Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1356

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-10-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
16/00262
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:78, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verwerping tot strafvermindering strekkend verweer dat verdachte ten onrechte voorafgaand aan zijn politieverhoor geen consult heeft gehad met zijn voorkeursadvocaat, art. 359a Sv. Omvat consultatierecht het recht om voorafgaand aan politieverhoor een voorkeursadvocaat te kunnen raadplegen? Blijkens ’s Hofs overwegingen hield het verweer in dat sprake is van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv en dat zulks tot strafvermindering dient te leiden. Reeds omdat uit niets blijkt dat bij de behandeling van de zaak door of namens verdachte iets is aangevoerd over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, had het Hof het verweer slechts kunnen verwerpen. CAG over de vraag of, gelet op EHRM Dvorski v. Kroatië nr. 25703/11, sprake is van een vormverzuim als verdachte de mogelijkheid is onthouden om voorafgaand aan zijn politieverhoor zijn voorkeursadvocaat te consulteren maar wel consultatiebijstand heeft gehad van een piketadvocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/66 met annotatie van Mr. J. Boksem
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00262

Zitting: 10 oktober 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 december 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van het voorarrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. E. Tamas, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof bij de verwerping van een in hoger beroep gevoerd verweer, dat er sprake is geweest van schending van art. 38 Sv en art. 6 EVRM, omdat de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie zijn voorkeursadvocaat niet heeft kunnen consulteren, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting c.q. deze verwerping onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Hierbij wordt een beroep gedaan op de uitspraak van het EHRM (Grote Kamer) 25 oktober 2015, Dvorski v. Kroatië, no. 25703/11, waarin het EHRM een schending van art. 6 lid 1 en 3 onder c EVRM heeft aangenomen vanwege – kort gezegd – de omstandigheid dat de politie Dvorski niet in de gelegenheid had gesteld zijn eigen advocaat te kiezen.

3.1. De vraag die in het middel wordt opgeworpen – namelijk of het aan art. 6 lid 3 onder c EVRM ontleende consultatierecht tevens het recht omvat om een voorkeursadvocaat voorafgaand aan het politieverhoor te kunnen raadplegen – is al een keer aan de orde geweest in HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:1122. De Hoge Raad deed de zaak af met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering, kennelijk mijn ambtgenoot Hofstee volgend in zijn conclusie van 19 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2737 tot verwerping van het cassatieberoep.1

Voordat ik overga tot het bespreken van het middel in onderhavige zaak zal ik de relevante passage uit de conclusie van AG Hofstee citeren. Het is namelijk de vraag of het hierin ingenomen en kennelijk door de Hoge Raad gevolgde standpunt na het arrest van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak Dvorski v. Kroatië stand kan houden.

Daarbij wil ik nu al opmerken dat het middel mijns inziens weliswaar terecht is voorgesteld, maar dat dit niet tot cassatie hoeft te leiden. Gelet echter op het belang van de in het middel aan de orde gestelde vraag voor de rechtsontwikkeling en de rechtspraktijk, verzoek ik de Hoge Raad duidelijkheid te verschaffen over de gevolgen van het niet respecteren van een verzoek om consultatiebijstand van een door de verdachte gekozen advocaat. Daarop zal ik hierna wat uitgebreider ingaan. Ik zou het als een gemiste kans beschouwen als het eerste middel op de voet van art. 81, lid 1 RO zou worden verworpen.

3.2. Dan zal ik nu eerst de relevante passage uit de conclusie van AG Hofstee ECLI:NL:PHR:2013:2737 citeren, welke conclusie evenals het daarop gevolgde arrest van de Hoge Raad – ik zeg het er nog maar even bij – dateert van vóór de uitspraak van het EHRM in de Dvorski-zaak:

“15. Uit inmiddels bestendige rechtspraak van de Hoge Raad2 volgt dat een aangehouden meerderjarige verdachte overeenkomstig het aan art. 6, derde lid, onder c, EVRM ontleende recht op rechtsbijstand de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het politieverhoor aangaande zijn vermeende betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Vooralsnog geldt de consultatie van een advocaat – behoudens zich hier niet voordoende gevallen – niet tijdens dat verhoor.

16. De vraag die in de onderliggende zaak wordt opgeworpen is of de onderhavige situatie – dat verzoeker weliswaar voorafgaand aan het verhoor met een piketadvocaat heeft gesproken, maar tijdens de consultatie aangeeft te willen spreken met zijn voorkeursadvocaat, waaraan geen gevolg wordt gegeven – binnen het bereik van het hierboven onder 15 omschreven consultatierecht valt. Ik meen van niet. In zowel Europese rechtspraak3 als in rechtspraak van de Hoge Raad wordt gesproken van consultatie van een raadsman, en niet van een voorkeursadvocaat. Vaststaat dat in de onderhavige zaak verzoeker voorafgaand aan het verhoor een piketadvocaat heeft kunnen raadplegen.4 Het gemotiveerde oordeel van het Hof dat het consultatierecht niet is geschonden getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk nu het consultatierecht niet tevens omvat het recht om een voorkeursadvocaat voorafgaand aan het politieverhoor te kunnen raadplegen. Daar het Hof – mijns inziens terecht – heeft geoordeeld dat van een schending van het consultatierecht in de onderhavige zaak geen sprake is, is de afwijzing van het verzoek om tot (ruimere) bewijsuitsluiting over te gaan naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.”

3.3. In onderhavige zaak is door de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2015, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, met betrekking tot de uitoefening van het consultatierecht het volgende naar voren gebracht:

“De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman betoogd dat:

1. er sprake is van een schending van artikel 38 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, nu de verdachte voorafgaande aan zijn verhoor bij de politie geen consult heeft gehad met zijn voorkeursadvocaat. Deze schending en het nadeel dat de verdachte daarvan heeft ondervonden dient verdisconteerd te worden in de straf(maat)”.

3.4. Het hof heeft hierover in zijn arrest als volgt overwogen:

“Ad 1.

Voor zover de raadsman met zijn betoog een beroep heeft willen doen op de zogenaamde "Salduz-jurisprudentie" stelt het hof vast dat het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte (pag. 13) blijkt dat de verdachte voorafgaande aan zijn verhoor bij de politie overleg heeft gevoerd met een advocaat en dat er derhalve geen sprake is van een schending van het consultatierecht van de verdachte. Dat deze advocaat niet zijn voorkeursadvocaat was, maakt dat niet anders en leidt in elk geval niet tot de conclusie dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het hof verwerpt het verweer.”

