Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1337

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
15/05377
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3114, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling. Voorwaardelijk opzet. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte een zeer risicovolle situatie in het leven heeft geroepen door met zijn auto een drietal op de fiets voor hem uit vluchtende jongens te achtervolgen op een smal fietspad dat geen mogelijkheid bood om uit te wijken en dat de mate van gevaarzetting van deze gedraging blijkt uit de omstandigheid dat verdachte, nadat een van de jongens was gevallen, zijn auto niet tijdig tot stilstand wist te brengen en de fiets niet wist te ontwijken. Hieruit heeft het Hof afgeleid dat verdachte, door een combinatie van te hoge snelheid en te geringe afstand tot de voor hem fietsende jongens, de controle over de door hem welbewust ingezette achtervolging volledig kwijt was. Op grond hiervan oordeelde het Hof dat verdachte een situatie in het leven heeft geroepen die de aanmerkelijke kans in zich droeg dat een van de jongens zou vallen en dat verdachte die jongen zou aan- of overrijden met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat verdachte – door over enige afstand op de hiervoor beschreven wijze achter de jongens aan te blijven rijden en te verklaren dat hij voornemens was de jongens te blijven volgen tot een bepaald verderop gelegen punt – deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Het op dit een en ander gebaseerde oordeel dat verdachte met het voor een poging tot zware mishandeling vereiste opzet heeft gehandeld, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05377

Zitting: 3 oktober 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 2 september 2015 de verdachte wegens 1 subsidiair “poging tot zware mishandeling” en 2 “bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld en voorts bij aanvullende schriftuur nog twee middelen van cassatie voorgesteld.1

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde feit onvoldoende met redenen heeft omkleed.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op of omstreeks 16 februari 2011 te Hattem ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [betrokkene 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk

- als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) [betrokkene 1] (welke op een fiets op korte afstand voor hem uitreed) op korte afstand is gevolgd en is blijven volgen, en

- (vervolgens) over een fietspad op korte afstand achter [betrokkene 1] aan is blijven rijden, en

- ten gevolge waarvan [betrokkene 1] ten val is gekomen, en

- (vervolgens) over de fiets van [betrokkene 1] is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , voor zover inhoudende:

“We zijn alle drie over het hek geklommen om balletjes te pakken. (...) Opeens hoorden we vanaf dat terrein in de verte iemand schreeuwen. (...) We zijn toen op de fiets gestapt. (...) Ik zag toen ik op die kruising naar rechts keek, dat er in de verte een auto vanaf het golfterrein de weg op reed. Ik zag die auto in onze richting komen. Ik zag dat deze auto snel in onze richting kwam. Omdat ik dacht dat dit iemand van die golfclub zou zijn, ben ik met mijn vrienden direct over het bruggetje linksaf een fietspad op gereden. Normaal zit daar een paal in zodat auto’s daar niet verder kunnen. Deze paal was eruit. (...) [betrokkene 2] fietste op dat fietspad voorop. Ik fietste links van [betrokkene 3] . We fietsten snel, omdat die man achter ons aan zat. Ik heb daarna niet meer achterom gekeken. Ik hoorde, toen we op dat fietspad reden, drie keer toeteren achter me. Ik hoorde ook een auto. (...) Ik kwam ten val rechts van mijn fiets op dat fietspad. Ik hoorde toen dat de motor van die auto opeens veel toeren maakte. Ik zag vervolgens dat de auto mij voorbij reed. (...) Kort daarop stopte de bestuurder. (...) Ik zag dat de bestuurder uit de auto stapte. (...) Hij begon te schreeuwen dat hij de balletjes terug wilde hebben. (...) De balletjes die ik had gepakt waren door de val uit mijn zak gerold en lagen over de grond. Deze heeft die man opgepakt. (...) Ik zei toen op afstand tegen de man of hij wel goed wijs was. Ik riep tegen hem dat ik gewond was aan mijn knie. (...) De man zei toen tegen me, dat hij niet meer had kunnen remmen en excuseerde zich daarvoor. (...) daarna stapte de man in de auto, (...) en verdween. (...) Ik ben gewond geraakt aan mijn linker knie. Ik ben in het Sophia ziekenhuis in Zwolle aan mijn knie behandeld. Ik moet daar nog enkele keren voor terugkomen. ”

(ii) Een op 21 augustus 2013 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , voor zover inhoudende:

“Wij fietsten links het fietspad op, dat fietspad loopt langs de dijk. Daar staat normaal een paaltje dat stond er nu niet. We zagen dat de auto achter ons aan kwam rijden. [betrokkene 3] fietste voorop. [betrokkene 2] fietste rechts van mij. We hadden in de gaten dat de auto achter ons aankwam. Ik keek om en zag dat de auto vlak achter me zat. Ik keek toen weer voor mij.”

(iii) Een bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 3] , voor zover inhoudende:

“Wij hebben alle drie balletjes (gepakt). Ik heb er een stuk of vijf à zes gepakt en in mijn zak gestoken. Mijn broer en [betrokkene 1] hadden ook ieder een stuk of zes à zeven balletjes. (...) Terwijl wij daar op het terrein waren hoorden wij iemand schreeuwen. Ik bedacht onmiddellijk dat ik moest maken dat ik wegkwam. [betrokkene 1] en mijn broer gingen ook direct weg. Wij zijn teruggerend naar de plek waar onze fietsen stonden. Wij zijn opgestapt en weggefietst in de richting van het kanaal. Wij kwamen toen op de weg richting kanaal. Er is daar een ophaalbrug over het kanaal. Vlak voordat ik op die brug aankwam keek ik achterom en zag ik een auto naderen. Deze reed over de Konijnenburgerweg en kwam in de richting van de brug. Ik zag dat de auto op ongeveer 4 meter van ons af was. (...) Ik kreeg de gedachte dat de man ons wat wilde doen. De bestuurder van de auto was ons aan het opjagen. (...) Op het moment dat wij linksaf sloegen reed [betrokkene 2] voorop. [betrokkene 1] en ik fietsten naast elkaar. [betrokkene 1] fietste links en ik rechts. De auto kwam hard achter ons aan rijden. Plotseling zag ik dat [betrokkene 1] schuin naar de berm links gleed in de richting van het kanaal. Hij lag toen al op de grond. (...) Ik hoorde wel een klap. (...) Ik heb op het moment dat [betrokkene 1] al van de fiets was wel gezien dat de fiets tegen de auto zat. Ik heb gezien dat de auto de fiets (...) meesleepte. Later zag ik dat daardoor het asfalt stuk was en er witte strepen van de fiets van [betrokkene 1] op de weg stonden. (...) De man stapte uit en vroeg om de balletjes. (...) De man zei vervolgens tegen [betrokkene 1] : ‘Sorry, ik gleed uit! ’. Vervolgens is hij in de auto gestapt en weggereden. (...) ”

