Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1343

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-10-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
16/03319
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3121, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Mededeling aan b.p. van tz. in h.b. ex art. 413.2 Sv. HR herhaalt ECLI:NL:HR:1997:ZD0822, NJ 1998/156 m.b.t. de strekking van het voorschrift dat aan b.p. schriftelijk dient te worden medegedeeld op welke dag de zaak ttz. in h.b. zal worden behandeld alsmede de plicht van de rechter om te onderzoeken of aan dat voorschrift is voldaan en om het onderzoek ttz. te schorsen indien dat niet het geval is. Blijkens het p-v van de tz. in h.b. is de b.p. aldaar niet verschenen. De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat de mededeling a.b.i. art. 413.2 Sv is gedaan. Het Hof had ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of die mededeling was gedaan. De bestreden uitspraak houdt daaromtrent niets in. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03319

Zitting: 31 oktober 2017

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) heeft bij arrest van 15 juni 2016 de verdachte ter zake van “poging tot doodslag” en “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft het hof een proeftijd van drie jaren verbonden alsmede de bijzondere voorwaarden als in het arrest genoemd. Tevens is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van 3.392,50 euro, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, beide vermeerderd met de wettelijke rente.

2. Mr. M. Wezepoel, advocaat te Nootdorp, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft mr. M.M. Veldhuysen, advocaat te Zwolle, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld alsmede bij verweerschrift schriftelijk commentaar gegeven op het namens de verdachte voorgestelde derde middel.

3. Het eerste middel klaagt dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer niet blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, dan wel dat ’s hofs beslissing hieromtrent onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 30 augustus 2015 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 1] opzettelijk van het leven te beroven,

- [betrokkene 1] meermalen (met kracht) met al dan niet tot vuist gebalde hand tegen het hoofd en/of gezicht en tegen het lichaam heeft geslagen/ gestompt, en

- [betrokkene 1] (terwijl [betrokkene 1] op de grond zat/lag) met kracht met geschoeide voet in de richting van het gezicht heeft geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. De bewezenverklaring van het onder 1 bewezenverklaarde steunt op de volgende bewijsmiddelen (onderstreept in het origineel):

“1. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van aangifte nr. PL0600-2015424607-1 d.d. 30 augustus 2015, inhoudende:

als verklaring van aangever [betrokkene 1] (pag. 72 e.v.):

Ik wil aangifte doen van poging tot doodslag. Een Antilliaanse man die ik ken onder de naam [verdachte] (naar het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) heeft mij in elkaar geslagen en geschopt. Hij heeft mij in mijn gezicht gestompt en geschopt. Ik heb als gevolg van het geweld diverse hoofdwonden. Mijn neus is gebroken en ik heb pijn aan mijn kaak. Mijn linkerhand is op diverse plekken gebroken. Ik heb pijnlijke ribben. Ik heb over heel mijn lichaam pijn. Ik was vannacht in mijn woning samen met [betrokkene 2] (naar het hof begrijpt: [betrokkene 2]). [betrokkene 2] was aan het bellen en zij kreeg ruzie over de telefoon met haar vriend. Ik weet dat hij [verdachte] heet. Wij liepen naar buiten naar de auto van [betrokkene 2]. Ik zag iemand uit de bosjes komen. Hij zat verstopt in die bosjes. Ik zag dat [verdachte] naar mij toe kwam rennen en op me in begin te slaan. Hij stompte me op mijn neus en ik voelde direct een hevige pijn. Ik verloor mijn evenwicht en viel op de grond. Toen ik op de grond lag, schopte hij op me in. Ik werd heel vaak geschopt en voelde dat ik met kracht in mijn gezicht werd geschopt. Dit deed veel pijn. Ik voelde dat ik geschopt werd onder mijn kin, op mijn neus en tegen mijn ribben. Ik zag dat hij naar mijn gezicht schopte en heb de schoppen afgeweerd met mijn handen. Zo kwamen de trappen tegen mijn handen terecht. Dit deed erg veel pijn.

2. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren proces-verbaal van verhoor van aangifte nr. PL0600-2015424607-35 d.d. 10 september 2015, inhoudende:

als verklaring van aangever [betrokkene 1] (pag. 80 e.v.):

Mijn linkerhand is op 10 plekken gebroken. De handkootjes zijn helemaal stuk. Ik heb mijn neus op meerdere plaatsen gebroken. Ik had ernstige hoofdpijn, vermoedelijk een hersenschudding, diverse kneuzingen op mijn hoofd en bovenlichaam. Ik heb een aantal ribben gekneusd. Daar heb ik ook veel last/pijn van gehad.

(V: Wat deed [verdachte] toen hij uit de bosjes kwam?)

Hij kwam rechtstreeks naar mij en ik kreeg direct een stomp op mijn hoofd en ging plat. [betrokkene 2] probeerde hem nog tegen te houden. Ik zag dat zij ook een klap of stoot kreeg toen ze voor hem ging staan om hem tegen te houden. Hij heeft mij geslagen en gestompt, terwijl ik op de grond lag. Als ik zijn schoppen niet had afgeweerd, dan was het mis gegaan met mij. Het ging echt heel hard hoe hij mij sloeg en schopte.

3. De verklaring van getuige [betrokkene 1] ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement Overijssel, locatie Zwolle d.d. 24 november 2015, inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 1]:

We stonden bij de oprit en ik stond met de rug naar de geluidswal en hoorde geritsel uit de bosjes bij de geluidswal. Daarop kreeg ik zo'n klap dat ik buiten westen raakte. Ik kwam daardoor op de grond en was buiten westen. Toen ik bijkwam zag ik [verdachte] een aanloop nemen alsof hij een penalty nam, ik deed mijn handen voor mijn gezicht en daarna weet ik niets meer. Ik ben bang dat ik er niet meer geweest zou zijn als ik de trap niet had afgeweerd. Op het moment dat [verdachte] op mij afkwam lag ik op mijn linkerzijde op de grond. Ik kan mij herinneren dat de voet van [verdachte] tegen mijn handen kwam. Ik herinner me nu voor het eerst dat ik ook een ‘knak' hoorde. Toen was het licht uit.

4. Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage van de GGD IJsselland, opgemaakt door forensisch arts B. van Essen d.d. 30 augustus 2015 (pag. 83 e.v.), inhoudende:

Naam: [betrokkene 1]

Voornamen: [voornaam betrokkene 1]

Letstelbeschrijving:

Hoofd: bij nader CT-onderzoek blijkt het neusbeen (benige deel neus) gebroken te zijn. Linker arm en hand: 2e middenhandsbeentje is aan polszijde gebroken (straal wijsvinger) de middenhandsbeentjes van 2e t/m 52 straal zijn ontwricht in de pols 2 handwortelbeentjes in de pols zijn gebroken.

Beoordeling letsel:

Ontstaan: letsel veroorzaakt door direct en indirect stomp botsend en schurend geweld.

Herstel: langdurig herstel, exacte duur nu nog niet aan te geven maar het zal zeker vele maanden duren waarbij mogelijk geen volledig functioneel herstel meer zal plaatsvinden: beperkingen in de polsfunctie.