3.5. Het middel stelt blijkens de toelichting in de kern de vraag aan de orde of het hof terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, in het geval de verdachte de mogelijkheid is onthouden om voorafgaand aan zijn verhoor door de politie zijn voorkeursadvocaat te consulteren, als de verdachte wel consultatiebijstand heeft gehad van een piketadvocaat.

3.6. Uit de stukken van het geding kan worden opgemaakt dat het in de onderhavige zaak om het volgende gaat.

3.6.1. Op 9 mei 2015 omstreeks 06:05 uur is de verdachte aangehouden op verdenking van – kort weergegeven – gekwalificeerde diefstal. Het proces-verbaal van aanhouding, opgenomen op dossierpagina’s 10-12, meldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“De verdenking van de aangehouden verdachte valt onder de categorie B-zaken zoals genoemd in de Aanwijzing Rechtsbijstand Politieverhoor van het College van procureurs-generaal.

Ik, verbalisant [verbalisant], deelde de verdachte mee, dat hij:

- kosteloos recht heeft op consultatiebijstand door een advocaat voor de aanvang van het verhoor

- in plaats van een toegewezen advocaat een zelf gekozen advocaat mag consulteren, waarbij dit alleen kosteloos is als die advocaat deelneemt aan de piketregeling

- ook afstand kan doen van dat recht

De verdachte gaf aan een gekozen advocaat te willen consulteren.

Als naam van deze advocaat gaf de verdachte op mr. A20751, Tamas E.,
’s-Gravenhage.”

3.6.2. Op 9 mei 2015 om 12:32 uur vond het eerste verhoor van de verdachte plaatst. Het proces-verbaal van verhoor, opgenomen op dossierpagina’s 13-17, vermeldt dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor omstreeks 11:45 uur overleg heeft gevoerd met de advocaat mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen. Het proces-verbaal houdt daarover het volgende in:

“V: Je hebt geen afstand gedaan van het recht om voor je verhoor een onderhoud te hebben met je advocaat. Klopt dat?

A: Ik heb een onderhoud gehad met advocaat R. Kamphuis. Zij is niet mijn voorkeurs advocaat dat is Mr E. Tamas.”

3.6.3. Uit het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte] diezelfde dag, dat zich eveneens bij de gedingstukken bevindt5, kan worden opgemaakt dat dezelfde raadsvrouw, mr. Kamphuis, omstreeks 11:55 uur overleg heeft gevoerd met [medeverdachte], waaruit ik afleid dat de consultatiebijstand die verleend is aan de verdachte hooguit 10 minuten heeft geduurd.

3.6.4. Op 10 mei 2015 om 09:25 uur is de verdachte wederom gehoord. Het proces-verbaal van dit verhoor, opgenomen op dossierpagina’s 21-23 (nr. PL1500-2015139254-14) en waarvan een gedeelte door het hof voor het bewijs is gebruikt, vermeldt dat de verdachte in de tussentijd zijn advocaat heeft gesproken. Dat zou de indruk kunnen wekken dat de verdachte voorafgaand aan dit verhoor contact heeft gehad met mr. Tamas, maar de toelichting op het middel (ingediend door mr. Tamas) houdt in dat de verdachte voorafgaand aan dit verhoor niet zijn voorkeursadvocaat heeft geconsulteerd, zodat ik het ervoor houd dat in desbetreffend proces-verbaal gedoeld wordt op het consultatiegesprek dat met mr. Kamphuis heeft plaatsgevonden.

3.6.5. Op 11 mei 2015 is de verdachte door de rechter-commissaris gehoord op de vordering tot inbewaringstelling en in verband met de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling. Bij dat verhoor was mr. Tamas aanwezig als raadsman van de verdachte.

3.7. Voor de beoordeling van het middel is het in de eerste plaats van belang dat een verdachte op grond van art. 38 lid 1 Sv te allen tijde bevoegd is een of meer raadslieden te kiezen. Ten tijde van het verhoor van de verdachte op 9 en 10 mei 2015 was de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor van 15 februari 2010 van toepassing. 6 Deze aanwijzing hield, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Categorie B

Zaken betreffende misdrijven waarbij voorlopige hechtenis toegelaten is en die niet vallen onder categorie A.

(…)

Als de verdachte in A- en B-zaken consultatiebijstand wil ontvangen van een gekozen en door hemzelf betaalde raadsman, meldt de politie dat aan die raadsman. De politie kan dat slechts doen als de verdachte over voldoende gegevens beschikt om die raadsman te kunnen bereiken. Als de gekozen raadsman niet direct bereikt kan worden of deze aangeeft niet binnen twee uur op het politiebureau te kunnen zijn, doet de politie vervolgens direct een melding aan de piketcentrale. Vanaf die melding geldt de termijn van twee uur voor de komst van de raadsman. Bij de melding aan de piketcentrale c.q. de gekozen raadsman geeft de politie door in welke categorie de zaak valt.”

3.8. Het recht van een verdachte op bijstand van een door hem gekozen raadsman is voorts neergelegd in art. 6 lid 3 onder c EVRM. De Grote Kamer van het EHRM overwoog daarover in de hiervoor aangehaalde uitspraak in de zaak Dvorski tegen Kroatië onder de kop ‘General principles’ het volgende:

“76. The Court reiterates that, even if the primary purpose of Article 6 of the Convention, as far as criminal proceedings are concerned, is to ensure a fair trial by a “tribunal” competent to determine “any criminal charge”, it does not follow that the Article has no application to pre-trial proceedings. Thus, Article 6 – especially paragraph 3 thereof – may be relevant before a case is sent for trial if and so far as the fairness of the trial is liable to be seriously prejudiced by an initial failure to comply with its provisions. As the Court has already held in its previous judgments, the right set out in Article 6 § 3 (c) of the Convention is one element, among others, of the concept of a fair trial in criminal proceedings contained in Article 6 § 1 (see Imbrioscia v. Switzerland, 24 November 1993, §§ 36 and 37, Series A no. 275, and Salduz v. Turkey [GC], no. 36391/02, § 50, ECHR 2008).

77. The Court has held that in order to exercise his right of defence, the accused should normally be allowed to have the effective benefit of the assistance of a lawyer from the initial stages of the proceedings because national laws may attach consequences to the attitude of an accused at the initial stages of police interrogation which are decisive for the prospects of the defence in any subsequent criminal proceedings (see Salduz, cited above, § 52). The Court has also recognised that an accused often finds himself in a particularly vulnerable position at that stage of the proceedings, and in most cases this can only be properly compensated for by the assistance of a lawyer, whose task is, among other things, to help to ensure that the right of an accused not to incriminate himself is respected (ibid., § 54; see also Pavlenko v. Russia, no. 42371/02, § 101, 1 April 2010).

