Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1334

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-10-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
16/04064
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3111, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vrijstelling Leerplichtwet 1969, richtingbezwaren, liberaal joodse traditie. HR herhaalt NJ 1980/190, ECLI:NL:HR:2001:AB2946, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985 en ECLI:NL:HR:2012:BV9201 m.b.t. onderzoeksplicht rechter of bezwaar richting onderwijs betreft, bedoeling wetgever dat rechter gewicht bezwaar niet beoordeelt, het onder overwegend bezwaar tegen richting onderwijs niet begrepen zijn van bezwaar tegen soort onderwijs, leerplicht als zodanig of wettelijke inrichting onderwijs en het ook kunnen bestaan van bedenkingen tegen richting onderwijs in bedenkingen tegen ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting.

1. Door of namens verdachte is aangevoerd dat haar zoon A wordt opgevoed in een liberaal joodse traditie, de joodse identiteit de hele dag aanwezig is, de joodse identiteit op openbare scholen niet of niet voldoende wordt ontwikkeld en soms zelfs wordt belemmerd en de levensbeschouwelijke neutraliteit van openbare scholen strijdig is met de joodse opvoeding van het kind. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bedenkingen tegen de richting van het onderwijs a.b.i. art. 5.ahf.b Lpw 1969 ook gericht kunnen zijn tegen de richting van het openbaar onderwijs, is ’s Hofs oordeel dat verdachtes bedenkingen tegen de openbare scholen niet zijn aan te merken als (overwegende) bezwaren tegen de richting van het onderwijs, niet z.m. begrijpelijk.

2. T.a.v. de joodse basisschool Rosj Pina heeft het Hof overwogen dat verdachte heeft aangevoerd dat A zeer waarschijnlijk niet tot die school zal worden toegelaten en mede op die grond geoordeeld dat verdachtes bezwaren tegen die school van praktische en pedagogische aard zijn en derhalve niet kunnen leiden tot een vrijstelling. Een vrijstelling a.b.i. art. 5.ahf.b Lpw 1969 kan slechts bestaan t.a.v. scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden. Uit ’s Hofs overwegingen blijkt niet dat het heeft vastgesteld of A op Rosj Pina kan worden geplaatst. Gelet op art. 5.ahf.b Lpw 1969 en in aanmerking genomen hetgeen is aangevoerd, te weten dat verdachte een brief van het rabbinaat heeft ontvangen waaruit blijkt dat zij en haar kinderen niet als joods worden erkend en dat daaruit op voorhand voortvloeit dat A niet op een van de twee joodse scholen - waaronder Rosj Pina - wordt toegelaten, is ’s Hofs oordeel niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04064

Zitting: 10 oktober 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 februari 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens “overtreding van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 waarvan € 250,00 voorwaardelijk.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘’zij in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 9 februari 2015 te Amsterdam, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2009, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven.’’

4. De verdachte heeft in eerste aanleg en ten overstaan van het hof een beroep gedaan op vrijstelling van de inschrijfverplichting op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw 1969), omdat er geen school was waarin onderwijs werd gegeven in de liberaal joodse traditie waarin zij haar kind wilde opvoeden.

5. Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling van de leerplicht omdat de door de verdachte aangevoerde bezwaren niet de richting van het onderwijs betreffen in de zin van art. 5, aanhef en onder b, Lpw 1969.

Daarnaast wordt geklaagd dat het hof in het gewicht van de bezwaren van de verdachte is getreden, bepaalde verklaringen van de verdachte heeft gedenatureerd en ten onrechte de stelling van de verdediging in het midden heeft gelaten dat de zoon van de verdachte niet zal worden toegelaten op de joodse bassischool [A] .

5.1. Ter terechtzitting van het hof op 21 januari 2016 heeft de verdachte ter onderbouwing van het vrijstellingsberoep het volgende aangevoerd:

‘’Ik heb mijn zoon [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2009, niet als leerling ingeschreven bij een school. Er is nog steeds geen school waar hij naartoe kan, omdat er geen school is waar hij het onderwijs kan volgen waar hij recht op heeft.

Onze zoon [betrokkene 1] wordt opgevoed in een liberaal joodse traditie. Ik heb bezwaar tegen openbare scholen omdat daar de joodse identiteit niet of niet voldoende wordt ontwikkeld en soms zelfs wordt belemmerd. Als mijn zoon op een openbare school iets leert waar wij het niet mee eens zijn, dan moeten wij hem dat weer afleren en dat brengt hem in de war. De schooldagen zijn lang en gaan het leven van een kind bepalen. Het is niet zo dat de joodse identiteit kan worden aangeleerd buiten schooltijd. De joodse identiteit is de hele dag aanwezig. Bij ons zijn de vakken doordrenkt van het joodse geloof.

Als de kinderen bijvoorbeeld op een openbare school een liedje leren over de drie wijzen, dan moeten wij thuis onze zoon uitleggen dat wij daar niet in geloven. Ook is het verwarrend dat wij de joodse kalender volgen. Die begint eerder dan de Gregoriaanse kalender. Daarnaast eten wij koosjer. Het is niet prettig voor een kind dat hij in de klas iets niet mag eten omdat het niet koosjer is. We zouden hem koosjer eten kunnen meegeven, maar ik wil niet dat mijn kind steeds een uitzondering is.

De voorzitter deelt mede dat zij de joodse basisscholen [B] en [A] heeft gegoogeld en dat in de schoolgids van [A] het volgende is opgenomen:

De kinderen op [A] zijn net zo verschillend als op iedere andere basisschool, maar ze hebben één ding gemeen: ze zijn allemaal joods. Hoe het Jodendom thuis wordt vorm gegeven is divers en laat een breed spectrum zien van orthodox, behoudend, traditioneel tot liberaal.

(...)

