Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1365

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/03605
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3191, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuldheling Iphone door voor € 170,- een telefoon te kopen van een onbekende bij een winkelcentrum, art. 417bis.1.a Sr. Had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof? Uit de bewijsvoering kan niet z.m. worden afgeleid dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de telefoon in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03605

Zitting: 7 november 2017

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 29 juni 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “schuldheling”, veroordeeld tot een geldboete van € 350,--, subsidiair 7 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel houdt in dat de gebezigde bewijsmiddelen, zonder nadere motivering, de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de telefoon redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, niet kunnen dragen.

  4. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op of omstreeks 18 september 2013 in de gemeente Apeldoorn, een Iphone 4s (kleur zwart) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze Iphone 4s redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het als bijlage bij het onder 1. vermelde proces-verbaal gevoegde door [verbalisant 1], agent van Regiopolitie IJsselland, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, genummerd PL14HW 2013076860-1, gesloten en getekend op 12 september 2013 (pagina’s 3 tot en met 81), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever [betrokkene]:

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning.

Tussen 10 september 2013 te 23:45 en 11 september 2013 te 06:30 werd in mijn woning [a-straat 1] te Hasselt een gekwalificeerde diefstal gepleegd.

’s Morgens toen ik beneden kwam zag ik dat onder meer de Iphone S4 van mij weg was. Deze is zwart van kleur.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

In de “Bijlage weggenomen goederen”:

Iphone 4s

Zwart

Imei: [001]

2. Een als bijlage bij het hiervoor onder 1. vermelde proces-verbaal gevoegd proces-verbaal van bevindingen van de politie, Team Analyse & Beheer, met registratienummer BHV 2013076860, en gesloten op 31 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], inspecteur, veiligheidsanalist, Regiopolitie IJsselland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

Op woensdag 11 september 2013 werd door [betrokkene], aangifte gedaan van inbraak in zijn woning. De inbraak vond plaats tussen 10-09-2013 23:45 en 11-09-2013 te 06:30.

Bij deze inbraak werd onder meer een Iphone weggenomen voorzien van IMEI [001].

Door het woninginbrakenonderzoeksteam zijn de historische printgegevens aangevraagd van het IMEI nummer over de periode van 10 september 2013 te 23.40 uur tot en met 14 oktober 2013. De verkregen printgegevens zijn door mij, verbalisant, met behulp van het programma Digitale Communicatie Sporen (DCS) ingelezen. De gegevens zijn in DCS opgeslagen onder nummer 04H&O-2013076860. Daarbij heeft CIOT bevraging plaatsgevonden op 29 oktober 2013.

Met behulp van het programma DCS is een contactenlijst opgemaakt.

IMEI [001]

Vanaf 18 september 19:31:35 tot aan het eind van de bevraagde periode was het toestel in gebruik in combinatie met het telefoonnummer [06-001] tnv [verdachte], [adres].

3. Een aanvullend proces-verbaal van Regiopolitie IJsselland, Team Zwolle-Oost, met registratienummer PL04ZO-2013076860-15, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

Het IMEI-nummer van een mobiele telefoon is een uniek nummer.

Het 15e getal is een Check Digit (controle getal).

Door de providers wordt het Check Digit getal in het mobiele netwerk als een 0 weergegeven. Hierdoor is het verkregen IMEI-nummer van een printlijst niet gelijk aan het werkelijke IMEI-nummer van een mobiele telefoon.

Het IMEI-nummer van de weggenomen toestel betrof [001](6). [001] heeft als Luhn check-digit 6.

Rekenkundig heeft een 0 voorafgaand aan een getal geen toegevoegde waarde. Daardoor is de eerste 0 van het IMEI-nummer weggevallen.

In het proces-verbaal met nummer 2013076860 zijn de gegevens van het juiste IMEI- nummer ([001]) opgevraagd en verwerkt. Het Check Digit getal is 6 en wordt door de providers als 0 weergegeven.