78. In such circumstances, the Court considers it important that from the initial stages of the proceedings, a person charged with a criminal offence who does not wish to defend himself in person must be able to have recourse to legal assistance of his own choosing (for more detailed reasoning see Martin v. Estonia, no. 35985/09, §§ 90 and 93, 30 May 2013). This follows from the very wording of Article 6 § 3 (c), which guarantees that “[e]veryone charged with a criminal offence has the following minimum rights: ... to defend himself ... through legal assistance of his own choosing ...”, and is generally recognised in international human rights standards as a mechanism for securing an effective defence to the accused. The Court emphasises that the fairness of proceedings requires that an accused should be able to obtain the whole range of services specifically associated with legal assistance (see Dayanan v. Turkey, no. 7377/03, § 32, 13 October 2009, and paragraph 110 below).

79. Notwithstanding the importance of the relationship of confidence between a lawyer and his client, this right is not absolute. It is necessarily subject to certain limitations where free legal aid is concerned and also where it is for the courts to decide whether the interests of justice require that the accused be defended by counsel appointed by them (see Croissant v. Germany, 25 September 1992, § 29, Series A no. 237-B). The Court has consistently held that the national authorities must have regard to the defendant’s wishes as to his or her choice of legal representation, but may override those wishes when there are relevant and sufficient grounds for holding that this is necessary in the interests of justice (ibid., § 29; see also Meftah and Others v. France [GC], nos. 32911/96, 35237/97 and 34595/97, § 45, ECHR 2002‑VII; Mayzit v. Russia, no. 63378/00, § 66, 20 January 2005; Klimentyev v. Russia, no. 46503/99, § 116, 16 November 2006; Vitan v. Romania, no. 42084/02, § 59, 25 March 2008; Pavlenko, cited above, § 98; Zagorodniy v. Ukraine, no. 27004/06, § 52, 24 November 2011; and Martin, cited above, § 90). Where such grounds are lacking, a restriction on the free choice of defence counsel would entail a violation of Article 6 § 1 together with paragraph 3 (c) if it adversely affected the applicant’s defence, regard being had to the proceedings as a whole (ibid., § 31; see also Meftah and Others, cited above, §§ 46-47; Vitan, cited above, §§ 58-64; Zagorodniy, cited above, §§ 53-55; and Martin, cited above, §§ 90-97).

80. Moreover, having regard to the considerations mentioned above, as the Court affirmed in its Salduz judgment, in order for the right to a fair trial to remain “practical and effective”, Article 6 § 1 requires that, as a rule, access to a lawyer should be provided from the first interrogation of a suspect by the police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there are compelling reasons to restrict this right. Even where compelling reasons may exceptionally justify denial of access to a lawyer, such a restriction – whatever its justification – must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6. The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during police questioning without access to a lawyer are used for a conviction (see Salduz, cited above, § 55-57 and see also Panovits v. Cyprus, no. 4268/04, § 66, 11 December 2008).

81. Unlike in Salduz, where the accused, held in custody, had been denied access to a lawyer during police questioning, the present case concerns a situation where the applicant was afforded access to a lawyer from his first interrogation, but not – according to his complaint – a lawyer of his own choosing. In contrast to the cases involving denial of access, the more lenient requirement of “relevant and sufficient” reasons has been applied in situations raising the less serious issue of “denial of choice”. In such cases the Court’s task will be to assess whether, in the light of the proceedings as a whole, the rights of the defence have been “adversely affected” to such an extent as to undermine their overall fairness (see, for example, Croissant, cited above, § 31; Klimentyev, cited above, §§ 117-118; and Martin, cited above, §§ 96-97).

82. It is the latter test which is to be applied in the present case. Against the above background, the Court considers that the first step should be to assess whether it has been demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there were relevant and sufficient grounds for overriding or obstructing the defendant’s wish as to his or her choice of legal representation. Where no such reasons exist, the Court should proceed to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings. In making its assessment, the Court may have regard to a variety of factors, including the nature of the proceedings and the application of certain professional requirements (see Meftah and Others, cited above, §§ 45-48, and Martin, cited above, § 90); the circumstances surrounding the designation of counsel and the existence of opportunities for challenging this (ibid., §§ 90-97); the effectiveness of counsel’s assistance (see Croissant, cited above § 31, and Vitan, cited above §§ 58-64); whether the accused’s privilege against self-incrimination has been respected (see Martin, cited above, § 90); the accused’s age (ibid., § 92); and the trial court’s use of any statements given by the accused at the material time (see, for example, Croissant, cited above, § 31, Klimentyev, cited above, §§ 117-118; and Martin, cited above, §§ 94-95). It is further mindful that the Convention is intended to guarantee rights that are practical and effective and not theoretical and illusory (see, among many other authorities, Airey v. Ireland, 9 October 1979, § 24, Series A no. 32; Imbrioscia, cited above, § 38; Goddi v. Italy, 9 April 1984, § 30, Series A no. 76; and Salduz, cited above, § 55) and that in determining Convention rights one must frequently look beyond appearances and concentrate on the realities of the situation (see, inter alia, Delcourt v. Belgium, 17 January 1970, § 31, Series A no. 11; De Jong, Baljet and Van den Brink v. the Netherlands, 22 May 1984, § 48, Series A no. 77; Pavlenko, cited above, § 112; and Erkapić v. Croatia, no. 51198/08, §§ 80-82, 25 April 2013). In cases where the accused had no legal representation, the Court also took into consideration the opportunity given to the accused to challenge the authenticity of evidence and to oppose its use (see Panovits, cited above, § 82), whether the accused is in custody (Salduz, cited above, § 60); whether such statements constituted a significant element on which the conviction was based and the strength of the other evidence in the case (Salduz, cited above, § 57; and Panovits cited above, §§ 76 and 82).