[A] wil haar leerlingen, in samenwerking met ouders/verzorgers, opleiden tot trotse, bewuste joodse volwassenen.

De voorzitter vraagt de verdachte of dat in lijn is met haar opvattingen.

De verdachte verklaart:

Ja dat is zo. Ik heb [betrokkene 1] daar echter niet aangemeld omdat zij hem niet zullen accepteren. Wij hebben een brief van het rabbinaat ontvangen waarin staat dat mijn kinderen en ik niet als joods worden erkend, omdat ik officieel niet joods ben. Zelfs al zou [betrokkene 1] worden toegelaten op de joodse basisschool [A] , dan wil ik niet dat hij daarnaartoe gaat, omdat ik niet wil dat mijn kind naar een school gaat waar zijn identiteit in twijfel wordt getrokken. Dat zou verschrikkelijk zijn en ingaan tegen het hele gevoel dat wij onze kinderen willen meegeven.

(…)’’

5.2. De raadsman heeft volgens de aan het proces-verbaal van de zitting van het hof gehechte pleitnota ter onderbouwing van het beroep op vrijstelling het volgende aangevoerd1:

‘’2. Het gaat om de minderjarige [betrokkene 1] , zoon van [verdachte] . Hij is op 8 september 2014 leerplichtig geworden. [verdachte] heeft tijdig en op juiste wijze een beroep op de leerplichtvrijstelling gedaan. In prima is zijdens [verdachte] uiteengezet dat [betrokkene 1] wordt opgevoed in een liberaal joodse traditie. In Nederland bestaat geen school meer die deze overtuiging aanhangt. Dat is wel eens anders geweest. (Met de hand geschreven toegevoegd: 1982-1991 heeft die school bestaan. Uiterst klein aant. leerlingen ging naar die school.)

3. De kantonrechter heeft terecht als uitgangspunt genomen, dat indien een beroep gedaan is op de wettelijke vrijstellingsgrond de wetgever niet heeft gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt.

4. Waar gaat het om? De ouders van [betrokkene 1] , die inmiddels een zusje heeft, leven volgens de liberaal joodse opvatting. Deze stroming wijkt op enige punten af van de zogenoemde orthodox joodse richting. Die afwijking zit hem niet zozeer in het uitvoeren of uitoefenen van de dagelijkse joodse rituelen, maar zijn fundamenteler. Beide stromingen houden zich vast aan de spijswetten, aan de joodse feestdagen en aan de sabbatwetgeving, om een aantal voorbeelden te noemen. Hoewel de invulling daarvan uiteenloopt, ligt daar wat [verdachte] betreft niet het grote verschil. Het is het fundamentele verschil, die het onmogelijk maakt dat [betrokkene 1] wordt toegelaten op de twee enige joodse scholen in Nederland. De kantonrechter heeft dat kennelijk niet goed begrepen, of - in het beste geval - is het niet goed uitgelegd. [betrokkene 1] kan niet worden toegelaten tot de joodse scholen, omdat volgens de orthodoxe traditie daarvoor vereist is dat hij daarvoor in ieder geval een joodse moeder heeft. Aangehecht aan deze pleitnota is een brief van het Amsterdamse rabbinaat waaruit blijkt, dat [verdachte] en haar kinderen niet als joods worden erkend. De liberale opvatting luidt anders. Ook kinderen van een joodse vader zijn volgens die opvatting joods.

5. Het is eerder geprobeerd, dat een volgens het liberale jodendom joods kind (met alleen een joodse vader) werd toegelaten tot een het Maimonides Lyceum in Amsterdam. In 1988 heeft de Hoge Raad (in het inmiddels standaard geworden en nog steeds heersende ‘Maimonides-arrest’) bepaald, dat de ‘vrijheid van richting’ uit artikel 23 van de Grondwet zo zwaar weegt, dat het aan het bevoegd gezag van een school van bijzonder onderwijs is, om een verlangde toelating te weigeren op basis van de door de school gehanteerde toelatingsnormen van religieuze aard. Dit geldt ook in het geval dat de ouders van een kind een sterke en redelijke voorkeur voor die school hebben en zelfs indien de betrokken school de enige is die onderwijs van deze richting verzorgt. Een bijzondere school mag leerlingen vragen de (godsdienstige of levensovertuigende) richting van de school te onderschrijven. En het gaat dus nóg een stapje verder: een bijzondere school mag leerlingen die de richting van de school niet onderschrijven, weigeren.

6. Het bestaansrecht van beide joodse scholen in Amsterdam kan eigenlijk alleen verklaard worden met de bedenkingen van ouders die leven volgens de joodse religie tegen het onderwijs op andere Nederlandse scholen en instellingen. In dit verband is niet zonder belang dat de kleinste, [B] , van deze twee joodse scholen een zogenoemde uitzonderingschool is. Daar zijn er niet veel van in Nederland. Het onderstreept de erkenning van de bezwaren van religieus joodse ouders tegen het onderwijs op andere Nederlandse scholen.

7. Het bezwaar van [verdachte] en haar echtgenoot tegen openbare scholen beperkt zich niet tot het niet of niet voldoende ontwikkelingen van een joodse identiteit. Er is meer. De ontwikkeling van de joodse identiteit wordt begrijpelijkerwijze belemmerd op openbare scholen. De kantonrechter heeft niet begrepen of onderkend dat de joodse religie 24/7 aanwezig is. Dat komt onder meer tot uitdrukking door de spijswetten. Alleen kosher eten, onder rabbinaal toezicht vervaardigd, is toegestaan. Op joodse scholen wordt daar rekening mee gehouden. Op openbare scholen kan daar geen rekening mee worden gehouden. Ook in het profane onderwijs neemt de joodse religie op joodse scholen een belangrijke plaats in. Er zijn voor veel vakken speciale leermiddelen, waarin de joodse zienswijze voldoende aan bod komt. Daar gaat het niet alleen over vakken als geschiedenis en biologie, maar ook over bijvoorbeeld taalvakken. Leesvaardigheid, om bij de basisschool te blijven, wordt bijgebracht met speciale leermiddelen, die vaak joodse onderwerpen betreffen. Verder wordt tijdens de les ook aandacht besteed aan bijzondere dagen in het joodse jaar, zoals de feestdagen en bijvoorbeeld de joodse kalender. Het is dus weldegelijk zo, dat de ontwikkeling van de joodse identiteit op een openbare school wordt belemmerd. De opleiding op een joodse school beperkt zich niet alleen tot de joodse vakken of joodse identiteit, maar geeft ook een volledig profane opleiding. Leerlingen van de twee joodse scholen in Nederland worden in alle hoeken van de Nederlandse samenleving aangetroffen. Er zijn zelfs advocaten die hun opleiding op zo een school hebben genoten. (ondergetekende)

