Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1354

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/02137
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3133, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voortgezette handeling van poging tot zware mishandeling en poging tot zware mishandeling, art. 302.1 Sr. Verdachte is na een achtervolging door twee motoragenten klemgereden en is teneinde aan de staandehouding te ontkomen achteruit op een motoragent afgereden en vooruit op diezelfde agent ingereden, waarna de auto door politieagenten is beschoten. Middelen m.b.t. voorwaardelijk opzet bij verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij een agent, verwerping beroep op noodweer(exces), oordeel Hof over vuurwapengebruik i.h.l.v. de Ambtsinstructie en noodweersituatie agent en afwijzing verzoek tot nader onderzoek door NFI a.b.i. art. 315 Sv. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02137

Zitting: 21 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 april 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens primair impliciet subsidiair “de voortgezette handeling van poging tot zware mishandeling en poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het hof de verdachte ter zake van het primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van twee jaren en de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaarde dat:

“(bij ‘het achteruitrijden’)
hij op 08 november 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, rijdend in een auto, (terwijl hij, verdachte, snelheid vermeerderde) is afgereden op [verbalisant 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(bij ‘het vooruitrijden’)
hij op 08 november 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, rijdend in een auto, terwijl hij, verdachte, snelheid vermeerderde, is ingereden op [verbalisant 1] en vervolgens met de auto waarin verdachte reed [verbalisant 1] heeft geraakt ten gevolge waarvan [verbalisant 1] ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

3.2.

De bewezenverklaring steunt op de volgende in het arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1a. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 februari 2015 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Ik stond met mijn auto tussen de agenten in, in het midden van de Librije steeg te Rotterdam. Ik heb de auto in zijn achteruit gezet. Ik ben in een bocht naar achteren gegaan en op de hoek gestopt. De agent stond precies voor mij toen ik naar voren reed. Ik ben met slippende banden weggereden.

1b. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2016 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Op 8 november 2012 heb ik in de auto gereden. U heeft mijn verklaringen gelezen. Het is gegaan zoals het daar staat. Ik ben panisch voor mensen met een wapen en de politie en ik wilde niet stoppen. Ik wilde ontkomen aan een aanhouding. Ik ben niet gestopt. Ik ben gevlucht of weggereden voor de politie. Dat klopt. Ik ben om de agent heen gereden. Ik wilde wegkomen. Bij Vapiano ben ik de Librijesteeg achteruit uitgereden en daarna heb ik de auto stil gezet en daarna ben ik weggereden. Er is ook op de voorkant van de auto geschoten. Ik ben weggedoken en in één keer doorgereden. Ik kwam op de Meent.

1c. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 november 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17D0 2012532669-49. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 87 t/m 89):

als de op 9 november 2012 afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte] :
Op 8 november 2012 was ik bestuurder van de Skoda Fabia met het kenteken [AA-00-BB] . Toen ik bij het metrostation Oostplein was zag ik een politiecontrole. Ik ben toen voorbij gereden. Ik ben voor een stoplicht dat rood stond gestopt en zag toen in mijn binnenspiegel dat er twee motoren van de politie achter mij stonden. Ik begreep dat ik mee moest rijden. Ik begon te flippen. Ik wilde niet gecontroleerd worden. Ik ben weggereden met mijn auto. Ik zag dat er een motorrijder achter mij aan reed. Ik ben een steeg ingereden. Dat was bij restaurant Vapiano. Ik zag een motorrijder van de politie voor mij staan. Ik zag dat hij zijn motor zijwaarts in de steeg had staan. Ik kon niet verder. Als ik verder had moeten rijden moest ik hem aanrijden. Ik zag in mijn binnenspiegel dat er een motoragent mij van achteren naderde. Ik zag het zwaailicht van die motor. Ik heb toen mijn auto in zijn achteruit gezet en ben naar achteren gereden. Ik ben met mijn auto naar achteren gereden en ben op de Binnenrotte gestopt. Ik zag dat de motoragent naar mij toe kwam lopen. Ik zag dat hij zijn pistool in zijn handen hield. Ik reed toen nog achteruit. Ik ben toen naar voren gereden. Ik zag dat hij op de voorkant van mijn auto schoot. Ik zag dat die agent op de achterzijde van mijn auto heeft geschoten. Ik ben niet gestopt en ben verder gereden in de richting van de Meent.
2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 november 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17D0 2012532669-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 23 t/m 25):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 1] :

Ik was op donderdag 8 november 2012 aanwezig tijdens mijn dienst bij een ANPR controle. Ik was daar met mijn herkenbare dienstmotor. Ik hoorde een melding met betrekking tot een bestuurder van een Skoda Fabia waarvan het kenteken met [AA] begon. Mijn collega [verbalisant 2] is met zijn motor achter de Skoda aangereden. Ik ben met mijn motor richting het Oostplein gereden. Ik ben de Goudsesingel opgereden en aangekomen bij de kruising met de Mariniersweg zag ik dat de Skoda via de stoep langs de auto's reed en het fietspad meepakte. Ik ben vervolgens achter de Skoda aangereden. Ik zag dat de Skoda stopte. Voordat ik de motor op een goede manier kon neerzetten, zag ik dat de Skoda opeens achteruit komt rijden. De Skoda kwam recht op mij af. Ik heb mijn wapen getrokken en geschoten richting de Skoda. Ik ben toen met mijn motor omgevallen. De bestuurder van de Skoda reed achteruit de Binnenrotte op. De Skoda stond met zijn voorzijde in de richting van de Meent. De Skoda stond op nog maar een paar meter afstand van mij. Halverwege het opstaan keek ik zo in de koplampen van die Skoda. Ik zag de Skoda op mij af komen rijden. Ik stond als enige daar op het wegdek en ik stond volop in de lampen van die Skoda. Ik voelde vervolgens dat ik door de voorkant van de Skoda werd geraakt. Ik voelde een hele harde dreun door mijn hele lichaam. Ik heb gezien dat de Skoda verder reed. Mijn collega [verbalisant 2] was er en ik riep "ga er dan achteraan".

