Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1347

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-10-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
15/05507
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3125, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van schuldwitwassen. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:804. Falende middelen over 1. afwijzing (voorwaardelijk) verzoek deskundigenonderzoek te gelasten naar het bestaan van cognitieve stoornissen bij verdachte. 2. bewijsmotivering redelijkerwijs moeten vermoeden dat tlgd. geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. 3. afwijking uos m.b.t. medeplegen. 4. bewijs medeplegen in Liechtenstein en Duitsland. 5. grondslagverlating. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05507

Zitting: 31 oktober 2017 (bij vervroeging)

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 24 november 2015 voor: medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Bij arrest van 31 maart 2015 had de Hoge Raad het eerdere arrest van hetzelfde hof van 29 oktober 2013 vernietigd en de zaak teruggewezen naar dat hof.1

3. Verdachte heeft cassatie doen instellen tegen het arrest van 24 november 2015. Mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

4. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 29 juni 2009 tot en met 29 december 2009, in Nederland en te Liechtenstein en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen grote geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en van voornoemde geldbedragen de herkomst heeft verhuld, althans heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was, terwijl zij, verdachte redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

5.1. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om een deskundigenonderzoek te gelasten naar het bestaan van cognitieve stoornissen bij verdachte.

5.2. Het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"De raadsman heeft een beroep gedaan op het ontbreken van culpa en daartoe een neuropsychologisch rapport overgelegd van 12 september 2012, waaruit blijkt dat bij verdachte cognitieve stoornissen zijn vastgesteld en er sprake lijkt te zijn van ernstige interferentie in het dagelijks leven. Hieruit moet volgens de raadsman worden afgeleid dat er bij verdachte geen sprake meer kan zijn van nadenken overeenkomstig hetgeen de gemiddelde mens doet. Indien het hof van oordeel is dat het overgelegde rapport onvoldoende getuigt van dermate cognitieve stoornissen dat die culpa in de zin van de wet opheffen, dan wordt door de raadsman verzocht om een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden naar de vraag in hoeverre cognitieve stoornissen bij verdachte verhinderden dat zij onder de omstandigheden waaronder een en ander heeft plaatsgevonden, kon nadenken zoals van een gemiddeld mens verwacht mocht worden.

Het hof overweegt hierover het volgende. De tenlastegelegde handelingen zijn verricht in juli 2009. Het rapport dat door de raadsman is overgelegd dateert van september 2012. De omstandigheden die volgens het rapport aanleiding gaven tot het neuropsychologisch onderzoek dateren eveneens van ruim na de tenlastegelegde pleegdata. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier, met name niet uit de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd, op geen enkele manier dat verdachte zich ten tijde van de tenlastegelegde feiten niet bewust was van haar handelingen en van de gevolgen daarvan. Het hof acht het dan ook niet noodzakelijk om het door de raadsman verzochte deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden en wijst dit verzoek af."

5.3. Het verzoek van de verdediging betreft een verzoek als bedoeld in artikel 328 Sv om gebruik te maken van de in artikel 316 lid 2 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beslissing op zo'n verzoek is of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het hof heeft bij zijn beslissing tot afwijzing de juiste maatstaf toegepast.2 Dan rest slechts de vraag of de afwijzing van het verzoek begrijpelijk is gemotiveerd. Het hof heeft de afwijzing gemotiveerd door erop te wijzen dat op geen enkele wijze blijkt dat verdachte tijdens de bezoeken aan de banken zich niet bewust is geweest van haar handelingen en van de gevolgen daarvan. Dit oordeel vindt ook steun in de gebezigde bewijsmiddelen. Bij het bezoek aan de eerste bank, te Beek, voerde verdachte immers zelf het woord (bewijsmiddel 5, 12 en 13). Dat bij een onderzoek in augustus 2012 cognitieve stoornissen worden geconstateerd die passen bij een beginnende dementie hoefde het hof geen aanleiding te geven een onderzoek te gelasten als waarom is verzocht. Omdat de verdediging de nadruk legde op de mogelijkheid van cognitieve gebreken lag het voor de hand dat het hof, daarop aansluitend, heeft bezien of daarvoor ten tijde van het tenlastegelegde aanknopingspunten in het dossier te vinden waren. Zulke aanwijzingen heeft het hof in het dossier noch in het neuropsychologisch verslag dat de verdediging heeft verstrekt aangetroffen, zodat de redengeving van de afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk is.