8. Voor de beoordeling van een beroep op art. 5 sub b van de Leerplichtwet stelt de kantonrechter dat ook openbare scholen geacht worden een richting te hebben, namelijk een levensbeschouwelijke neutraliteit. Deze term met betrekking tot de levensbeschouwelijke richting van openbare scholen, is feitelijk onjuist.

9. Wat voor de een neutraal heet te zijn, wijst een ander af als een heidense gewoonte. Kerstmis, Pasen, Sinterklaas; het zijn feestdagen die uitbundig gevierd worden op openbare scholen. Op Hemelvaart en Pinksteren wordt geen les gegeven. In de joodse levensbeschouwing worden deze dagen, evenals op Islamitische scholen, niet gevierd, omdat het Christelijke feestdagen zijn.

10. Als [betrokkene 1] naar een openbare school gaat, een school met de zogenoemde neutrale levensbeschouwelijke richting, leert hij daar op een continue basis dingen die hij thuis weer moet afleren. Dat is niet in het belang van het kind. Het kind krijgt met regelmaat te maken met de volgende zaken:

- Kerstbomen, de Kerstman, kerstliedjes, Sinterklaas en de bijbehorende liedjes, paastakken etc. Hij heeft thuis geen kerstboom, hij kent geen kerstliedjes. Hij krijgt thuis mee dat het niet de bedoeling is dat hij kerstliedjes zingt.

- Daarbij volgen wij de joodse spijswetten en dat betekent voor [betrokkene 1] concreet dat hij nooit iets mag eten wat hem aangeboden wordt. Niet omdat er iets mis is met dat eten, maar omdat het niet voldoet aan de door ons nageleefde spijswetten. Hij kan niet mee-eten als een jarige iets uitdeelt, niet naar feestjes, enzovoorts.

- Hij moet altijd vrij vragen (en dat wordt ook toegestaan) op joodse feestdagen. Kortom, [betrokkene 1] zal altijd een opvallend geval apart zijn en blijven. Een blijvend stigmatiserende situatie in zijn opvoeding, waar ouders hun zoon niet aan wil blootstellen.

- Een van de kerndoelen op openbare scholen is het besteden van aandacht aan levensbeschouwelijke stromingen. Ook dit gebeurt vanuit de zogenoemde ‘neutraliteit’. Uiteraard gebeurt dit vanuit een Christelijk benadering. Diegene met de andere religie is de uitzondering. [betrokkene 1] zal altijd het schilderij aan de muur in een museum zijn. Een schilderij, waar anderen naar mogen kijken en waar uitleg over wordt gegeven. Bijzonder respectvol, maar uitermate vervelend om regelmatig mee te maken.

11. Er is niets neutraals aan de levensbeschouwelijke richting van ongeacht welke openbare school. Deze levensbeschouwelijke richting is strijdig met het kader van zijn joodse opvoeding. Het is een richting die ronduit verwarrend is voor [betrokkene 1] .

12. Uitgaande van de ‘neutrale’ openbare scholen, ontstaat er een ander probleem: gaat [betrokkene 1] naar een ‘witte’ school of naar een gemengde openbare school?

- Op de ‘witte’ school is je kind altijd diegene die de kerstliedjes niet kent, geen kerstboom heeft, en niets mag eten wat hem wordt aangeboden en altijd extra vrije dagen heeft.

- Op een gemengde school heb je heden ten dage als joods kind een probleem als dagelijkse realiteit. Het is niet altijd even eenvoudig om je in Amsterdam te vertonen terwijl je joodse identiteit zichtbaar is via bijvoorbeeld een davidster of een keppeltje. Helaas is dit probleem groeiend. Volgens het CIDI (Centrum Informatie en Documentatie Israël), stijgen de serieuze voorvallen op scholen. Niet alleen het aantal voorvallen stijgt, maar ook de incidenten worden aangrijpender. Daarbij nemen de scholen dan meestal hun toevlucht tot het naar huis sturen van het slachtoffer in plaats van de dader, aldus CIDI-bestuurder R. Eisenmann. De ervaring leert helaas dat de vraag in deze context niet is of het [betrokkene 1] zal overkomen, maar wanneer en hoe vaak. Dat probleem levert een directe belemmering van zijn joodse identiteit op.

13. [verdachte] heeft haar bedenkingen tegen (ook) de richting van het openbaar onderwijs voldoende duidelijk gemaakt. Deze bedenkingen mogen niet getoetst worden. De ouders van [betrokkene 1] zijn bezig met het inhoud geven aan thuisonderwijs. Zij achten dat van groot belang voor hun kinderen, hetgeen reeds kan blijken uit de omstandigheid dat de echtgenoot van [verdachte] sinds 2009 hoogleraar psychiatrie is aan [C] .’’

In aanvulling op de pleitnota heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting nog het volgende aangevoerd:

‘’De verdachte heeft [betrokkene 1] niet aangemeld bij de joodse scholen [B] en [A] , omdat al van te voren duidelijk is dat hij daar niet zal worden aangenomen. Het rabbinaat heeft de verdachte immers bericht dat [betrokkene 1] niet als joods wordt erkend.

