Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/03331
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3188, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Eenvoudige belediging door spugen in gezicht buschauffeur. Art. 266 Sr. Falende middelen over 1. Toepassing noodzakelijkheidscriterium bij afwijzing verzoek getuigen strijdig met art. 6.3.b EVRM, ondanks dat appelschriftuur niet is ingediend binnen 14 dagen? 2. Taalbarrière tussen getuigen, waarbij getuige X in gebrekkig Nederlands en Engels en met gebaren aan getuige Y (die als bijzonder opsporingsambtenaar werkzaam was) een verklaring heeft afgelegd. Afwijzing horen van getuige X toereikend gemotiveerd? 3. Wordt bewezenverklaring voldoende gesteund door de eigen waarnemingen van getuigen X en Y? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03331

Zitting: 7 november 2017

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 15 juni 2016 heeft het gerechtshof Den Haag verdachte voor: eenvoudige belediging, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week.

2. Mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek om getuigen te horen heeft getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium en niet aan het verdedigingscriterium. Dat zou in strijd zijn met artikel 6 lid 3 onder b EVRM.1 Dat de appelschriftuur niet is ingediend binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep mag niet zo een consequentie hebben.

3.2. De tweede volzin van het eerste lid van artikel 410 Sv houdt in dat de verdachte binnen 14 dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven kan indienen. Volgens het derde lid kan verdachte in de schriftuur opgeven welke getuigen en deskundigen hij ter terechtzitting wil doen oproepen. Die opgave geldt als een opgave in de zin van het tweede lid van artikel 263 Sv, waarop artikel 264 Sv van overeenkomstige toepassing is. Maar een niet tijdig ingediende appelschriftuur kan niet worden aangemerkt als een schriftuur, houdende de opgave van getuigen in de zin van het derde lid van artikel 410 Sv.2 Dat betekent dat een verzoek om getuigen op te roepen, dat in het spoor van zo een niet tijdig ingediende schriftuur wordt gedaan, zal kunnen worden getoetst aan het noodzaakcriterium, zij het dat de invulling daarvan al naargelang de omstandigheden het criterium van het verdedigingsbelang zeer na kan komen.3 Maar of zo'n invulling is aangewezen hangt af van de omstandigheden van het geval. Op die omstandigheden zal de verdediging in hoger beroep de appelrechter moeten wijzen.4 Dat is in de onderhavige zaak in ieder geval niet gebeurd. Ik wijs er op dat het gaat om een zeer beperkt dossier en dat de advocaat in eerste aanleg al duidelijk de relevantie van de verschillende onderdelen van het dossier heeft onderkend en deze onderdelen, bestaande uit de verklaringen van de getuigen, kritisch heeft besproken. Dat de politierechter verdachte heeft veroordeeld op grond van deze verklaringen kan niet als een verrassing zijn gekomen.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de motivering van de afwijzing van het verzoek om de getuigen te horen, nu de communicatie tussen getuige [betrokkene 1] en getuige [betrokkene 2] erdoor werd gekenmerkt dat de laatste slechts gebrekkig Nederlands en Engels sprak en dat de getuige [betrokkene 1] een uitleg heeft gegeven aan de woorden en gebaren van de ander die neerkomt op een eigen interpretatie. Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende gesteund wordt door de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], omdat deze geen eigen waarneming bevatten van het bewezenverklaarde.

Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op 10 februari 2015 te Oud-Beijerland [betrokkene 3] in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, opzettelijk heeft beledigd, door [betrokkene 3] in zijn gezicht te spugen."

4.3. Het hof heeft het bewijs aangenomen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 12 februari 2015 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2015056285-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven als de op 12 februari 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 3], aangever:

Ik ben medewerker bij de Arriva als buschauffeur. Op 10 februari 2015 reed ik over de Zoomwijcklaan te Oud-Beijerland.

Ik was de bestuurder op dat moment van lijn 161, met bus 8373.

Ik stopte bij halte Winkelcentrum aan de Zoomwijcklaan te Oud-Beijerland om passagiers in en uit te laten stappen. Eén van de passagiers die instapte was een man van Noord-Afrikaanse afkomst. Hij stapte met een geopend blikje bier de bus in zonder in te checken of een kaartje te kopen. Ik riep de man terug en vroeg hem zijn blik bier buiten de bus te houden en een kaartje te kopen of om normaal in te checken. Hierop zette hij zijn blikje bier buiten en liep vervolgens weer de bus in.

Ik vroeg hem opnieuw om een kaartje te kopen of in te checken.

Hierop hield hij zijn kaartje voor de reader maar deze gaf een piep en bleef rood branden. Opnieuw vroeg ik de man een kaartje te kopen. Ik verzocht hem meerdere malen of hij normaal wilde inchecken zodat ik normaal mijn werk kon doen.