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17P0 2012532669-18. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 37 t/m 39):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 2] :

Op 8 november 2012 was ik werkzaam bij de Verkeerspolitie Rotterdam-Rijnmond. Ik heb mij bij [verbalisant 1] gevoegd zodat er op de Mariniersweg twee motorrijders met optische en geluidssignalen achter de Skoda Fabia met het kenteken [AA-00-BB] aanreden. Ik zag dat de bestuurder van de Skoda Fabia geen aanstalten maakte om te stoppen. Ter hoogte van de Librijesteeg ben ik ter hoogte van het midden gestopt om te zien of het betreffende voertuig hierheen zou rijden. Ik zag vervolgens de koplampen van een voertuig de Librijesteeg in komen rijden. Ik zag vervolgens dat [verbalisant 1] , nog steeds met optische signalen, eveneens ter hoogte van de Librijesteeg stond. Wij stonden tegenover elkaar met één voertuig in het midden van deze straat. Ik zag dat het voertuig tot stilstand kwam en ik zag dat het voertuig vervolgens met hoge snelheid recht achteruit reed. Ik zag dat daar nog steeds mijn collega [verbalisant 1] stond. Hij was nog gezeten op de dienstmotorfiets. De optische signalen waren duidelijk waarneembaar. Gelet op de snelheid waarmee het voertuig achteruit reed ben ik ervan overtuigd dat mijn collega nooit tijdig kon wegkomen. Ik hoorde drie a vier knallen welke mij voorkwamen als het geluid van schoten. Ik zag genoemd voertuig niet tot stilstand komen en zag mijn collega [verbalisant 1] met zijn dienstmotorfiets op de grond vallen. Ik zag dat het de betreffende Skoda Fabia betrof. Ik zag vervolgens het voertuig, dat zijn verlichting aan had, enigszins in de richting van [verbalisant 1] rijden en vervolgens wederom met hoge snelheid wegrijden in de richting van de Meent. Ik ben hierop, hevig geschokt, naar mijn collega gereden. Deze lag luid kermend op het wegdek. [verbalisant 1] riep hevig geëmotioneerd en schreeuwend om door te gaan. Ik ben hierop wederom achter het voertuig aangereden. Gelet op de roekeloosheid waarmee de verdachte reed vormde hij ook hier een ernstig gevaar voor omstanders.

Het hof neemt uit bijlage II bij het vernietigde vonnis van de rechtbank de op het feit betrekking hebbende bewijsmiddelen genummerd 4, 5, 6 en 7 over.”

3.3.

De bewijsmiddelen onder de nummers 4 tot en met 7, zoals vermeld in bijlage II van het vernietigde vonnis van de rechtbank d.d. 10 maart 2015, houden in:

“4. Proces-verbaal van bevindingen, nummer PL17D0 2012532669-51, opgemaakt en op 9 november 2012 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , voor zover inhoudende als de verklaring van die verbalisant:
Op vrijdag 9 november 2012 heb ik de beelden bekeken, welke waren opgenomen door een camera van het appartementencomplex "de Hofdame" aan de Binnenrotte te Rotterdam. Ik zag het volgende met de daarbij behorende tijden op de digitale klok op de beelden:
-19:56:23:000: Ik zag dat het vierwielige voertuig achteruit reed in de Librijesteeg, in de richting van de Binnenrotte;
-19:56:25:000: Ik zag dat het politievoertuig tot stilstand kwam op de Binnenrotte ter hoogte van de Librijesteeg;
-19:56:25:130: Ik zag dat het achteruit rijdende vierwielige voertuig de Binnenrotte op reed in de richting van de Hoogstraat en passeerde hierbij het stilstaande politievoertuig aan de rechterzijde;
-19:56:30:370: Ik zag dat het tweewielig politievoertuig naar links naar het wegdek ging en op het wegdek terecht kwam.

5. Het rapport van de Verkeerspolitie Technische- en ongevallendienst nummer 2012 532669 - 57, opgemaakt en op 8 november 2012 ondertekend door de opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , voor zover inhoudende de bevindingen van die verbalisanten:
Tijdens het onderzoek aan de Skoda op de plaats van aantreffen een veegspoor op de rechter voorzijde van de motorkap en de voorspatscherm. Uit de vorm trokken wij de conclusie dat dit veegspoor is veroorzaakt door een hand.
Tevens troffen wij op het rechter voorspatscherm van de Skoda gele sporen aan welke visueel overeenkwamen met de kleur van de kleding van de bestuurder van de BMW.

6. Proces-verbaal verhoor getuige, nummer PL17D0 2012532669-55, opgemaakt en op 11 november ondertekend door opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige] :
Ik zag dat de auto heel hard achteruit reed. Ik zag ook een agent op de motor.De auto reed naar voren om de Binnenrotte op te rijden. Ik heb gezien dat de agent door de auto werd aangereden en dat hij tegen zijn been werd geraakt. Ik zag dat de auto de agent raakte met de rechtervoorzijde. Ik zag dat de agent op de grond terecht gekomen was en dat hij pijn had.

7. Het proces-verbaal verhoor getuige, nummer PL17D0 2012532669-54, opgemaakt en op 10 november ondertekend door opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2] :
Ik zag toen dat er een donker gekleurde personenauto in z'n achteruit de Librijesteeg uit kwam rijden. Ik zag dat de auto met de achterkant naar mij toe draaide en dus met de neus van de auto in de richting van de Meent kwam te staan. Ik kon toen ook zien dat de motoragent voor de auto ging staan. Ik zag toen dat de auto weer vooruit ging rijden. Ik zag dat de auto op de agent af reed. Ik hoorde dat de motor van de auto een hoog toerental maakte. Hieruit maak ik op dat de auto hard weg wilde rijden. Ik kon wel heel duidelijk zien dat de agent in het schijnsel van het licht van de auto stond. Ik zag toen dat de auto de agent raakte. Ik zag dat de auto met de rechter voorzijde de rechterzijde van de agent raakte.”

3.4.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder het kopje “Bewijsoverweging” als volgt overwogen (pag. 3):

“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota, het verweer gevoerd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat de verdachte, bij het achteruitrijden uit de Librijesteeg, de motoragent [verbalisant 1] niet heeft geraakt, dat verdachte met een tamelijk geringe snelheid achteruit reed en dat derhalve niet de aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook heeft de raadsman betoogd dat het onaannemelijk is dat de auto bij het vooruit rijden een aanzienlijke snelheid heeft behaald. Bovendien droeg agent [verbalisant 1] een motorpak en een motorhelm. Onder die omstandigheden kan niet worden gesproken over de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor bewezenverklaring van een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel moet komen vast te staan dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat als gevolg van zijn handelwijze agent [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Vaststaande feiten
Op 8 november 2012 heeft zich een hectisch incident voorgedaan dat zich na een heftige achtervolging in luttele seconden heeft afgespeeld en waarbij het de verdachte als enige doel voor ogen stond om weg te komen van de politieagenten.

