Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1345

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-10-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
15/04434
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3123, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling door in een discotheek in Goes een ander met een glas in het gezicht te slaan. Afwijzing ttz. in h.b. gedaan voorwaardelijk getuigenverzoek. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1015 m.b.t. beoordeling afwijzing getuigenverzoek in cassatie. De afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van de door de verdediging genoemde personen als getuige is, mede gelet op hetgeen aan dat verzoek ten grondslag is gelegd en in het licht van hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd m.b.t. de door die personen afgelegde verklaringen, zonder nadere, doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk. Met de enkele overweging dat het Hof “zich – onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt – gelet op het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht”, heeft het ongenoegzaam tot uitdrukking gebracht op welke feitelijke en/of juridische gronden de afwijzing berust. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04434

Zitting: 31 oktober 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 2 juli 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “zware mishandeling”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 120 uur. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals bepaald in het bestreden arrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gedane voorwaardelijk verzoek tot het horen van een aantal getuigen en tegen het gebruik tot het bewijs van de in het vooronderzoek afgelegde verklaringen van een aantal van die getuigen. Het gaat in onderhavige zaak om een vechtpartij die op 1 december 2013 heeft plaatsgevonden in de discotheek El Toro in Goes, waarbij de verdachte ervan beschuldigd wordt het slachtoffer, [betrokkene 1] met een glas in zijn gezicht te hebben geslagen. Daarover hebben aanwezigen in de discotheek verschillende verklaringen afgelegd, waarvan een aantal door het hof voor het bewijs zijn gebruikt.

3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:

‘’(…)De advocaat-generaal voert het woord als volgt.

Een dossier zoals het onderhavige komt in een zaak als deze niet vaak voor. In tegenstelling tot soortgelijke zaken, hebben we niet te maken met ellenlange getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Indien uw hof de verdachte integraal zou willen vrijspreken, dan acht ik het noodzakelijk dat de getuigen [betrokkene 10] , [betrokkene 6] , [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 8] en [betrokkene 11] alsnog door een rechter zullen worden gehoord na heropening van het onderzoek. Mijns inziens gaat dat echter niet gebeuren, want het wettig bewijs spat van de zaak af.

(…)

De verdachte en de raadsvrouwe voeren het woord tot verdediging.

De raadsvrouwe pleit daartoe overeenkomstig de inhoud van de door haar overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

In aanvulling op de pleitnota verklaart de raadsvrouwe als volgt.

(…)

Subsidiair voel ik wel wat voor het voorstel van de advocaat-generaal. Indien uw hof in raadkamer tot een bewezenverklaring zou komen, dan verzoek ik u om na heropening van het onderzoek de door de advocaat-generaal genoemde getuigen te horen alsook de getuigen [betrokkene 12] , [betrokkene 13] en [betrokkene 14] .

De advocaat-generaal deelt in repliek het volgende mede.

Op zich is het niet noodzakelijk om het getuigenverzoek nader te motiveren. Ik begrijp het standpunt van de verdediging wel. Ik begrijp dat het extra tijd zou kosten indien het onderzoek zou moeten worden heropend, maar kwaliteit gaat boven kwantiteit. Ik persisteer bij mijn eerder ingenomen standpunt.

De raadsvrouwe verklaart in dupliek als volgt.

Indien u tot een bewezenverklaring zou komen, dan is het noodzakelijk om de door mij eerder genoemde getuigen te horen. Er is sprake van zoveel tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen en er staat veel voor cliënt op het spel. Het is inderdaad de kwaliteit die boven de kwantiteit gaat.

Aan de verdachte en de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De verdachte verklaart daarbij als volgt.

Ik sluit me aan bij mijn raadsvrouwe. Alles is gezegd. (…)’’

3.2. De raadsvrouw heeft in haar pleitnota die aan het proces-verbaal van de zitting van het hof d.d. 18 juni 2016 is gehecht over de getuigenverklaringen het volgende naar voren gebracht:

“ (…)Opvallend is dat de zaak jegens cliënt eerst geseponeerd was. Na de verklaring van [betrokkene 2] op 10 december 2014, ruim 10 dagen na het incident, heeft de politie een aantal getuigen opnieuw gehoord.

Zo weet [betrokkene 10] op 1 december niet door wie [betrokkene 1] op zijn hoofd is geslagen met een longdrinkglas. Hij geeft aan dat hij slechts de beweging heeft gezien. Op 15 december verklaart hij opeens te hebben gezien dat cliënt in zijn rechterhand een longdrinkglas had waarmee hij een zwaaiende beweging zou maken. Ook gaat hij ervan uit dat [betrokkene 1] door dit glas geraakt is. Hij heeft het niet gezien. Hij veronderstelt dit. De verdediging vindt deze wijziging opmerkelijk en niet betrouwbaar. [betrokkene 10] is een vriend van aangever.