5. Een schriftelijk stuk, te weten een onderzoek door deskundig forensisch arts S.J.Jh. van Kuijk van GGD IJsselland d.d. 20 november 2015, inhoudende:

Naam: [betrokkene 1]

Voornamen: [voornaam betrokkene 1]

Uit het letselrapport wordt duidelijk dat het slachtoffer een deel van het op zijn hoofd/ zijn gezicht komend geweld heeft afgeweerd door de linkerarm en -hand als bescherming voor het gezicht te houden. Hierbij is een groot aantal botten in de pols en de hand gebroken. Naast een aantal gebroken middenhandsbeentjes, is ook een aantal handwortelbeentjes gebroken én is een aantal ontwrichtingen in het polsgewricht ontstaan. Dat geeft aan dat er excessief veel kracht is uitgeoefend zoals dat bijvoorbeeld door schoppen met een (geschoeide voet) kan worden veroorzaakt. Stomp botsend geweld op het hoofd uitgeoefend geeft altijd risico op dodelijk schedelhersenletsel. Het risico wordt groter naarmate de uitgeoefende kracht groter wordt. Zonder afweer zou er naar verwachting bij het slachtoffer zeer uitgebreid schedelhersenletsel zijn ontstaan met zeer grote kans op dodelijke afloop. Zonder afweer dus zeker potentieel dodelijk letsel.

6. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 30 augustus 2015, voor zover inhoudende:

als verklaring van getuige [getuige] (pag. 98 en 99):

Op zaterdag 29 augustus 2015 rond 23.30 uur ben ik op bezoek gegaan bij [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] te Zwolle. Rond middernacht kwam [betrokkene 2] uit Dalfsen bij [betrokkene 1] op bezoek. Wij gingen op enig moment naar buiten, ik sloeg linksaf [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (naar het hof begrijpt [betrokkene 2]) gingen rechtsaf naar de Minervalaan. Ik liep naar mijn auto en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] liepen naar de auto van [betrokkene 2]. Ik hoorde iemand schreeuwen. Later bleek dit [betrokkene 1] te zijn. Ik ben richting [betrokkene 1] gelopen. Ik zag dat die jongen [betrokkene 1] schopte. Ik zag [betrokkene 1] op de grond liggen terwijl de jongen [betrokkene 1] vol in het gezicht schopte.

Nadere bewijsoverweging

Uit de inhoud van met name bewijsmiddel 1 in combinatie met de inhoud van de bewijsmiddelen 7 en 8, leidt het hof af dat getuige [getuige] verdachte op aangever [betrokkene 1] heeft zien intrappen. Zowel [betrokkene 1], als [betrokkene 2] verklaren over [verdachte] die [betrokkene 1] trapte, terwijl uit bewijsmiddel 8 naar voren komt dat verdachte heeft verklaard [verdachte] te worden genoemd.

7. De verklaring van [betrokkene 2] afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement Overijssel, locatie Zwolle d.d. 8 december 2015, inhoudende:

als verklaring van getuige [betrokkene 2]:

[verdachte] (naar het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) rende naar ons toe. Toen zag ik [verdachte] uithalen naar [betrokkene 1] (naar het hof begrijpt: [betrokkene 1]). [verdachte] zei daar niet zoveel bij. Hij had volgens mij ook wel een slok op, hij was uit zijn doen. Hij viel [betrokkene 1] aan en ik wilde er tussen springen. Ik zag hem aan komen rennen, hij is best groot en duwde me weg en sloeg [betrokkene 1]. Ik sprong er tussen. Op dat moment kreeg ik ook een klap op mijn gezicht. Dat was een behoorlijke klap en ik was toen met mezelf bezig en draaide me om. Op een gegeven moment hoorde ik [betrokkene 1] schreeuwen, hij lag daarbij op de grond. Bij de eerste uithaal van [verdachte] was [betrokkene 1] al op de grond gevallen. Ik heb wel gezien dat ze aan het worstelen waren op de grond op een bepaald moment. Er werd geschopt tegen de buik. Ik zag schoenen en ik zag dat [betrokkene 1] zich afweerde. [betrokkene 1] lag in ieder geval op de grond.

8. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 16 september 2015, inhoudende:

als verklaring van verdachte:

Ik kwam van de stad. Ik was goed dronken. Ik was op weg naar huis. Toen kwam ik in die straat [betrokkene 2] (naar het hof begrijpt: [betrokkene 2]) tegen. Ik hoorde dat toen een man tegen mij sprak. Hij zei iets van “onnozel persoon wat moet jij”. Hij haalde me uit het gesprek met haar. Ik zei tegen hem: “wat moetje”. Toen begonnen we te vechten. Ook [betrokkene 2] sprong er tussen. Met mijn vuisten heb ik hem geslagen op zijn gezicht. Ik had hem een paar stoten gegeven. Toen klapte ik hem en hij viel toen ook op de grond.

(V: ‘Waar heb je hem overal geraakt volgens jou)

Op zijn gezicht gewoon. Ook op zijn achterhoofd. Ik heb wel aan vechtsporten gedaan.

Het klopt dat ik [verdachte] wordt genoemd. Ik heb [betrokkene 1] geslagen en gestompt. Toen [betrokkene 1] op de grond lag, ben ik [betrokkene 2] gaan helpen. Toen ik terugkwam zat [betrokkene 1] al op zijn knieën en wilde hij opstaan. Ik sloeg toen in zijn rechterzij en in zijn gelaat. Hij was in dekking.

(…)”

6. Het hof heeft ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit voorts, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende overwogen:

“(…)

Voorts overweegt het hof ten aanzien van de vraag of verdachte met zijn gedragingen (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever heeft gehad het volgende.

Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Verder is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan, dan dat degene die die handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Het hof overweegt dat het eenmaal met kracht schoppen tegen het hoofd een aanmerkelijke kans oplevert dat de dood intreedt. Het hoofd is een bijzonder kwetsbaar deel van het lichaam. Het is een algemene ervaringsregel dat geweld zoals in de onderhavige zaak is uitgeoefend kan leiden tot schedelfracturen, bloedingen onder de schedel en kwetsuren aan het strottenhoofd of de nekwervels, die de dood kunnen veroorzaken. In dit geval heeft verdachte met geschoeide voet met zodanig excessieve kracht zoals blijkt uit de letselverklaring in de richting van het hoofd van [betrokkene 1] geschopt, dat daarmee een aanmerkelijke kans op fataal letsel bestond en dat verdachte bewust die aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Dankzij het feit dat [betrokkene 1] zijn hoofd met zijn handen heeft afgeschermd, heeft [betrokkene 1] voorkomen dat de schop rechtstreeks tegen zijn hoofd aankwam.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de poging tot doodslag, zoals onder 1 primair ten laste gelegd, wettig en overtuigend te bewijzen is.”

7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat uit de tot het bewijs gebezigde geneeskundige verklaring volgt dat er slechts “zonder afweer” een grote kans was op potentieel dodelijk letsel bij het slachtoffer. In dit geval zou het slachtoffer zijn gezicht echter met zijn armen hebben afgeweerd, hetgeen bij de verdachte ook kenbaar is geweest. Die afweer was de reden dat de verdachte, een vechtsportbeoefenaar, het slachtoffer slechts “geoefend” heeft geslagen en eenmaal “in de richting” van zijn hoofd heeft geschopt. De verdachte heeft dientengevolge niet de aanmerkelijke kans op een dodelijk afloop van het geweldincident aanvaard en ’s hofs oordeel hieromtrent is dan ook onvoldoende duidelijk en ontoereikend gemotiveerd, aldus het middel.

8. Allereerst gaat het middel uit van feitelijkheden die door het hof niet zijn vastgesteld en in cassatie niet vaststaan, te weten dat de verdachte zijn (“geoefende”) geweldgebruik zou hebben aangepast op de bij hem kenbare afweer van het slachtoffer en dat hij slechts “in de richting” van het hoofd van het slachtoffer zou hebben geschopt.1 Dat de verdachte heeft verklaard dat hij aan vechtsport heeft gedaan en heeft opgemerkt dat het slachtoffer “in dekking” was, doet daaraan niet af.2 Het middel kan dus niet slagen voor zover het met een beroep op deze feiten wil klagen over de ontoereikende motivering van ’s hofs oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op een dodelijke afloop van onderhavig geweldincident. Ik vraag mij overigens af of de omstandigheid dat het slachtoffer zich al dan niet heeft afgeweerd überhaupt relevant is voor de vraag naar verdachtes aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de poging tot doodslag van het slachtoffer.