Het eerste middel faalt.

6.1. Het tweede middel klaagt dat het hof op ontoereikende gronden heeft aangenomen dat er sprake was van culpa. De toelichting op dit middel verwijst naar de inhoud van de pleitnotities. De schriftuur somt nogmaals de argumenten op die de verdediging in hoger beroep heeft aangedragen ter ontkenning van de culpa.

6.2. Het hof heeft in een "Overweging met betrekking tot het bewijs" verwezen naar bewijsoverwegingen van de rechtbank. Uit die overwegingen blijkt dat op 9 juli 2009 een bedrag € 110.090 en op 15 juli 2009 een bedrag van € 110.000 afgeschreven is van een bankrekening van aangeefster naar de bankrekening van verdachte. Dat geld moest via een bankrekening in Liechtenstein weer beschikbaar komen voor een onbekende derde. Met betrekking tot de eerste overschrijving houden deze overwegingen in:

"[verdachte] verklaart dat haar zoon [betrokkene 1] haar in 2009 vroeg of hij geld van iemand mocht laten storten op haar bankrekening. Het geld kwam op de rekening van [verdachte] binnen en zij moest met haar bankpasje hef geld ophalen. De toenmalige vriendin van [betrokkene 1], [betrokkene 2], zou het geld komen ophalen. [verdachte] heeft [betrokkene 1] nog gevraagd of zij hier niet door in de problemen kon komen.

(...)

[betrokkene 2] verklaart dat zij door [betrokkene 1] is gevraagd om met [verdachte] naar de bank te gaan. [verdachte] zei bij de balie dat zij geld wilde overmaken. [betrokkene 3] heeft het geld samen met [verdachte] overgemaakt.

(...)

Getuige [betrokkene 4], bankmedewerkster bij de SNS bank te Beek, verklaart dat op 10 juli 2009 een oudere dame met een jonge vrouw en een man de bank inkwam. De oudere vrouw wilde van haar rekening een geldbedrag overboeken naar een buitenlandse rekening. De getuige kreeg toen een discussie met hen over de wijziging in de wijze van overboeken. De oudere vrouw was erg gehaast en ongerust en de jongere vrouw was ongedurig. De oudere vrouw zei dat geld moest worden overgemaakt naar een bankrekening in Liechtenstein, op naam van haar zoon in Dubai. [betrokkene 4] maakte de formulieren in orde. De oudere vrouw ondertekende de formulieren.

(...)

[verdachte] verklaart dat [betrokkene 3] anderhalve week na de eerste overboeking belde om te zeggen dat zij nog een keer geld over moest boeken. Omdat de bank in Beek hen niet kon helpen, zijn [verdachte] en [betrokkene 3] naar de bank in Maastricht gegaan. [verdachte] moest zich daar legitimeren, maar had geen paspoort bij zich. Zij heeft thuis alsnog haar paspoort opgehaald en daarna het formulier ondertekend.

Getuige [betrokkene 5], verkoopadviseur bij de SNS bank, kreeg op 21 juli 2009 een oudere vrouw en een man aan de balie van de SNS bank te Maastricht. De vrouw en de man waren boos omdat zij een groot bedrag over wilden boeken naar een buitenlandse rekening maar dat niet lukte. Ze waren al in een ander filiaal geweest en daar kon het niet omdat het via internet moest. Omdat het om een groot bedrag van € 109.000,- ging, zei [betrokkene 5] dat zij legitimatie wilde zien. [verdachte] is thuis haar paspoort gaan halen. Na terugkomst heeft [betrokkene 5] de papieren verder in orde gemaakt."

6.3. Aan deze overwegingen van de rechtbank heeft het hof nog het volgende toegevoegd:

"(...)

Ook neemt heeft het hof mee de verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank op 14 februari 2013 dat haar zoon [betrokkene 1] financiële problemen had en dat zij dacht hem te helpen, alsmede dat zij hem nog gevraagd heeft of ze er niet door in de problemen zou komen. Ten slotte slaat het hof acht op de verklaring van [betrokkene 4] dat de oudere vrouw zei dat er spoed was met de overboeking en dat haar zoon niet in de gelegenheid was om mee te komen.

(...)