Ik toon het hof de joodse variant van aap-noot-mies. Hierin is de joodse visie verwerkt. Er is rekening gehouden met de spijswetten en reine en onreine dieren uit de bijbel. Jonge kinderen mogen niet geconfronteerd worden met onreine dieren. De meeste joodse kinderen kijken geen televisie, dus zij worden daar ook niet op die manier mee geconfronteerd. Bijna alle joodse leermiddelen zijn niet vergelijkbaar met die van een openbare school.

(…)’’

5.3. Het hof heeft in zijn arrest het beroep op vrijstelling afgewezen en daaraan de volgende overwegingen ten grondslag gelegd (p. 2-5):

‘’De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte tijdig en op juiste wijze een beroep op de leerplichtvrijstelling ex artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw 1969) heeft gedaan, zodat zij dient te worden vrijgesproken. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman het volgende aangevoerd. De minderjarige zoon van verdachte, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), wordt door zijn ouders opgevoed in een liberaal joodse traditie. Deze stroming wijkt op enige punten af van de zogenoemde orthodox joodse richting. Het fundamentele verschil tussen deze twee stromingen maakt het onmogelijk dat [betrokkene 1] wordt toegelaten op de twee joodse basisscholen in Nederland. [betrokkene 1] kan daar niet worden toegelaten omdat de orthodox joodse traditie vereist dat hij daarvoor in ieder geval een joodse moeder heeft, hetgeen niet het geval is. De raadsman heeft een brief van 30 november 2015 van het rabbinaat overgelegd waaruit zou volgen dat de verdachte en haar kinderen niet als joods worden erkend. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep daaraan toegevoegd, dat zelfs in het geval [betrokkene 1] wel zal worden toegelaten op de joodse basisschool [A] , zij niet wil dat [betrokkene 1] daar naartoe gaat. Zij wil niet dat haar kind naar een school gaat waar zijn identiteit in twijfel wordt getrokken.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte bezwaar heeft tegen openbare scholen omdat aldaar de joodse identiteit niet of niet voldoende wordt ontwikkeld en zelfs wordt belemmerd. De joodse religie is 24/7 aanwezig. Op openbare scholen kan geen rekening worden gehouden met de joodse spijswetten en in de leermiddelen komt de joodse zienswijze niet of onvoldoende aan bod. Het gaat dan niet alleen over vakken als geschiedenis en biologie, maar ook over wiskunde en taalvakken. Op joodse scholen wordt tijdens de les ook aandacht besteed aan bijzondere dagen in het joodse jaar, zoals de feestdagen en de joodse kalender. Als [betrokkene 1] naar een openbare school gaat, leert hij daar op een continue basis dingen die hij thuis weer moet afleren. Dat is niet in het belang van het kind. Zo krijgt het kind op een openbare school onder meer te maken met kerstbomen, de kerstman, kerstliedjes en sinterklaas waar in de joodse traditie geen plaats voor is. Ook kan hij nooit iets eten wat hem wordt aangeboden omdat hij leeft volgens de joodse spijswetten en moet hij altijd vrij vragen op joodse feestdagen. Daardoor zal [betrokkene 1] op een openbare basisschool altijd een bijzonder geval zijn, hetgeen voor een kind heel vervelend is om mee te maken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De bepalingen van de Lpw 1969 hielden ten tijde van het ten laste gelegde en voor zover voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang, het volgende in:

Artikel 2

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. (...)

Artikel 5

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

a (…)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;

(...)

Artikel 6

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis gegeven van:

a. de gegevens van de jongere betreffende:

(...)

b. op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken.

2. Deze kennisgeving moet worden ingediend:

a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en

b.. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli.

(...)

Artikel 8

1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2. Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit.

Uit de bewoordingen van artikel 5 Lpw 1969 volgt dat de vrijstelling van de inschrijvingsverplichting van rechtswege bestaat, zonder daartoe strekkende beslissing van Burgemeester en Wethouders, indien voldaan is aan de daaraan gestelde voorwaarden.

Bij brief van 25 juni 2014 heeft de verdachte kennisgeving gedaan van een beroep op vrijstelling op grond van de joodse godsdienst (niet orthodox).

Artikel 6 Lpw 1969 brengt mee dat - behoudens in het zich hier niet voordoende, in het tweede lid onder a bedoelde, geval - slechts dan met vrucht een beroep kan worden gedaan op vrijstelling als bedoeld in art. 5 onder b van die wet, indien de in art. 6, tweede lid onder b, bedoelde kennisgeving is gedaan vóór 1 juli voorafgaand aan het schooljaar waarop de kennisgeving betrekking heeft, aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven.

De verdachte heeft tijdig kennis gegeven van haar aanspraak op vrijstelling van de inschrijvingsplicht. Daarmee komt de verdachte in beginsel van rechtswege een beroep toe op deze vrijstelling.

Artikel 8, tweede lid, Lpw brengt met zich mee dat ‘de verklaring tegen de richting’ in de zin van artikel 8, eerste lid, Lpw 1969, niet geldig is indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit. Uit de stukken van het dossier blijkt dat aan deze uitzonderingsbepaling niet is voldaan.

Op 25 juni 2014 heeft de verdachte een brief, gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, afgegeven op het, stadsdeelkantoor Oost. In die brief geeft zij kennis op grond van artikel 5 sub b van de Lpw 1969 aanspraak te maken op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van [betrokkene 1] als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling. Na schriftelijk contact met medewerkers van de gemeente Amsterdam heeft de verdachte bij brieven van 10 november 2014, 28 november 2014 en 23 december 2014 haar richtingbezwaren inhoudelijk toegelicht. Voorts heeft zij op de terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep haar richtingbezwaren uiteengezet.