(iv) Een bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende:

“Op woensdag 16 februari 2011 (...) ben ik samen met mijn broer [betrokkene 3] en vriend [betrokkene 1] naar de golfbaan gegaan (...). Ik hoorde dat iemand vanuit dat groepje zei: ‘he!’. Ik hoorde dat dit een mannenstem was. (...) We zijn toen weggefietst. (...) We fietsten toen iets voor het bruggetje van het kanaal aan het einde van de Hezenbergerweg te Hattem. Ik zag toen dat er een auto van het terrein van de golfbaan aan kwam rijden. Deze auto reed naar ons toe. (...) Op een gegeven moment reed de genoemde auto achter ons. Hij reed hard. Ik hoorde dat hij met hoge snelheid achter ons aan kwam rijden. Wij gingen toen keihard fietsen. Ik wilde het fietspad opslaan achter de Hezenberg. Dus over het bruggetje linksaf. (...) We gingen nog harder fietsen. Ik fietste voorop. [betrokkene 3] en [betrokkene 1] fietsen naast elkaar achter mij. (...) Ik zag dat de auto de fiets meesleepte. [betrokkene 1] lag inmiddels al op het fietspad. Ik denk dat de snelheid van de auto op het moment van het aanraken van de fiets zo’n 40 à 50 kilometer per uur was. (...) Ik zag dat de auto de fiets ongeveer 10 meter heeft meegesleept. De auto stopte niet. Hij reed over de fiets van [betrokkene 1] . (...) Ik zag dat de bestuurder uitstapte. (...) Ik hoorde dat die man tegen [betrokkene 1] zei: ‘Ik wil die balletjes terug!’. (...) Ik zag dat de man ze van ons aanpakte en achter in zijn auto legde. Ik hoorde dat [betrokkene 1] tegen de man zei: ‘He, doe eens normaal man!’. Ik hoorde toen dat die man zei: ‘Excuus, ik gleed uit!’. Ik zag toen dat de man weer in zijn auto stapte. De man heeft niet naar de fiets van [betrokkene 1] gekeken. Ook heeft hij niet naar eventuele schade aan zijn auto gekeken. Tevens heeft hij niet naar het letsel van [betrokkene 1] gekeken. Ik heb wel gehoord dat [betrokkene 1] tegen die man zei: ‘Kijk eens wat je het gedaan’. Terwijl hij dit zei wees hij naar zijn knie. Maar de man stapte gewoon in zijn auto. Ik zag dat de man verder reed (...).”

(v) Een bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik ben eigenaar van [A] in [plaats] . (...) Op 16 februari 2011 zag ik een aantal jongens op mijn terrein. Ik zag daar twee jongens onder het hek van mijn terrein doorgaan en ik zag dat die jongens ballen aan het rapen waren. Ik heb gezien dat deze twee jongens onder het hoge hek kropen. Ik riep: "He, wat moet dat.” Ik zag de jongens op een afstand van 210 meter.

Ik ben vervolgens in mijn auto gestapt. Ik ben toen in een Renault Espace, kleur beige-grijs, gestapt. (...) Ik ben met die auto in de richting van het sluisje gereden. Ik weet uit ervaring dat we de jongens nog net kunnen treffen voor het sluisje. Mijn medewerkers en ik zijn namelijk een paar keer eerder achter een stel jongens aangereden om de golfballetjes terug te halen en de jongens aan te spreken. (...) Ik reed met de Renault Espace dus in de richting van het sluisje. Ik reed over de Konijnenbergerweg in de richting van Kanaaldijk. Ik zag dat de jongens op een gegeven moment op het sluisje fietsen. (...) Ik zag dat de jongens linksaf sloegen, het fietspad op. Ik ben toen met mijn auto over het bruggetje gereden en linksaf geslagen, het fietspad op, achter die jongens aan. Hierna gingen ze sneller fietsen. Ik weet dat ik niet op het fietspad mocht komen met mijn auto. (...) De jongens hadden wel door dat ik ze achterna zat. Ik zag dat de jongens harder gingen fietsen. (...) Toen ik ongeveer 1,5 tot 2 meter achter die jongens reed, zag ik dat die twee jongens tegen elkaar botsten. Ik reed toen al een tijdje achter hen. Ik denk dat het ongeveer 100 meter is geweest. Ik zag dat de jongens die naast elkaar reden elkaar raakten en ten val kwamen. Ik probeerde ze te ontwijken. Ik heb geremd en ik heb naar links gestuurd. Ik zag namelijk dat de jongens naar rechts vielen. Ik was even bang dat ik het kanaal in zou rijden. Ik was over de fiets van de jongen die links fietste gereden. Deze bleef onder mijn auto vastzitten. Ik kon niet meteen stilstaan en heb die fiets een aantal meters meegesleept onder mijn auto. ”

(vi) Een proces-verbaal “verkeersongeval analyse” van de politie van 16 maart 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende:

“Het incident vond plaats op een onverplicht fietspad. De bestuurder van de Renault reed over het Opbroeksepad te Hattem, komende uit de richting van de Konijnenbergerweg. Het Opbroeksepad is door borden G13 bijlage 1 RVV 1990 aangeduid als onverplicht fietspad.

Op het fietspad zagen wij een krasspoor van ongeveer 10 meter. De krassen zijn ontstaan doordat de fiets al liggend door de Renault werd voortgeduwd. De Renault is over de liggende fiets heengereden. Wij zagen dat de fiets rondom schade had.

(...) Het onverplichte fietspad had een breedte van 1,7 meter.”

Dit proces-verbaal bevat diverse foto’s van de situatie ter plaatse. Daarop neemt het hof - onder meer - waar dat het fietspad werd geflankeerd door - vanuit de rijrichting van de jongens gezien - links, na een smalle grasberm, het Apeldoorns Kanaal en rechts, eveneens na een smalle grasberm, een (oplopend) talud/dijk.