Ik zag dat de man boos werd en ik hoorde hem iets zeggen in mijn richting, maar kon niet verstaan wat hij zei. Na drie à vier keer herhalen van mij met de vraag wat hij nou precies zei stapte hij achteruit, de bus uit. Voor de open bus deur riep hij vervolgens keihard dat ik een bosaap was. Ik hoorde hem mompelen dat hij mij beter in mijn gezicht had kunnen spugen. Op het moment dat de deur bijna dicht was stak de man zijn hoofd tussen de deur en spuugde mij volop in mijn gezicht. Ik voelde mij enorm beledigd.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 februari 2015 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700- 2015056285-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - :

als de op 19 februari 2015 afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1]:

Op 10 februari 2015 heb ik geassisteerd bij een collega buschauffeur. De buschauffeur [betrokkene 3] reed op dat moment op bus 8373 op lijn 161. Ik ben namelijk werkzaam bij Arriva als bijzonder opsporingsambtenaar. In deze hoedanigheid heb ik een getuigenverklaring opgenomen van een passagier. Deze passagier zat op een enkele plaats rechts voorin de bus, dit is de plaats naast de buschauffeur.

De passagier gaf mij op te zijn genaamd [betrokkene 2]. Ik hoorde dat de man gebrekkig Nederlands en Engels praatte. Hij deed vervolgens ook voor hoe de man in het gezicht van de buschauffeur spuugde. Ondanks het feit dat hij gebrekkig Nederlands en Engels praatte, begreep ik hem goed.

Hij verklaarde aan mij dat hij op 10 februari 2015 ter hoogte van de Zoomwijcklaan een man de bus in zag lopen. Hij hoorde dat er een discussie ontstond tussen de man en de buschauffeur. Hij zag dat de man vervolgens de bus, via de deur aan de voorzijde van de bus uitliep. Toen hij zag dat de schuifdeuren van deze deur sloten zag hij dat de man op het laatste moment in het gezicht spuugde van de buschauffeur. Hij liet mij zien door middel van gebaren, hoe de buschauffeur het spuug van zijn gezicht haalde. Hij haalde zijn hand voor zijn gezicht en deed voor hoe hij iets van zijn gezicht afveegde.

Vervolgens sloeg hij zijn hand als een zweep richting de grond om het van zijn hand af te krijgen.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 februari 2015 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2015056285-4.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 18 februari 2015 keek ik, verbalisant, camerabeelden uit.

Ik zag dat bus 8373 op lijn 161 op 10 februari 2015 te OudBeijerland stopte bij een halte. Ik zag dat de laatste man die de bus in liep een blikje in zijn hand hield. Ik zag ook dat hij geen ov-chipkaart langs de reader haalde. Ik herkende de man als zijnde de voor mij ambtshalve bekende veelpleger [verdachte].”

4.4. Het dossier bevat een appelschriftuur van de advocaat van verdachte waarin deze wijst op gebreken en onduidelijkheden in de verklaring van getuige [betrokkene 1] en het verzoek doet om als getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op te roepen.

4.5. Ter terechtzitting van het hof van 15 juni 2016 heeft de advocaat van verdachte het verzoek aldus toegelicht:

“Er is in de appelschriftuur sprake van een verkeerde lezing over telefonisch horen van een getuige. Ik heb daarin vermeld dat er sprake was van een telefonisch verhoor van de getuige [betrokkene 2], maar dit is onjuist. De getuige [betrokkene 1], een bijzonder opsporingsambtenaar, heeft de getuige [betrokkene 2] in persoon gehoord. Er is onduidelijkheid over de taal waarin het verhoor van de getuige heeft plaats gevonden. Ik persisteer bij het verzoek als verwoord in de appelschriftuur om de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen, tenzij het hof tot een vrijspraak van het tenlastegelegde feit komt.”

4.6. Het hof heeft dit verzoek als een voorwaardelijk getuigenverzoek opgevat en bij monde van de voorzitter meegedeeld dat het hof een beslissing zou nemen na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting.

4.7. Het arrest van het hof bevat de volgende relevante overwegingen:

“Bewijsverweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op standpunt gesteld dat de getuigenverklaring van [betrokkene 1] niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de getuige [betrokkene 2] tegen de getuige [betrokkene 1] – die als bijzonder opsporingsambtenaar werkzaam was in de bus waarin de chauffeur zou zijn bespuugd – in gebrekkig Engels/Nederlands een verklaring heeft afgelegd en: daarbij met gebaren heeft voorgedaan wat hij heeft waargenomen. De getuige [betrokkene 1] is hierover door de politie telefonisch gehoord en zijn verklaring is in een proces-verbaal vastgelegd. De raadsman is van mening dat een dergelijke vastlegging twijfel oproept over de vraag wat [betrokkene 2] heeft gezien en aan [betrokkene 1] heeft voorgedaan en of [betrokkene 1] hem goed begrepen heeft, aangezien niet bekend is wat zijn kennis is van de Engelse taal en [betrokkene 1] zelf niets heeft waargenomen. Daarnaast stelt de raadsman vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte op de camerabeelden, waarop overigens niet is te zien dat de verdachte heeft gespuugd, terwijl de verdachte het tenlastegelegde feit ontkent.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof leidt uit de verklaring van de getuige [betrokkene 1] af dat [betrokkene 2], die zich voorin de bus op een plaats naast de buschauffeur bevond, de verdachte heeft zien spugen in het gezicht van de buschauffeur en met gebaren heeft voorgedaan hoe de chauffeur het spuug van zijn gezicht heeft afgehaald. Vervolgens heeft [betrokkene 2] zijn hand als een zweep richting de grond geslagen om het van zijn hand af te krijgen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat, ondanks het feit dat [betrokkene 2] gebrekkig Nederlands en Engels praatte, hij hem goed begreep.

