Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1341

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-10-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
15/05962
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3119, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Doorhaling stempelvonnis ex art. 378a.1 en 5 Sv indien ex art. 378.2.c Sv het mondeling vonnis in het p-v ttz is aangetekend. ‘s Hofs oordeel komt hierop neer dat gelet op de aantekening van het mondeling vonnis van de Kinderrechter a.b.i. art. 378a.1 Sv – een zgn. stempelvonnis – verdachte in e.a. is veroordeeld voor o.m. feit 1 in de zaak met parketnummer A en dat, nu dit feit gelet op de uit de appelakte blijkende beperking niet aan ’s Hofs oordeel was onderworpen, ex art. 423.4 Sv de straf voor dat feit diende te worden vastgesteld. Aldus heeft het Hof miskend dat genoemd stempelvonnis o.g.v. art. 378a.5 Sv is vervallen t.g.v. het aantekenen van het mondeling vonnis in het p-v ttz en dat het in het p-v ttz aangetekende mondeling vonnis van de Kinderrechter inhoudt dat verdachte is vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer A tlgd. Bijgevolg heeft het Hof ten onrechte beraadslaagd en beslist over hetgeen in de zaak met parketnummer A onder 1 is tlgd. en verdachte te dier zake schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Volgt partiële vernietiging en vaststelling door HR dat verdachte is vrijgesproken van voormeld feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05962

Zitting: 31 oktober 2017

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 17 december 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens – kort gezegd – het bezit van 57 pillen MDMA en/of MMDA (feit 1) en het bezit van een “zogenaamde XTC pil” (feit 2) veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uren te vervangen door 45 dagen jeugddetentie waarvan 60 uren, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Dit betreft de feiten waarvoor hij onder parketnummer 10/116872-14 is gedagvaard.

Tevens heeft het hof de verdachte schuldig verklaard “zonder oplegging van straf” ten aanzien van “het in eerste aanleg bewezen- en strafbaar verklaarde feit bij parketnummer 10-140012-14 onder 1”, te weten – kort gezegd – de mishandeling van zijn stiefvader. Ik citeer de beslissingen met betrekking tot de mishandeling van de stiefvader, omdat het onderhavige cassatieberoep zich daarop toespitst.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te Den Haag, cassatieberoep ingesteld en een schriftuur ingediend houdende één middel van cassatie.

3. Het middel stelt de omvang van het hoger beroep aan de orde, zulks met de klacht dat het hof de verdachte heeft schuldig verklaard aan een feit waarvan hij door de politierechter onherroepelijk was vrijgesproken, terwijl het door hem ingestelde hoger beroep niet tegen deze vrijspraak was gericht.

4. Voor de beoordeling van het middel is van belang (1) ter zake van welke feiten de verdachte in eerste aanleg terecht heeft gestaan, (2) ter zake van welke feiten hij is veroordeeld, en (3) ter zake van welke feiten hij hoger beroep heeft doen instellen. Ik begin met het beantwoorden van de eerste vraag.

5. In eerste aanleg heeft de verdachte terechtgestaan ter zake van een vijftal feiten. Hij is gedagvaard onder parketnummer 10/116872-14 om terecht te staan ter zake van – kort gezegd – het aanwezig hebben van 57 pillen MDMA en/of MMDA (feit 1) en het aanwezig hebben van “een zogenaamde XTC pil” (feit 2).

6. Deze zaak is gevoegd behandeld met de strafzaken tegen de verdachte met parketnummers 10/058334-14 en 10/140012-14. De zaak met parketnummer 10/058334-14 betreft één feit, kort gezegd: opzetheling van een bromfiets. De zaak met parketnummer 10/140012-14 betreft twee feiten, kort gezegd: de mishandeling (feit 1) en bedreiging (feit 2) van zijn stiefvader.

7. Voor de beoordeling van het middel is voorts van belang ter zake van welke feiten de rechtbank de verdachte heeft veroordeeld, en van welke feiten de rechtbank hem heeft vrijgesproken. Het antwoord op deze tweede vraag is afhankelijk van het document dat wordt geraadpleegd. De inhoud van het proces-verbaal verschilt namelijk van de inhoud van het stempelvonnis. Ik begin in chronologische volgorde met het stempelvonnis.

8. Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 378a Sv opgemaakte (stempel)vonnis houdt in dat de verdachte is vrijgesproken van de als feit 2 met parketnummer 10/140012-14 ten laste gelegde bedreiging van zijn stiefvader, en van de als feit 1 met parketnummer 10-0558334-14 ten laste gelegde opzetheling. Terzijde merk ik op dat er onder het laatstgenoemde parketnummer geen feit 2 ten laste is gelegd.
Het stempelvonnis houdt in dat de verdachte is veroordeeld wegens het aanwezig hebben van 57 pillen MDMA en/of MMDA en het aanwezig hebben van “een zogenaamde XTC pil” (feit 1 en 2 onder parketnummer 10-116872-14) en de mishandeling van zijn stiefvader (feit 1 onder parketnummer 10-140012-14).

9. Het stempelvonnis – de aantekening mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378a Sv – houdt het volgende in:

BESLISSING:
T.a.v. 10-140012-14 feit 2, 10-058334-14 feit 1:

Vrijspraak

T.a.v. 10-11687214 feit 1, feit 2, 10-140012-14 feit 1:

Een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

[…]
Bijzondere voorwaarde:

De veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van:

Reclassering Nederland, arrondissement Rotterdam, zolang deze instelling dat nodig vindt, met opdracht aan genoemde instelling ex artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

10. Nadat de verdachte op 23 september 2014 hoger beroep heeft doen instellen tegen het op 9 september 2014 uitgesproken vonnis, is overeenkomstig het bepaalde in artikel 378, tweede lid onder c, Sv proces-verbaal opgemaakt van de terechtzitting van de politierechter.

11. Het proces-verbaal is dus alsnog opgemaakt nadat de uitspraak is aangetekend als bedoeld in artikel 378a Sv. Op de eerste bladzijde van het proces-verbaal dat van de terechtzitting van de politierechter is opgemaakt, kon daarom niet alleen worden meegedeeld van welke feiten de verdachte was vrijgesproken, maar ook ter zake van welke feiten hoger beroep was ingesteld:

De zaak wordt gevoegd behandeld met de strafzaken tegen de verdachte met parketnummers 10/140012-14 en 10/058334-14. Nu de verdachte van de onder die parketnummers tenlastegelegde feiten is vrijgesproken en enkel beroep is ingesteld tegen het onder parketnummer 10/116872-14 ten laste gelegde feit, geeft dit proces-verbaal slechts weer hetgeen in de behandeling van die strafzaak tegen de verdachte is voorgevallen.

12. Het verschil tussen de aantekening mondeling vonnis en het proces-verbaal spitst zich toe op de mishandeling van de stiefvader. Het proces-verbaal houdt in dat de verdachte wordt veroordeeld ter zake van de – kort gezegd – drugsfeiten die aan hem ten laste zijn gelegd onder parketnummer 10/116872-14 en dat de overige feiten niet bewezen worden geacht en dat hij daarvan wordt vrijgesproken:

Niet bewezen wordt geacht hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

13. Uit het proces-verbaal volgt, met andere woorden, dat hij is vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling van zijn stiefvader. Uit de overeenkomstig het bepaalde in artikel 378, tweede lid onder c, Sv opgemaakte aantekening mondeling vonnis volgt evenwel dat de verdachte, naast de drugsdelicten, ook ter zake van de mishandeling van zijn stiefvader is veroordeeld.

14. Op de vraag of in casu het stempelvonnis dan wel het proces-verbaal leidend is, kom ik terug.

15. Voor de omvang van het hoger beroep, de hierboven opgeworpen derde vraag, is het volgende van belang. Op 23 september 2014 heeft de verdachte hoger beroep doen instellen. De akte instellen hoger beroep houdt het volgende in:

Akte instellen hoger beroep

Parketnummer 10-116872-14

Op 23 september 2014 kwam ter griffie van deze rechtbank, locatie Rotterdam, mr. A.H.J. Strak advocaat te Rotterdam die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het afleggen van de volgende verklaringen verklaarde namens [verdachte] hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de kinderrechter in deze rechtbank, locatie Rotterdam, op 09 september 2014 gewezen.

16. Met betrekking tot de omvang van het hoger beroep heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

Blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 23 september 2014 is namens de verdachte beperkt appel ingesteld tegen de feiten met parketnummer 10-116872-14.