(vii) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 december 2013 afgelegde verklaring van de verdachte voor zover inhoudende:

“Ik heb al vaak de politie gebeld vanwege gestolen golfballetjes en nu wilde ik in gesprek en ik wilde de golfballetjes terug. Ik schatte in dat de jongens zo'n 14-16 jaar oud waren.”

6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2015 overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsman van de verdachte bestreden – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – dat de verdachte de drie jongens op korte afstand heeft gevolgd en is blijven volgen, alsmede dat causaal verband bestaat tussen het volgen door de verdachte van de jongens en de val van één van deze jongens, [betrokkene 1] . Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In dat verband heeft de raadsman bestreden dat er een aanmerkelijke kans bestond op zwaar lichamelijk letsel door een val van de fiets en dat de verdachte de kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Daartoe wees de raadsman erop dat de verdachte, nadat hij in aanraking was gekomen met de fiets van de aangever [betrokkene 1] , enorm was geschrokken en heeft geprobeerd een aanrijding te voorkomen.

7. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer onder “overwegingen met betrekking tot het bewijs” het volgende overwogen:

“Bij de beoordeling gaat het hof uit van de navolgende, aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden.

Verdachte was eigenaar van een golfbaan in [plaats] en in die hoedanigheid al vaker geconfronteerd met diefstal van golfballen van zijn terrein. Op 16 februari 2011 zag hij hoe enkele jongens, door hem geschat op 14 tot 16 jaar, onder het hek van zijn terrein doorkropen en vervolgens balletjes gingen rapen. Verdachte, ruim tweehonderd meter van hen verwijderd, schreeuwde naar de jongens die daarop met medeneming van in totaal ongeveer 20 balletjes het terrein verlieten. Verdachte is in zijn auto gestapt en via de openbare weg gereden in de richting van de plek waar de jongens het terrein hadden verlaten. De jongens, drie in getal, feitelijk in de leeftijd van 15 en 16 jaar en ieder op een fiets, reden inmiddels op de Konijnenbergerweg toen zij verdachte vanaf het golfterrein aan zagen komen rijden. Teneinde aan verdachte te ontkomen, zijn de jongens een toeristisch fietspad opgereden. Het was gemotoriseerd verkeer niet toegestaan van dit fietspad gebruik te maken, hetgeen ook verdachte bekend was. Dit fietspad, het Opbroeksterpad genaamd, was ter plaatse 1,70 meter breed en werd geflankeerd door - vanuit de rijrichting van de jongens gezien - links, na een smalle grasberm, het Apeldoorns Kanaal en rechts, eveneens na een smalle grasberm, een (oplopend) talud/dijk. Verdachte is in zijn Renault Espace, een groot formaat personenauto met een breedte van 1,86 meter, achter de jongens aan het fietspad opgereden. Die jongens fietsten hard maar al snel reed verdachte dicht achter de jongens op een afstand van 1,5 à 2 meter. Terwijl zij zo reden, op een afstand van ongeveer 100 meter vanaf het begin van het fietspad, kwam één van de jongens, de 15-jarige [betrokkene 1] ten val waarbij hij rechts van zijn fiets op de grond belandde. Verdachte trachtte te ontwijken, remde, stuurde naar links, reed over de fiets van [betrokkene 1] en duwde deze in liggende positie met zijn auto nog ongeveer 10 meter voort over het wegdek van het fietspad. Verdachte bracht zijn auto daarop tot stilstand, stapte uit, sommeerde de jongens hem zijn balletjes terug te geven, nam deze in ontvangst, keerde zijn auto en reed terug naar de golfbaan.

[betrokkene 1] was door de val gewond geraakt aan zijn linkerknie, zijn fiets was rondom beschadigd.

[betrokkene 1] verklaart te zijn gevallen nadat hij voelde dat hij van achteren door (de auto van) verdachte werd aangereden.

Verdachte verklaart te hebben gezien hoe [betrokkene 1] in aanraking kwam met één van de andere jongens, waarna [betrokkene 1] ten val kwam. Verdachte ontkent opzet op de dood c.q. zwaar lichamelijk letsel van [betrokkene 1] te hebben gehad, ontkent [betrokkene 1] al dan niet opzettelijk te hebben aangereden en ontkent met zijn auto de fiets van [betrokkene 1] te hebben geraakt voordat de fiets (nagenoeg) op de grond lag.

Het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse (VOA-pv) d.d. 16 maart 2011 behelst met betrekking tot de toedracht de volgende opmerking: "Door ons was niet vast te stellen of de fiets van achteren zou zijn aangereden of dat de fiets voor de Renault op de weg is gelegd."

Het hof overweegt het volgende.

Ten aanzien van de toedracht stelt het hof het volgende voorop. Het VOA-pv verschaft teleurstellend weinig aanknopingspunten voor de beantwoording van een belangrijke vraag in deze zaak: Is de val van [betrokkene 1] veroorzaakt doordat verdachte met zijn auto tegen de achterzijde van de fiets van [betrokkene 1] is gereden? Ofschoon de foto's in het dossier mogelijk een positief antwoord zouden kunnen suggereren, is het in het VOA-pv besloten liggend antwoord van de deskundigen summier maar helder: "Wij weten het niet." Een voor de hand liggend onderzoek naar de hoogte van de waargenomen groene verf op de bumper van verdachtes auto (pagina 16 proces-verbaal), de hoogte van de beschadigingen van het groenkleurige achterspatbord van de fiets van [betrokkene 1] en een mogelijk oorzakelijk verband tussen beide schades, heeft niet plaatsgevonden. Verdachte ontkent. [betrokkene 1] verklaart te hebben gevoeld dat hij door de auto aan de achterzijde van zijn fiets werd aangereden waardoor hij - in zijn woorden - werd gelanceerd. De beide andere jongens hebben, zoals de raadsman heeft benadrukt, wisselend verklaard over wat zij in dit opzicht wel/niet hebben waargenomen.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat voor een positieve beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Daarbij tekent het hof aan dat het geen enkele aanleiding heeft te veronderstellen dat [betrokkene 1] zou hebben gelogen, d.w.z. opzettelijk onwaarheid heeft gesproken. Wat twijfel doet ontstaan over de precieze toedracht is het gegeven dat naar algemene ervaringsregels de hele gang van zaken, zoals deze wel is komen vast staan en waarover hierna meer, bij met name [betrokkene 1] een desoriënterende warboel aan impressies kan hebben teweeggebracht. Onder dergelijke omstandigheden plegen zintuigelijke waarnemingen en conclusies moeilijk van elkaar te scheiden te zijn, zodat [betrokkene 1] ' verklaring met de nodige behoedzaamheid moeten worden beschouwd. Nu die verklaring op dit punt voldoende concludent steunbewijs ontbeert, zal het hof deze dan ook niet voor het bewijs gebruiken en het ervoor houden dat verdachte niet met zijn auto tegen (de achterzijde van de fiets van) de nog fietsende [betrokkene 1] is gereden.