9. Ten aanzien van het voorwaardelijk opzet op de dood heeft het hof overwogen dat de verdachte, door het slachtoffer eenmaal met kracht tegen het hoofd te schoppen, de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de dood intreedt. Het is volgens het hof een algemene ervaringsregel dat geweld zoals in onderhavige zaak is uitgeoefend kan leiden tot verwondingen die de dood kunnen veroorzaken. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft geslagen, waarna het slachtoffer op de grond is gevallen en door de verdachte (minimaal) één keer (met kracht) tegen zijn hoofd is geschopt. Het slachtoffer heeft daaraan diverse verwondingen aan – onder meer – zijn hoofd overgehouden. Gezien de tot het bewijs gebezigde medische rapportages heeft het slachtoffer getracht zijn hoofd met zijn handen te beschermen tegen het (excessieve) geweld, waardoor zijn hand op verschillende plekken is gebroken. Genoemd geweld wordt in de rapportages toegerekend aan (bijvoorbeeld) het schoppen met een geschoeide voet. Dat het hof van oordeel is dat de verdachte onder deze omstandigheden de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn schop het slachtoffer dodelijk had kunnen treffen is dan ook geenszins onbegrijpelijk.3

10. Het middel klaagt vrij evident tevergeefs.

11. Het tweede middel klaagt dat ’s hofs beslissing een proeftijd voor de duur van drie jaren op te legen onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

12. Het voorgestelde middel kan (evident) niet slagen. De rechter is volgens vaste rechtspraak niet gehouden de duur van de proeftijd afzonderlijk te motiveren.4 Voor zover het middel uitgaat van het standpunt dat het hof niet ongemotiveerd had mogen afwijken van de “reguliere proeftijd” van twee jaren, vindt dat standpunt geen steun in het recht. Ingevolge art. 14b, tweede lid, Sr kan de rechter immers een proeftijd van ten hoogste drie jaren opleggen en is de duur van die proeftijd niet (langer) afhankelijk van de voorwaarde die hij heeft opgelegd.5 Bovendien heeft het hof, anders dan het middel doet vermoeden, hoe dan ook een uitgebreide motivering aan de strafoplegging laten voorafgaan. Zo overwoog hij onder meer dat het slachtoffer ernstig en waarschijnlijk blijvend letsel heeft opgelopen, dat de verdachte al meermalen (onherroepelijk) is veroordeeld ter zake van agressie-gerelateerde feiten en dat hij voor zijn complexe, persoonlijke problemen een klinische behandeling moet ondergaan.

13. Het middel faalt.

14. Het derde middel klaagt over ‘s hofs toewijzing van de wettelijke rente over de vordering benadeelde partij. De benadeelde partij heeft in hoger beroep zijn vordering niet gehandhaafd waardoor het hof de wettelijke rente over die vordering ten onrechte (ambtshalve) heeft toegewezen, aldus het middel.

Namens de benadeelde partij zijn zoals gezegd twee middelen van cassatie voorgesteld. De benadeelde partij is volgens het eerste middel niet opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep en kon zodoende zijn vordering niet toelichten. Dientengevolge zou die vordering ten onrechte voor een aanzienlijk lager deel zijn toegewezen dan in eerste aanleg. Het tweede middel klaagt dat het hof verzuimd heeft de verlaging van het toegewezen deel van die vordering te motiveren.