Het hof gaat zekerheidshalve uit van de juistheid van het stempelvonnis d.d. 9 september 2014, waarin de verdachte zowel is veroordeeld voor zowel het bij parketnummer 10-140012-14 onder 1 ten laste gelegde als het bij parketnummer 10-116872-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Het voorgaande brengt mee, dat het hof – nu in eerste aanleg ter zake van de bij parketnummer 10-140012-14 onder 1 ten laste gelegde en bij parketnummer 10-116872-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten één hoofdstraf is uitgesproken – op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering alsnog een hoofdstraf voor het in eerste aanleg bij parketnummer 10-140012-14 onder 1 bewezen verklaarde zal bepalen.”

17. Vervolgens heeft het hof, overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, Sv met betrekking tot de straf van de verdachte wegens de mishandeling van zijn stiefvader het volgende overwogen:

Nu in eerste aanleg ter zake van het bij parketnummer 10-140012-14 onder 1 ten laste gelegde en bij parketnummer 10-116872-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten één hoofdstraf is uitgesproken – zal het hof op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een hoofdstraf voor het in eerste aanleg bij parketnummer 10-140012-14 onder 1 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

Mishandeling, begaan tegen zijn (stief)vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat,

bepalen.

Gelet op de aard en ernst van het in eerste aanleg bewezen- en strafbaar verklaarde feit bij parketnummer 10-140012-14 onder 1, zal het hof ten aanzien van dat feit de verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van straf.

18. Uit de overweging van het hof blijkt dat het hof de omvang van het hoger beroep heeft uitgelegd in die zin dat het beroep is beperkt tot de feiten die aan de verdachte ten laste waren gelegd onder parketnummer 10-116872-14. Uit de overweging van het hof blijkt eveneens dat het hoger beroep zich niet uitstrekte tot de overige drie feiten die aan de verdachte ten laste waren gelegd in de zaken met parketnummers 10/058334-14 en 10-140012-14.

19. De uitleg van de akte hoger beroep is voorbehouden aan de appelrechter en die uitleg kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden beoordeeld. De beperkte uitleg die het hof aan de appelakte heeft gegeven, acht ik niet onbegrijpelijk, mede gelet op het bepaalde in artikel 407, tweede lid, Sv, nu in eerste aanleg feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank zijn onderworpen zodat het hoger beroep dus inderdaad kan worden beperkt. In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat het hoger beroep zich beperkte tot de twee drugsdelicten.

20. Nu is vastgesteld dat het hoger beroep zich beperkte tot de feiten die ten laste waren gelegd in de zaak met parketnummer 10-116872-14 – kort gezegd: de drugsdelicten – is de vraag aan de orde wat de politierechter nu precies heeft beslist met betrekking tot de feiten waarover het hoger beroep zich niet uitstrekte. Het hof heeft de beslissing van de politierechter aldus gelezen dat hij de verdachte heeft veroordeeld ter zake van de mishandeling van zijn stiefvader en om die reden overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, Sv voor dat feit de straf bepaald (op de grond dat het hoger beroep slechts was ingesteld ten aanzien van de drugsdelicten).

21. De toelichting op het middel bevat de klacht dat voor toepassing van artikel 423, vierde lid, Sv “noch enige aanleiding, noch de juridische ruimte” bestond en dat het bestreden arrest “met toepassing van dit artikel blijk [geeft] van een onjuiste rechtsopvatting”.

22. Ik acht deze klacht gegrond. Het oordeel van het hof, dat het hoger beroep niet is ingesteld ten aanzien van één van de feiten waarvoor één hoofdstraf is uitgesproken, geeft uiteindelijk blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof artikel 423, vierde lid, Sv toepasselijk heeft geacht. De onjuiste rechtsopvatting is het gevolg van een onjuiste rechtsopvatting inzake de betekenis van het stempelvonnis op het moment dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 378, tweede lid onder c, Sv alsnog proces-verbaal is opgemaakt. Ik begin met het laatste punt.

23. Indien, zoals in de onderhavige zaak, alsnog proces-verbaal wordt opgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 378, tweede lid onder c, Sv, dan komt de “aantekening te vervallen”. Het in artikel 378a, vierde lid, Sv gegeven voorschrift dat de aantekening van het stempelvonnis komt te vervallen, is bij de parlementaire voorbereiding ervan niet inhoudelijk toegelicht.1 Over de betekenis ervan laten de bewoordingen van het voorschrift echter geen twijfel bestaan.2 Den Hartog wijst er bovendien nog op dat – indien de doorhaling niet zou zijn voorgeschreven – de mogelijkheid zou bestaan van twee zelfstandige aantekeningen van het mondelinge vonnis in dezelfde zaak en dat dit vanzelfsprekend dient te worden voorkomen.3 Hetgeen dient te worden voorkomen is precies wat zich in de onderhavige zaak heeft voorgedaan.