(…)

Aangaande het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel), overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte een zeer risicovolle situatie in het leven geroepen. Hij deed dit door met zijn auto relatief dicht achter een drietal hard fietsende jongens aan te rijden, op een smal fietspad dat voor die jongens noch voor verdachte een reële mogelijkheid bood om uit te wijken. Niet alleen was dit gedrag van verdachte intrinsiek risicovol, het droeg ook nog eens indirect bij aan het ontstaan van een gevaarlijke situatie. De jongens waren immers, schuldbewust na het pikken van de golfballen, op de vlucht voor verdachte door wie zij niet wilden worden gepakt. En door de jongens op de hiervoor beschreven, letterlijk grensoverschrijdende wijze te achtervolgen - verdachte had met zijn auto op dat fietspad immers niks te zoeken - demonstreerde verdachte hoe ver hij wel niet bereid was om te gaan ten einde de jongens, en zijn balletjes, te pakken te krijgen. Naar algemene ervaringsregels, en de verklaringen van de jongens bieden hiervoor ook aanknopingspunten, mag worden verwacht dat zodanig gedrag van verdachte een schrikreactie zo niet paniek bij de jongens teweeg heeft gebracht. Draagt schrik c.q. paniek in het algemeen al niet bij aan de verkeersveiligheid, in dit geval gold dat eens temeer aangezien het gevaar van achteren kwam waardoor de natuurlijke neiging tot herhaaldelijk achterom kijken ontstond. Een actie die onder de gegeven omstandigheden, gedrieën hard fietsend op een smal fietspad, niet alleen onverstandig maar bovenal nauwelijks te onderdrukken en zeer voorspelbaar was. Het gaat dan ook mis, één van de jongens, [betrokkene 1] die links naast één van de broers [betrokkene 2 en 3] fietst, komt met zijn fiets ten val. De mate van gevaarzetting door verdachtes gedrag blijkt vervolgens onmiskenbaar. De jongen valt naar rechts. Verdachte brengt zijn auto niet tijdig tot stilstand, weet zijn auto nog wel links langs de jongen te manoeuvreren, remt, rijdt niettemin op/over de fiets van de jongen waarbij zijn auto ook licht beschadigd raakt en duwt/sleept de fiets nog een meter of tien voort over het fietspad. Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat verdachte door een combinatie van - onder de gegeven omstandigheden - té hoge snelheid en té geringe afstand tot de voor hem fietsende jongens, de controle over de door hem welbewust ingezette actie in feite volledig kwijt was. Er was, zogezegd, geen redden meer aan, waarmee - in juridische termen - de poging was voltooid.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat verdachte een situatie in het leven heeft geroepen die niet alleen een aanmerkelijke kans in zich borg dat (één van) de jongens met de fiets ten val zou(den) komen, maar ook dat verdachte vervolgens met zijn auto de gevallen jongen(s) zou aan- c.q. overrijden. En waar het antwoord op de vraag of een enkele val met/van de fiets een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert nog voor discussie vatbaar is, is dat in redelijkheid niet meer aan de orde in geval van verwezenlijking van het tweede scenario.

Met de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn gedragingen zwaar lichamelijk letsel van - in casu - [betrokkene 1] tot gevolg zou hebben.

Ook de vraag of verdachte moet worden geacht deze aanmerkelijke kans te hebben aanvaard, beantwoordt het hof, met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman, bevestigend. Die bevestiging vindt haar grond in de eerste plaats in het feit dat verdachte over enige afstand op de hiervoor beschreven wijze achter de jongens aan is blijven rijden. Daar komt bij dat verdachte desgevraagd ter terechtzitting heeft verklaard dat hij voornemens was de jongens op de hiervoor beschreven wijze te blijven volgen tot een, door hem gestelde, verderop gelegen, door bosschages veroorzaakte versmalling van het fietspad. Tot slot duidt ook de handelwijze van verdachte na de valpartij op het feit dat hij kennelijk de mogelijke consequenties van zijn handelwijze op de koop toe had genomen. Die handelwijze duidt op weinig schrik c.q. verraadt grote onverschilligheid. Immers, nadat hij zijn auto tot stilstand had gebracht, vraagt (en krijgt) verdachte zijn golfballen terug, om vervolgens de plaats delict te verlaten en terug te rijden naar de golfbaan, zonder zich verder om de jongens of de door hem overreden fiets te bekommeren. Ofschoon hij erkent te hebben gezien dat [betrokkene 1] verwond was aan zijn knie, heeft hij hulp aangeboden noch ingeschakeld. Ook zijn gegevens heeft hij niet achtergelaten - hij veronderstelde, zo verklaarde hij nadien, dat zij hem wel wisten te vinden.

Van indicaties dat verdachte de hiervoor besproken 'aanmerkelijke kans' niet heeft aanvaard, is het hof niet gebleken. Daarbij verdient opmerking dat het feit dat verdachte bij het innemen van de golfballen een keer het woord "sorry" heeft uitgesproken, niet als zodanige contra-indicatie kan gelden. In de eerste plaats niet, omdat het feitelijke gedrag van verdachte scherp contrasteert met de mogelijk aan het woordje toe te kennen betekenis. In de tweede plaats niet, omdat verdachte, gevraagd naar de bedoeling van zijn "sorry", heeft verklaard dat de uiting ervan berustte op een reflex.”