De verklaring van verdachte, dat zij niet heeft geweten hoe hoog de geldbedragen waren die op haar rekening waren gestort, acht het hof niet geloofwaardig. Immers, op de door verdachte ondertekende formulieren stonden de geldbedragen van respectievelijk € 110.000,- en € 109.000,- in de kop vermeld op dezelfde pagina als waarop haar handtekening stond. Verder blijkt uit de verklaringen van de beide bankmedewerkers dat verdachte zich actief met de overschrijving van het geld bemoeide en daartoe ook deels het initiatief nam.

Het hof is van oordeel dat verdachte -zo zonder meer- had moeten vermoeden dat het om van misdrijf afkomstig geld ging. Dit blijkt ook uit de hiervoor opgenomen verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg. Het ging om grote geldbedragen, terwijl verdachte wist dat haar zoon financiële problemen had. Zij heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de herkomst van het geld: van wie het afkomstig was en voor wie en wat het geld uiteindelijk bestemd was. Door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 3] is geen valide reden gegeven voor het gebruik van haar bankrekening en verdachte heeft ook hier niet naar gevraagd."

6.4. Artikel 420quater Sr verlangt culpa, dat wil zeggen een min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid. Of daarvan kan worden gesproken hangt af van de omstandigheden van het geval. Als deze redelijkerwijs tot nader onderzoek nopen ligt het aannemen van culpa, bij het uitblijven van zo'n onderzoek, in het verschiet.3

6.5. Dat de rol van verdachte bij het overmaken van de grote bedragen naar een bankrekening in Liechtenstein groter was dan de verdediging het hof wilde doen geloven, heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Verdachte voerde het woord bij de bank en was de tweede keer boos omdat de bank weigerde zo een groot bedrag zonder legitimatie over te schrijven naar een buitenlandse bankrekening. Dat verdachte niet zou hebben geweten hoe hoog die geldbedragen waren die op haar rekening zijn gestort heeft het hof, mede op grond van deze gegevens, niet geloofwaardig kunnen achten. Het verwijt dat aan verdachte wordt gemaakt is dat zij zich te gemakkelijk heeft geleend voor het overmaken van geld naar een bankrekening in Liechtenstein die op naam stond van haar zoon die al in financiële moeilijkheden verkeerde. Ook die laatste omstandigheden gaven al te denken. Het geschuif met grote geldbedragen door iemand die in financiële moeilijkheden verkeert doet licht het vermoeden rijzen dat die bedragen worden onttrokken aan bijvoorbeeld het verhaal van schuldeisers of het beheer van een curator. Een blind vertrouwen in haar in financieel zwaar weer verkerende zoon is onder zulke omstandigheden absoluut niet gerechtvaardigd. Dat zij evenmin andere betrokkenen vragen heeft gesteld versterkt dit verwijt slechts.

Het hof heeft geen blijk gegeven van een onjuiste uitleg van het begrip culpa. De bewijsconstructie kan de bewezenverklaring dragen en het hof was daarom niet gehouden om op ieder onderdeel van de bestrijding van de culpa in te gaan.

Het middel faalt.

7.1. Het derde middel keert zich tegen het bewijs van het medeplegen. De veronderstelde mededaders hebben aan verdachte geen openheid van zaken gegeven, verdachte wist niet dat het geld van de bankrekening te Liechtenstein zou worden afgehaald en in Duitsland aan iemand anders zou worden overhandigd en verdachte had in tegenstelling tot de andere betrokkenen geen enkel financieel belang bij de gang van zaken. De rol van verdachte in het geheel was van ondergeschikt belang. De enkele verwijzing door het hof naar de inhoud van de bewijsmiddelen is onvoldoende om het door de verdediging uitgesproken onderbouwde standpunt te weerleggen.

7.2. Dat verdachte niet op de hoogte was van alle details met betrekking tot de overmakingen, de opname en de overdracht van de geldbedragen ligt eraan ten grondslag dat verdachte niet is veroordeeld voor een misdrijf van artikel 420bis Sr.

7.3. In de memorie van toelichting bij het voorstel tot strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven wordt als een typische vorm van witwassen genoemd het rondpompen van geld door veelvuldige overschrijvingen tussen verschillende rekeningen, dikwijls onderbroken door contante opnames.4 Witwassen kan zich dus uitstrekken over een langere periode en begaan worden op meerdere plaatsen. Ieder afzonderlijk onderdeel van de keten draagt bij aan het geheel, het verhullen van de criminele oorsprong van het voorwerp. Daarbij past dat in verschillende fasen telkens anderen worden ingeschakeld om een onderdeel van de witwas-keten voor hun rekening te nemen en dat de verschillende ingeschakelde personen zoveel mogelijk van elkaar worden afgeschermd, omdat anders de criminele herkomst van het goed te gemakkelijk zou kunnen worden blootgelegd. Degenen die werkzaam zijn in een aparte schakel van de keten zullen zich bewust zijn van hun rol in het totale proces, althans, voor zover het artikel 420quater betreft, dat redelijkerwijs moeten vermoeden. Ook al kunnen zij niet de gehele keten overzien, zij zullen zich ervan bewust (moeten) zijn dat zij slechts een onderdeel van het totaal voor hun rekening nemen en dat anderen in het voor- dan wel natraject hun aandeel hebben geleverd.