4. De verklaring van verdachte ter 's hofs terechtzitting, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik de Iphone heb gekocht. Ik heb deze voor 170 euro gekocht. Ik heb het toestel via via gekocht van iemand die het toestel aanbood. Ik kende de verkoper niet. Ik kwam via een vriend van mij in contact met die persoon. De man vroeg aanvankelijk een hogere prijs van iets van 230 euro. Met die persoon had ik afgesproken bij een winkelcentrum bij mij in de buurt in Apeldoorn. Ik had dat liever dan bij hem of bij mij thuis.”

6. Enige aanwijzing over de staat van de mobiele telefoon of de waarde daarvan bevatten de bewijsmiddelen niet. Mede daardoor valt niet uit de bewijsmiddelen op te maken of de verdachte een marktconforme prijs voor de telefoon heeft betaald of een (veel) lagere prijs. Daardoor werpt het middel de vraag op of het kopen van een mobiele telefoon op straat van een aan de koper onbekende verkoper betekent dat de koper ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze Iphone 4s redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

7. Wil sprake zijn van schuldheling dan had de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het voorwerp redelijkerwijs moeten vermoeden dat het voorwerp van misdrijf afkomstig was. Er moet sprake zijn van ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’ ten aanzien van de herkomst van het voorwerp.1

8. Van dit redelijkerwijs moeten vermoeden ten tijde van het voorhanden krijgen van het voorwerp is volgens de Hoge Raad geen sprake wanneer slechts blijkt dat een verdachte een gestolen mes voorzien van een inscriptie in zijn bezit had, terwijl hij dit mes van een andere gebruiker had gekregen2 of wanneer uit de bewijsmiddelen niet meer blijkt dan dat verdachtes zwager kort na verdachtes aanhouding inmiddels het vermoeden had dat er iets mis was met de (gestolen) telefoon die hij met de verdachte tegen zijn eigen telefoon had geruild terwijl verdachte geen geloofwaardige verklaring over de aankoop van die telefoon kon geven.3 Ook het in bezit hebben van een fiets zonder origineel slot, verdachtes ongeloofwaardige verklaring dat hij de fiets had geleend van iemand van wie hij niet wist waar deze woonde, en de omstandigheid dat de verdachte geen navraag had gedaan naar de herkomst van de fiets, leveren volgens de Hoge Raad onvoldoende bewijs op voor het redelijkerwijs moeten vermoeden dat de fiets door misdrijf was verkregen.4 Van iemand die kabelhaspels vervoerde die hij van vrienden had gekregen om aan anderen te geven en bij de rechter-commissaris verklaarde dat hij ‘achteraf denkt dat de mensen van wie hij ze heeft gekregen om weer te geven aan anderen, ze misschien hebben gestolen’ kon evenmin zonder meer worden gezegd dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die haspels van misdrijf afkomstig waren.5 Ook de enkele aanwezigheid van stickers met onder meer productiekenmerken op onder verdachte aangetroffen gestolen kozijnen bracht niet mee dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kozijnen van diefstal afkomstig waren.6 Niet begrijpelijk achtte de Hoge Raad het oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets die hij kocht van misdrijf afkomstig was omdat op de fiets geen sticker van een rijwielhandelaar was geplakt en de verdachte geen aankoopbon had ontvangen, kennelijk omdat de fiets was gekocht via een internetsite, van een particulier.7 Aan HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701 lag ten grondslag een geval van schuldheling van een graafmachine waarin het hof oordeelde dat, niettegenstaande het door de verdachte uitgevoerde onderzoek naar de herkomst