De politie hield een zogeheten ANPR controle op de Boezemweg te Rotterdam. In verband met die controle wilden de politieagenten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] de verdachte staande houden. De verdachte leek aanvankelijk hieraan gehoor te geven, maar even daarna heeft de verdachte het teken tot volgen van de agenten genegeerd en is hij met zijn auto weggereden. De verdachte heeft verklaard dat hij bij het zien van (de) agenten 'flipt(e)' en dat hij daarom ook op 8 november 2012 per se weg wilde van de agenten. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben de verdachte per motor door de straten van Rotterdam achtervolgd. Nadat de verdachte de Librijesteeg is ingereden, hebben [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn weg geblokkeerd door zich ieder met hun dienstmotor aan weerszijden van de Librijesteeg op te stellen. [verbalisant 2] bevond zich - vanuit de positie van de verdachte bezien - aan de voorzijde van de auto waarin hij reed en [verbalisant 1] aan de achterzijde. De verdachte heeft de agenten op hun motoren gezien. Desondanks is de verdachte in de Librijesteeg met zijn auto achteruit gereden, in een bocht de Librijesteeg uitgereden en de Binnenrotte opgereden en is hij daarna vooruit in de richting van de Meent weggereden.

Is de verdachte met zijn auto ingereden op verbalisant [verbalisant 1] ?
(bij het 'achteruitrijden')
Op het moment dat de verdachte in de Librijesteeg werd geblokkeerd en hij zijn auto in de achteruit zette, bevond agent [verbalisant 1] zich aan de achterzijde van de auto van de verdachte. Uit de verklaring van agenten en getuigen blijkt naar het oordeel van het hof overtuigend dat de verdachte met enige snelheid achteruit is gereden en daarbij op [verbalisant 1] is afgereden. Niet kan worden vastgesteld of de auto van de verdachte [verbalisant 1] bij het achteruitrijden daadwerkelijk heeft geraakt. Hierover lopen de verklaringen uiteen en geeft technisch onderzoek geen uitsluitsel. Vast staat wel dat [verbalisant 1] kort na het achteruitrijden van de verdachte ten val is gekomen. De verdachte moet - mede gelet op de betrekkelijk smalle straat en gezien de foto's van de Librijesteeg in het dossier waarop te zien is waar de motor van [verbalisant 1] na de val lag - zeer dicht langs [verbalisant 1] heen zijn gereden. Het aldus met een personenvoertuig en met enige snelheid op een persoon (in casu de agent) afrijden - waarbij de verdachte aanvankelijk op de agent lijkt af te rijden, daarna afbuigt en daardoor op het laatste moment rakelings langs de agent rijdt en waarbij voorts de agent op een stilstaande motor zit en niet ogenblikkelijk aan de kant kan - levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dat die persoon zal worden geraakt en tevens dat deze alsdan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte heeft door aldus te handelen deze kans bewust aanvaard. Bij het achteruitrijden heeft de verdachte zich dus schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat niet is komen vast te staan dat de verdachte met de auto agent [verbalisant 1] heeft geraakt, doet daar niet aan af.

(bij 'het vooruitrijden')
Nadat de verdachte met zijn auto schuin achteruit de kruising tussen de Librijesteeg en de Binnenrotte is opgereden, is [verbalisant 1] ten val gekomen. [verbalisant 1] is opgestaan en direct voor de auto van de verdachte komen te staan. De verdachte heeft vervolgens hard opgetrokken, naar zijn eigen verklaring met slippende banden, en hij heeft agent [verbalisant 1] toen met de rechter voorzijde van zijn auto geraakt. Dit blijkt uit de verklaring van [verbalisant 1] , het forensische sporenonderzoek en de verklaring van getuige [getuige 2]. Door de aanrijding is [verbalisant 1] opnieuw ten val gekomen. De verdachte is vervolgens hard weggereden in de richting van de Meent.

Door aldus te handelen heeft de verdachte voor de tweede maal de aanmerkelijke kans aanvaard dat agent [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte heeft deze kans bewust aanvaard. Ook dit kwalificeert het hof als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel waarbij het hof meeweegt dat niet is komen vast te staan dat de verdachte met een zodanige snelheid heeft gereden dat te verwachten was dat de dood van agent [verbalisant 1] zou intreden.

Poging doodslag?
Hiervoor is reeds geoordeeld dat de verdachte met zijn handelen tweemaal een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft begaan. Anders dan de advocaat- generaal is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte met zodanige hoge snelheid heeft gereden dat sprake was van (voorwaardelijke)opzet op de dood van [verbalisant 1] . Weliswaar was het niet ondenkbaar dat [verbalisant 1] door het handelen van de verdachte het leven zou laten, maar niet kan worden vastgesteld dat de kans hierop aanmerkelijk was.
Conclusie
Het hof is - gelet op het vorenstaande- van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tweemaal poging tot zware mishandeling. Deze feiten staan in zodanig verband met elkaar dat het hof de beide feiten zal beschouwen als een voortgezette handeling.
Het hof verwerpt aldus de verweren van de raadsman.”

4 Het eerste middel

4.1.

Het eerste middel klaagt dat het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant [verbalisant 1] niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het middel spitst zich daarbij toe op de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling door het achteruit rijden van de verdachte.

4.2.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in het licht van het feit dat (i) de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 maart 2016 heeft verklaard dat hij om de agent is heengereden, (ii) de agent, [verbalisant 1] , bij die manoeuvre niet is geraakt en (iii) de snelheid bij die manoeuvre niet is vastgesteld terwijl het hof in zijn nadere bewijsoverweging voorts heeft overwogen dat de verdachte aanvankelijk op de agent lijkt af te rijden en daarna rakelings langs de agent rijdt, het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat agent [verbalisant 1] zou worden geraakt en daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen niet zonder meer begrijpelijk is.

4.3.