In de jurisprudentie wordt onder ‘richting’ verstaan: een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Gelet op de rechtspraak inzake de vrijstelling die in de onderhavige zaak aan de orde is, geldt voor de toetsing van het beroep daarop het volgende kader:

( i) indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b., van de Lpw 1969 dient de rechter te onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen; blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt;

(ii) onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b., van de Lpw 1969 zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs;

(iii) degene die zich op de vrijstelling beroept, dient - gelet op het voorgaande - duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Bij de vraag of de verdachte van de verplichting om haar zoon in te schrijven op een school was vrijgesteld omdat zij tegen de richting van de redelijkerwijs bereikbare scholen overwegende bedenkingen had, zal het hof niet treden in de vraag of deze bedenkingen al dan niet overwegend waren en slechts oordelen over de vraag of de bedenkingen de richting van het onderwijs in de zin van artikel 5 van de Lpw 1969 betreffen.

De verdachte heeft aangevoerd dat zij bedenkingen heeft tegen de richting van de joodse school [B] , omdat dat een orthodox joodse school is, terwijl [betrokkene 1] wordt opgevoed volgens de liberaal joodse traditie. Daarom is deze school volgens de verdachte niet geschikt voor haar zoon. Nu de bedenkingen van de verdachte tegen de [B] school zich richten tegen de orthodox joodse oriëntatie van die school, is het hof van oordeel dat dit als richtingbezwaar kan worden aangemerkt aangezien de bedenkingen een fundamentele oriëntatie, betreffen, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.

Ten aanzien van de joodse basisschool [A] heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de normen en waarden die op die school worden gehanteerd passen bij de normen en waarden waarmee zij [betrokkene 1] opvoedt. De verdachte heeft derhalve geen bedenkingen vanuit haar levensovertuiging tegen de richting van het onderwijs aldaar. Zij heeft echter aangevoerd dat [betrokkene 1] zeer waarschijnlijk niet tot die school zal worden toegelaten en mocht dat wel het geval zijn, dan wil zij niet dat hij naar die school gaat omdat daar zijn identiteit in twijfel zal worden getrokken. Deze bezwaren, wat daar verder ook van zij, zijn naar het oordeel van het hof van praktische en pedagogische aard en kunnen derhalve niet leiden tot een vrijstelling als verzocht.

Evenmin is gebleken van concrete bedenkingen vanuit de levensovertuiging van de verdachte tegen de richting van het openbaar onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen. Dat de joodse religie 24/7 aanwezig is en openbare scholen niet volgens de liberaal joodse levensovertuiging onderwijzen, kan echter niet zonder meer het oordeel dragen dat daarmee de richting van het onderwijs in alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen indruist tegen de liberaal joodse levensbeschouwing zoals door de verdachte wordt aangehangen.

De bedenkingen van de verdachte omtrent leermiddelen, de gehanteerde kalender, kerst, sinterklaas, andere feestdagen en het hanteren van de joodse spijswetten, zijn gestoeld op tekortkomingen in de praktische organisatie van de school, waarvoor in overleg met de openbare school, die in een pluralistische samenleving als de onze openstaat voor kinderen, ongeacht hun nationaliteit, hun sociale, culturele of levensbeschouwelijke achtergrond, een oplossing moet zijn te vinden. Deze bedenkingen hebben in elk geval geen betrekking op de richting van het onderwijs. Deze zijn dan ook niet aan te merken als overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs in de zin van de Lpw 1969.

Uit de verklaringen van de verdachte komt naar voren dat zij een sterke voorkeur heeft voor het (laten) geven van thuisonderwijs. Zij heeft onder meer verklaard dat zij haar zoon beter onderwijs kan geven dan het onderwijs dat op scholen wordt gegeven. Een dergelijke bedenking kan echter niet worden aangemerkt als een bedenking tegen de richting van het onderwijs, maar is een bedenking tegen de leerplicht als zodanig.

Uit het voorgaande volgt dat over de ten laste gelegde periode van rechtswege geen vrijstelling van de inschrijvingsverplichting in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de Lpw 1969 tot stand is gekomen. Het verweer wordt verworpen.’’

5.4. Het gaat in deze zaak om de vraag wanneer een bezwaar tegen een inschrijving op een bepaalde school als richtingbezwaar kan worden aangemerkt. Daarom zal ik voordat ik de klachten die in het middel zijn verwoord bespreek, eerst ingaan op de geschiedenis van de leerplicht, de vrijstelling op grond van richtingbezwaren en de uitgangspunten die door de Hoge Raad worden gehanteerd bij de beoordeling van een beroep op een dergelijke vrijstelling.