[betrokkene 6] verklaart op 1 december de jongen met het grijze shirt een longdrinkglas tegen het hoofd van aangever sloeg. Dit zou meerdere malen zijn gebeurd, ongeveer twee a drie keer. Op 16 december 2013 wordt [betrokkene 6] opnieuw gehoord. Opvallend is dat zij opeens de exacte naam van cliënt kent. Eerder was hij nog de jongen met het grijze shirt. Het wekt de schijn dat er in ieder geval over het incident is gepraat. Zij geeft ook aan dat zij aangever afgelopen weekend nog heeft gezien en dat hij een groot litteken heeft. Zij geeft daarnaast aan dat zij ook had gedronken en dat alles erg snel ging. In haar verklaring van 16 december geeft zij aan dat ze heeft gezien dat cliënt met een glas in zijn hand een slaande beweging maakte. Het glas ging kapot op het voorhoofd van aangever. Zij heeft het nu niet meer over twee a drie keer tegen het hoofd slaan.

Als bewijsmiddel heeft de politierechter vervolgens ook het getuigenverhoor van getuige [betrokkene 14] gebruikt. Zij verklaart dat ze heeft gezien dat de jongen met het grijze shirt een soort cocktailglas gooide naar de andere jongen. De afstand tussen hen was ongeveer twee meter. Dit is dus weer een ander verhaal. Het gaat hier om het gooien met een glas over een afstand van twee meter, in plaats van het slaan met een glas in de hand.

Voorts haalt de politierechter de verklaring van getuige [betrokkene 4] aan. [betrokkene 4] is de jongen met wie cliënt een discussie had. Hij is, volgens de verdediging, de aanstichter van het conflict. Hij verklaart dat cliënt een glas pakte van het tafeltje en dat glas kapot sloeg op het hoofd van [betrokkene 1] , een van zijn maten.

Vervolgens verklaart hij echter tweemaal dat hij het niet 100% zeker weet. "Het ging allemaal zo snel, het kan niet anders" . Hij trekt hier een conclusie. Het gaat niet om een eigen waarneming. Vervolgens verklaart hij nogmaals "ik weet niet 100% zeker of die gast het geeft gedaan". Naar mening van de verdediging kan hier geen wettig en overtuigend bewijs worden afgeleid.

Dan is er nog de verklaring van getuige [betrokkene 2] . Deze verklaring lijkt op het eerste gezicht een stellige verklaring. Echter, ook deze verklaring bevat weer veronderstellingen in plaats van duidelijke eigen waarnemingen. [betrokkene 2] stelt dat hij in een flitsende beweging een arm naar het gezicht van [betrokkene 1] zag gaan. "Ik zag dat het de arm van [verdachte] was, dat kon niet anders want hij stond voor me". Naar mening van de verdediging is ook deze verklaring niet overtuigend.

De politierechter stelt in haar vonnis vervolgens dat de verklaringen van de broer en vrienden van cliënt een ander verhaal vertellen. Deze verklaringen worden door de politierechter niet betrouwbaar geacht. De reden hiervoor blijft de verdediging onduidelijk. Juist de vrienden van cliënt zijn allen na het incident snel gehoord. Client was toen al opgepakt en met hem hebben ze het verhaal in ieder geval niet kunnen afstemmen.

De broer van cliënt, [betrokkene 12] geeft aan dat het glas juist hun kant op werd gegooid.

Ten aanzien van getuige [betrokkene 13] geeft de politierechter aan dat deze getuige zou hebben verklaard dat niemand met een glas gegooid heeft en dat dit niet zou kunnen kloppen.

De verdediging leest de verklaring van [betrokkene 13] anders. Hij heeft verklaard: "Ik heb geen idee wie er een glas gegooid heeft, als wij dat gedaan zouden hebben was die jongen voor ons geraakt, die met het witte shirt". Tevens verklaart hij dat glas zag vliegen en glas kapot hoorde vallen en dat het glas van achter hen vandaan kwam. De overweging van de politierechter is onduidelijk.

Getuige [betrokkene 14] verklaart dat hij het breken van glas heeft gehoord, maar dat het aan de andere kant van de rokersruimte was. Hij was samen bij [verdachte] .

[betrokkene 11] verklaart soortgelijk. Hij voelde iets lang zijn hoofd gaan. Langs achter gooide er iemand een longdrinkglas dat kapot ging tegen het hoofd van die jongen. Als er gezegd wordt dat [verdachte] die jongen heeft geslagen met een glas is dat niet waar. Ik stond tegenover [verdachte] en die lange jongen, ik voelde het glas direct nadat [verdachte] die klap kreeg. [verdachte] kan het niet gedaan hebben.

Toegegeven: ook hier gaat om een veronderstelling.

Verder bevinden zich in het dossier verklaringen van [betrokkene 1] (aangever). [betrokkene 9] en [betrokkene 8] . Geen van allen hebben gezien wie er heeft geslagen/ gegooid.”

3.3. Het arrest van het hof houdt betrekking tot het verzoek het volgende in:

‘’(…) Met betrekking tot het verzoek van de raadsvrouw tot het (doen) horen van getuigen, indien het hof tot een bewezenverklaring mocht komen, overweegt het hof het volgende. Het hof acht zich - onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt - gelet op het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en is de noodzakelijkheid van het gevraagde (doen) horen van getuigen niet gebleken. Derhalve wijst het hof het verzoek af. (…)’’

3.4. Omdat het middel ook opkomt tegen het gebruik tot het bewijs van een aantal in het vooronderzoek afgelegde getuigenverklaringen, geef ik hierna ook de door het hof gebruikte bewijsmiddelen en de (overige) bewijsoverwegingen van het hof weer. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen luiden als volgt:

‘’1. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, district Oosterscheldebekken, Wijkteam Goes Centrum/West, nr. PL195A-2013082864-1, d.d. 1 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie (p. 5-6 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Op zondag 1 december 2013, omstreeks 01:30 uur, was ik in de rookruimte van discotheek El Toro, gevestigd aan de Oude Vismarkt te Goes. Ik zag dat een vriend van mij, [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ), ruzie had met een voor mij onbekende jongen. Ik kwam tussen beiden om de ruzie te stoppen. Ik voelde dat ik opeens een klap kreeg. Ik voelde dat dit geen gewone klap was. Volgens mij kreeg ik een klap met een glas. Ik voelde op dat moment pijn, ik zag en voelde dat ik bebloed was. Ik zag dat [betrokkene 2] ruzie had met licht getinte jongens.