3.9. In hoofdlijnen komen de uitgangspunten die het EHRM zijn arrest in de zaak Dvorski formuleert erop neer dat:

- vanaf het begin van een strafvervolging de verdachte aan art. 6 lid 3 onder c EVRM het recht kan ontlenen om zich te laten bijstaan door een raadsman naar eigen keuze (§ 78);7

- dit recht echter niet absoluut is en mag worden ingeperkt als daarvoor voldoende gronden zijn in het belang van de rechtspleging (§ 79);

- indien er geen gegronde redenen zijn de vrije advocatenkeuze te beperken, dit een schending van art. 6 lid 3 onder c EVRM met zich meebrengt indien de verdachte daardoor in zijn verdediging is geschaad, hetgeen moet worden beoordeeld aan de hand van de procedure in zijn geheel (§ 79);

- de toets die in een dergelijk geval moet worden aangelegd minder streng is dan in het geval de verdachte helemaal geen bijstand heeft gehad van een advocaat, namelijk dat er “relevant and sufficient” gronden moeten zijn om niet tegemoet te komen aan de advocatenkeuze van de verdachte (§ 81).8

3.10. Voor de beoordeling van de vraag of het recht van de verdachte op vrije advocatenkeuze is geschonden introduceert het EHRM in § 82 een twee-stappen- toets:

1. Zijn er gelet op de specifieke omstandigheden van het geval voldoende relevante gronden om de keuze van de verdachte zich door een bepaalde advocaat te willen laten bijstaan niet te honoreren?

2. Als daarvan geen sprake is, dan zal de “overall fairness” van de procedure moeten worden getoetst waarbij onder andere de volgende factoren kunnen worden meegewogen:

- de aard van de procedure en daarmee samenhangende professionele vereisten (van de raadsman neem ik aan);

- de omstandigheden waaronder de advocaat is toegewezen en de mogelijkheden van de verdachte om hier bezwaar tegen te maken;

- de effectiviteit van de rechtsbijstand;

- of het nemo tenetur beginsel is gerespecteerd;

- de leeftijd van de verdachte;

- het gebruik voor het bewijs van de verklaring die de verdachte heeft afgelegd terwijl hij geen bijstand heeft gehad van de door hem gekozen advocaat;

- de mogelijkheden van tegenspraak tegen het aangevoerde bewijs en de rol van het andere bewijs bij de veroordeling.

3.11. In de zaak van Dvorski heeft het EHRM vastgesteld dat de ouders voor Dvorski een advocaat hadden gekozen die zich ook bij de politie had gemeld, maar dat de politie Dvorski daarover niet had geïnformeerd. Dvorski werd bijgestaan door een toegevoegde advocaat. De grond de advocaat die zijn ouders hadden gekozen niet toe te laten, namelijk dat hij geen machtiging bij zich had om Dvorski bij te staan, overtuigt het EHRM niet omdat volgens het Kroatische strafproces een verdachte ook mondeling een advocaat de opdracht kan geven hem in een strafproces bij te staan. Uit het dossier blijkt verder dat er geen andere rechtvaardiging was om Dvorski niet te informeren over de door zijn ouders benaderde advocaat, waardoor Dvorski in feite bijstand door een advocaat van zijn eigen keuze moest ontberen. Het EHRM beantwoordt de eerste vraag van de stappen-toets dan ook in negatieve zin: er waren geen relevante en toereikende gronden om Dvorski’s recht op vrije advocatenkeuze in te perken (§ 94-99).

3.12. Uit de vervolgoverwegingen komt naar voren hoe gedetailleerd EHRM te werk gaat bij de beoordeling van de tweede stap, namelijk of of Dvorski’s proces doordat hij zich niet heeft kunnen laten bijstaan door een advocaat van zijn eigen keuze oneerlijk is geweest, waarbij het EHRM alles afwegend tot de conclusie komt dat er sprake is van een schending van art. 6 lid 3 onder c EVRM:

“103. Turning next to the question whether the resulting restriction on the applicant’s exercise of his informed choice of lawyer adversely affected the fairness of the proceedings as a whole, the Court notes at the outset that the applicant’s statement to the police was used in convicting him, even though it was not the central platform of the prosecution’s case (see, by contrast, Magee v. the United Kingdom, no. 28135/95, § 45, ECHR 2000‑VI). It is also true that the trial court viewed his statement in the light of the complex body of evidence before it (compare Bykov v. Russia [GC], no. 4378/02, § 103, 10 March 2009). Specifically, in convicting the applicant, the trial court relied on the statements of a number of witnesses cross-examined during the trial, numerous expert reports and the records of the crime-scene investigation and searches and seizures, as well as relevant photographs and other physical evidence. In addition, the trial court had at its disposal the confessions made by the applicant’s co-accused at the trial, and neither the applicant nor his co-accused ever argued that any of their rights had been infringed when they had made those statements.

104. Nor did the applicant ever complain during the criminal proceedings that the lawyer M.R. had failed to provide him with adequate legal advice. Furthermore, in her closing arguments at the trial, the applicant’s representative asked the court – in the event of its rejecting her client’s plea of not guilty – to take into consideration in sentencing the applicant his confession to the police and his sincere regret (see paragraph 47 above).

105. As to the manner in which M.R. was chosen to represent the applicant, the Court refers to Article 177 § 5 of the Code of Criminal Procedure, which requires that an accused should first be invited to hire a lawyer of his or her own choosing (see paragraph 60 above). Only where the lawyer initially chosen by a suspect is unable to attend police questioning within a certain period of time should a replacement lawyer be chosen from the list of duty lawyers provided to the competent police authority by the county branches of the Croatian Bar Association. However, there is no conclusive evidence in the documents submitted to the Court as to whether these procedures were followed in the applicant’s case. The Court finds it unfortunate that the procedures used and decisions taken were not properly documented so as to avoid any doubts raised about undue pressure in respect of the choice of lawyer (see, mutatis mutandis, Martin, cited above, § 90, and Horvatić v. Croatia, no. 36044/09, §§ 80-82, 17 October 2013).

106. The Court notes that the record of the applicant’s questioning by the police indicates that M.R. arrived at the police station at around 7.45 p.m. on 14 March 2007 and that the questioning of the applicant commenced at 8.10 p.m. (see paragraph 21 above). There is no indication of the exact time when the applicant and M.R. actually commenced the consultation, nor is there any explanation of why that information was not provided in the record of the questioning. The Court notes also that the statement from D.H., the Rijeka County State Attorney, indicates that M.R. talked to the applicant in private for about ten minutes (see paragraph 25 above). The judgment of the Rijeka County Court indicates that M.R. came to the police station at 7.45 p.m. and that the questioning started at 8.10 p.m. (see paragraph 50 above). This was confirmed in the judgment of the Supreme Court (see paragraph 54 above). In the Court’s view, without speculating as to the effectiveness of the legal assistance provided by M.R., this period appears to have been relatively short, bearing in mind the scope and seriousness of the accusations, involving three counts of aggravated murder and further counts of armed robbery and arson. Regard should also be had in this context to the requirement in Article 6 § 3 (b) that an accused should be afforded adequate time and facilities for the preparation of his or her defence.