De vraag of de omstandigheid dat een verdachte die op iemand inrijdt, en vervolgens toch probeert voor die persoon uit te wijken – altijd - aan het bewijs van het voorwaardelijk opzet in de weg staat is in de jurisprudentie reeds eerder ontkennend beantwoord.1
Waar de steller van het middel aanvoert dat de omstandigheid dat de verdachte om de agent is heengereden, juist tot uitdrukking brengt dat hij de kans op letsel heeft willen vermijden, lijkt hij aansluiting te zoeken bij het standpunt van mijn ambtgenoot Vellinga in zijn conclusie voorafgaand aan HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888. De verdachte was in deze zaak in het donker met een auto met gedoofde lichten met toenemende snelheid recht op een politieagent af blijven rijden, waarbij hij op het laatste moment is uitgeweken. Het hof kwam tot een bewezenverklaring van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. AG Vellinga wees er in zijn conclusie op dat wie in het verkeer uitwijkt voor een ander, dat pleegt te doen om een aanrijding met die ander te voorkomen. Zelfs al heeft men zeer gevaarzettend gereden en de aanmerkelijke kans op een ongeval beseft, dan wijst uitwijken er op dat men niet wenst dat die kans werkelijkheid wordt en men ervan is uitgegaan dat deze kans zich niet zou realiseren, waarbij hij wijst op het oordeel van de Hoge Raad in het bekende Porsche-arrest.2 De Hoge Raad oordeelde in zijn arrest van 15 januari 2008 echter dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat de verdachte met zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de politieagent zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, ook niet in het licht van de verklaring van de verdachte dat hij naar links is uitgeweken omdat hij de agent niet wilde raken, nu dit uitwijken eerst geschiedde toen de verdachte vlak voor het slachtoffer was.3

4.4.

Nu het hof in de onderhavige zaak heeft vastgesteld dat de verdachte in een betrekkelijk smalle straat met enige snelheid achteruit is gereden en daarbij op agent [verbalisant 1] is afgereden waarna hij is afgebogen en daardoor rakelings langs de agent is gereden die zich op een stilstaande motor bevond, welke vaststelling wordt ondersteund door het gegeven dat [verbalisant 1] kort na dit achteruit rijden ten val is gekomen,4 is zijn oordeel dat er naar algemene ervaringsregels sprake is van de aanmerkelijke kans dat de agent zou worden geraakt en daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen terwijl de verdachte die kans door aldus te handelen voorts ook heeft aanvaard, onjuist noch onbegrijpelijk en voorts voldoende gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat niet is vastgesteld met welke exacte snelheid de verdachte achteruit is gereden, nu uit de bewijsmiddelen genoegzaam volgt dat de verdachte de vaart er behoorlijk in had, terwijl die omstandigheid ook goed past bij hetgeen de verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, inhoudende dat hij begon te flippen toen hij de politie zag en wilde ontkomen aan een aanhouding.

4.5.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel bevat de klacht dat het hof het beroep op noodweer en noodweerexces onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. In het bijzonder heeft het hof verzuimd voldoende gemotiveerd te beslissen op het verweer dat het meerdere malen schieten op de auto van de verdachte disproportioneel moet worden geacht, dan wel dat in casu noodweer tegen noodweerexces mogelijk is.

5.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 maart 2016 hebben de verdachte en diens raadsman het woord gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, in:

“Noodweer c.q. noodweerexces
21. Indien u niettemin tot een bewezenverklaring zou komen meent de verdediging dat cliënt een geslaagd beroep toekomt op noodweer c.q. noodweerexces.

22. Zowel bij het achteruit- als het vooruit rijden is de auto van cliënt beschoten. Aan zowel de voor- als achterzijde van de Skoda is een tweetal kogelinslagen geconstateerd. Aan de voorzijde geldt dat een kogel is ingeslagen ter hoogte van de bovenkant van de motorkap. Op het moment dat deze kogel een aantal centimeters hoger was ingeslagen, was cliënt vrijwel zeker ernstig gewond geraakt. Er is aldus zonder meer sprake geweest van een ogenblikkelijke aanranding van cliënts lijf en goed.

23. De vraag is of deze ogenblikkelijke aanranding — die gelet op het aantal schoten en de locatie van de kogelinslagen — als poging doodslag gekwalificeerd moet worden ook wederrechtelijk was.

24. Recente uitspraken leren dat de normering van de toepassing van vuurwapengebruik door de politie zowel een juridisch en maatschappelijk heikel punt is en tot radicaal verschillende uitkomsten kan leiden.

25. Voorop moet worden gesteld dat artikel 7 van de ambtsinstructie geen grondslag biedt voor het vuurwapengebruik. Het gaat in de daarin omschreven gevallen immers om vuurwapengeweld dat wordt aangewend ter fine van een aanhouding ter zake een verdenking of veroordeling van ernstige misdrijven die een ernstige aantasting vormen van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of die door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving zijn of kunnen zijn. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake.

26. Het vuurwapengebruik van [verbalisant 1] zal dus moeten worden getoetst aan de criteria van noodweer en noodweerexces.

27. Zoals hiervoor is betoogd stond [verbalisant 1] bij het achteruitrijden weliswaar in de rijrichting maar niet in de rijbaan van de achteruitrijdende auto. Uit zijn verklaring blijkt dat hij vreesde aangereden te worden. Als al geloof moet worden gehecht aan deze verklaring dan berustte deze vrees op een verkeerde taxatie van de situatie. Client had op dat moment niet de intentie om [verbalisant 1] aan te rijden en had genoeg manoeuvreerruimte om hem te ontwijken, hetgeen ook is geschied. Niettemin besluit [verbalisant 1] te vuren op de achterkant van de auto. Nadat de auto, [verbalisant 1] gepasseerd en is en aldus van hem af beweegt, wordt er nog — minstens tweemaal — gericht geschoten. Als uw hof al zou oordelen dat hier sprake is van een (dreiging) van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dan is de verdediging, bestaand uit het tot tweemaal toe meerdere malen gericht schieten op (de auto van) cliënt disproportioneel. Mogelijk zou [verbalisant 1] een beroep op putatief noodweer of noodweerexces toekomen maar zulks maakt zijn handelen niet rechtmatig en maakt bovendien niet dat cliënt geen geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) zou toekomen. Noodweer tegen noodweerexces is immers mogelijk.

28. Tussenconclusie: het vuurwapengebruik van [verbalisant 1] vormde een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding van clients lijf en goed.

29. Client heeft zich tegen deze aanranding verdedigd door — kort gezegd — weg te duiken achter het stuur en weg te rijden zonder zich te bekommeren om de voor zijn auto bevindende [verbalisant 1] en in zoverre een aanrijding op de koop toe te nemen. Gelet op de ernst van de aanranding zoals hiervoor omschreven, meent de verdediging dat deze handelswijze de proportionaliteit- en subsidiariteitstoets kan doorstaan. Hem komt in zoverre een geslaagd beroep op noodweer toe. In geval van een bewezenverklaring voor het impliciet primair ten laste gelegde geldt dat cliënt moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging en indien een veroordeling zou volgen ter zake het impliciet subsidiair ten laste gelegde, geldt dat cliënt moet worden vrijgesproken daar (zware) mishandeling.

