlegd door “de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.” Gelet op het dictum van het arrest is het mijns inziens duidelijk dat het hof het vonnis ook wat de bewijsconstructie betreft heeft bevestigd. Over de hiervoor bedoelde - en door de griffier herstelde - ‘innerlijke tegenstrijdigheid’ (misslag in het arrest) wordt overigens niet geklaagd. Het middel dat dus berust op een verkeerde lezing van het arrest, faalt ook wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel klaagt over de motivering van de strafoplegging. Het hof heeft in strijd met art. 359 lid 5 Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde straf hebben bepaald.

4.2.

Het hof heeft ook ten aanzien van de strafoplegging het oordeel van de politierechter overgenomen. De dienaangaande relevante en door het hof bevestigde passages uit het vonnis van de politierechter luiden als volgt:

“strafbaarheid verdachte

De politierechter verklaart de verdachte strafbaar, omdat niet is gebleken van een schulduitsluitingsgrond.

straf

feit 1. en 2.:

Veroordeling tot een werkstraf van 60 uur.

De rechter beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar

behoren verricht, vervangende hechtenis wordt toegepast van 30 dagen hechtenis.”

4.3.

Ingevolge art. 359 lid 5 in verbinding met art. 415 lid 1 Sv, is het hof verplicht de redenen op te geven die de straf hebben bepaald.

4.4.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is weergegeven, volgt dat in het arrest door de bevestiging van het gebrekkige vonnis van de politierechter de strafmotivering in het geheel ontbreekt en dat niet is voldaan aan het strafmotiveringsvoorschrift van art. 359 lid 5 Sv. De strafoplegging van het hof is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.5.

Het middel slaagt.

5 Het derde middel

5.1.

Het derde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv niet, althans onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging ten aanzien van de feiten 1 en 2 inhoudende dat de verklaringen van de aangever en de verdachte onbetrouwbaar zijn.3 De enige motivering die het hof hieromtrent geeft is een verwijzing naar de bewijsmiddelen ‘zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling op het arrest zullen worden opgenomen’, aldus de steller van het middel.

5.2.

De raadsman van de verdachte heeft blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 augustus 2016 gehechte pleitnota vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bepleit. Het hof heeft het in het middel bedoelde standpunt als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft ter zitting van het hof betoogd dat de bewijsmiddelen (te) onbetrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot bewezenverklaring van een bedreiging te komen en dat ten aanzien van de vernieling eerst geen aangifte was gedaan en dat er nadien geen ondersteunend bewijsmiddel van de vernieling bleek te zijn; derhalve dient voor beide feiten vrijspraak te volgen.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

5.3.

Bij de bespreking van het eerste middel is reeds aan de orde gekomen dat het hof ook wat betreft de bewijsconstructie het vonnis van de politierechter heeft bevestigd. De door het hof bevestigde bewijsconstructie van de politierechter bevat de navolgende bewijsmiddelen:

“Van het door hoofdagent [verbalisant 1], Politie Eenheid Oost-Nederland, IJS Team Hardenberg, onder nummer PL0600 2014176886 in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 november 2014 gesloten proces-verbaal de volgende bijlagen:

I. het door surveillant [verbalisant 2], Politie Eenheid Oost-Nederland, IJS Team Dalfsen/Ommen, onder nummer PL0600 2014176886-1 in de wettelijke vorm opgemaakt en op 21 november 2014 gesloten proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 1]:

“Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Bij mij bestond de overtuiging, dat de verdachte haar bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen. Ik ben eigenaar van een autobedrijf, gelegen aan de [a-straat 1] te Hardenberg. (...) Ik ontving een mailtje van [verdachte]. Zij gaf aan belangstelling te hebben voor een paarse Ford Ka die ik op Marktplaats had staan. Zij betaalde mij € 500,- voor die auto. Op donderdag 20 november 2014 kreeg ik opnieuw een berichtje van [verdachte]. Ik had hier geen goed gevoel bij en heb mijn broer gevraagd met mij mee te gaan naar mijn bedrijf. Ik zag een vrouw uit de auto stappen; ik herkende haar als [verdachte]. Zij ging gelijk kort voor mij staan en kwam zeer intimiderend op mij over. [verdachte] vertelde vervolgens; “Jij geeft mij nu een auto mee die 100% perfect is, je betaalt mij het aankoopbedrag van € 500,- terug en je betaalt de tank benzine voor de auto die met mij mee is gereden.” Ik zei tegen haar: “Dit is geen reëel voorstel.” Waarop zij reageerde: “Doe je dit niet, dan schiet ik je kapot.” Ik voelde mij zeer bedreigd.”