107. G.M. would already have been available to assist the applicant in the morning, long before the questioning started, and was a lawyer whom the applicant knew from a previous case. Had he been informed by the police of G.M.’s presence and had he actually chosen G.M. to represent him, the applicant would have had considerably more time to prepare himself for the questioning.

108. In this connection, the Court again underlines the importance of the investigation stage for the preparation of the criminal proceedings, as the evidence obtained during this stage determines the framework in which the offence charged will be considered at the trial (see Salduz, cited above, § 54), and emphasises that a person charged with a criminal offence should already be given the opportunity at this stage to have recourse to legal assistance of his or her own choosing (see Martin, cited above, § 90). The fairness of proceedings requires that an accused should be able to obtain the whole range of services specifically associated with legal assistance. In this regard, counsel has to be able to secure without restriction the fundamental aspects of that person’s defence: discussion of the case, organisation of the defence, collection of evidence favourable to the accused, preparation for questioning, support for an accused in distress and checking of the conditions of detention (see Dayanan, cited above, § 32).

109. Where, as in the present case, it is alleged that the appointment or the choice by a suspect of the lawyer to represent him has influenced or led to the making of an incriminating statement by the suspect at the very outset of the criminal investigation, careful scrutiny by the authorities, notably the national courts, is called for. However, the reasoning employed by the national courts in the present case in relation to the legal challenge mounted by the applicant concerning the manner in which his confession had been obtained by the police was far from substantial. Neither the trial court nor the investigating judge nor any other national authority took any steps to obtain evidence from G.M. or the police officers involved in order to establish the relevant circumstances surrounding G.M.’s visit to Rijeka Police Station on 14 March 2007 in connection with the applicant’s questioning by the police. In particular, the national courts made no real attempt to provide reasons supporting or justifying their decision in terms of the values of a fair criminal trial as embodied in Article 6 of the Convention.

110. In these circumstances, having regard to the purpose of the Convention, which is to protect rights that are practical and effective (see Lisica v. Croatia, no. 20100/06, § 60, 25 February 2010), the Court is not convinced that the applicant had an effective opportunity to challenge the circumstances in which M.R. had been chosen to represent him during police questioning.

111. In determining whether, taking the criminal proceedings as a whole, the applicant received the benefit of a “fair hearing” for the purposes of Article 6 § 1, the Court must have regard to the actions of the police in effectively preventing the applicant, at the very outset of the investigation, from having access to the lawyer chosen by his family and from freely choosing his own lawyer, and to the consequences of the conduct of the police for the subsequent proceedings. In the abstract, if a suspect receives the assistance of a qualified lawyer, who is bound by professional ethics, rather than another lawyer whom he or she might have preferred to appoint, this is not in itself sufficient to show that the whole trial was unfair – subject to the proviso that there is no evidence of manifest incompetence or bias (see Artico v. Italy, 13 May 1980, § 33, Series A no. 37). In the instant case, it can be presumed that the consequence of the police’s conduct was that in his very first statement to the police, instead of remaining silent, as he could have done, the applicant made a confession, which was subsequently admitted in evidence against him. It is also significant that during the investigation and ensuing trial the applicant did not subsequently rely on his confession, save by way of mitigation in relation to the sentence, but took the first opportunity, before the investigating judge, to contest the manner in which the confession had been obtained from him by the police (see paragraph 23 above). Although there was other evidence against him, the significant likely impact of his initial confession on the further development of the criminal proceedings against him cannot be ignored by the Court. In sum, in the Court’s view, the objective consequence of the police’s conduct in preventing the lawyer chosen by the applicant’s family from having access to him was such as to undermine the fairness of the subsequent criminal proceedings in so far as the applicant’s incriminating initial statement was admitted in evidence.

(e) Conclusion

112. The Court has found that the police did not inform the applicant either of the availability of the lawyer G.M. to advise him or of G.M.’s presence at Rijeka Police Station; that the applicant, during police questioning, confessed to the crimes with which he was charged and that this confession was admitted in evidence at his trial; and that the national courts did not properly address this issue and, in particular, failed to take adequate remedial measures to ensure fairness. These factors, taken cumulatively, irretrievably prejudiced the applicant’s defence rights and undermined the fairness of the proceedings as a whole.

113. The Court therefore finds that in the circumstances of the present case there has been a violation of Article 6 §§ 1 and 3 (c) of the Convention.”

3.13. Wat aan de belangenafweging van het EHRM in het kader van de tweede stap opvalt is, dat niettegenstaande de omstandigheid dat er naast Dvorski’s bekennende verklaring overvloedig ander bewijs aanwezig was en Dvorski ook niet geklaagd had over de kwaliteit van de bijstand van de aan hem toegevoegde advocaat, het EHRM toch tot het oordeel komt dat Dvorski geen eerlijk proces heeft gehad. Daarbij besteedt het hof ook aandacht aan de effectiviteit van de bijstand door de toegevoegde advocaat door in te gaan op de duur van de consultatiebijstand (10 minuten) die Dvorski heeft gehad, hetgeen het EHRM, gelet op de aard van de beschuldiging (meervoudige moord) toch wel kort voorkomt. Doorslaggevend is echter kennelijk geweest dat er geen goede gronden waren aan de zijde van de politie om Dvorski de mogelijkheid te onthouden te kiezen voor de door zijn ouders aangezochte advocaat, die hem al in eerdere procedures had bijgestaan. Wat in ieder geval uit de overwegingen van het EHRM naar voren komt is dat de rechter, ten overstaan van wie een dergelijk verweer wordt gevoerd, grondig onderzoek moet doen naar de vraag of de beperking van het recht op bijstand door een gekozen advocaat gerechtvaardigd kan worden.

3.14. Dan zal ik om deze beschouwing compleet te maken nog ingaan op de huidige regeling met betrekking tot de vrije advocatenkeuze in de fase van het politieverhoor. De aanwijzing die van toepassing was ten tijde van het verhoor van de verdachte in onderhavige zaak is per 1 maart 2017 vervallen in verband met de inwerkingtreding van de Wet van 17 november 2016, houdende implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294).9

3.15. Sinds 1 maart 2017 luidt artikel 28b Sv, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Indien een kwetsbare verdachte of een verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, is aangehouden, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand onverwijld van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.

2. Indien een verdachte die is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, desgevraagd rechtsbijstand wenst, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand hiervan onverwijld in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.”