8. Voorts heeft het hof in de aanvulling op het bestreden arrest de volgende nadere overweging opgenomen:

“Dat een Renault Espace een groot formaat personenauto betreft acht het hof een feit van algemene bekendheid. De breedte van de door verdachte bestuurde Renault Espace, in het arrest gesteld op 1,86 meter, heeft het hof ontleend aan voor een ieder, zonder noemenswaardige moeite te raadplegen en algemeen toegankelijke bron, te weten de website van Renault. Daarbij kan worden opgemerkt dat die breedte – bijna 1.90 meter breed — ook ter sprake is gebracht tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.”

9. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof heeft miskend dat in de onderhavige zaak sprake was van vrijwillige terugtred (art. 46b Sr), zodat van een poging tot zware mishandeling geen sprake kan zijn geweest. Deze klacht faalt reeds omdat een beroep op vrijwillige terugtred niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan omdat de beoordeling van de gegrondheid hiervan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt immers dat door of namens de verdachte een dergelijk verweer in feitelijke aanleg niet is gevoerd.

10. Het middel bevat voorts de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [betrokkene 1] .

11. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.2

12. De klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel faalt. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte relatief dicht en hard achter de drie jongens aan reed waarbij de verdachte de jongens tot anderhalf à twee meter heeft genaderd.3 Noch voor de jongens noch voor de verdachte bestond een reële mogelijkheid om uit te wijken. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de auto van de verdachte meer dan de gehele breedte van het fietspad in beslag nam en dat links van het fietspad – naast een smalle grasberm – het Apeldoorns kanaal lag en rechts van het fietspad – eveneens naast een smalle grasberm – een (oplopend) talud/dijk.4 De verdachte is ook daadwerkelijk met zijn auto over de fiets van de gevallen [betrokkene 1] gereden en heeft deze meegesleept. De verdachte kon zijn auto niet meteen tot stilstand brengen.5 Voorts heeft het hof vastgesteld dat naar algemene ervaringsregels mag worden verwacht dat zodanig gedrag van de verdachte een schrikreactie zo niet paniek bij de jongens heeft teweeggebracht en dat de natuurlijke neiging ontstond tot herhaaldelijk achterom kijken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de jongens keihard fietsten en dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] omkeken naar de auto die hen achtervolgde.6 Uit deze vaststellingen kon het hof afleiden dat sprake was een aanmerkelijke kans dat (één van) de jongen(s) met de fiets ten val zou(den) komen en dat de verdachte vervolgens met zijn auto de gevallen jongen(s) zou raken, waardoor zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan.7 Daarbij moet worden bedacht dat het hier gaat om een verkeersincident waarbij een gemotoriseerde verkeersdeelnemer met een auto kwetsbare verkeersdeelnemers, te weten – minderjarige – fietsers, op een smal fietspad op korte afstand gedurende ongeveer 100 meter heeft achtervolgd. Ik wijs er voorts op dat het hof de twee genoemde gevolgen – het vallen van (één van) de jongen(s) en het daarna geraakt worden door de auto – kennelijk en niet onbegrijpelijk in samenhang met elkaar heeft bezien. Nu de verdachte de drie vluchtende jongens op de bewezen verklaarde wijze heeft achtervolgd, kon het hof oordelen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ten gevolge van een val van de fietsende [betrokkene 1] en een aanraking met de auto van de verdachte.

13. Voor zover het middel de klacht bevat dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de jongens in paniek waren, faalt het, reeds omdat het hof zulks niet heeft vastgesteld. Het hof heeft overwogen dat naar algemene ervaringsregels mag worden verwacht dat het gedrag van de verdachte een schrikreactie zo niet paniek bij de jongens heeft teweeggebracht en dat de verklaringen van de jongens hiervoor aanknopingspunten bieden. Het hof heeft de context van de achtervolging kunnen betrekken bij zijn oordeel dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk was. In dit verband wijs ik er nog op dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij dacht dat de verdachte hen iets wilde aandoen en dat de verdachte hen aan het opjagen was.8 [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben verklaard dat de jongens heel hard fietsten en dat de man achter hen aanzat op de wijze zoals in het voorafgaande is beschreven.9 Daarbij komt dat de verdachte door zijn rijgedrag op het fietspad had aangetoond hoe ver hij bereid was te gaan om de jongens te achterhalen.

14. Het middel bevat voorts de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de jongens herhaaldelijk achterom hebben gekeken. Ook deze klacht faalt. Het hof heeft slechts vastgesteld dat in geval van gevaar van achteren zoals in de onderhavige zaak de natuurlijke neiging tot herhaaldelijk achterom kijken bestaat, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat in ieder geval [betrokkene 1] en [betrokkene 3] achterom hebben gekeken.10

15. Ook de klacht dat uit de bewijsvoering niet volgt dat [betrokkene 1] ten val is gekomen ten gevolge van het feit dat de verdachte de drie jongens achtervolgde, faalt. Het hof heeft immers vastgesteld dat de drie jongens hard fietsten toen zij voor de auto van de verdachte op een smal fietspad op de vlucht waren, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] achterom keken en de auto hen op korte afstand volgde. Voorts is vastgesteld dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] naast elkaar fietsten. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] ten gevolge van het achtervolgen door de verdachte ten val is gekomen, niet onbegrijpelijk.11 Daaraan doet niet af dat het hof het ervoor heeft gehouden dat de verdachte niet met zijn auto tegen (de achterzijde van de fiets van) de nog fietsende [betrokkene 1] is gereden. Bij de bespreking van het derde middel kom ik daarop terug.

16. Ook de feitelijke vaststelling dat de verdachte met “te hoge snelheid” heeft gereden is niet onbegrijpelijk. Het begrip “te hoge snelheid” heeft het hof klaarblijkelijk niet opgevat in de zin van de wettelijke maximumsnelheid. Het was de verdachte immers niet toegestaan met zijn auto op het fietspad te rijden. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk met het gebruik van de woorden “te hoge snelheid” erop gedoeld dat de verdachte met een dusdanige snelheid reed dat hij, in combinatie met het feit dat hij de fietsers dicht was genaderd, zich de mogelijkheid had ontnomen controle over de situatie uit te oefenen. Daarbij moet worden bedacht dat [betrokkene 2] in zijn tot het bewijs gebezigde verklaring de snelheid van de auto op het moment dat deze de fiets raakte op 40 tot 50 kilometer per uur schatte.12 Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte dicht achter de hard fietsende jongens aanreed op een smal fietspad, terwijl hij, toen [betrokkene 1] viel, hem weliswaar kon ontwijken, maar wel de fiets van [betrokkene 1] gedurende tien meter onder zijn auto meesleepte omdat de verdachte de auto niet meteen tot stilstand kon brengen.