Voorts is de advocaat van de benadeelde partij bij verweerschrift opgekomen tegen het namens de verdachte voorgestelde derde middel. Betoogd wordt dat, zoals de benadeelde partij ook in het eerste middel stelt, de vordering nimmer is ingetrokken en derhalve in hoger beroep is gehandhaafd. Voorts is blijkens de aan het voegingsformulier gehechte schadestaat (p. 4) ook de wettelijke rente gevorderd.

15. Ik vang aan met een bespreking van het eerste – namens de benadeelde partij – ingediende middel. De benadeelde partij, die zich in eerste aanleg had gevoegd, is niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Indien een benadeelde partij niet ter terechtzitting verschijnt, dient de rechter te onderzoeken of hem de zittingsdag conform art. 413, tweede lid, Sv schriftelijk is medegedeeld, en eventueel van dat onderzoek blijk te geven. Wanneer de zittingsdag niet aan de benadeelde partij is meegedeeld, behoort de rechter het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, opdat dit verzuim kan worden hersteld.6 Het hof heeft blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting medegedeeld dat de benadeelde partij zijn vordering niet heeft gehandhaafd. Het is mij echter niet duidelijk waarop het hof deze mededeling heeft gebaseerd. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de benadeelde partij is medegedeeld op welke dag de zitting in hoger beroep zou plaatsvinden, noch of de rechter heeft onderzocht of voornoemde mededeling aan de benadeelde partij is gedaan.7 De benadeelde partij klaagt hierover terecht en heeft ook belang bij deze klacht aangezien het hof de vordering van de benadeelde partij slechts heeft toegewezen (en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd) tot het bedrag van € 3.392,50, terwijl een bedrag van € 16.382,05 was gevorderd. Voorts had de rechtbank die vordering tot het bedrag € 11.072,50 toegewezen. Het arrest kan voor wat betreft ’s hofs beslissing op de vordering van de benadeelde partij dan ook niet in stand blijven.8 Het tweede namens de benadeelde partij ingediende middel en de namens de verdachte opgevoerde – kansloze9 – klacht inzake de wettelijke rente kunnen, indien uw Raad mij hierin volgt, dientengevolge onbesproken blijven en bij een nieuwe behandeling van de vordering aan de orde worden gesteld.

16. Het eerste door de benadeelde partij ingediende middel slaagt. De overige middelen inzake de vordering van de benadeelde partij kunnen derhalve onbesproken blijven.

17. Het vierde middel klaagt over een overschrijding van de redelijke termijn.

18. Namens de verdachte is op 28 juni 2016 cassatie ingesteld tegen het arrest van 15 juni 2016. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 8 februari 2017 ontvangen. Aangezien de verdachte zich in preventieve hechtenis bevindt bedraagt de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad zes maanden.10 Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Aangezien het middel inzake de vordering benadeelde partij naar mijn inzicht slaagt en ik zal voorstellen om de zaak terug te wijzen naar het hof, kan (indien de Hoge Raad mij hierin volgt) ook het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak aan de orde worden gesteld indien uw Raad de bestreden beslissing (tevens) voor wat betreft de strafoplegging vernietigt en de zaak ook in zoverre terugwijst naar het hof. Uw Raad kan deze klacht in dat geval onbesproken laten.11

19. Een andere afdoening in cassatie laat zich trouwens ook denken. Uit HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430 vloeit voort dat een vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij niet (tevens) dwingt tot vernietiging van de bestreden uitspraak op het punt van de strafoplegging. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij moet immers worden onderscheiden van ‘s hofs beslissing(en) omtrent de oplegging van straf(fen), maatregel(en) en/of inbeslaggenomen voorwerpen. Mogelijk is dus dat uw Raad de bestreden beslissing wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf vernietigt én (ambtshalve) vermindert, alsmede de bestreden beslissing wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij vernietigt, doch de zaak in zoverre terugwijst teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Aangezien de kracht van het argument van een doelmatige afdoening van de zaak in cassatie is gereduceerd doordat het eerste middel van de benadeelde partij m.i. slaagt en zulks reeds in zoverre dient te leiden tot terugwijzing van de zaak, heb ik ervoor gekozen uw Raad voor te stellen de zaak ook wat betreft de strafoplegging terug te wijzen.