30. Indien u zou menen dat de toepasselijke grenzen zijn overschreden, komt cliënt een geslaagd beroep op noodweerexces toe nu die overschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

31. Bij beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk ‘onmiddellijk gevolg’ sprake is geweest, komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456). Dat cliënt bijzonder angstige momenten heeft beleefd op het moment dat hij werd beschoten is alleszins invoelbaar. Hij verklaart daar zelf over: ‘Ik was erg bang. Ik was echt aan het flippen. ’ (verklaring cliënt 9 november, blad 2).

32. Ook andere factoren dan de aanranding kunnen zeer wel bijdragen aan het aannemen van een hevige gemoedsbeweging (HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456). Als bijkomende omstandigheid geldt in casu dat de heeft de — kennelijk gewelddadige - dood van zijn vriend Fernandes cliënt bijzonder angstig gemaakt: ‘Na de dood van mijn goede vriend Fernandes ben ik zo verschrikkelijk bang voor alles en iedereen geworden dat ik nauwelijks buiten durf te komen. Ik ben bang dat de mensen die mijn vriend hebben vermoord mij ook zullen vermoorden.’

33. Kort en goed cliënt was al buitengewoon angstig. Het is daarom temeer invoelbaar dat in de gegeven situatie doodsangst zich van cliënt meester heeft gemaakt en dat hij zich onder die omstandigheden mocht verdedigingen zoals hij dat heeft gedaan.

34. Ook in het overzichtsarrest benadrukt de Hoge Raad de reeds bestaande jurisprudentie dat de omstandigheid dat de verdachte zich bewust was van het risico van een aanval geenszins impliceert dat de verdachte een beroep op noodweer(exces) verspeelt door zich in een situatie te begeven waar dat risico zich wellicht zou kunnen voordoen. Het onttrekken aan een staandehouding levert aldus niet een zodanige culpa in causa op, dat een beroep op noodweer(exces) om die reden niet kan slagen.”

5.3.

Het hof heeft ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezen verklaarde als volgt overwogen (pag. 6):

“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de pleitnota, bepleit dat artikel 7 van de ambtsinstructie geen grondslag biedt voor het vuurwapengebruik door de agent en dat aan de verdachte een geslaagd beroep toekomt op noodweer. Hiertoe heeft de raadsman betoogd - zakelijk weergegeven - dat agent [verbalisant 1] meer dan eens op de auto van de verdachte heeft geschoten, terwijl de verdachte met niet hoge snelheid achteruit en vooruit reed en enerzijds hij bij het achteruit rijden genoeg ruimte had en de agent niet heeft geraakt en anderzijds hij bij het vooruit rijden door de agent gericht is beschoten.

Het schieten van [verbalisant 1] is volgens de raadsman onrechtmatig en disproportioneel geweest. Het vuurwapengebruik door [verbalisant 1] vormde een ogenblikkelijke,
wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en goed. De verdachte heeft zich tegen deze aanranding verdedigd door weg te duiken achter het stuur en weg te rijden zonder zich te bekommeren om de zich (mogelijk) voor zijn auto bevindende [verbalisant 1] en heeft in zoverre een aanrijding op de koop toegenomen. De raadsman heeft betoogd dat dit handelen van de verdachte de proportionaliteit- en subsidiariteitstoets doorstaat.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Hij heeft er hierbij nog op gewezen dat het zich onttrekken aan een staandehouding niet een zodanige culpa in causa oplevert dat een beroep op noodweer(exces) om die reden niet kan slagen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden. Niet is aannemelijk geworden dat de verdachte de steeg in- en uit- is gereden (in overwegende mate) als reactie op het (dreigende) schieten op zijn auto door de agent.
Het hof overweegt daartoe dat de verdachte al achteruit is gaan rijden in de Librijesteeg nog voordat de agent is begonnen met schieten op de auto. Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte in de Librijesteeg in een vloeiende beweging met de auto naar achteren is gereden en, in een bocht, de Librijesteeg is uitgereden. Op de Binnenrotte is de verdachte alleen blijven staan om te kunnen schakelen. Onmiddellijk daarna is de verdachte op de Binnenrotte rechtdoor vooruit gereden. Dit rijgedrag van de verdachte duidt erop dat hem als zijn doel voor ogen stond koste wat kost weg te komen van de agent om aldus een aanhouding dan wel staandehouding te voorkomen, zoals dat bij de eerdere achtervolging ook al het geval was. Voor de verdachte is in zoverre van een situatie van een noodzakelijke verdediging als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht naar oordeel van het hof dan ook geen sprake geweest.

Met betrekking tot het schieten door agent [verbalisant 1] overweegt het hof in dit verband voorts als volgt. Het hof stelt voorop dat het hof met de raadsman van oordeel is dat artikel 7 van de ambtsinstructie geen grondslag biedt voor het vuurwapengebruik door de agent. Het hof is evenwel van oordeel dat agent [verbalisant 1] zich in een noodweersituatie heeft bevonden.

Immers, de verdachte is op 8 november 2012, al voorafgaand aan het incident, als een desperado met zijn auto er vandoor gegaan om aan de politie en een staandehouding te ontkomen. In zijn vlucht is de verdachte in de Librijesteeg achteruit gereden terwijl de motoragent achter hem stond en vervolgens ook vooruit weggereden terwijl de motoragent voor hem stond. Aldus heeft de verdachte voor de motoragent een noodweersituatie gecreëerd, zoals bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De motoragent kon in beide situaties er niet op vertrouwen dat de verdachte de auto (tijdig) zou doen stoppen of op voor hem voldoende veilige wijze zou afbuigen, mede gelet op het rijgedrag van de verdachte tijdens de achtervolging onmiddellijk voorafgaand aan het onderhavige incident. De verbalisant werd door het rijgedrag van de verdachte geconfronteerd met een (dreigende) ogenblikkelijke - en wederrechtelijke - aanranding waartegen hij zichzelf noodzakelijkerwijs mocht verdedigen. Het schieten door agent [verbalisant 1] betrof dus niet een wederrechtelijke aanranding van de verdachte. Nu de wederrechtelijkheid ontbreekt heeft de verdachte ook op deze grond zich niet in een noodweersituatie bevonden, zoals bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Andere feiten of omstandigheden die een beroep op noodweer rechtvaardigen zijn evenmin aannemelijk geworden. Nu geen sprake was van een noodweersituatie is ook het beroep op noodweerexces niet gegrond en wordt dit eveneens verworpen.”