17. Het middel bevat ten slotte de klacht dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte de aanmerkelijke kans op – kort gezegd – het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. De steller van het middel brengt in dit verband naar voren dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte blijkt dat de verdachte achter de jongens aanging om de golfballetjes terug te halen en de jongens aan te spreken, dat hieruit volgt dat het de verdachte niet erom te doen was de jongens zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en voorts dat de omstandigheid dat de verdachte de jongens na de val van [betrokkene 1] heeft ontweken, bevestigt dat zijn opzet niet was gericht op het toebrengen van letsel, ook niet in voorwaardelijke zin.

18. Vooropgesteld zij dat ook als de verdachte inzicht heeft gegeven in hetgeen ten tijde van zijn gedragingen in hem is omgegaan en hieruit blijkt dat hij het gevolg niet wilde, niettemin tot het oordeel kan worden gekomen dat hij de aanmerkelijke kans op dat gevolg wel bewust heeft aanvaard.13 De onderhavige zaak vertoont in dit opzicht gelijkenis met de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888, NJ 2008/609 m.nt. Mevis. In deze zaak was de verdachte in het donker ingereden op een politieagent, maar was hij op het laatste moment naar links uitgeweken, naar eigen zeggen omdat hij de agent niet wilde raken. In hoger beroep werd door de verdediging het verweer gevoerd dat (voorwaardelijk) opzet niet kon worden bewezen. Het hof verwierp dit verweer en veroordeelde de verdachte voor een poging tot zware mishandeling. De Hoge Raad liet het arrest in stand en overwoog dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was, ook niet in het licht van de verklaring van de verdachte dat hij naar links was uitgeweken omdat hij het slachtoffer niet wilde raken, aangezien dit uitwijken eerst geschiedde toen hij vlak voor het slachtoffer was.14

19. In het licht van de door het hof vastgestelde feitelijke vaststellingen, zoals hiervoor besproken, meen ik dat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aan [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, niet onbegrijpelijk is. Het hof heeft, gelet op de zinsnede dat er “geen redden meer aan was” en “de poging was voltooid”, op niet onbegrijpelijke wijze vastgesteld dat de verdachte reeds op het moment van het achtervolgen op het smalle fietspad een situatie in het leven heeft geroepen waarin een aanmerkelijke kans bestond op zwaar lichamelijk letsel en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard. Daarbij speelt een rol dat het hof heeft vastgesteld dat er geen reële uitwijkmogelijkheden bestonden. Ik wijs er in dit verband op dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte met zijn auto de fietsers aan het opjagen was en tot anderhalf à twee meter was genaderd, op een fietspad dat smaller was dan de auto van de verdachte, terwijl de verdachte ook daadwerkelijk over de fiets van [betrokkene 1] heen is gereden en deze heeft meegesleept omdat hij zijn auto niet eerder tot stilstand kon brengen. Evenals in HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888, NJ 2008/609, doet de uitwijkpoging van de verdachte niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat sprake was van voorwaardelijk opzet. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat de verdachte eerst uitweek nadat [betrokkene 1] ten val was gekomen. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de verdachte door zijn handelwijze voorafgaand aan de val van [betrokkene 1] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel zou optreden doordat hij ten val zou komen en doordat de auto van de verdachte hem zou raken. Daarbij neem ik voorts in aanmerking dat de bewezenverklaring niet is toegesneden op een poging tot doodslag, maar op een poging tot zware mishandeling.

20. In het licht van het voorafgaande, is de bewezenverklaring van feit 1 voldoende met redenen omkleed.

21. Het middel faalt.

22. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het onder 2 bewezen verklaarde (bedreiging met zware mishandeling) onvoldoende met redenen heeft omkleed.

23. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 16 februari 2011 te Hattem, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend

- als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op korte afstand te volgen, en

- (vervolgens) over een fietspad op korte afstand achter [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aan te (blijven) rijden.”

24. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat bij de drie jongens in redelijkheid de vrees voor de dood of zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan en dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de bedreiging. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Het verweer van de raadsman aangaande het onder 2 ten laste gelegde (bedreiging), vindt weerlegging in het hiervoor overwogene en in de (eventueel) nader aan te duiden bewijsmiddelen. Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat bij de jongens de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte hen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en ook dat het opzet van de verdachte op het teweegbrengen van die vrees was gericht.”

25. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen15 en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.16 Niet alleen woorden, maar ook daden kunnen in voorkomende gevallen een bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr opleveren.17

26. Voor zover wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van bedreiging onvoldoende met redenen is omkleed omdat niet is gebleken dat de drie jongens zijn geschrokken of in paniek zijn geraakt, faalt het middel, aangezien voor een veroordeling ter zake van bedreiging niet is vereist dat is komen vast te staan dat bij de bedreigde daadwerkelijk de desbetreffende vrees is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is vrees teweeg te brengen.18

27. In twee zaken die in 2011 voor de Hoge Raad speelden, ging het eveneens om een achtervolging door automobilisten die verhaal wilden halen. In beide zaken was (onder meer) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht bewezen verklaard. In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1858, NJ 2011/225 m.nt. Keijzer ging het om een achtervolging door de verdachte – een automobilist – gedurende bijna een uur, nadat de verdachte het slachtoffer – eveneens een automobilist – met hoge snelheid had achtervolgd, naast haar had gereden, haar tot stoppen had gedwongen, voor haar auto was gestopt en boos en druk gebarend op haar was toegelopen en tegen de ruiten van haar auto had geslagen. Het oordeel van het hof dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat door deze handelingen de gerede vrees kon ontstaan dat de verdachte door zijn gedrag een verkeersongeluk zou veroorzaken dan wel dat de ontstane situatie de verdachte tot handelingen zou hebben kunnen brengen die de dood ten gevolge hadden kunnen hebben, bleef in cassatie in stand. In de andere zaak ging het om een dertienjarige fietser die verzuimd had voorrang te verlenen aan de verdachte, een automobilist.19 De verdachte was daarop achter hem aangereden en was hem door verschillende straten op zeer korte afstand (een halve meter) blijven volgen, ook nadat de fietser was omgekeerd. Daarbij had de verdachte veel gas gegeven en de fietser uiteindelijk met de voorkant van zijn auto geschampt. In cassatie werd tevergeefs geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat sprake was van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