7.4. De Hoge Raad heeft geleerd dat de vraag of een bewezen bijdrage aan een misdrijf van voldoende gewicht is om als medeplegen te worden gekwalificeerd afhangt van de vaststellingen in ieder concreet geval. Daarbij kan ook de aard van het delict een rol spelen.5 In de onderhavige zaak heeft de verdachte als een van die schakels gefungeerd. Zij heeft haar bankrekening ter beschikking gesteld en is actief opgetreden om geldbedragen van onbekende herkomst door te sluizen naar een bankrekening te Liechtenstein. Haar bankrekening fungeerde als een van de tussenstations tussen enerzijds de bankrekening van aangeefster en anderzijds degene die uiteindelijk het geld in handen kreeg. Dit alles heeft het hof in de bewijsconstructie vastgesteld. Dat het hof deze bijdrage van verdachte als voldoende gewichtig heeft beschouwd in de keten van het wegsluizen en het verhullen van de herkomst van het geld geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is naar mijn oordeel evenmin onbegrijpelijk. Naar mijn oordeel is in de bewijsvoering redengeving te vinden voor de afwijking door het hof van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.6

Het middel faalt.

8.1. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat verdachte tezamen in vereniging met anderen te Liechtenstein en in Duitsland het culpoos witwassen zou hebben gepleegd, omdat voor een bijdrage van verdachte aan het witwassen in die landen in de bewijsvoering geen enkele steun is te vinden.

8.2. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt bij de bespreking van het derde middel en voeg daaraan nog het volgende toe. Kenmerkend voor medeplegen is de mogelijkheid van verspreiding van bestanddelen over de verschillende deelnemers. Zo kan de een verantwoordelijk worden voor hetgeen een ander doet, ook als de één niet aanwezig is bij het door de andere verrichten van diens bijdrage.7 Een delict als witwassen wordt er, zoals ik hiervoor al schreef, door gekenmerkt dat het kan bestaan uit een keten van gedragingen die door verschillende personen worden verricht op telkens andere plaatsen en andere tijdstippen. Door het medeplegen wordt de een verantwoordelijk voor het aandeel van de ander. Dat de één een bijdrage levert in Duitsland en verdachte in Nederland doet daaraan niet af.

Het middel faalt.

9.1. Ook het vijfde middel klaagt over het medeplegen. Een veroordeling van verdachte voor medeplegen zou niet te rijmen zijn met de vrijspraak van het onderdeel in de tenlastelegging dat de mededaders van verdachte wisten of redelijkerwijs moest vermoeden dat de tenlastegelegde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.

9.2. Het thans voorgestelde vijfde middel komt overeen met het tweede middel, waaraan de HR in zijn arrest van 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:804, niet is toegekomen, maar dat wel door mijn ambtgenote mr. Spronken in haar conclusie is besproken.8 Zij schreef daarin het volgende (inclusief voetnoten):

“12. Aan verdachte is primair tenlastegelegd:

“primair

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juni 2009 tot en met 29 december 2009, te Soest en/of 's-Hertogenbosch en/of Beek en/of Maastricht, althans in Nederland, en/of te Lanaken, althans in België, en/of te Liechtenstein, en/ofte Keulen, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen (een) voorwerp(en), te weten (een) (grote) geldbedrag(en) (in totaal 219.000 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van voornoemd(e) voorwerp(en) (geldhedrag(en)), gebruik heeft gemaakt, en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) (geldbedrag(en)), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd voorwerp(en) (geldbedrag(en)) was of wie voornoemd(e) voorwerp(en) (geldbedrag(en)) voorhanden had, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader (s) (telkens) wist(en), dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, althans terwijl zij (telkens) redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

13. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 29 juni 2009 tot en met 29 december 2009, in Nederland, te Liechtenstein en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen grote geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en van voornoemde geldbedragen de herkomst heeft verhuld, althans heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was, terwijl zij, verdachte redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

14. Het middel concentreert zich op het feit dat het hof uit de bewezenverklaring “terwijl zij, verdachte redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf” de woorden “en/of haar mededader (s)” heeft weggelaten. Daaruit wordt afgeleid dat het hof heeft vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat verdachtes mededaders wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat de ten laste gelegde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Door verdachte desalniettemin te veroordelen wegens medeplegen van schuldwitwassen zou het hof van een onjuiste rechtsopvatting zijn uitgegaan van het begrip ‘medeplegen’ in de zin van art. 47 Sr. Gesteld wordt dat het ontbreken van culpa bij alle overige mededaders van verdachte ertoe leidt dat er geen sprake meer kan zijn van bewuste samenwerking op het begaan van schuldwitwassen.

15. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat als sprake is van twee ‘medeplegers’ en bij één van hen het opzet op de oplichting ontbreekt, niet gesproken kan worden van bewuste samenwerking op het opzettelijk begaan van de oplichting en dus niet van medeplegen: “Nu oplichting slechts strafbaar is indien het vereiste opzet aanwezig is, leidt het ontbreken van dat opzet bij een van beiden ertoe dat niet gesproken kan worden van bewuste samenwerking op het opzettelijk begaan van de oplichting.” Kennelijk redeneert de steller van het middel, dat nu de vereiste culpa (het redelijkerwijs moeten vermoeden dat de bedragen afkomstig waren uit enig misdrijf) bij de mededaders ontbreekt en schuldwitwassen slechts strafbaar is indien dit vermoeden bij alle mededaders aanwezig is, er niet gesproken kan worden van medeplegen van schuldwitwassen.

16. Die redenering gaat mijns inziens om een aantal redenen niet op.

Om te beginnen geldt het uitgangspunt dat in het in de schriftuur aangehaalde arrest door de Hoge Raad wordt geformuleerd alleen voor doleuze delicten. Bij doleuze delicten dient het opzet behalve op de samenwerking in de regel ook gericht te zijn op de andere bestanddelen dan de gedraging (dubbel opzet).9 Het opzet van de medepleger bij culpoze delicten hoeft slechts gericht te zijn op de gedraging. De bewuste samenwerking beperkt zich dan tot het opzettelijk samenwerken met de mededaders.10 Anders gezegd: het opzetvereiste wordt beperkt tot de gedraging en strekt zich niet uit tot het door culpa bestreken bestanddeel.11

Daar komt bij dat bij medeplegen de nauwe en bewuste samenwerking centraal staat, maar dat voor een veroordeling wegens medeplegen niet is vereist dat alle medeplegers strafbaar zijn.12 Ook vrijspraak van een medepleger staat niet in de weg aan een veroordeling van de andere medepleger.13 Bovendien kan in een geval waarin het gronddelict verschillende opzet- of schuldvarianten kent, zoals in het geval van witwassen, de ene medepleger worden veroordeeld voor witwassen en de andere voor schuldwitwassen. Het voorbeeld dat Machielse in zijn conclusie voor HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246, geeft van medeplegen waarbij de één wel en de ander geen delictsopzet heeft is hiervoor illustratief:

“Artikel 68 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen stelt onder meer strafbaar het verstrekken van een onjuiste factuur. Ingevolge artikel 72 AWR is dat een overtreding. Het opzettelijk verstrekken van een onjuiste factuur is ingevolge artikel 69 lid 1 juncto artikel 72 AWR een misdrijf. In een onderneming moeten facturen worden opgemaakt ten behoeve van de klanten. Twee mensen zijn daarvoor verantwoordelijk en werken daarbij nauw samen. De gegevens ten behoeve van die facturen worden doelbewust onjuist verstrekt aan degene die facturen uitwerkt en vervolgens aflevert aan de klanten. De eerste heeft opzet op de valsheid van de facturen, de tweede niet, maar het verstrekken van valse facturen aan de klanten kan hem nog wel worden verweten omdat hij nalaat de gegevens te controleren, waartoe hij wel was gehouden. De eerste verdachte zal kunnen worden veroordeeld voor het medeplegen van het misdrijf van artikel 69 lid 1 AWR, de tweede, bij wie het opzet ontbreekt, voor het medeplegen van de overtreding van artikel 68, lid 2 onder g AWR. […] In de rechtspraak is de eis van identiek opzet van medeplegers doorbroken. De een kan voor medeplegen van diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend, worden veroordeeld terwijl zijn maat wordt veroordeeld voor het misdrijf van artikel 288 Sr.”