Aanvullende gegevens verstrekt door verbalisant

Door mij, verbalisant, werd geconstateerd dat aangever een hoofdwond had.

2. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, district Oosterscheldebekken, nr. PL1950-2013082864-14, d.d. 1 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie (p. 7-9 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik was in de nacht van 30 november op 1 december 2013 in discotheek El Toro. We waren met een man of zeven op stap.

Ik was met [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ), [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en enkele anderen in de rookruimte.

In de rookruimte was er een woordenwisseling tussen [betrokkene 4] en een jongen die ik niet ken. Achteraf hoorde ik dat die jongen mij heeft geslagen. Ik hoorde dit van [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) en anderen die bij [betrokkene 2] stonden.

De woordenwisseling liep uit de hand. Er werd getrokken en geduwd en de jongen ging zijn vrienden erbij halen.

[betrokkene 2] en ik stonden vlakbij, eigenlijk tussen de groep van die jongen in en voordat ik er erg in had kreeg ik een klap op mijn hoofd ter hoogte van mijn linkeroog. Ik werd weggetrokken door iemand. Ik heb, dacht ik, nog een klap gekregen. Ik ben een stukje van de spreekwoordelijke film kwijt. Ik weet nog dat ik uiteindelijk door een bewaker/beveiliger naar buiten ben geduwd.

Ik ben in de rookruimte op mijn hoofd geslagen met een glas. Ik heb niet gezien wie me geslagen heeft. Ik heb enkel het glas op mijn hoofd gevoeld. Het bloedde hevig en was behoorlijk pijnlijk.

Ik hoorde later dat de jongen waar [betrokkene 4] woorden mee had dit had gedaan. Ik hoorde dit van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .

De jongen waarmee [betrokkene 4] ruzie/woorden had en die mij later, zoals ik van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hoorde, had geslagen met het glas, kan ik omschrijven als volgt:

- Marokkaanse afkomst;

- grijs shirt;

- ongeveer 22 j aar;

- donker haar.

Ik ken deze jongen van gezicht maar niet van naam.

(Door mij, verbalisant, wordt een foto getoond van de verdachte)

De foto die u mij toont is de man die, voordat de vechtpartij ontstond, ruzie had met [betrokkene 4] . Dit zou de man zijn die mij heeft geslagen met het glas.

Het begon met een woordenwisseling en het mondde uit in een vechtpartij waarbij ik met een glas werd geslagen.

Ik ben met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht en aldaar heeft men mij verzorgd.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van een brief van het Admiraal de Ruyter Ziekenhuis te Vlissingen, afdeling Spoedeisende Hulp, d.d. 1 december 2013, opgemaakt door [betrokkene 15] voor [betrokkene 16] , chirurg (p. 10-11 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B-2013082864), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Betreft : [betrokkene 1] , geb.: [geboortedatum] -1993.

Bovengenoemde patiënt zagen wij heden op de Spoedeisende Hulp.

Anamnese

In de kroeg aangevallen met een stuk gebroken glas, richting het voorhoofd. Glas kapot geslagen op het hoofd.

Lichamelijk onderzoek

Hoofd/gelaat: 2 snijwonden op het voorhoofd. Beide een lengte van 4 cm. Deels scheurwond, deels snijwond. Hebben ogenschijnlijk flink gebloed.

Differentiaal Diagnose

Snijwonden na aanval met glaswerk.

Behandeling op SEH

Plaatsen van 4 hechtingen in beide wonden (totaal 8 hechtingen).

4. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, stafdienst PENO, nr PL192D-2013082864-5, d.d. 1 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] , aspirant van politie (p. 15-16 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 10] :

Op 1 december 2013, omstreeks 01.45 uur was ik in de uitgaansgelegenheid El Toro te Goes. Ik was samen met een aantal vrienden, waaronder [betrokkene 4] , naar El Toro gegaan. In het rokersgedeelte kreeg [betrokkene 4] een aanvaring met een andere gast. Ik hoorde deze jongen dingen roepen.

Ik zag dat hij wegliep, het rokersgedeelte uit. Het rokersgedeelte in El Toro is van glas, zodoende kon ik de dansvloer op kijken. Ik zag dat deze jongen mensen probeerde te verzamelen. Vervolgens zag ik hem terug komen lopen met een aantal van zijn maten. Zodra deze in de rookruimte waren, brak de hel los.

Ik heb gezien dat een maat van mij, [betrokkene 1] , op zijn hoofd is geslagen met een longdrink glas. Ik zag dat er een vloeistof in het longdrinkglas zat en dat er nog een rietje in zat. [betrokkene 1] stond buiten de groep, hij had met dit hele voorval niks te maken.

5. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, District Oosterscheldebekken, wijkteam Goes Zuid/Oost/Dorpen Oost, nr. PL195B- 2013082864-28, d.d. 15 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie (p. 17-19 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 10] :

Ik was op 1 december 2013 in El Toro (het hof begrijpt: in Goes), samen met vrienden.

We waren in het rokersgedeelte.

Ik zag dat [betrokkene 4] ruzie kreeg met een jongen.

Hij stond te schreeuwen naar ons. De jongen ging toen de ruimte uit.

Toen hij naar buiten liep, kon ik zien wat er gebeurde, door de ruiten. Ik zag dat hij vrienden riep, ik bedoel dat ik zag dat hij een beweging maakte met zijn arm, hij wenkte dat zijn vrienden moesten komen. Ik zag dat er een groep met een hoop kabaal de rokersruimte binnen kwam. De ene jongen was daar uiteraard ook bij.

Ik zat op dat moment op de bank. Er werd getrokken en geduwd, gelijk toen ze binnenkwamen. Gelijk ging het mis.

Ik zag vervolgens dat hij, die jongen, in zijn rechter hand een longdrinkglas had, waarmee hij een zwaaiende beweging maakte. De jongen sprong naar voren, hij stond met zijn gezicht naar [betrokkene 2] , links van hem stond [betrokkene 1] .

Ik zag dat de drank uit het glas tegen de muur zat achter [betrokkene 1] . Ik heb de beweging gezien van de hand en vervolgens zag ik bloed op het gezicht van [betrokkene 1] .

Ik zag dat [betrokkene 1] hevig bloedde.

De jongen had eigenlijk ruzie met [betrokkene 4] .

De jongen, waarmee het allemaal begonnen is, kan ik omschrijven. Hij droeg een grijze polo. Hij is getint, ik dacht dat hij Turks of Marokkaans was.

6. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, District Oosterscheldebekken, wijkteam Goes Centrum/West, nr. PL195A-2013082864-6, d.d. 1 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie (p. 21 van het proces-verbaal met registratienr. PL 195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 6] :

Op 1 december 2013, omstreeks 01:30 uur, was ik in discotheek El Toro te Goes. Ik zag dat er in de rookruimte aldaar een onenigheid was tussen enkele personen. Een van de jongens ken ik, dit is [betrokkene 1] . Ik zag dat een getinte jongen, die gekleed was in een grijs shirt ruzie had met iemand. Ik zag dat [betrokkene 1] tussen mensen wilde komen die ruzie hadden. Ik zag dat de jongen met het grijze shirt met volgens mij een long drink glas tegen het hoofd van [betrokkene 1] sloeg. Ik zag dat [betrokkene 1] nadat hij geslagen was door die jongen begon te bloeden. De jongen met het grijze shirt is later door de politie aangehouden.

7. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, District Oosterscheldebekken, wijkteam Goes Zuid/Oost/Dorpen Oost, nr. PL195B- 2013082864-29, d.d. 16 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie (p. 22-23 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 6] :

Het gaat over de vechtpartij op 1 december 2013, in El Toro.

Ik was omstreeks 1.30 uur in de rokersruimte in El Toro. Ik was samen met [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 4] .

Er was een gast, ik ken hem, genaamd [verdachte] .

Er was iets gezegd wat hem niet aanstond. Hij zocht ruzie.

Hij kwam toen terug met anderen. Dit was ook een groepje.

Toen die groep het rokersgedeelte binnen kwam, werd er gelijk geduwd en getrokken.

Ineens zag ik dat [verdachte] met een glas in zijn hand een slaande beweging maakte, ik zag zijn arm door de lucht gaan. Ik zag dat het glas op het voorhoofd van [betrokkene 1] kapot ging, toen het glas zijn hoofd raakte.

Ik trok [betrokkene 1] direct opzij, alles zat gelijk onder het bloed, mijn kleren en mijn armen ook. Ik trok [betrokkene 1] mee achter de tafel.

[verdachte] was erg agressief.

Hij heeft [betrokkene 1] zomaar met een glas geslagen terwijl er niks aan de hand was tussen die twee.

Ik ben er zeker van dat [verdachte] [betrokkene 1] in zijn gezicht geslagen heeft met het glas. Het was een longdrinkglas. Ik zag dit en hoorde het glas kapot gaan.

Ik heb [betrokkene 1] afgelopen weekend nog gezien, hij heeft een behoorlijk groot litteken en twee kleinere littekens op zijn voorhoofd.

8. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, District Oosterscheldebekken, wijkteam Goes Zuid/Oost/Dorpen Oost, nr. PL195B- 2013082864-17, d.d. 2 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie (p. 31-32 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4] :

Ik kan het volgende verklaren over de vechtpartij bij El Toro, van zaterdag op zondagnacht (het hof begrijpt: de nacht van 30 november op 1 december 2013).

Ik was in de stad in Goes, ik was samen met een paar vrienden. We waren bij El Toro, in de rokersruimte. Het was tussen 2.00 uur en 2.30 uur. De Marokkaan die nu vastzit, kwam naar ons toe, hij was vervelend. Hij zocht ruzie.