3.16. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot voormelde wet van 17 november 2016 houdt omtrent art. 28b Sv, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De verdachte kan er ook voor kiezen om – in plaats van een aangewezen en door de overheid bekostigde raadsman – voor zijn consultatiebijstand en verhoorbijstand gebruik te maken van de diensten van een gekozen en door hemzelf betaalde raadsman. Daarin voorziet de tweede volzin van het eerste en tweede lid. In dat geval wordt door de politie contact opgenomen met die raadsman. Aanwijzing van een raadsman van overheidswege kan in dergelijke gevallen alleen achterwege blijven wanneer blijkt dat de gekozen raadsman of een door hem aangezochte vervanger tijdig beschikbaar zal zijn. (…) Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat onder gekozen raadsman in dit verband dus een door de verdachte zelf betaalde raadsman wordt verstaan. Wanneer de verdachte de raadsman niet zelf betaalt, wordt van overheidswege een raadsman aangewezen. De verdachte kan daarbij een voorkeur voor een bepaalde advocaat aangeven.”10

3.17. Voorts houdt de nota naar aanleiding van het verslag, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De aan het woord zijnde leden vroegen of de inspanningsverplichting van de politie om contact op te nemen met de raadsman van de verdachte ook duidelijke begrenzingen kent, gelet op de mogelijke (on)bereikbaarheid van de raadsman, wat deze begrenzingen zijn en wat de processuele gevolgen zijn die verbonden kunnen zijn aan de inspanningen van de politie op dit punt. Ik ga ervan uit dat deze leden met hun vragen doelden op gevallen waarin de verdachte zich door een door hem gekozen en betaalde raadsman wil laten bijstaan, in plaats van door een voor hem op te roepen piketadvocaat. Ik kan bevestigen dat op de politie in die gevallen een inspanningsplicht rust om deze raadsman te bereiken. Wanneer dat niet lukt, of wel lukt maar duidelijk is dat die raadsman of een vervanger niet tijdig beschikbaar zal zijn, wordt alsnog een piketadvocaat opgeroepen. De verdachte kan daardoor ook van rechtsgeleerde bijstand profiteren wanneer de door hem gekozen advocaat niet beschikbaar is. Beoordeling of de politie zich voldoende moeite heeft getroost om de gekozen raadsman te bereiken is uiteindelijk aan de rechter. Tot processuele gevolgen zal een oordeel dat de politie zich onvoldoende moeite heeft getroost, niet behoeven te leiden in gevallen waarin de verdachte in plaats daarvan alsnog door een piketadvocaat is bijgestaan.” 11

3.18. Gelet op de hiervoor aangehaalde overwegingen in de Dvorski-zaak valt het te betwijfelen of de laatste zin van voormeld citaat gelet op de benadering van het EHRM in de Dvorski-zaak juist is. Ik meen van niet. Indien moet worden vastgesteld dat de politie zich onvoldoende moeite heeft getroost de raadsman van eigen keuze van de verdachte in te schakelen, dan zal de rechter in ieder geval naar aanleiding van de door het EHRM uiteengezette twee-stappen-test in de Dvorski-zaak moeten nagaan of daardoor het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden, in zijn uitspraak van dat onderzoek blijk moeten geven en moeten motiveren of dit al dan niet processuele gevolgen moet hebben. De bijstand van een toegevoegde piketadvocaat is op zichzelf onvoldoende om een schending van het recht op vrije advocatenkeuze gecompenseerd te achten.

3.19. Terugkerend naar de bespreking van het middel in deze zaak, leid ik uit het vorenstaande af dat in een zaak als de onderhavige, waar de verdachte is aangehouden op verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, op de politie de plicht rust om zich in te spannen om de door de verdachte gekozen raadsman te bereiken. Ten aanzien van het op 1 maart 2017 in werking getreden art. 28b Sv volgt dat uitdrukkelijk uit de wetsgeschiedenis, maar mijns inziens gold dat uitgangspunt ook onder de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor die van toepassing was ten tijde van de aanhouding van de verdachte. Een andere uitleg zou immers de in art. 38 lid 1 Sv neergelegde bevoegdheid van de verdachte om een raadsman te kiezen illusoir maken. Tot slot kan deze inspanningsverplichting ook uit de Dvorski-zaak worden afgeleid. De enkele omstandigheid dat de politie zich niet heeft ingespannen om de door een verdachte gekozen raadsman te bereiken kan immers moeilijk worden aangemerkt als “relevant and sufficient grounds for overriding or obstructing the defendant’s wish as to his or her choice of legal representation”.

3.20. Uit de stukken van het geding kan niet worden opgemaakt dat de politie voorafgaand aan de verhoren van de verdachte op enig moment contact heeft gezocht met mr. Tamas dan wel dat op andere wijze is getracht mr. Tamas op de hoogte te brengen van de keuze van de verdachte. Daarom meen ik dat het er in de onderhavige zaak voor moet worden gehouden dat aan verdachtes keuze van een raadsman door de politie geen gevolg is gegeven.

3.21. Het oordeel van het hof komt er in de kern op neer dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv omdat de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor heeft kunnen overleggen met een piketadvocaat. Die overweging getuigt naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat de verdachte is bijgestaan door een andere advocaat doet er immers niet aan af dat aan het recht van de verdachte op rechtsbijstand van een door hem gekozen raadsman is tekortgedaan.

3.22. Gelet op het vorenstaande is het middel terecht voorgesteld. Naar mijn mening hoeft dit echter niet tot cassatie te leiden en wel om de volgende redenen.

3.23. Zoals hiervoor besproken leidt volgens het EHRM het niet honoreren van het recht op vrije advocatenkeuze slechts tot een schending van art. 6 lid 3 onder c EVRM als de verdachte daardoor in zijn verdediging is geschaad. Het EHRM past hierbij een minder strenge toets toe, dan wanneer er sprake is van een schending van het recht op toegang tot een advocaat, waarbij de verdachte helemaal niet de gelegenheid is geboden voorafgaand aan het eerste politieverhoor een raadsman te consulteren.12 Als dat laatste het geval is, heeft de Hoge Raad in zijn Salduz-jurisprudentie bepaald dat indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dit in beginsel een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv oplevert, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen. Van de verdediging is in dat geval geen nadere toelichting vereist waarom het verzuim zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting.13