Tenslotte heeft de Hoge Raad, zij het stilzwijgend,14 al veroordelingen ter zake van het medeplegen van schuldwitwassen geaccepteerd waarbij de bewezenverklaring inhield dat enkel de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren.15

17. Dan keer ik nu terug naar de zaak.

18. Het middel dat is gestoeld op de opvatting dan slechts dan sprake kan zijn van het medeplegen van schuldwitwassen als naast het samen en in vereniging verrichten van de daarop betrekking hebbende gedragingen ook bewezen wordt dat alle medeplegers redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het om van misdrijf afkomstig geld ging gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting van medeplegen bij culpoze delicten en stelt een eis die het recht niet kent.

19. Nu uit de bewijsvoering van het hof zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte en haar mededaders aan de gedraging, het overmaken van het geld, in nauwe en bewuste samenwerking hebben deelgenomen, terwijl daaruit voorts kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het van enig misdrijf afkomstige geldbedragen betrof, is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.

20. Als laatste wil ik nog opmerken dat de conclusie die de steller van het middel verbindt aan het feit dat het hof heeft uit de tenlastelegging “en/of haar mededaders” heeft weggestreept, namelijk dat het hof de mededaders heeft vrijgesproken niet zonder meer opgaat. Dit wegstrepen kan meer gronden hebben, bijvoorbeeld dat het hof heeft aangenomen dat de mededaders wisten dat het geld uit misdrijf afkomstig was.16

9.3. Ik voeg daaraan nog het volgende toe. Voor een veroordeling voor medeplegen van een opzetdelict hoeft het opzet van de mededader niet uit de bewijsvoering te kunnen worden afgeleid. Het gaat immers om het bewijs van het opzet van verdachte zelf.17 Daarom hoeft de tenlastelegging evenmin te reppen van opzet of culpa van de mededader(s). De woorden "tezamen en in vereniging met een ander" hebben voldoende feitelijke betekenis en drukken al voldoende uit dat er sprake is van medeplegen.18 Het middel, dat kennelijk van oordeel is dat het hof door de partiële vrijspraak de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, vindt geen steun in het recht en faalt deswege.

10. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:804.

2 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2189.

3 Vgl. HR 3 maart 2015, NJ 2017/169 m.nt. Mevis; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3056.

4 Kamerstukken II 1999/2000, 27159, 3, p. 10.

5 HR 5 juli 2016, NJ 2017/411 t/m 419, m.nt. Rozemond.

6 HR 11 april 2006, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2 onder (i).

7 Bijv. HR 15 april 1986, NJ 1986/740.

8 ECLI:NL:PHR:2015:285.

9 Smit I, p. 407. Zie voorts T&C, aant. 7c bij art. 47 Sr.

10 J. Remmelink, mr. D. Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, Deventer: Gouda Quint 1996, p. 442-443 en D.H. de Jong, G. Knigge, Ons strafrecht. Het materiele strafrecht, Deventer: Kluwer 2003, p. 233, J.M. ten Voorde, Medeplegen van culpoze misdrijven, Strafblad 2007, p. 334. Zie voorts de noot van Van Veen onder HR 6 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8404, waarin hij met betrekking tot schuldheling schijft dat de graad van wetenschap over de herkomst van een goed een ‘bijkomende omstandigheid’ is die de kwalificatie van het verboden handelen bepaalt, maar dat het handelen zelf, het kopen, opzettelijk gebeurd.

11 J. de Hullu, Materieel strafrecht, 5e druk, p. 428.

12 HR 10 april 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC1366, NJ 1973/468, m.nt. Van Veen (schulduitsluitingsgrond bij medepleger).

13 HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246.

14 De middelen waren daar niet tegen gericht.

15 HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5481 en HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3380.

16 Het is mij ambtshalve bekend dat de medeverdachte [medeverdachte 1] bij arrest van 29 oktober 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, met betrekking tot het onderhavige feitencomplex is veroordeeld ter zake van de doleuze variant, dus het medeplegen van witwassen. Het heeft er daarom alle schijn van dat het hof om die reden in de onderhavige zaak de bewuste passage heeft weggestreept.

17 HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596.

18 HR 6 februari 1996, NJ 1996/438; HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1667.