Hij begon ineens tegen mij te schreeuwen. Tevens begon hij te duwen en te trekken.

Toen begon hij ineens om zich heen te slaan, hij ging helemaal door het lint. U vraagt of hij mensen geslagen heeft, hij heeft toen klappen uitgedeeld. Het ging allemaal heel snel.

Er kwamen nog meer buitenlanders, die begonnen ook in het rond te slaan. Ik zag dat de jongen die vast zit, een glas pakte van een tafeltje. Ik zag dat hij dat glas kapot sloeg op het hoofd van [betrokkene 1] , één van mijn maten.

9. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, District Oosterscheldebekken, wijkteam Goes Zuid/Oost/Dorpen Oost, nr. PL195B- 2013082864-27, d.d. 10 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie (p. 43-45 van het proces-verbaal met registratienr. PL 195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik wil een verklaring afleggen over een vechtpartij in El Toro (het hof begrijpt: te Goes), zondag 1 december 2013, omstreeks 1.52 uur.

Ik was uit met een groep.

We waren met ongeveer 7 mensen, onder wie mijn vriendin [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] .

[betrokkene 3] , [betrokkene 8] , [betrokkene 1] en [betrokkene 7] waren aan het roken in de rookruimte. [betrokkene 4] was daar ook. [betrokkene 7] kwam naar me toe en zij vertelde me dat er een opstootje was in de rookruimte. Ik ben met haar meegegaan.

Ik zag [verdachte] heel dreigend staan tegenover [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .

[verdachte] was alleen, hij wilde vechten.

Ik wist niet wat er aan de hand was, ik dacht dat hij ruzie zocht.

Ik ken [verdachte] een beetje van uitgaan.

[verdachte] was niet aanspreekbaar.

[verdachte] was heel kwaad.

Toen kwam [verdachte] terug met een groep anderen. Ik denk wel zeven anderen.

Ze kwamen de rookruimte binnen.

Er werd wat geduwd en getrokken.

Toen ging het heel snel.

[betrokkene 4] stond achter [betrokkene 1] , ik voor hem, [verdachte] voor mij. [verdachte] wilde perse naar [betrokkene 4] toe, dat wilden wij voorkomen.

Vervolgens zag ik in een flits een bewegende arm naar het gezicht van [betrokkene 1] . Ik zag dat het de arm van [verdachte] was, dit kon niet anders, want [verdachte] stond voor me. Ik zag dat [verdachte] met een glas in zijn rechter hand een slaande beweging maken naar het gezicht van [betrokkene 1] , vervolgens zag ik dat hij met het glas sloeg. Ik hoorde het glas stuk gaan. Ik heb vervolgens gezien dat het gezicht van [betrokkene 1] direct onder het bloed zat.

Ik weet echt heel zeker dat hij [betrokkene 1] geslagen heeft met dat glas.

10. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, District

Oosterscheldebekken, wijkteam Goes Noord/Dorpen West, nr. PL 195C-2013082864- 7, d.d. 1 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie (p. 47 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B- 2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

Op zondag 1 december 2013, omstreeks 01:52 uur, bevond ik mij, op de Oude Vismarkt te Goes, gemeente Goes. Ik bevond mij hier samen met een aantal collega's, na een melding dat een jongen in discotheek El Toro was mishandeld, met een bloedende hoofdwond als gevolg. Door mijn collega's werd de latere aangever [betrokkene 1] opgevangen en overgedragen aan ambulancepersoneel.

Ik werd aangesproken door een man die later bleek te zijn [betrokkene 8] . [betrokkene 8] verklaarde mij het volgende:

"Ik was zojuist in de rookruimte in café El Toro. Ik rookte daar een sigaretje samen met [betrokkene 9] . Ik zag dat de mij bekende [betrokkene 4] en een jongen in een grijs shirt ruzie hadden. Hierna gingen zij uit elkaar, maar kort hierop kwam de jongen in het grijze shirt weer terug.

Ik zag dat er ruzie ontstond tussen de jongen in het grijze shirt en mijn vriend [betrokkene 1] . Ik zag dat de jongen in het grijze shirt met een longdrinkglas in zijn hand, [betrokkene 1] in het gezicht sloeg. Ik zag dat [betrokkene 1] hierdoor bloedende verwondingen in zijn gezicht op liep.

Hierna ontstond een grote vechtpartij. De jongen met het grijze shirt, die met het longdrinkglas geslagen heeft, staat nu bij uw collega's.”

Ik zag dat [betrokkene 8] wees naar een jongen in een grijs shirt, die later bleek te zijn [verdachte] . Samen met collega [verbalisant 6] hield ik [verdachte] aan terzake zware mishandeling. Kort hierop meldde zich bij mij een vrouw die opgaf te zijn [betrokkene 9] . [betrokkene 9] gaf aan gezien te hebben dat de jongen in het grijze shirt de latere aangever Hinzen met een glas in zijn gezicht sloeg.

11. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Zeeland, District Oosterscheldebekken, wijkteam Goes Zuid/Oost/Dorpen Oost, nr. PL195B- 2013082864-9, d.d. 1 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 7] , beiden hoofdagent van politie (p. 56-58 van het proces-verbaal met registratienr. PL195B-2013082864), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte [verdachte] :

Ik ben vannacht, 1 december 2013 naar de stad (het hof begrijpt: Goes) gegaan, ik was omstreeks 00.30 uur in de stad.