5.4.1. Een ouder dient in Nederland ingevolge het huidige art. 2 Lpw 1969 ervoor te zorgen dat zijn of haar minderjarig kind, zodra het leerplichtig wordt, als leerling van een school staat ingeschreven en deze vervolgens geregeld bezoekt. Deze leerplicht is voor het eerst in 1900 ingevoerd om kinderen te beschermen tegen kinderarbeid en het schoolverzuim terug te dringen. Tegelijkertijd was de wetgever van oordeel dat zowel het kind als de samenleving erbij gebaat zijn dat kinderen (lager) onderwijs volgen.2 Sinds de invoering van die leerplicht biedt de wet echter aan de ouders de mogelijkheid om van deze inschrijvingsplicht te worden vrijgesteld indien zij overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen of instellingen waarop hun minderjarig kind geplaatst zou kunnen worden. Oorspronkelijk had de wetgever gevallen op het oog waarin een christelijke of rooms-katholieke ouder ernstige gemoedsbezwaren had zijn kind in te schrijven op een openbare school omdat het onderwijs op die school niet conform zijn levensovertuiging was, terwijl tegelijkertijd in de buurt (nog) geen christelijke of rooms-katholieke school aanwezig was. Volgens de wetgever van de eerste leerplichtwet kon de ouder in dat geval niet worden gedwongen zijn kind naar een openbare school te sturen.3 De invoering van deze vrijstelling heeft dus zijn oorsprong in de (beëindiging van de) schoolstrijd en het feit dat destijds het bijzonder onderwijs nog niet op dezelfde wijze was geregeld en door de staat werd bekostigd als het openbaar onderwijs.4 De wetgever verwachtte dat er niet veel gebruik zou worden gemaakt van de vrijstelling en dat de invoering van de leerplicht hierdoor zijn effect niet zou verliezen.5 Daarbij heeft waarschijnlijk de verwachting meegespeeld dat in de loop van de tijd zowel meer openbare als bijzondere scholen zouden worden opgericht, zodat iedereen uiteindelijk de school van zijn of haar voorkeur kon bezoeken. Wel werden er wettelijke bepalingen opgenomen om misbruik van de vrijstelling tegen te gaan. Zo moest de schoolopziener bijvoorbeeld een onderzoek instellen of het kind of een ander kind van het gezin niet al eerder op een school stond ingeschreven waardoor kon worden getwijfeld aan de oprechtheid van de bedenkingen van de ouder.6

5.4.2. Tegenwoordig is de vrijstelling opgenomen in art. 5, aanhef en onder b, Lpw 1969. Bij de invoering van de Leerplichtwet in 1969 heeft de wetgever de vrijstelling aan striktere voorwaarden verbonden. In het ontwerp van 1969 werd de mogelijkheid van thuisonderwijs om te voldoen aan de leerplicht (destijds opgenomen in art. 1) nog als vrijstellingsgrond voorgesteld (art. 5), maar dit voorstel werd bij amendement in zijn geheel geschrapt.7 Uit de wetsgeschiedenis blijkt een zekere afkeer tegen thuisonderwijs8 vanwege de kennelijk breed gedragen opvatting dat kinderen niet alleen recht hebben op onderwijs, maar dat het ook van belang wordt geacht dat een kind zich binnen een gemeenschap kan ontwikkelen en vormen.9 De leerplicht komt dus feitelijk neer op een schoolplicht.10

Om de vrijstellingsmogelijkheid beperkt te houden mag volgens de Memorie van Toelichting het bezwaar alleen worden gebaseerd op de richting en niet op de soort van het onderwijs.11 Daarnaast werd onder ‘’overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs’’, dat sinds 2001 is omgedoopt tot “overwegende bedenkingen”12 begrepen een bezwaar dat zwaarder weegt dan het nadeel dat het kind in het geheel geen onderwijs krijgt. Nu dit volgens de wetgever een persoonlijke afweging is, is een beoordeling van het gewicht van het bezwaar volgens de wetgever niet mogelijk en mag de rechter dus daarin ook niet treden.13 Omdat het aantal gevallen van vrijstelling wegens bezwaren tegen de richting van het onderwijs zeer gering was, werd net als in 1900 niet gevreesd voor oneigenlijk gebruik.14 De regering ging er daarnaast vanuit dat inmiddels genoeg schoolaanbod aanwezig was zodat het voor vrijwel iedereen mogelijk was een school van zijn of haar voorkeur te kiezen.15

5.4.3. Hoewel het in de tijd van de verzuilde Nederlandse samenleving voor iedereen duidelijk was wat onder ‘richting’ moest worden verstaan, is dat tegenwoordig vanwege de diverse in Nederland aanwezige godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen lastiger geworden. Wellicht is mede daarom in de jurisprudentie een nieuwe uitleg ontwikkeld die ook het hof in onderhavige zaak heeft gehanteerd. Onder het begrip richting kan volgens die jurisprudentie worden verstaan: ‘’een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing’’.16 En zoals dat ook bij godsdienstvrijheid het geval is, welke vrijheid ook het niet aanhangen van enige godsdienst of levensbeschouwing omvat, dient het ontbreken van een bepaalde richting of een richting van levensbeschouwelijke neutraliteit (zoals gebruikelijk is op openbare scholen), ook te worden opgevat als richting.17

5.4.4. Indien door een ouder tijdig een beroep wordt gedaan op de vrijstelling en overigens wordt voldaan aan de voorschriften die daarbij gelden, ontstaat de vrijstelling van de leerplicht van rechtswege.18 Als het tot een strafzaak komt, moet de rechter beoordelen of inderdaad een geldige vrijstelling tot stand is gekomen. Bij de beoordeling door de rechter van het beroep op de vrijstelling is volgens de Hoge Raad onder meer het volgende van belang:

‘’(i) indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw dient de rechter te onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen; blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190);

(ii) onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (vgl. HR 3 oktober 2000, LJN ZD1985, NJ 2000, 703);

(iii) degene die zich op de vrijstelling beroept, dient - gelet op het voorgaande - duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen (vgl. HR 11 februari 2003, LJN AF0453).’’19

5.4.5. De rechter moet, bij een beroep op een dergelijke vrijstelling dus beoordelen of de door de verdachte aangedragen bedenkingen daadwerkelijk bedenkingen zijn tegen de richting van de school of instelling, maar mag daarbij niet treden in de beoordeling van het gewicht van die bedenkingen. Dat roept de vraag op wat dan precies moet worden verstaan onder ‘richting van de school of instelling’. In de jurisprudentie wordt deze vraag vooral in negatieve zin ingevuld, waarmee ik bedoel dat daarin wordt aangegeven wanneer het niet om een zogenaamd richtingbezwaar gaat. De Hoge Raad heeft blijkens het hiervoor onder ii) aangehaalde een niet-limitatieve opsomming gegeven van bezwaren die in elk geval geen betrekking hebben op de richting van het onderwijs: bezwaren tegen het soort onderwijs, de leerplicht als zodanig of de wettelijke inrichting van het onderwijs. Meer concreet is dit in de jurisprudentie als volgt ingevuld:

- De enkele omstandigheid dat de betrokken ouder het bezwaar zelf aanmerkt als stoelend op een levensovertuiging maakt nog niet dat dit een overwegend bezwaar oplevert tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw.20

- Ook een voorkeur voor thuisonderwijs of pedagogische overwegingen21 kunnen niet worden aangemerkt als bezwaren die bedenkingen vormen met betrekking tot de richting.