van de graafmachine, het door de verdachte betaalde bedrag van € 70.000,- dusdanig lager lag dan de dagwaarde van € 110.000,-, dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de graafmachine een door misdrijf verkregen goed betrof. Dit oordeel hield geen stand omdat het hof ook een verklaring van de verdachte inhoudende dat de gemiddelde waarde van deze machines € 85.000,- is tot bewijs had gebezigd.8 Het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de rijbewijzen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren, achtte de Hoge Raad niet begrijpelijk omdat de bewijsmiddelen niets inhielden met betrekking tot verdachtes wetenschap van de herkomst van deze goederen (rijbewijzen) en evenmin uitleg verschaften over hoe de verdachte in het bezit van deze goederen is gekomen.9 Van de verdachte die van een ander een rondje mocht rijden op een - naar hij niet wist - gestolen bromfiets, die door die ander voor hem was gestart, kon niet worden gezegd dat hij dus met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid had gehandeld.10 Uit de omstandigheid dat de verdachte een - naar hem niet bekend was: gestolen - twee jaar oude, goed uitziende Gazelle-damesfiets voor € 250 kocht op de zwarte markt in Vleuten, kon niet worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het verwerven van de fiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, ook niet wanneer in aanmerking werd genomen – zoals het hof had gedaan – dat van algemene bekendheid is dat op de zwarte markt meer dan eens wordt gehandeld in gestolen goederen, verdachte niet had vastgesteld van wie hij had gekocht en de verkoper ook nog eens € 60,-- op de vraagprijs had laten vallen.11 Ook van de verdachte die een - naar hem niet bekend was: gestolen - herenfiets, merk Gazelle, type Davos, leende van een kennis kon niet worden gezegd dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.12 Zulks gold ook voor de verdachte die via Marktplaats en Whatsapp van een hem onbekende man een motorblok voor een bromfiets kocht, op straat bij een flat bij het winkelcentrum In de Bogaard in Rijswijk. Hier was mede van belang dat de verdachte aanvoerde juist bewust een duurder motorblok te hebben gekocht, omdat hij daarmee eerder al eens in de fout was gegaan, en voorts dat de verkoper hem had verteld dat hij een aanrijding had gehad met zijn brommer, waardoor zijn voorvork kapot was, dat hij toen zijn motorblok van de brommer had verwijderd en dit te koop had gezet en dat de verkoper ook nog andere onderdelen van de brommer te koop had.13 Ten aanzien van de koper van een van misdrijf afkomstige boot overwoog de Hoge Raad dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat hij ten tijde van het voorhanden krijgen van de boot in die mate was tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid had gehandeld. Daarbij woog de Hoge Raad mee, dat het hof niets had overwogen omtrent de in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verdachte als koper te vergen controle van de herkomst van de boot, bijvoorbeeld aan de hand van het Craft Identification Number (CIN), terwijl het hof evenmin iets had overwogen over de staat van de boot in relatie tot de betaalde koopprijs en de marktwaarde van de boot ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan.14 Van de bij een doorzoeking van een chalet, dat in gebruik was bij de verdachte en de medeverdachte, in de kluis aangetroffen juwelen kon ook niet zonder meer worden gezegd dat de verdachte en zijn medeverdachte ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan redelijkerwijs moesten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.15