Ik was samen met [betrokkene 17] en [betrokkene 18] en andere [betrokkene 19] .

We zijn naar El Toro gegaan. We waren rond 1.00 uur in El Toro.

Ik was alleen, de enige van ons groepje, in de rokersruimte.

Het grijze poloshirt die U nu toont, is van mij. Dit shirt droeg ik vannacht.

Overal op het grijze shirt zit bloed.

12. De eigen waarneming van het hof, inhoudende dat op de foto’s van het slachtoffer, zoals gevoegd bij het ’Schadeopgaveformulier Misdrijven’ d.d. 14 mei 2014, ontsierende littekens in diens gelaat te zien zijn.’’

3.5.

De bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt:

‘’De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van verdachte vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft zij, op de gronden zoals weergegeven in de door haar overgelegde pleitnota, kort gezegd het volgende aangevoerd.

Naar de mening van de verdediging staat slechts vast dat [betrokkene 1] gewond is geraakt door een glas en niet of dat door het gooien met een glas of het slaan met een glas is gebeurd. Voorts is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel, nu het slachtoffer geen maanden in het ziekenhuis heeft gelegen en het letsel evenmin als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artike 82 Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. Naar de mening van de verdediging bestaat er, gelet op de wisselende verklaringen van de getuigen, te veel onduidelijkheid over wat er exact is gebeurd. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat verdachte ten stelligste ontkent met een glas te hebben gegooid dan wel te hebben geslagen, dient hij te worden vrijgesproken.

Indien het hof tot een bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsvrouw verzocht om in dat geval het onderzoek te heropenen en de getuigen [betrokkene 10] , [betrokkene 6] , [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 8] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [betrokkene 13] en [betrokkene 14] te (doen) horen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op 1 december 2013, omstreeks 01.30 uur, met een glas op zijn hoofd is geslagen, ten gevolge waarvan hij twee snijwonden in zijn gezicht heeft opgelopen. De getuige [betrokkene 6] heeft op 1 december 2013, drie kwartier na het voorval, verklaard dat zij heeft gezien dat de jongen met het grijze shirt, zijnde verdachte, met een glas tegen het hoofd van aangever heeft geslagen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [betrokkene 2] , die heeft verklaard dat aangever door verdachte met een glas tegen het hoofd is geslagen. De aangifte en de verklaringen van [betrokkene 6] en [betrokkene 2] zijn duidelijk, consistent en komen op essentiële punten met elkaar overeen. Voorts worden deze verklaringen ondersteund door de waarnemingen van de verbalisant van het letsel bij aangever tijdens het opnemen van de aangifte en de medische informatie die zich in het dossier bevindt. Het hof acht deze verklaringen dan ook redengevend en als zodanig bruikbaar. Dat zich in het dossier ook verklaringen bevinden van getuigen die andersluidend verklaren, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de bewijskracht van de eerdergenoemde bewijsmiddelen. Gelet op het vorenstaande, in samenhang en (tijds)verband bezien met de overige bewijsmiddelen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een glas tegen het hoofd van aangever heeft geslagen.

(…)’’

3.6.

Het middel valt uiteen in drie deelklachten die ik vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk zal bespreken. De eerste deelklacht houdt in dat het hof de afwijzing van het voorwaardelijke getuigenverzoek ontoereikend heeft gemotiveerd, de tweede klacht houdt in dat het hof door zijn afwijzende beslissing het ondervragingsrecht dat volgt uit art. 6 lid 3 sub d EVRM heeft geschonden en de in de derde klacht wordt gesteld dat art. 6 EVRM het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen, zonder dat de verdediging deze personen heeft kunnen (doen) horen in de weg staat.

3.7.

Ik zal mij bij de bespreking van deze klachten met name concentreren op de gestelde schending van art. 6 lid 3 sub d EVRM en hierbij de motiveringsklacht betrekken.

3.8.

Leidraad hierbij is het overzichtsarrest van 4 juli 20171, welk arrest is gewezen nadat in onderhavige zaak de cassatieschriftuur is ingediend. In dit arrest heeft de Hoge Raad met betrekking tot de motiveringsplicht van de rechter bij de afwijzing van een getuigenverzoek mede in relatie tot art. 6 EVRM het volgende overwogen:

“3.5. De rechtspraak van de Hoge Raad houdt in dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal houdende de ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van een getuige, door de rechter ten laste van de verdachte voor het bewijs kan worden gebruikt, maar dat dit uitgangspunt slechts geldt voor zover het in art. 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een eerlijk proces is gewaarborgd.2

Met betrekking tot dit recht op een eerlijk proces ligt in de recente rechtspraak van het EHRM ter zake van het ondervragingsrecht de nadruk op de toetsing van de "overall fairness of the trial", mede aan de hand van een aantal door het EHRM geformuleerde, met elkaar samenhangende subvragen (zoals genoemd in de onder 3.3.2 weergegeven uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland, §107). Daarbij is beslissend of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Die uiteindelijke balans kan eerst achteraf worden opgemaakt.

Bij het betrekken van de rechtspraak van het EHRM bij de uitleg van de (nationale) regels inzake het oproepen dan wel horen van daartoe door de verdediging opgegeven getuigen, dient evenwel in ogenschouw te worden genomen dat de nationale rechter reeds tijdens de behandeling van de strafzaak beslissingen dient te nemen omtrent het oproepen en het horen van getuigen.