24. Door het voorschrift van artikel 378a, vierde lid, Sv, te weten dat de aantekening van het stempelvonnis komt te vervallen, rijst de vraag waarom het hof voor de omvang van de veroordeling door de politierechter “zekerheidshalve” is uitgegaan van het stempelvonnis.4 Op basis van het proces-verbaal van de terechtzitting, had het hof ervan moeten uitgaan dat de verdachte door de politierechter was vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling van zijn stiefvader.

25. Nu het hof ten aanzien van de mishandeling van zijn stiefvader heeft bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, Sv. Bij het cassatieberoep hiertegen heeft de verdachte een in rechte te respecteren belang, doordat wordt vastgesteld dat hij van de tenlastegelegde mishandeling is vrijgesproken.

26. De vervolgvraag is wat deze constatering meebrengt voor de in cassatie bestreden uitspraak. Na vernietiging kan het hof waarnaar de zaak door uw Raad eventueel zou worden verwezen slechts (op basis van het proces-verbaal dat is opgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 378, tweede lid onder c, Sv) vaststellen dat de verdachte ter zake van de mishandeling is vrijgesproken. Deze vaststelling zal geen matigende invloed hebben op een strafoplegging door het hof waarnaar bij cassatie zou worden verwezen, aangezien het hof in het bestreden arrest ten aanzien van de mishandeling reeds had bepaald dat de verdachte weliswaar schuldig was, maar dat geen straf diende te worden opgelegd.

27. Om doelmatigheidsredenen meen ik daarom dat de beslissing van het hof moet worden vernietigd voor zover daarbij de verdachte schuldig is verklaard aan de mishandeling van zijn stiefvader en dat moet worden vastgesteld dat de verdachte door de rechtbank daarvan is vrijgesproken, te weten van het hem in de zaak met parketnummer 10-140012-14 onder 1 ten laste gelegde feit.

28. Ambtshalve merk ik op dat de behandeling van de zaak in cassatie niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig de in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde redelijke termijn nu uit de toepassing van jeugddetentie en de door het hof aangehaalde toepasselijke wetsartikelen blijkt dat het jeugdsanctierecht is toegepast. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Gelet op de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, en het pedagogische karakter van het jeugdsanctierecht, acht ik het aangewezen dat het voorwaardelijk opgelegde deel van de opgelegde werkstraf en de daarmee samenhangende vervangende jeugddetentie worden verminderd.

29. Deze conclusie strekt tot

(1) vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het hof daarbij heeft bepaald “ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf voor het bij parketnummer 10-140012-14 onder 1 bewezen verklaarde dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf”;

(2) vaststelling dat de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 september 2014, zoals dat is aangetekend in het op de voet van artikel 378, tweede lid onder c, Sv opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting, is vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 10-140012-14 onder 1 ten laste gelegde feit;

(3) vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de opgelegde werkstraf wegens de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Kamerstukken II 1973/74, 11 072, nr. 9 (Nota naar aanleiding van het verslag van een mondeling overleg), p. 3: “Mocht daarna alsnog conform het bepaalde in artikel 378, tweede lid, onder b en c, tot het uitwerken van de uitspraak in het proces-verbaal van de terechtzitting worden overgegaan, dan komt de aantekening te vervallen (zie het nieuwe artikel 378a, vijfde lid).

2 A.L. Melai, M.S. Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering (losbladig), art. 378a, aant. 8 (suppl. 91, oktober 1994).

3 A.L. Melai, M.S. Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering (losbladig), art. 378a, aant. 8 (suppl. 91, oktober 1994).

4 Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:237, NJ 2017/108 r.o. 2.4.2: “Blijkens de aantekening mondeling vonnis die is opgenomen in het alsnog uitgewerkte proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter is het bewezenverklaarde feit begaan in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 9 november 2009. ’s Hofs oordeel dat nochtans moet worden uitgegaan van ‘de pleegdatum als vermeld in het stempelvonnis, namelijk 1 oktober 2009’, behoeft nadere motivering aangezien dat stempelvonnis inmiddels was vervallen. Als zodanige motivering kan niet gelden de overweging van het Hof dat een verdachte erop moet kunnen vertrouwen dat de uitspraak in zijn zaak overeenstemt met het stempelvonnis, reeds omdat niet blijkt dat door of namens de betrokkene beroep is gedaan op dat vertrouwen.