20. Ten overvloede wijs ik erop dat indien uw Raad zou kiezen voor een afdoening van de eerste drie middelen van de verdachte op de voet van art. 80a RO (hetgeen zeer verdedigbaar is), zulks meebrengt dat de verdachte evenmin kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep voor wat betreft het vierde middel, terwijl die wijze van afdoening tevens tot gevolg heeft dat uw Raad geen acht kan slaan op de middelen van de benadeelde partij. De ontvankelijkheid van diens cassatieberoep is immers afhankelijk van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de verdachte.12

21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering benadeelde partij en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

n.d.

AG

1 Zie onder andere bewijsmiddelen 1, 7 en 8 en de nadere bewijsoverweging bij bewijsmiddel 8. Het hof heeft (onder andere) vastgesteld dat hij “met kracht” tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geschopt. Voorts verklaart de verdachte volgens bewijsmiddel 8 dat hij tijdens het gevecht “goed dronken” was en ook ter terechtzitting bij het hof d.d. 1 juni 2016 verklaart hij “die avond aardig lazarus” te zijn geweest. Een en ander maakt ‘gepast’ of ‘geoefend’ geweldgebruik door de verdachte, voor zover dat überhaupt relevant zou zijn, niet waarschijnlijk. Het hof heeft hierover in ieder geval niets vastgesteld.

2 Zie bewijsmiddel 8.

3 Zie bijvoorbeeld ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2014:257) voorafgaand aan HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:855, alinea 3.4.

4 Zie: HR 3 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8285. Zie ook G.H. Meijer, A. Seuters & R. ter Haar, Leerstukken Strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, paragraaf 1.8.

5 Laatstelijk gewijzigd bij wet van 1 april 2012, Stb. 2011, 615.

6 Zie: HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0822, r.o. 4.2. Zie ook: HR 14 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1524. Zie in dit kader ook de conclusie van P-G Fokkens (ECLI:NL:PHR:2006:AY9241) voorafgaand aan HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9241, alinea 16 en 17.

7 Bovendien heeft de strafgriffie van de Hoge Raad het hof verzocht de in het cassatiedossier ontbrekende correspondentie inzake de benadeelde partij toe te zenden. De griffie van het hof heeft de Hoge Raad daarop slechts toegezonden (een kopie van) het in eerste aanleg overgelegde voegingsformulier benadeelde partij. Dat maakt het m.i. des te waarschijnlijker dat de benadeelde partij niet op de hoogte is gebracht van de zittingsdag in hoger beroep. Het dossier in eerste aanleg bevat voorts wél een map met correspondentie van en met de benadeelde partij over (onder andere) de zittingsdag van de rechtbank.

8 Zie HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, r.o. 4.1 en 4.2, o.a.: “Een en ander sluit aan bij de omstandigheid dat de benadeelde partij wier vordering (gedeeltelijk) niet is toegewezen, bevoegd is om op de voet van art. 437, derde lid Sv een schriftuur in te dienen ingeval cassatieberoep is ingesteld tegen de desbetreffende uitspraak. Voor de duidelijkheid wijst de Hoge Raad erop dat van deze beslissingen omtrent een vordering van de benadeelde partij moet worden onderscheiden de beslissingen omtrent het opleggen van schadevergoedingsmaatregel als bedoel in art. 36f Sr. Voor de beslissingen omtrent het opleggen van een dergelijke maatregel geldt hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen.”

9 Zie HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1341 en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362.

10 Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (Redelijke termijn II), r.o. 3.3.

11 Zie vorige voetnoot, r.o. 3.5.3.

12 Ongeacht of een eventuele niet-ontvankelijkheid is geschoeid op art. 80a RO. Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241.