3.6.

Tegen deze achtergrond heeft naar het oordeel van de Hoge Raad voor het Nederlandse strafproces te gelden dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Deze motiveringsplicht draagt voorts eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de hiervoor bedoelde zin kan betrekken bij de beoordeling van het verzoek. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Art. 6, derde lid onder d, EVRM verzet zich niet ertegen dat deze eis aan de onderbouwing van zo een verzoek wordt gesteld.3Ook de rechtspraak van het EHRM omtrent het ondervragingsrecht noopt niet tot het stellen van andere, lichtere eisen aan de motivering van een verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen. Immers, ook in de rechtspraak van het EHRM komt als op de verdachte rustende plicht tot uitdrukking dat hij zo een verzoek onderbouwt "by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard and their evidence must be necessary for the establishment of the truth"4.

3.7.1.

Art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM bepaalt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, het recht heeft 'getuigen à charge' te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van 'getuigen à décharge' te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. In de regeling ter zake van het oproepen en het horen van getuigen in het Wetboek van Strafvordering wordt geen onderscheid gemaakt tussen "getuigen à charge" en "getuigen à décharge", of anders gezegd: getuigen die in voor de verdachte belastende dan wel ontlastende zin (kunnen) verklaren.

3.7.2.

Voor de eisen die worden gesteld aan een verzoek tot het horen van een getuige, maakt het in beginsel geen verschil of zo een verzoek een getuige "à charge" dan wel "à décharge" betreft. Wel zal in de regel gelden dat een in het vooronderzoek afgelegde verklaring van een getuige door de officier van justitie reeds bij de processtukken zal zijn gevoegd, zodat daaruit in het licht van art. 149a, tweede lid, Sv kan worden afgeleid dat, naar het oordeel van de officier van justitie, de inhoud van die door de getuige afgelegde verklaring redelijkerwijs van belang kan zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Dat betekent echter niet zonder meer dat ook het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Derhalve kan voor de onderbouwing van het verzoek tot het horen van een getuige niet worden volstaan met de enkele stelling dat bij de processtukken een verklaring van die getuige is gevoegd en - met het oog op de procedure in hoger beroep - evenmin met de enkele stelling dat die verklaring door de rechter in eerste aanleg voor het bewijs is gebezigd, maar dient te worden gemotiveerd waarin, gegeven de voeging van de reeds afgelegde verklaring bij de processtukken, de relevantie van het horen van de getuige is gelegen.

3.7.3.

Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering van het verzoek betrekking te hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing, en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.

3.8.1.

Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval - en met inachtneming van het toepasselijke criterium - moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.5

3.8.2.

In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.6

3.9.

Zoals onder 3.5 is opgemerkt, neemt de nationale rechter reeds tijdens de behandeling van de strafzaak beslissingen omtrent het oproepen en het horen van getuigen. Dat laat onverlet dat hij voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve - op de voet van art. 315, eerste lid, Sv dan wel art. 346, eerste en tweede lid, of art. 347, eerste lid, Sv - alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing omtrent de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.”

3.9.

In onderhavige zaak staat niet zozeer ter discussie of de verdediging het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek voldoende heeft toegelicht. De motivering van het verzoek houdt blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in dat het noodzakelijk is deze personen als getuige te horen omdat hun eerder afgelegde verklaringen bij de politie tegenstrijdigheden bevatten. Uit de bij het proces-verbaal van de terechtzitting gevoegde pleitnotities blijkt verder – zoals hiervoor onder 3.2. geciteerd – dat de raadsvrouw per getuige gemotiveerd heeft aangevoerd waarom zij de verklaringen van die getuige onbetrouwbaar acht dan wel tegenstrijdig (met de verklaring van een andere getuige).

Er is evenmin discussie over het feit dat het hof bij zijn afwijzende beslissing het noodzakelijkheidscriterium heeft toegepast. Dat heeft het hof volgens de steller van het middel terecht gedaan.

Waar het wel om gaat is of de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek de belastende getuigen te horen, door het hof voldoende is gemotiveerd en begrijpelijk is. Hierbij dienen ook de hiervoor onder 3.8. aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, te worden betrokken.

3.10.

Het hof heeft, zoals hiervoor reeds aangehaald, in zijn arrest het voorwaardelijk gedane verzoek de getuigen [betrokkene 10] , [betrokkene 6] , [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 8] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [betrokkene 13] en [betrokkene 14] te horen met de navolgende – voor het lezersgemak hierbij nogmaals weergegeven – overweging afgewezen:

‘’(…) Met betrekking tot het verzoek van de raadsvrouw tot het (doen) horen van getuigen, indien het hof tot een bewezenverklaring mocht komen, overweegt het hof het volgende. Het hof acht zich - onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt - gelet op het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en is de noodzakelijkheid van het gevraagde (doen) horen van getuigen niet gebleken. Derhalve wijst het hof het verzoek af. (…)’’

3.11.