5.4.

Het middel, dat zoals gezegd klaagt over de verwerping van het namens de verdachte gedane beroep op noodweer c.q. noodweerexces, voert in de toelichting daarop allereerst aan dat het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden omdat niet aannemelijk is dat de verdachte de steeg in- en uit is gereden als reactie op het dreigende schieten op zijn auto door de agent, onbegrijpelijk is in het licht van de verklaring van de verdachte zoals afgelegd bij de politie onder meer inhoudende:

“Ik zag dat de motoragent naar mij toe kwam lopen. Ik zag dat hij zijn pistool in zijn handen hield. Ik reed toen nog achteruit”.5

5.5.

De steller van het middel gaat er aan voorbij dat het hof ter motivering van voornoemd oordeel onder meer heeft overwogen dat de verdachte al achteruit is gaan rijden in de Librijesteeg nog voordat de agent is begonnen met schieten op de auto. In het proces-verbaal van aangifte6 heeft verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat, voordat hij de motor op een goede manier kon neerzetten, zag dat de Skoda opeens recht op hem af achteruit kwam rijden. Daarop heeft [verbalisant 1] zijn wapen getrokken en geschoten in de richting van de Skoda. De auto reed vervolgens achteruit de Binnenrotte op. De verklaring van de verdachte dat toen hij nog achteruit reed, hij zag dat de agent naar hem toe kwam lopen terwijl hij een pistool in zijn handen hield, past heel goed in die verklaring van verbalisant [verbalisant 1] terwijl die verklaring voorts wordt bevestigd door de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] . Laatstgenoemde heeft immers verklaard dat hij zag dat het voertuig van de verdachte recht achteruit reed naar de plek waar verbalisant [verbalisant 1] stond, terwijl hij daarna drie à vier schoten hoorde.7 De vaststelling van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de steeg in- en uit is gereden als reactie op het (dreigende) schieten op zijn auto is in het licht van voornoemde verklaringen dus geenszins onbegrijpelijk. In zoverre faalt het middel.

5.6.

Het middel klaagt voorts over de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat agent [verbalisant 1] zich in een noodweersituatie heeft bevonden. Ik begrijp het middel zo, dat het daartoe in de kern allereerst klaagt dat nu – zoals door het hof als uitgangspunt is genomen - artikel 7 van de Ambtsinstructie in de voorliggende zaak geen grondslag bood voor het vuurwapengebruik van de agent en voorts artikel 10a van de Ambtsinstructie door hem niet is nageleefd, in beginsel aan hem geen beroep op noodweer (meer) toekomt. Ten tweede klaagt het middel dat het hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat het schieten door de opsporingsambtenaar noodzakelijk en geboden was.

5.7.

Deze tweede klacht in het middel behoeft, strikt genomen, geen bespreking. De gewraakte overweging kan immers beschouwd worden als ten overvloede te zijn gegeven. Op de eerste door het hof genoemde grond, namelijk dat het handelen van de verdachte niet was veroorzaakt door enige aanranding van de kant van de agent stuit het beroep op noodweer reeds af. Daarin ligt immers besloten dat van de kant van de verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond, wat als een constitutief vereiste voor noodweer geldt.8 Niettemin bespreek ik ook de tweede klacht, vooral omdat deze een wat verder reikende strekking heeft.

5.8.

Voor de beoordeling van deze klacht in het middel zijn de volgende bepalingen, voor zover relevant, uit de Politiewet 2012 respectievelijk de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren van belang:

“Art. 3 Politiewet 2012:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven


Art. 7 Politiewet 2012:

1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf
(...)
5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.
(…)

Art. 9 Politiewet 2012:
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een ambtsinstructie voor de politie en voor de Koninklijke marechaussee vastgesteld.
(…)
3. In de ambtsinstructie worden regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 6 en 7.
(…)


Artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren:
1. Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:

a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;

b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en

2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;

d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt.

2. Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
4. Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 10a van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren:
1. De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.

2. Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden gegeven, dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.”

5.9.

Art. 41 lid 1 Sr bepaalt:

“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.”

5.10.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat indien een politieambtenaar geweld gebruikt bij de uitoefening van wettelijke bevoegdheden, dat geweldgebruik dient te voldoen aan de vereisten van art. 7 Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie 1994. Het geweldgebruik is dan gerechtvaardigd op grond van art. 42 Sr – de algemene strafuitsluitingsgrond bestaande uit (kort gezegd) een wettelijk voorschrift.9 Een beroep op artikel 41 lid 1 Sr is daarmee echter niet uitgesloten: ook daarop kan de politieambtenaar in voornoemde situatie een beroep doen. De samenloop met art. 42 Sr roept daarbij geen problemen op.10 De vraag of een politieambtenaar zich ook op art. 41 lid 1 Sr kan beroepen wanneer hij zich daarentegen niet op een wettelijke bevoegdheid kan beroepen ter rechtvaardiging van het geweldgebruik of wanneer het geweldgebruik niet aan de vereisten van de toepasselijke wettelijke bevoegdheid, bijvoorbeeld aan art. 7 Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie voldoet, moet (ook) bevestigend worden beantwoord.11

5.11.

Anders dan de steller van het middel aanvoert, betekent het voorgaande dus dat een beroep op noodweer door een politieambtenaar niet is uitgesloten indien de relevante bepalingen van de Ambtsinstructie niet zijn nageleefd. Daarbij heeft voorts te gelden dat de bepalingen uit de Ambtsinstructie, waaronder art. 7 en 10a, niet zonder meer beslissend zijn bij de beoordeling van een beroep op noodweer door een politieambtenaar in die zin dat zij daarbij beperkend zouden werken.12 Gelet op het voorgaande is het niet onbegrijpelijk dat het hof in zijn overwegingen niet nader is ingegaan op het niet-naleven van voornoemde bepalingen van de Ambtsinstructie door verbalisant [verbalisant 1] . Voor zover het middel daarover klaagt faalt het eveneens.

5.12.