II. het door agent [verbalisant 3], Politie Eenheid Oost-Nederland, IJS Team Hardenberg, onder nummer PL0600 2014176886-2 in de wettelijke vorm opgemaakt en op 20 november 2014 gesloten proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2]:

“Mijn broer heeft een autohandel, genaamd [A]. Dit bedrijf is gevestigd in Hardenberg. Mijn broer heeft een Ford Ka verkocht voor ongeveer € 500,-. Degene die de auto gekocht heeft, was ontevreden en heeft hierover mijn broer gebeld. Mijn broer en ik zijn naar zijn zaak gereden. Ik zag dat mijn broer uit de auto stapte en ik zag dat zij naar mijn broer toeliep. Ik hoorde haar zeggen: “We gaan dit nu oplossen, anders schiet ik je kapot.”

III. het door de hiervoor genoemde [verbalisant 1] onder nummer PL0600 2014176886-7 in de wettelijke vorm opgemaakt en op 21 november 2014 gesloten proces-verbaal van bevindingen:

“Op vrijdag 21 november 2014, omstreeks 11.50 uur, nam ik, verbalisant, telefonisch contact op met aangever [betrokkene 1], naar aanleiding van het verhoor dat ik voerde met verdachte. In het verhoor had verdachte aangegeven een ruit van een Opel Corsa te hebben vernield. Ik hoorde dat [betrokkene 1] mij verklaarde dat de rode Opel Corsa inderdaad schade aan de voorruit had.”

IV. het door de hiervoor genoemde [verbalisant 1] en brigadier [verbalisant 4], Politie Eenheid Oost-Nederland, IJS Team Hardenberg, onder nummer PL0600 2014176886-5 in de wettelijke vorm opgemaakt en op 21 november 2014 gesloten proces-verbaal van verhoor verdachte:

“Op vrijdag 21 november 2014 te 10.10 uur hoorden wij verdachte.

V: Wat is er gisteren gebeurd?

A: Ik weet niet wat er is gebeurd.

V: Wat deed jij in Hardenberg?

A: Zwijgrecht.

V: Hoe kan het dat de eigenaar van het autobedrijf aangifte heeft gedaan van bedreiging en vernieling?

A: Je bedoelt de ruit van de Opel Corsa?

O: Ja.

A: Die heb ik inderdaad kapot gemaakt, omdat ik die auto mee wilde nemen.

V: Van wie was die auto?

A: Van hem. Die meneer van de garage in Hardenberg.”

5.4.

Zoals hierboven weergegeven onder 5.2 heeft het hof het in het middel bedoelde verweer gemotiveerd verworpen. Het middel, voor zover het klaagt dat het hof zonder nadere motivering van een ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken, mist dan ook feitelijke grondslag.

5.5.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de verdachte onbetrouwbaar is omdat de raadsman het onbegrijpelijk vond dat de verdachte de ruit van een auto die zij mee wilde nemen, zou hebben willen vernielen en omdat aanvankelijk geen aangifte van deze vernieling is gedaan en ander steunbewijs ontbreekt. Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt levert dit mijns inziens niet op. In elk geval geldt dat ‘s hofs oordeel met betrekking tot de betrouwbaarheid van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk is en toereikend gemotiveerd, gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en in aanmerking genomen de aan het hof toekomende vrijheid ten aanzien van de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal.4

5.6.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

6. Het tweede middel slaagt. Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft de toepasselijke wettelijke voorschriften aangevuld en een nadere bewijsoverweging toegevoegd in reactie op een gevoerd bewijsverweer.

2 Vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495, m.nt. M.J. Borgers.

3 Op diezelfde grond wordt betoogd dat ook de vordering van de benadeelde partij niet zonder meer toegewezen had mogen worden.

4 Vgl. o.m. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, m.nt. Buruma.