3.24. Gaat het echter om een schending van het recht op vrije advocatenkeuze, dan mag in lijn met het arrest van het EHRM in de Dvorski-zaak van de verdediging worden verlangd dat indien zij bepleit dat aan dit vormverzuim consequenties moet worden verbonden, zij gemotiveerd aangeeft welk nadeel het vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv voor de verdediging heeft gehad.14 In het onderhavige geval is weliswaar met een beroep op art. 359a Sv strafvermindering bepleit, maar over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en daardoor veroorzaakte nadeel is ter terechtzitting in hoger beroep niets aangevoerd. Daar komt bij dat ik aan de hand van de gedingstukken ook niet kan vaststellen in hoeverre de verdachte, doordat hij op 9 en 10 mei 2015 geen bijstand heeft gehad van de door hem gekozen advocaat, daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. De verdachte heeft op 10 mei 2015 tegenover de politie bekend dat hij betrokken is geweest bij het wegslepen van de caravan en heeft hierin, in het bijzijn van zijn gekozen raadsman mr. Tamas, tijdens zijn verhoor op 11 mei 2015 bij de rechter-commissaris volhard. Die bekentenis heeft hij ook op de zitting in eerste aanleg, wederom in bijzijn van zijn gekozen raadsman, op 20 mei 2015 herhaald. Het verweer van de verdachte is erop gericht geweest dat er geen sprake was van diefstal, omdat het zou gaan om een gedumpte caravan die aan niemand toebehoorde.

3.25. De stelling, die voor het eerst in de toelichting op het middel onder punt 5 naar voren wordt gebracht, dat indien de verdachte vanaf zijn aanhouding bijstand had gehad van zijn voorkeursadvocaat, hij gewezen had kunnen worden op zijn zwijgrecht en de procedure een andere wending zou hebben kunnen nemen omdat hij dan bij gebrek aan bewijs had kunnen worden vrijgesproken is niet alleen tardief, maar gelet op het overige bewijs dat zich bij de gedingstukken bevindt15 ook niet erg overtuigend. Daarbij speelt nog mee dat er vanwege de schending van een vormvoorschrift zoals bedoeld in art. 359a Sv geen bewijsuitsluiting van de bekennende verklaringen van de verdachte is bepleit, maar verzocht is om strafvermindering. Ik meen dan ook dat het hof uiteindelijk, niet anders had kunnen doen dan het verweer verwerpen.16

3.26. Het middel faalt.

4. Het tweede middel klaagt dat het hof een in hoger beroep gevoerd verweer strekkende tot vrijspraak ten onrechte, althans niet, onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

4.1. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 09 mei 2015 te Delft tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tourcaravan (merk Chateau, kenteken [AA-00-BB]), toebehorende aan [betrokkene].”

4.2. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 mei 2015 verklaard -zakelijk weergegeven-:

In de nacht van 9 mei hebben wij die caravan weggehaald. We hebben de caravan weggehaald van een dumpplaats waar caravans staan. Toen we de caravan zagen hebben we die aan de auto gehangen en zijn we weg gereden. Er zat inderdaad nog iemand in de caravan.

De plek waar we de caravan hebben meegenomen is een algemene dumpplek. Ik heb er eigenlijk niet op gelet of de caravan een kentekenplaat had.

2. Een proces-verbaal aangifte d.d. 9 mei 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015139254-1 (pag. 4 t/m 6). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 9 mei 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene]:

Op 9 mei 2015 bevond ik mij in mijn caravan van het merk Chateau, voorzien van kenteken [AA-00-BB], waarvan ik eigenaar ben. Deze stond geparkeerd te Delft. Ik voelde dat mijn caravan werd vastgekoppeld aan een auto die begon te rijden. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 9 mei 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015139254-14 (pag. 21 t/m 23). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 10 mei 2015 afgelegde verklaring van verdachte:

Toen we in Delft langs het industrieterrein reden zagen we daar opeens een caravan staan. De caravan stond open. Ik grapte dat we die mee zouden kunnen nemen. Het was samen ons idee om de caravan mee te nemen. Voordat ik het wist waren we de caravan aan het vastkoppelen aan mijn auto. We zijn weggereden richting Wassenaar via de A13.”

4.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2015 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman betoogd dat:

(…)

2. A. verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde nu het wederrechtelijk handelen van de verdachte niet kan worden bewezen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het door de verdachte weggenomen goed een res nullius/res derelicta”.

4.4. Het hof heeft hierover in zijn arrest het volgende overwogen:

“Ad 2.

A. Uit het proces-verbaal aangifte (pag. 4 en 5) blijkt dat de door de verdachte en zijn medeverdachte weggenomen caravan in eigendom toebehoorde aan [betrokkene]. Het hof ziet geen redenen om verdachte te volgen in zijn stelling dat hij ervan uit mocht gaan dat de caravan aan niemand toebehoorde. Immers, de eigenaar van de caravan bevond zich in de caravan, de caravan was voorzien van een kentekenplaat en stond op een niet openbaar terrein.

Gelet voorts op de verklaring van de verdachte tegenover de politie (pag. 22) is het hof van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zich de caravan wederrechtelijk toe te eigenen en verwerpt het verweer.”

4.5. Aan het middel, zo begrijp ik de toelichting, ligt ten grondslag dat de verwerping van het door de raadsman gevoerde verweer niet zonder meer begrijpelijk en toereikend gemotiveerd is, omdat de caravan zich bevond op een dumpplaats voor voertuigen en caravans, de caravan niet was geregistreerd bij de RDW en zich in het strafdossier – naast de aangifte – geen bescheiden bevinden met betrekking tot de eigendom van de caravan.

4.6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de raadsman daar een beroep heeft gedaan op de omstandigheid dat de caravan niet zou zijn geregistreerd bij de RDW of de omstandigheid dat zich in het strafdossier geen bescheiden bevinden met betrekking tot de eigendom van de caravan. In zoverre stuit het middel mijns inziens reeds af op de regel dat in cassatie geen beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden waaromtrent door het hof niets is vastgesteld en waarvan niet blijkt dat daarop in feitelijke aanleg een beroep is gedaan. Deze omstandigheden laat ik dan ook bij de verdere bespreking van het middel buiten beschouwing.

4.7. Art. 310 Sr luidt als volgt:

"Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie."