Het hof heeft, gelet op de inhoud van de verklaring en de gedetailleerde en beeldende wijze waarop [betrokkene 2] met gebaren heeft getoond wat hij heeft gezien, geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de overdracht daarvan aan [betrokkene 1]. Daarnaast twijfelt het hof niet aan de herkenning door de verbalisant van de hem ambtshalve bekende verdachte (veelpleger) op de camerabeelden. Het hof is van oordeel dat de getuigenverklaring en de camerabeelden steun bieden voor de feitelijke gang van zaken zoals in de aangifte weergegeven. Het hof is derhalve van oordeel dat de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd op de wijze zoals hierna bewezen verklaard.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, voor het geval het hof ten aanzien van het tenlastegelegde tot een bewezenverklaring mocht komen, verzocht de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen, aangezien er volgens de raadsman voldoende reden is als voormeld om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring en het naar zijn mening daarom noodzakelijk is om deze getuigen nader te ondervragen.

Het hof stelt voorop dat het verzoek – gelet op het tijdstip waarop het is gedaan – dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat de getuigenverklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs kan worden gebruikt. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die het hof aanleiding geven om aan de juistheid of betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak om de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen – niet is gebleken en het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen dan ook af.”

4.8.

Ik stel voorop dat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen het in cassatie uiteindelijk gaat om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. De begrijpelijkheid van de beslissing op een verzoek om getuigen te horen zal in cassatie in verband met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, slechts in beperkte mate kunnen worden getoetst.5

4.9.

Het tenlastegelegde heeft betrekking op een qua tijd, ruimte, aard en daarbij betrokkenen simpele gebeurtenis. Het gaat erom dat een buschauffeur in zijn gezicht is gespuwd door een persoon die kennelijk zonder geldig vervoersbewijs mee wilde. [betrokkene 2] bevond zich als passagier in de bus en wel op een zitplaats naast de buschauffeur. De bijzondere opsporingsambtenaar [betrokkene 1], die zich ook in de bus bevond maar het incident zelf niet heeft waargenomen, heeft een verklaring opgenomen van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] heeft met gebaren voorgedaan wat er was gebeurd en daarbij in gebrekkig Nederlands en Engels zijn relaas gedaan. [betrokkene 1] heeft de gebaren die [betrokkene 2] heeft gemaakt duidelijk beschreven in zijn proces-verbaal. Die gebaren hadden zowel betrekking op het gedrag van de passagier als op het gedrag van de chauffeur nadat deze in het gezicht was gespuwd. De beschrijving van die gebaren is volstrekt helder en laat niets aan duidelijkheid te wensen over. De passagier is naderhand herkend als verdachte. Het tweede middel dat klaagt over de onduidelijkheid van de inhoud van de communicatie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ziet eraan voorbij dat verbalisant [betrokkene 1] de gebaren die [betrokkene 2] maakte zonder meer kon aanmerken als evenzovele bewijzen voor het tenlastegelegde en dat voor het hof de beschrijving die verbalisant [betrokkene 1] heeft gegeven volkomen helder was. Het hof heeft dit tot uitdrukking gebracht door te overwegen dat de noodzaak om de getuige te horen niet is gebleken. Verbalisant [betrokkene 1] heeft, zoals het hof heeft uitgedrukt, 'beeldend' beschreven wat hij heeft waargenomen. Weliswaar heeft verbalisant [betrokkene 1] deze gebaren concluderend geduid, maar deze duiding ligt gezien de context zozeer voor de hand dat het hof deze conclusie heeft overgenomen en tot de zijne gemaakt. Dat de getuige [betrokkene 2] de Nederlandse en Engelse taal slechts gebrekkig machtig was hoefde het hof er niet van te weerhouden diens verklaring voor het bewijs te bezigen nu het beeld dat deze getuige in woord en gebaar schetste voor het hof voldoende duidelijk was en het hof daarom ook geen noodzaak aanwezig heeft kunnen achten om deze getuige en verbalisant [betrokkene 1] alsnog te doen oproepen.

4.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de afwijzing door het hof van voormeld verzoek, waarbij het de juiste maatstaf heeft toegepast, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarmee is ook het lot van het derde middel bezegeld: ook dat faalt.

5. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bedoeld zal zijn artikel 6 lid 3 onder d EVRM.

2 HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2324.

3 HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis.

4 Zie bijvoorbeeld HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3654.

5 Bijv. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1568.