- Ten aanzien van het hiervoor onder iii) door de Hoge Raad aangehaalde is van belang dat naarmate het voor de rechter minder evident is dat een bezwaar betrekking heeft op de richting van een school, hogere eisen aan de toelichting worden gesteld.22 Dat kan inhouden dat bij overwegende bedenkingen tegen meerdere scholen, per school concreet moet worden aangegeven om welke redenen een richtingbezwaar bestaat ten aanzien van specifiek die school.23

- Tot slot moet in cassatie worden vooropgesteld dat het oordeel van het hof over hoe het vrijstellingsberoep van de verdachte in het concrete geval moet worden verstaan, verweven is met waarderingen van feitelijke aard en in cassatie daarom slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Ook indien de feitenrechter oordeelt dat uit hetgeen door of namens de verdachte is aangevoerd niet kan worden afgeleid dat de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen, en om die reden geen vrijstelling van de leerplicht kunnen meebrengen, is dat een oordeel dat slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.24

5.5. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het middel. Daarbij zal ik eerst ingaan op het oordeel van het hof ten aanzien van de bedenkingen van de verdachte tegen de openbare scholen. Vervolgens bespreek ik de deelklachten die gaan over het oordeel van het hof ten aanzien van de bijzondere (joodse) school [A] .

5.6. In het middel wordt aangevoerd dat het hof de bedenkingen van de verdachte ten aanzien van de openbare scholen in de buurt ten onrechte heeft aangemerkt als bedenkingen die niet op grond van haar religieuze overtuigingen bestaan, maar als bedenkingen die gestoeld zijn op de tekortkomingen in de praktische organisatie van het openbaar onderwijs.

5.7. Voor het lezersgemak herhaal ik hierbij de gewraakte overwegingen van het hof waar deze klacht betrekking op heeft:

‘’Evenmin is gebleken van concrete bedenkingen vanuit de levensovertuiging van de verdachte tegen de richting van het openbaar onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen. Dat de joodse religie 24/7 aanwezig is en openbare scholen niet volgens de liberaal joodse levensovertuiging onderwijzen, kan echter niet zonder meer het oordeel dragen dat daarmee de richting van het onderwijs in alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen indruist tegen de liberaal joodse levensbeschouwing zoals door de verdachte wordt aangehangen.

De bedenkingen van de verdachte omtrent leermiddelen, de gehanteerde kalender, kerst, sinterklaas, andere feestdagen en het hanteren van de joodse spijswetten, zijn gestoeld op tekortkomingen in de praktische organisatie van de school, waarvoor in overleg met de openbare school, die in een pluralistische samenleving als de onze openstaat voor kinderen, ongeacht hun nationaliteit, hun sociale, culturele of levensbeschouwelijke achtergrond, een oplossing moet zijn te vinden. Deze bedenkingen hebben in elk geval geen betrekking op de richting van het onderwijs. Deze zijn dan ook niet aan te merken als overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs in de zin van de Lpw 1969.’’

5.8. Ik ben het met de steller van het middel eens dat er ook overwegende bedenkingen kunnen bestaan tegen de richting van zogenaamde neutrale, openbare scholen. De vrijstelling zag al in 1900 juist op dit soort gevallen en de wetgever heeft bij de invoering van de nieuwe leerplichtwet in 1969 en ook daarna geen afstand van dit uitgangspunt genomen. De betekenis van de vrijstelling zou gelet op de ruime verspreiding van het openbaar onderwijs immers iedere reële betekenis ontberen wanneer bedenkingen tegen de richting van het openbare onderwijs niet mogelijk zouden zijn.

Ik deel het oordeel van de steller van het middel echter niet voor zover daarin het standpunt wordt ingenomen dat de verdachte niet gehouden was concreet uiteen te zetten waarom de verdachte vanuit haar liberaal joodse traditie bedenkingen heeft tegen het onderwijs op de openbare scholen. Hoewel het bij bedenkingen die voortkomen uit een algemeen bekende en welbepaalde religie (zoals het liberaal jodendom) aannemelijk is, dat het de beoordeling door de rechter in veel gevallen eenvoudiger maakt, ontslaat dat de verdachte er nog niet van voldoende concreet aan te geven waar haar bedenkingen uit bestaan.25 Daaraan heeft overigens de verdachte en haar raadsman naar mijn mening ruimschoots voldaan. De verdachte heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voldoende uiteen gezet wat haar bedenkingen zijn, door onder meer te stellen dat zij en haar echtgenoot de liberaal joodse traditie aanhangen en wensen dat hun kind volgens deze traditie opgevoed en onderwezen wordt. De verdachte en haar raadsman hebben niet alleen uitvoerig betoogd dat volgens de verdachte de joodse religie 24/7 aanwezig is en de ontwikkeling van de joodse identiteit op openbare scholen wordt belemmerd, maar ook gesteld dat de zogenaamde levensbeschouwelijke neutraliteit van de openbare scholen helemaal niet neutraal is en zelfs schadelijk is voor de joodse (opvoeding en) onderwijzing van het kind omdat hij daar dingen leert die hij thuis weer moet afleren. Daarbij zijn concrete voorbeelden genoemd zoals de spijswetten, kerst, sinterklaas en gehanteerde leermiddelen.