4.8. Uit deze bepaling volgt dat het goed dat wordt weggenomen aan iemand anders moet toebehoren, wil sprake zijn van diefstal. Een goed dat aan niemand toebehoort, is niet voor diefstal vatbaar: diefstal van een res nullius (en het daaronder vallende res derelicta) is dus uitgesloten. 17 De enkele omstandigheid dat een goed onbeheerd is achtergelaten, brengt echter nog niet met zich dat de eigenaar de eigendom van het goed heeft opgegeven.18 Of een goed is afgedankt en het toebehoren dus is opgegeven staat er (meestal) niet op vermeld. Daarom komt het bij de beantwoording van de vraag of een goed aan niemand toebehoort in de meeste gevallen aan op de uiterlijke verschijningsvorm.19

4.9. Als het niet zonder meer duidelijk is dat een goed (nog) aan een ander toebehoort, kan zich bovendien de situatie voordoen dat degene die het goed heeft weggenomen het verweer voert dat hij meende dat het goed niet (meer) aan een ander toebehoorde en hij dus niet het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had. Dat zal tot vrijspraak dienen te leiden, tenzij de verdachte bijvoorbeeld op grond van de staat waarin of de omstandigheden waaronder hij het goed heeft aangetroffen, moet hebben beseft dat het goed aan een ander toebehoorde.20

4.10. In het onderhavige geval heeft het hof geoordeeld dat de weggenomen caravan toebehoorde aan [betrokkene], dat het geen redenen zag om de verdachte te volgen in zijn stelling dat hij ervan uit mocht gaan dat de caravan aan niemand toebehoorde alsmede dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Dat oordeel geeft mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, alleen al omdat [betrokkene] zich blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in de caravan bevond toen deze door de verdachte en de medeverdachte werd weggenomen. De enkele omstandigheid dat de caravan zich volgens de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte op een dumpplaats bevond, doet naar mijn mening aan het vorenstaande niet af. Het hof heeft immers vastgesteld dat, zoals in cassatie onbestreden is, de caravan op een niet openbaar terrein stond.

4.11. Het middel faalt.

5. De middelen falen en het tweede middel kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ten aanzien van het eerste middel verzoek ik de Hoge Raad in het belang van de rechtsontwikkeling en de rechtspraktijk in te gaan op de vraag of het oordeel van het hof, gelet op het arrest van het EHRM in de Dvorski-zaak, getuigt van een juiste rechtsopvatting. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit arrest en bijbehorende conclusie waren niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl, maar dat is op mijn verzoek op 3 oktober 2017 alsnog gebeurd.

2 HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349 m.nt. Schalken.

3 EHRM 27 november 2008, 36391/02 (Salduz vs. Turkije) en EHRM 24 september 2009, 7025/04 (Pishchalnikov v Russia).

4 Een belangrijk verschil tussen de zaak Pishchalnikov v Russia en de onderhavige zaak is dat de verdachte in Pishchalnikov in het geheel geen advocaat had kunnen raadplegen, terwijl verzoeker in casu deze gelegenheid wel degelijk heeft gekregen.

5 Proces-verbaal 9 mei 2015, Nummer PL1500-2015139254-7.

6 Stcrt. 2010, 4003.

7 Zie voor de brede uitleg die het EHRM hieraan geeft ook EHRM (Grote Kamer) 12 mei 2017, Simeonovi v. Bulgarije, no. 21980/04, par. 119: “(…) Consequently, Article 6 § 3 (c) of the Convention must be interpreted as also safeguarding the right of persons charged with an offence to be informed immediately of their right to legal assistance, irrespective of their age or specific situation and regardless of whether they are represented by an officially assigned lawyer or a lawyer of their own choosing.”

8 In het arrest staat letterlijk: “the more lenient requirement of “relevant and sufficient” reasons has been applied in situations raising the less serious issue of “denial of choice”.”

9 Stb. 2016, 475. Zie voor het vervallen van de aanwijzing ‘OM-beleid per 1 maart 2017 inzake bijstand door vertrouwenspersoon bij verhoor minderjarige en procedure bij afstand verhoorbijstand door minderjarige te vervanging van de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (2010A007, Stcrt. 2010, 4003) en het Beleid OM Raadsman bij verhoor per 1 maart 2016 (Stcrt. 2016, 8884) (die vervallen per 1 maart 2017)’, Stcrt. 2017, nr. 12009.

10 Kamerstukken II 2014/15, 34 157, nr. 3, p. 65-66.

11 Kamerstukken II 2015/16, 34 157, nr. 6, p. 45.

12 In de toelichting op het middel wordt onder 4. rechtsoverweging 21 van het EHRM in de Dvorski-zaak aangehaald waarin staat dat (ook) het onthouden van de rechtsbijstand van een door de verdachte gekozen advocaat op dezelfde voet als het onthouden van rechtsbijstand zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de door de verdachte afgelegde verklaringen. De steller van het middel haalt hier echter een passage aan uit de concurring opinion van de rechters Kalaydjieva, Pinto de Albuquerque en Turković die niet overeenkomt met de benadering van de Grote Kamer.

13 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1233, rov. 3.3.2. en 3.3.3.

14 HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Buruma, rov. 3.7.

15 Zo blijkt uit de aangifte van [betrokkene], die zich op 9 mei 2015 omstreeks 5.15 uur in Delft in zijn caravan bevond toen deze aan de auto werd gekoppeld, dat hij tijdens het rijden uit de caravan begon te schijnen met een lamp, dat de auto vervolgens stopte op de A13, waarop de caravan werd losgekoppeld en de auto wegreed. Daarbij zag [betrokkene] dat de auto een Volkswagen was, voorzien van het kenteken [CC-00-DD]. Deze auto werd door de politie omstreeks 5.50 uur in Leiden aangetroffen terwijl de verdachte achter het stuur zat. De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met de verdachte in de auto zat toen zij met de caravan in Delft wegreden, dat hij verrast was dat er nog iemand in de caravan zat en dat ze daarop zijn gestopt, de caravan hebben losgekoppeld en zijn weggereden.

16 Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:542, NJ 2015/357, m.nt. Keulen, rov. 2.4. Zie ook HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3550, NJ 2015/356, rov. 3.5.

17 HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5952, NJ 2013/216, en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3212.

18 S.E. Bartels & A.A. van Velten, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 5. Zakenrecht, Eigendom en beperkte rechten, Deventer: Wolters Kluwer 2017/111 (bijgewerkt tot 21 november 2016).

19 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (ECLI:NL:PHR:2013:1670, onder 3.7) voor HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:2308, en Noyon/Langemeijer/ Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 5 op art. 310 (bijgewerkt tot 15 mei 2015 door mr.dr. E.J. Hofstee). Vgl. HR 11 april 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB4447, NJ 1967/417, m.nt. Enschedé.

20 Vgl. HR 16 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD7720, en de conclusies van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8511, NJ 2008/625, en HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5952, NJ 2013/216. Zie ook HR 11 november 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC2188, NJ 1981/119, m.nt. Mulder.