28. In de onderhavige zaak gaat het niet om een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, maar om een bedreiging met zware mishandeling. Gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld ten aanzien van de omstandigheden waaronder de drie jongens zijn gevolgd door de verdachte, te weten met een auto die breder is dan het fietspad, zonder reële uitwijkmogelijkheden en op korte afstand van de drie jongens, terwijl de achtervolging plaatsvond omdat de jongens golfballetjes hadden weggenomen, geeft het oordeel van het hof dat bij de jongens de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte hun zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en dat het opzet daarop was gericht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip ‘bedreiging’ als bedoeld in art. 285 Sr, is het niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.20 Daarbij heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de verdachte door zijn rijgedrag op het fietspad had aangetoond hoe ver hij bereid was te gaan om de jongens en de golfballen te pakken te krijgen. Ook sluit daarbij aan dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij de gedachte kreeg dat de verdachte de jongens iets wilde aandoen.21

29. Het middel faalt.

30. Het derde middel behelst de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat er geen causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en de val van [betrokkene 1] , zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid, althans dat de opgegeven redenen ongenoegzaam zijn, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

31. Uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2015 overgelegde pleitaantekeningen blijkt dat de raadsman van de verdachte het volgende heeft aangevoerd:

“In eerste aanleg had ik de tenlastelegging zo opgevat dat er volgens het Openbaar Ministerie een causaal verband zou bestaan tussen het aanrijden van [betrokkene 1] en diens val. De Rechtbank heeft in het vonnis echter aangenomen dat [betrokkene 1] ten val is gekomen doordat cliënt hem met de auto heeft achtervolgd, waardoor [betrokkene 1] ten val is gekomen. De Rechtbank neemt dus een causaal verband aan tussen het volgen door cliënt en de val van de fiets.

Ik meen dat het niet redelijk is dat causale verband aan te nemen. Zojuist merkte ik al op dat het hele idee dat cliënt de fietsers zou hebben opgejaagd tamelijk suggestief is. Kennelijk koos men er voor om niet te stoppen toen men de auto van cliënt in de gaten kreeg, maar wilde men proberen alsnog het hazenpad te nemen. Bovendien is de suggestie alsof men geen kant uit kon, als gezegd feitelijk onjuist. Men had er ook voor kunnen kiezen om te stoppen met fietsen en cliënt te woord te staan. Dat de fietsen elkaar hebben geraakt, waardoor [betrokkene 1] ten val is gekomen, heeft veeleer te maken met het feit dat de fietsers zich hoe dan ook zich uit de voeten wilden maken. De suggestie van “opjagen” zou heel wel kunnen zijn ingegeven door het feit dat aangever en de getuigen na het incident niet eerlijk wilden of konden zijn tegen de politie en hun ouders, hetgeen men in latere verhoren heeft toegegeven. Ook zonder dat cliënt het fietspad zou zijn opgedraaid, bestond de kans dat de fietsers op de vlucht ten val zouden zijn gekomen. Het is daarom niet redelijk om het gevolg (de val) aan het handelen van cliënt toe te rekenen. Bij gebreke aan causaal verband dient cliënt ook van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.”

32. De causaliteit dient naar huidig recht te worden beoordeeld aan de hand van de leer van de redelijke toerekening.22 Daarbij gaat het om de toerekening aan de verdachte dat zijn gedrag tot een bepaald gevolg heeft geleid. Fouten van het slachtoffer hoeven als zodanig niet aan het aannemen van causaal verband in de weg te staan.23

33. Zoals blijkt uit de onder 7 geciteerde bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen, heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op een smal fietspad met zijn bredere auto relatief dicht achter de drie hard fietsende jongens is gaan rijden en hen heeft opgejaagd, waarbij geen reële mogelijkheid bestond om uit te wijken, dat naar algemene ervaringsregels mag worden verwacht dat dergelijk gedrag een schrikreactie zo niet paniek bij de jongens heeft teweeggebracht en dat daarvoor in de verklaringen van de jongens aanknopingspunten te vinden zijn. De jongens fietsten “keihard” toen de verdachte hard achter hen aan kwam rijden. Voorts heeft het hof gewezen op de natuurlijke neiging tot achterom kijken die ontstaat wanneer het gevaar van achteren komt, terwijl (in elk geval) twee van de drie jongens daadwerkelijk hebben omgekeken. Daarop heeft het hof overwogen dat [betrokkene 1] , die naast één van de broers [betrokkene 2 en 3] fietst, ten val komt en dat de verdachte vervolgens de fiets van [betrokkene 1] tien meter onder zijn auto meesleept. In deze overwegingen ligt de reden van de verwerping van het verweer van de raadsman, voor zover inhoudende dat het niet redelijk is de gevolgen – de val van [betrokkene 1] – aan de gedragingen van de verdachte toe te rekenen, besloten.24

34. Het oordeel dat de val aan de gedragingen van de verdachte kan worden toegerekend is, in het licht van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat niet is komen vast te staan of de verdachte tegen de achterzijde van de fiets van [betrokkene 1] is gereden en de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging is vrijgesproken. Het hof heeft immers kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de verdachte door zijn rijgedrag een situatie in het leven heeft geroepen die maakt dat de val van [betrokkene 1] in redelijkheid aan het gedrag van de verdachte kan worden toegerekend. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden.

35. Het middel faalt.

36. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof de verwerping van het beroep op noodweer ontoereikend heeft gemotiveerd.

37. Uit de pleitaantekeningen van de raadsman blijkt dat hij heeft bepleit de verdachte bij een bewezenverklaring te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat sprake zou zijn geweest van noodweer. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er golfballen waren weggenomen en dat dit eerder was gebeurd, zodat de verdachte op grond van art. 53 Sv bevoegd was de jongens aan te houden. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding en dat de verdachte daarop heeft gereageerd door met zijn auto achter de drie jongens aan te gaan. Voor de verdachte stonden geen andere mogelijkheden open om de jongens op hun gedrag aan te spreken en zijn verkeersgedrag is niet dusdanig buitenproportioneel geweest dat geen beroep zou kunnen worden gedaan op art. 41 Sr, aldus de raadsman.

38. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Noodweer

Anders dan de rechtbank, is het hof niet van oordeel dat ten tijde van de door verdachte begane feiten niet langer sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de literatuur (vgl. De Hullu, vijfde druk, V.3.3, nt. 201) valt immers af te leiden dat de aanranding ook kan voortduren nadat het strafbare feit waartegen de verdediging zich richt, in casu de diefstal van de golfballen, is voltooid. Dit klemt temeer nu in dit geval de diefstal op heterdaad is ontdekt, verdachte meteen de achtervolging heeft ingezet en de jongens, met hun buit, de plaats delict zojuist hadden verlaten.

Wel is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat verdachtes beroep op noodweer afstuit op de eis dat de handelwijze van verdachte moet zijn 'geboden door de noodzakelijke verdediging'. Aan die eis is in dat geval niet voldaan, sterker nog, naar 's hofs oordeel is hier sprake van een forse wanverhouding tussen het aangerande rechtsbelang: het bezit van een 20-tal golfballen, en de door de verdachte gekozen verdedigingswijze: het met behulp van een daartoe onder de gegeven omstandigheden bij uitstek geschikt middel, een auto, creëren van een ernstig risico op zwaar lichamelijk letsel voor de dief.”

39. Gelet op de vaststellingen van het hof ten aanzien van de wijze waarop de verdachte de drie jongens heeft gevolgd en de omstandigheden waaronder deze achtervolging plaatsvond is het oordeel van het hof dat sprake is van een forse wanverhouding tussen het aangerande rechtsbelang (het (ongestoorde) bezit van twintig golfballen) en de door de verdachte gekozen verdedigingswijze die in de weg staat aan het aanvaarden van een beroep op noodweer niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, brengt de omstandigheid dat eerder ook al golfballen waren weggenomen niet mee dat het in te zetten verdedigingsmiddel zwaarder zou mogen zijn.25 Ook de omstandigheid dat de verdachte ingevolge art. 53 Sv bevoegd was om de drie jongens aan te houden neemt niet weg dat voor een geslaagd beroep op noodweer aan de daarvoor geldende eisen moet worden voldaan, zoals (onder meer) dat de verdediging geboden moet zijn.26

40. Het middel faalt.

41. De middelen falen en kunnen, behoudens het eerste middel, worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

42. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 11 september 2015 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Gelet op de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand en de onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van vijftig uren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.27 Ambtshalve heb ik overigens geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op 20 mei 2016 is het cassatieberoep namens de verdachte (gedeeltelijk) ingetrokken, voor zover het is gericht tegen de vrijspraak van de onder 1 primair ten laste gelegde “poging tot doodslag”.

2 Vgl. HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, rov. 2.3, HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. Mevis, rov. 3.2.2, HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, rov. 3.4, HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, rov. 3.5, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 3.3, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov. 3.6.

3 Zie ten aanzien van het hard rijden de bewijsmiddelen (iii) en (iv) en ten aanzien van de afstand bewijsmiddel (v). De verdachte heeft zelf overigens ter terechtzitting in hoger beroep (proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2015, p. 2) verklaard dat de wegen ten tijde van het incident een beetje glad waren.

4 Bewijsmiddel (vi).

5 Bewijsmiddelen (iii), (iv) en (v).

6 Bewijsmiddelen (ii) en (iii).

7 Vgl. in dit verband HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1125 en mijn conclusie die aan dit arrest voorafging. Het ging in deze zaak eveneens om een auto rijdende verdachte en een fietsend slachtoffer, maar de zaak verschilt van de onderhavige, omdat de verdachte de fietser van achteren naderde en hem met de zijkant van zijn auto omver duwde.

8 Bewijsmiddel (iii).

9 Bewijsmiddelen (i), (iii) en (iv).

10 Bewijsmiddelen (ii) en (iii).

11 De verdachte heeft zelf overigens ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de jongens van schrik tegen elkaar zijn gebotst (proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2015, p. 2).

12 Bewijsmiddel (iv).

13 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 238.

14 HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888, NJ 2008/609 m.nt. Mevis, rov. 5.2. Voor andere uitspraken in zaken waarin de verdachte uitweek dan wel remde, maar het oordeel dat sprake was van voorwaardelijk opzet desalniettemin in stand bleef, zie HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1591 (verdachte probeerde iemand te ontwijken maar wist dat er zich rondom de auto meer mensen bevonden) en HR 10 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6631, NJ 2009/111 (doodslag in het verkeer; verdachte heeft op het allerlaatste moment geremd).

15 Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1562, rov. 3.3, HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1106, rov. 2.3, HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:686, NJ 2013/564 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5695, NJ 2013/63, rov. 2.3, HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0740, NJ 2008/598, rov. 3.4, HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7104, rov. 5.3.1 en HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448, rov. 3.3.

16 HR 17 januari 1984, LJN AC8252, NJ 1984/479, HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3135 en HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6181.

17 Vgl. A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 6 bij art. 285 (actueel t/m 1 oktober 2012).

18 Vgl. HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309, rov. 3.4.2.

19 HR 31 mei 2011, nr. 09/02895 (niet gepubliceerd).

20 Zie in dit verband ook HR 13 februari 2001, nr. 01352/00 (niet gepubliceerd), waarin de verdachte tweemaal op de parkeerwachter – die hem zojuist een boete had gegeven – was ingereden (en hem daarbij ook had geraakt). Geklaagd werd over de bewezenverklaring van (het opzet op) de bedreiging. Het cassatieberoep werd met toepassing van art. 81, eerste lid, RO verworpen.

21 Bewijsmiddel (iii).

22 Zie nader E.M. Witjens, Strafrechtelijke causaliteit, Deventer: Kluwer 2011 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 182.

23 HR 11 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5285.

24 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2.

25 De Hullu 2015, p. 322.

26 Zie uitgebreid en met nadere verwijzingen over de verhouding tussen het burgerarrest ex art. 53 Sv en noodweer E.M. Moerman, Inburgeren in de opsporing, Rotterdam 2016, p. 95-97.

27 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder C.