Naar mijn mening voldoet deze motivering niet aan de vereisten die daaraan volgens rechtsoverweging 3.8.1 van voormeld arrest van 4 juli 2017 mogen worden gesteld. De Hoge Raad formuleert hierin immers een mede op art. 6 EVRM gestoelde motiveringsplicht “op grond waarvan de rechter de feitelijke en/of juridische gronden waarop de afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting of de uitspraak dient op te nemen”. Dit zou een loze voorwaarde zijn indien de rechter daarbij zou kunnen volstaan met een algemene motivering zoals het hof in onderhavige zaak heeft gegeven, die weinig tot geen inzicht biedt in de inhoudelijke afwegingen die het hof heeft gemaakt en welke aspecten het hof daarbij heeft betrokken. Hoe aan de bijzondere motiveringsplicht anders dan hiervoor vermeld inhoud moet worden gegeven, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 4 juli 2017 niet nader gespecificeerd, wél dat deze motiveringsplicht mede op art. 6 EVRM steunt.

3.12.

Aan de Straatsburgse jurisprudentie kunnen wat dat betreft wel wat aanknopingspunten worden ontleend. Zo overweegt het EHRM in de zaak Poropot t. Slovenië (een zaak die ook door de Hoge Raad in het arrest van 4 juli 2017 wordt aangehaald) dat de overweging van de nationale rechter dat de feiten voldoende zijn vastgesteld, op zichzelf onvoldoende grond is een getuigenverzoek af te wijzen.7 Bovendien kunnen ook aan subvragen (of stappen) die het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland heeft geformuleerd aanknopingspunten worden ontleend waaraan een motivering een getuigenverzoek af te wijzen dient te voldoen.8 Zo had het hof in mijn visie in ieder geval in zijn motivering de navolgende aspecten moeten betrekken:

- dat de verdediging, ondanks een daartoe strekkend verzoek, in geen stadium van de procedure de gelegenheid heeft gekregen de getuigen te ondervragen, terwijl de verklaringen van de getuigen [betrokkene 10] (bewijsmiddelen 4 en 5) [betrokkene 6] (bewijsmiddelen 6 en 7) [betrokkene 4] (bewijsmiddel 8) [betrokkene 2] (bewijsmiddel 9) en [betrokkene 8] (bewijsmiddel 10) wel voor het bewijs zijn gebruikt;

- of er gegronde redenen waren, en zo ja welke, de opgegeven getuigen niet te horen;

- of de bewezenverklaring al dan niet in beslissende of doorslaggevende mate berust op de verklaringen van getuigen die de verdediging in geen stadium van de procedure heeft kunnen ondervragen;

- welke maatregelen of omstandigheden in aanmerking zouden komen, die het ontbreken van ondervragingsmogelijkheden door de verdediging zouden kunnen compenseren.

4. De motivering van de afwijzing van het verzoek van de verdediging de opgegeven getuigen te horen, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, gaat op geen enkel van deze aspecten in. Uit de bewijsmotivering blijkt, dat het hof wel op de onderlinge consistentie van de (niet door de verdediging ondervraagde) getuigen is ingegaan en daarbij vooral geleund heeft op de verklaringen van [betrokkene 6] en [betrokkene 2] . Maar daaruit blijkt niet of het hof zich er rekenschap van heeft gegeven in hoeverre de bewezenverklaring berust op deze, niet door de verdediging getoetste getuigenverklaringen en of er steunbewijs aanwezig is uit andere bron (dan de niet door de verdediging ondervraagde getuigen) dat de betwiste betrokkenheid van de verdachte bij de verwonding van het slachtoffer ondersteunt.

5. Kortom, ik meen dat het middel slaagt, met name omdat de afwijzing van de (voorwaardelijk) gedane getuigenverzoeken onvoldoende is gemotiveerd. Daaruit volgt dat de klachten over de schending van het ondervragingsrecht zoals gewaarborgd in art. 6 lid 3 onder d EVRM en het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen die door de verdediging niet konden worden getoetst eveneens slagen.

6. Ambtshalve merk ik op dat nu al vaststaat dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu het middel slaagt, behoeft de overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015.

2 Verwezen wordt hier in een voetnoot naar HR 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB7528, NJ 1994/427 en HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145.

3 Verwezen wordt in deze voetnoot naar HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2523, NJ 2016/480, rov. 2.3.

4 Verwezen wordt hier naar EHRM 6 mei 2003, nr. 48898/99 (Perna tegen Italië), § 29. Vgl. voorts onder meer EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), § 42.

5 Deze voetnoot bevat de verwijzing naar ‘onder meer’ EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), § 42.

6 Verwezen wordt naar HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.76.

7 EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat t. Slovenië), § 48: “As regards the first grounds for the refusal, namely that the facts had been sufficiently established, the Court finds that it does not constitute a sufficient reason in itself.” Zie in gelijke zin EHRM 10 oktober 2013, nr. 51355/10 (Topić t. Kroatië), § 47.

8 EHRM Grote Kamer 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), §107, waarin het EHRM noemt: The Court must examine (i) whether there was a good reason for the non-attendance of the witness and, consequently, for the admission of the absent witness’s untested statements as evidence (ibid., §§ 119-25); (ii) whether the evidence of the absent witness was the sole or decisive basis for the defendant’s conviction (ibid., §§ 119 and 126-47); and (iii) whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to compensate for the handicaps caused to the defence as a result of the admission of the untested evidence and to ensure that the trial, judged as a whole, was fair (ibid., § 147).