Nu het hof, met de raadsman, van oordeel is dat art. 7 van de Ambtsinstructie geen grondslag vormde voor het vuurwapengebruik door de agent13, heeft het hof art. 41 lid 1 Sr toegepast en geoordeeld dat verbalisant [verbalisant 1] zich in een noodweersituatie heeft bevonden. Daartoe heeft het hof – kort gezegd - overwogen dat de verdachte, door in de Librijesteeg achteruit te rijden terwijl de motoragent achter hem stond en vervolgens vooruit te rijden terwijl laatstgenoemde voor hem stond, voor de motoragent een noodweersituatie heeft gecreëerd. Hij werd door het rijgedrag van de verdachte geconfronteerd met een (dreigende) ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen hij zichzelf noodzakelijkerwijs mocht verdedigen. Het handelen van de motoragent was naar het oordeel van het hof niet wederrechtelijk, zodat het schieten door de agent (dus) geen wederrechtelijke aanranding van de verdachte opleverde. Dat maakt dat de verdachte zich niet in een noodweersituatie heeft bevonden zoals bedoeld in art. 41 lid 1 Sr.14

5.13.

Het middel klaagt op dit punt dat het hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat het schieten door de opsporingsambtenaar noodzakelijk en geboden was. Het bepaalde in art. 7 lid 3 van de Ambtsinstructie brengt allereerst mee dat, ook al is voornoemde bepaling in de onderhavige situatie niet van toepassing, ook in overige gevallen waarin uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde oplevert, dat uitstel dient te prevaleren boven de verdediging en dit temeer geldt nu van de verdachte in de voorliggende zaak het kenteken van de door hem bestuurde Skoda Fabia was genoteerd, terwijl voorts het drie- of viermaal schieten niet proportioneel is geweest, aldus het middel.

5.14.

In zijn overzichtsarrest noodweer(exces) van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 m. nt. Rozemond, geeft de Hoge Raad een samenvattend overzicht van mogelijke aandachtspunten bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces), dat bij de beoordeling van zo een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. Ten aanzien van het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ heeft de Hoge Raad in voornoemd arrest het volgende overwogen:

Geboden door de noodzakelijke verdediging
3.5.1. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenaamde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.


Noodzaak van verdediging en onttrekkingsvereiste
3.5.2. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv optredend persoon - hier van belang zijn.

Verdediging moet geboden zijn
3.5.3. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist.”

5.15.

In het oordeel van het hof ligt mijns inziens besloten dat voor agent [verbalisant 1] geen reële en redelijke mogelijkheid heeft bestaan om zich aan de aanranding te onttrekken. Dat oordeel acht ik, gelet op de vaststellingen van het hof dat Librijesteeg een betrekkelijk smalle straat betreft en de verdachte met enige snelheid achteruit op [verbalisant 1] is afgereden, terwijl [verbalisant 1] zich bij het daarna vooruit rijden door de verdachte direct voor de auto bevond en de verdachte hem daarbij ook heeft geraakt, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd terwijl het voorts niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan doet het bepaalde in art. 7 lid 3 Ambtsinstructie niet af nu die bepaling – en daar wijst de steller van het middel zelf eveneens op – in de onderhavige zaak door het hof niet van toepassing is geacht.

5.16.

Het hof heeft vastgesteld dat agent [verbalisant 1] zich in een ‘noodweersituatie’ bevond. Het hof heeft derhalve overwogen dat de verdediging door [verbalisant 1] tegen de aanranding van de verdachte noodzakelijk is geweest. Hoewel de noodzakelijkheid van de verdediging betekent dat de aangerande zich mag verdedigen, hangt het vervolgens van de wijze van verdediging af of er in (rechtvaardigende) noodweer is gehandeld.15 Voor een geslaagd beroep op noodweer is immers ook vereist dat de noodzakelijke verdediging geboden is geweest. De gedraging als verdedigingsmiddel mag daarbij niet in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding.16 Zoals hiervoor onder 5.2 reeds bleek heeft de verdediging zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het meerdere malen gericht schieten op de auto van de verdachte disproportioneel moet worden geacht. Het hof heeft zich in zijn arrest echter niet uitgelaten over de vraag of de agent met dat handelen is gebleven binnen de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Die vaststelling is gelet op het voorgaande van belang voor het oordeel of agent [verbalisant 1] rechtmatig heeft gehandeld, waarbij ook de Garantenstellung een rol speelt. Het oordeel van het hof dat het schieten door agent [verbalisant 1] geen wederrechtelijke aanranding van de verdachte betrof, is naar mijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

5.17.

Gelet op het voorgaande is ook het vervolg van deze tweede klacht, namelijk dat het hof heeft verzuimd voldoende gemotiveerd te beslissen op het verweer dat in casu noodweer tegen noodweerexces mogelijk is indien wordt aangenomen dat agent [verbalisant 1] vanwege het aantal schoten in noodweerexces heeft gehandeld, op zichzelf genomen terecht.

5.18.

Echter, gelet op hetgeen ik onder 5.7 heb gesteld – de weerlegging van het beroep op noodweer berust in toereikende mate op een andere grond – kan de tweede klacht in het middel niet tot cassatie leiden. Het middel faalt derhalve.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt dat het hof het verzoek van de verdediging om door het Nederlands Forensisch Instituut onderzoek te laten verrichten naar de precieze momenten van schieten door de politiefunctionaris heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

6.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 maart 2016 heeft de verdediging het volgende verzoek gedaan:

“(…) De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
- (…)
- een brief van de raadsman d.d. 20 oktober 2015, inhoudende een verzoek tot het laten verrichten van nader onderzoek naar de momenten waarop aangever op de auto heeft geschoten;
- een schrijven van de advocaat-generaal aan de raadsman van de verdachte d.d. 18 maart 2016 en 25 maart 2016, inhoudende het bericht dat het dienstwapen niet meer beschikbaar is, dat de auto zou zijn gesloopt en de Binnenrotte en de Librijesteeg ten opzichte van 2012 volledig opnieuw zijn ingericht. De motor is nog wel aanwezig;
(…)
De raadsman kondigt aan een verzoek te willen doen tot aanhouding van de zaak teneinde nader onderzoek te laten verrichten voordat met het feitenonderzoek wordt aangevangen, zulks in het kader van een beroep op noodweer.
(…)
De raadsman draagt zijn op schrift gestelde pleitnotities voor waarin hij, zeer kort samengevat, verzoekt om aanhouding van de zaak en nader onderzoek door het NFI naar de momenten waarop de aangever heeft geschoten op de auto waarin de verdachte reed.
(…)”

6.3.

Het hof heeft onder de kop “Verzoek nader onderzoek NFI” de afwijzing van het verzoek als volgt gemotiveerd (pag. 8):

“De raadsman heeft verzocht door het NFI onderzoek te laten verrichten naar de precieze momenten van schieten. De raadsman heeft betoogd dat op basis van de voorhanden zijnde gegevens zoals die blijken uit het proces-verbaal forensische opsporing over de plaats van het aantreffen van de kogels en hulzen alsook de vastgestelde kogelinslagen en schootsbanen in combinatie met de rijbewegingen van de auto zoals te zien op de beelden, het mogelijk zou moeten zijn om een 3D-visualisatie van het incident te maken.

