Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:135

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-01-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
15/02458
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:422, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende strafmotiveringsklacht. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/02351, 15/02409, 15/02848, 15/03375, 15/04787 en 16/00626.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02458

Mr. Machielse

Zitting 17 januari 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 13 mei 2015 het vonnis van de rechtbank Haarlem van 2 augustus 2012, waarbij verdachte voor: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar was veroordeeld, bevestigd. Wel heeft het hof wijzigingen aangebracht in de bewijsvoering en de strafmotivering van het vonnis vervangen.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat de motivering van de opgelegde straf onbegrijpelijk is. Het hof heeft de door de rechtbank opgelegde straf bevestigd maar heeft vermeld dat in de strafmotivering rekening is gehouden met de ouderdom van de zaak. Onbegrijpelijk is dat het hof daarom geen lagere straf heeft opgelegd of een nadere motivering van de strafoplegging heeft gegeven.

3.2. Het hof heeft de volgende strafmotivering in zijn arrest opgenomen:

“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid, te weten ruim 200.000 zogenoemde 2C-B pillen. 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenetylamine) staat op lijst I van de Opiumwet en is een voor de gezondheid van ersonen schadelijke stof. De hoeveelheid aangetroffen pillen was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 januari 2014 omtrent de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld. Voorts houdt het hof rekening met de gedateerdheid van het feit.

Het hof acht, evenals de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend en geboden.”

3.3. Uitgangspunt is dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is om de factoren die voor de straftoemeting relevant zijn te selecteren en te waarderen. Deze keuze en waardering kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Alleen wanneer de strafmotivering verbazing wekt zal er grond voor ingrijpen door de cassatierechter zijn.2

3.4. In de strafmotivering in hoger beroep ligt besloten dat het hof een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van de duur als door de rechtbank opgelegd, geboden achtte, niettegenstaande de ouderdom van de zaak.3 Ik wijs erop dat de overwegingen van het hof niet duiden op een schending van de redelijke termijn, maar hoogstens op de constatering dat het tijdsverloop in hoger beroep onwenselijk lang is geweest.4

Aan de strafmotivering door de appelrechter mag niet de eis worden gesteld dat deze rechter zich afzet tegen de strafoplegging in eerste aanleg, of zich daarover uitdrukkelijk uitlaat in het geval die straf in hoger beroep wordt bevestigd, mits de strafoplegging ook in hoger beroep toereikend is gemotiveerd. En dat is hier het geval.

Het middel faalt.

4. Het voorgestelde middel kan naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve merk ik op dat het cassatieberoep op 20 mei 2015 is ingesteld en dat de stukken eerst op 4 februari 2016 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Dat betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met 15 dagen is overschreden. Het betreft echter een grote zaak met 21 verdachten in hoger beroep. De tenlasteleggingen zijn per verdachte verschillend. Nader onderzoek is in de samenhangende zaken op verzoek van de verdediging nodig geweest. De behandeling van de zaken tegen verschillende verdachten heeft niet synchroon plaats kunnen vinden, gelet op de behoeften en organisatie per individuele zaak. Begrijpelijk is dat de uitwerking van de zaken veel tijd heeft gevergd en dat het hof uit efficiencyoverwegingen de dossiers intact wilde houden.5 Dat alles in aanmerking genomen kan naar mijn oordeel de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal vaststellen dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden en het cassatieberoep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De zaken nr. 15/02848 ([medeverdachte 1]), nr. 15/02351 ([medeverdachte 7]), nr. 15/2/4/2009 ([medeverdachte 2]), nr. 15/02458 ([verdachte]), nr. 15/03375 ([medeverdachte 4]), nr. 15/04787 ([medeverdachte 5]), nr. 16/00626 ([medeverdachte 6]), hangen samen. In al deze zaken wordt vandaag geconcludeerd.

2 HR 26 juni 1984, NJ 1985, 138; HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6218.

3 HR 24 februari 1987, NJ 1988, 540.

4 HR 18 maart 2003, nr. 01911/01 (niet gepubliceerd).

5 Zie bijv. HR 6 april 1999, NJ 1999, 633 m.nt. Knigge met betrekking tot het eerste cassatiemiddel, in samenhang met de conclusie van AG mr. Van Dorst.