9. Voor de vraag of de verdachte, bij wie een van misdrijf afkomstig voorwerp is aangetroffen, ten tijde van het verwerven daarvan redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat voorwerp door misdrijf was verkregen, is van belang in hoeverre op de verdachte de plicht rustte onderzoek te doen naar de herkomst van dat voorwerp.16

10. Een dergelijke onderzoeksplicht rustte op de verdachte die van een ijsvereniging geldbedragen op haar rekening kreeg gestort. Zij was in ernstige mate tekortgeschoten in haar onderzoeksplicht doordat zij na de ontvangst van die geldbedragen, waarvan zij had gezien dat deze van de ijsvereniging afkomstig waren en in de wetenschap dat C., die haar regelmatig grote cadeaus schonk, penningmeester bij een ijsvereniging was, niet meteen een onderzoek naar de herkomst daarvan had ingesteld.17 Van tekortschieten in de onderzoeksplicht was ook sprake in het geval waarin een verdachte bankpasjes aantrof in een door hem tweedehands gekochte laptop en hij na het aantreffen van deze pasjes niet direct nader onderzoek instelde naar de herkomst daarvan. Daaraan lag ten grondslag het oordeel van het hof dat de bankpasjes op een ongebruikelijke plaats waren aangetroffen, namelijk onderin het kastje van een door verdachte op het Waterlooplein te Amsterdam gekochte laptop, terwijl van algemene bekendheid is dat laptops veelvuldig voorwerp van diefstal zijn.18 Ook de verdachte die op verzoek van een persoon van wie geen gegevens bekend waren een (gestolen) generator achter zijn woning had gestald, had niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Daartoe werd erop gewezen dat bouwmaterialen veelvuldig voorwerp van diefstal zijn en dat verdachte kennelijk een zekere deskundigheid op het gebied van generatoren had, omdat hij had gezien dat het om een lasgenerator ging en toen direct het vermoeden kreeg dat de generator gestolen was. Aan dit oordeel deed niet af dat verdachte die waarneming niet had gedaan ten tijde van het voorhanden krijgen van de generator maar pas nadat de generator achter zijn woning was gestald, en wel kennelijk niet omdat de verdachte die deskundigheid reeds bezat ten tijde van het voorhanden krijgen van de generator, hetgeen hem reeds toen had moeten aanzetten tot onderzoek naar de herkomst.19 Een verdachte die een laptop had gekocht via markplaats.nl voor een prijs die, hoewel hij wist dat de prijzen op deze internetsite lager liggen, bij hem twijfel opriep zonder vragen te stellen over de herkomst van deze laptop en zonder te controleren of de laptop functioneerde en deze laptop in een plastic tas liet afleveren door een jongeman met wie verdachte op een sportschool had afgesproken, had redelijkerwijs moeten vermoeden dat die laptop door misdrijf was verkregen.20 De verdachte die met het verzoek de toetsblokkering ervan af te halen een Iphone ter hand werd gesteld door iemand die hij al lang kende en van wie hij wist dat deze eerdere strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam had, had niet de vereiste zorgvuldigheid betracht.21

11. Uit de hiervoor weergegeven rechtspraak komt - voor zover hier van belang - het beeld naar voren dat het kopen van een voorwerp op straat van een particulier tegen een prijs waarvan niet vaststaat dat deze opvallend laag was nog niet betekent dat de koper redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voorwerp van misdrijf afkomstig was. Daarvoor is meer nodig. Het ontbreken van een nota van de aankoop door de verkoper is daarvoor niet voldoende, het niet verstrekken van een aankoopbon door de verkoper evenmin. Dat geldt ook - ik spreek nu over een fiets - voor het ontbreken van een sticker van een rijwielhandelaar.

12. In het onderhavige geval staat niet meer vast dan dat de verdachte de voor een bedrag van € 230,-- aangeboden Iphone voor € 170,-- heeft gekocht van iemand die hij niet kende en met wie hij via een vriend in contact was gekomen en met wie hij had afgesproken bij een winkelcentrum in de buurt in Apeldoorn. In het licht van de hiervoor weergegeven rechtspraak is dat niet voldoende voor het oordeel dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze Iphone redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Er is niets bekend over de marktwaarde van de Iphone - lag deze aanzienlijk hoger dan de koopprijs? - noch over de staat waarin het toestel verkeerde: was het zo goed als nieuw of beschadigd, zat er een toetsblokkade op? Zo valt niet te bepalen of op de verdachte de plicht rustte onderzoek te doen naar de herkomst van dat voorwerp. De bewezenverklaring is dus voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de Iphone 4s redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, onvoldoende met redenen omkleed.

13. Het middel slaagt.

14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 december 1985, NJ 1986, 428. Zie ook HR 27 juni 1938, NJ 1939, 124 m.nt. W.P.J. Pompe.

2 HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7729.

3 HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6636.

4 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5957, NJ 2008, 228.

5 HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3838.

6 HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6943.

7 HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5625, NJ 2010, 305.

8 HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701.

9 HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1180.

10 HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647.

11 HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1691, NJ 2014, 459 m.nt. N. Rozemond.

12 HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:213.

13 HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1694.

14 HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3263.

15 HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:62.

16 HR 22 november 1943, NJ 1944, 70 en HR 11 juli 1944, NJ 1944, 580.

17 HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631, NJ 2009, 608.

18 HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5702, NJ 2003, 460.

19 HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003, 177.

20 HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6515.

21 HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:301.