Het hof is hieromtrent van oordeel dat een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk is nu het hof zich voldoende voorgelicht acht, mede gelet op de inmiddels aan het dossier toegevoegde beelden van de beveiligingscamera van de Hofdame. Het hof wijst het verzoek derhalve af. Het hof voegt hieraan toe dat uit door de advocaat-generaal versterkte informatie is gebleken dat zowel de auto als het vuurwapen zijn vernietigd, waardoor van een dergelijk onderzoek ook geen toegevoegde waarde valt te verwachten.”

6.4.

Het hiervoor bedoelde verzoek is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv in verbinding met art. 315 lid 1 Sv en art. 415 lid 1 Sv. De maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Uit de overweging zoals weergegeven onder 6.3 blijkt dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd.

6.5.

Het middel voert in de toelichting daarop ten eerste aan dat het hof niet heeft gemotiveerd wat er op de beelden van de beveiligingscamera van de Hofdame te zien is, terwijl het hof voorts niet duidelijk heeft gemaakt dat voornoemde camerabeelden steunbewijs opleveren voor de verklaringen van de politieagenten dat de verdachte achteruit is gaan rijden voordat de agent begon te schieten. Ten tweede voert het middel aan dat de vernietiging van de auto en het wapen het hof aanleiding had moeten geven ter compensatie daarvan het verzoek toe te wijzen.

6.6.

Het verzoek van de verdediging strekte er blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2016 toe het beroep op noodweer nader te onderbouwen. De klacht dat het hof niet nader heeft gemotiveerd wat er op de camerabeelden van de Hofdame te zien is, mist feitelijke grondslag nu het hof onder meer bewijsmiddel 4 zoals vermeld in bijlage II van het vernietigde vonnis van de rechtbank d.d. 10 maart 2015 voor het bewijs heeft gebezigd, inhoudende een beschrijving van hetgeen verbalisant Blokzijl heeft waargenomen op de camerabeelden van appartementencomplex “de Hofdame” en het hof in de motivering van de afwijzing van het verzoek van de verdediging kennelijk het oog heeft gehad op die beschrijving. Uit voornoemde beschrijving van die camerabeelden blijkt onder meer dat er een auto achteruit reed in de Librijesteeg in de richting van de Binnenrotte, waarna daar ter hoogte van de Librijesteeg een politievoertuig tot stilstand kwam. Hoewel op de camerabeelden het schieten door verbalisant [verbalisant 1] niet is waargenomen, miskent het middel mijns inziens dat de camerabeelden de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] ondersteunen in die zin dat voordat hij zijn motor op een goede manier kon neerzetten, de Skoda recht op hem af kwam waarna hij zijn wapen heeft getrokken. Ik begrijp de motivering van het hof zo dat het zich, de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd, voldoende voorgelicht heeft geacht over het moment waarop het schieten heeft plaatsgevonden. Dat oordeel is gelet op de vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

6.7.

In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat, voor zover het hof in zijn oordeel omtrent de afwijzing van het verzoek mede heeft betrokken dat zowel de auto als het vuurwapen zijn vernietigd, die vernietiging voor het hof reden had moeten zijn ter compensatie daarvan het verzoek tot het doen van nader onderzoek door het NFI toe te wijzen. Nu het hof het verzoek van de verdediging heeft afgewezen op de grond dat nader onderzoek door het NFI niet noodzakelijk is omdat het hof zich voldoende voorgelicht heeft geacht, en die overweging de afwijzing van het verzoek zelfstandig kan dragen, moet de hiervoor bedoelde overweging mijns inziens slechts worden opgevat als een overweging ten overvloede.

6.8.

Het middel faalt.

7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1591, en HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888.

2 HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139, NJ 1997, 199 m.nt. ’t Hart.

3 HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888 (rov. 5.2).

4 Anders dan het middel aanvoert heeft het hof deze omstandigheid mijns inziens niet aangemerkt als een gedraging die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht was op de voltooiing van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In zoverre berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest.

5 Zie bewijsmiddel 1c.

6 Bewijsmiddel 2.

7 De stelling dat er bij het vooruitrijden 3 à 4 keer is geschoten, zoals in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, berust op een onjuiste lezing van de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] .

8 Overzichtsarrest noodweer(exces) van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 m. nt. Rozemond, onder 3.5.2.

9 Art. 42 Sr bepaalt: Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. In het verleden werd het beroep op de Ambtsinstructie ook wel onder art. 43 Sr, het ambtelijk bevel gebracht. Zie Knigge/Wolswijk, Het materiële strafrecht, 15e druk, p. 203 en P.H.S. van Rest, Het ambtelijk bevel als strafuitsluitingsgrond, diss. RU Groningen, Gouda Quint 1991, p. 43 e.v. en p.169. De Hullu, Materieel strafrecht, 6e druk, p. 337 spreekt van een vloeiende overgang tussen art. 42 en 43 sr.

10 Zie N. Rozemond, ‘Noodweer door de politie’, in: M.J. Borgers e.a. (red.), Politie in beeld. Liber amicorum Jan Naeyé, Nijmegen: WLP 2009, p. 275, alsmede – ten aanzien van samenloop met art. 43 Sr P.H.S. van Rest, a.w. (noot 8), p. 173.

11 Nota van Toelichting bij de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, p. 7. Zie ook N. Rozemond, ‘Noodweer door de politie’, in: M.J. Borgers e.a. (red.), Politie in beeld. Liber amicorum Jan Naeyé, Nijmegen: WLP 2009, p. 291. Zie voorts onder meer ook het Meta Hofman-arrest HR 1 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AB7537, NJ 1983, 468 m.nt. Van Veen.

12 Zie N. Rozemond, ‘Noodweer door de politie’, in: M.J. Borgers e.a. (red.), Politie in beeld. Liber amicorum Jan Naeyé, Nijmegen: WLP 2009, p. 291.

13 Of het hof dat terecht heeft aangenomen blijft hier zodoende buiten bespreking.

14 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 m.nt. N. Rozemond (rov. 3.4).

15 Zie ook Knigge/Wolswijk, Het materiële strafrecht, 15e druk, p. 193.

16 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 m.nt. N. Rozemond (rov. 3.5.3).