5.9. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de bedoeling van de wetgever en de strekking van art. 5, onder b Lpw, is het oordeel van het hof dat er geen concrete bedenkingen bestaan vanuit de levensovertuiging van de verdachte en dat de concrete bedenkingen voor het overige gestoeld zijn op tekortkomingen in de praktische organisatie van de school, mijns inziens dan ook niet begrijpelijk. De bedenkingen van de verdachte zijn immers gestoeld op een duidelijk afgebakende erkende godsdienst of levensbeschouwing en van deze bezwaren kan moeilijk worden gezegd dat zij te algemeen gericht zijn tegen de onderwijsplicht als zodanig.26 Van de bedenkingen zoals die door verdachte zijn geuit, kan niet gezegd worden dat deze slechts gestoeld zijn op tekortkomingen in de praktische organisatie van de school en niet (ook) de richting van het onderwijs betreffen.27 Hoewel ten aanzien van bijvoorbeeld de spijswetten gezegd kan worden dat dit een praktisch probleem is waar een oplossing voor kan worden gevonden, kan dit naar mijn mening niet zonder meer gezegd worden over alle andere genoemde voorbeelden, zoals de gehanteerde leermiddelen, het feit dat in het profane onderwijs geen rekening wordt gehouden met de joodse leer, de viering van Kerstmis of Sinterklaas enzovoorts. Indien elk religieus bezwaar kan worden aangemerkt als een praktisch probleem waarvoor een oplossing kan worden gevonden, betekent dit dat in het geheel geen bezwaar meer zou kunnen bestaan tegen een openbare school die openstaat ‘’voor kinderen, ongeacht hun nationaliteit, hun sociale, culturele of levensbeschouwelijke achtergrond’’. Dat is nadrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest die tegemoet wil komen aan ouders met ernstige gemoedsbezwaren. Verder is van belang dat het hof naar mijn mening heeft miskend dat de door de verdediging gegeven voorbeelden een nadere concretisering vormen van het meer algemene betoog over de joodse religie en het ontwikkelen van de joodse identiteit.

5.10. Voor zover het middel opkomt tegen het oordeel van het hof ten aanzien van de openbare scholen, slaagt het.

5.11. Wat betreft het oordeel van het hof ten aanzien van de bijzondere school [A] is de steller van het middel van mening dat het hof de bedenkingen van de verdachte ten aanzien van die school ten onrechte heeft aangemerkt als bedenkingen die niet op grond van haar religieuze overtuigingen bestaan, maar als bedenkingen die van praktische en pedagogische aard zijn. Daarbij heeft het hof een tweetal verklaringen van de verdachte gedenatureerd en ten onrechte de stelling van de verdediging in het midden gelaten dat de zoon van de verdachte niet zou kunnen worden toegelaten op de joodse bassischool [A] .

5.12. Voor het lezersgemak herhaal ik hierbij wederom de overwegingen van het hof waarop deze klachten gericht zijn:

‘’Ten aanzien van de joodse basisschool [A] heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de normen en waarden die op die school worden gehanteerd passen bij de normen en waarden waarmee zij [betrokkene 1] opvoedt. De verdachte heeft derhalve geen bedenkingen vanuit haar

levensovertuiging tegen de richting van het onderwijs aldaar. Zij heeft echter aangevoerd dat [betrokkene 1] zeer waarschijnlijk niet tot die school zal worden toegelaten en mocht dat wel het geval zijn, dan wil zij niet dat hij naar die school gaat omdat daar zijn identiteit in twijfel zal worden getrokken. Deze bezwaren, wat daar verder ook van zij, zijn naar het oordeel van het hof van praktische en pedagogische aard en kunnen derhalve niet leiden tot een vrijstelling als verzocht.’’

5.13. Ten aanzien van het denatureren van de verklaring van de verdachte wordt in het middel gesteld dat het hof uit hetgeen de verdachte op de terechtzitting heeft verklaard niet heeft kunnen afleiden dat verdachte heeft gezegd dat:

a) [betrokkene 1] zeer waarschijnlijk niet tot die school wordt toegelaten;

b) dat de normen en waarden die op die school worden gehanteerd passen bij de normen en waarden waarmee zij [betrokkene 1] opvoedt;

waardoor het hof haar verklaring een wezenlijk andere betekenis heeft gegeven in zijn bewijsoverwegingen.

5.14. Wat betreft de verklaring van de verdachte onder b) betreft, ben ik van oordeel dat het hof de verklaring van de verdachte niet heeft gedenatureerd. Het hof heeft er met zijn overweging slechts blijk van gegeven dat het heeft onderzocht of de bezwaren die de verdachte heeft, bedenkingen zijn tegen de richting van het onderwijs en vervolgens geoordeeld dat dit niet het geval is. Daarbij is het hof kennelijk van oordeel dat uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd kan worden afgeleid dat zij de normen en waarden van de school onderschrijft en dat de bedenkingen ten aanzien van de toelating en het in twijfel trekken van de joodse identiteit geen bedenkingen zijn die de richting van het onderwijs betreffen. Dit is een feitelijk oordeel dat slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Op dat laatste kom ik hierna nog terug.

5.15. De steller van het middel heeft mijns inziens wel een punt dat de verdachte niet heeft verklaard dat haar zoon [betrokkene 1] ‘’zeer waarschijnlijk niet tot die school zal worden toegelaten’’ (de verklaring aangehaald onder a), maar heeft verklaard dat ‘’zij hem niet zullen accepteren’’. De verklaring van de verdachte zoals deze is weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting luidt:

“Ik heb [betrokkene 1] daar echter niet aangemeld omdat zij hem niet zullen accepteren. Wij hebben een brief van het rabbinaat ontvangen waarin staat dat mijn kinderen en ik niet als joods worden erkend, omdat ik officieel niet joods ben. Zelfs al zou [betrokkene 1] worden toegelaten op de joodse basisschool [A] , dan wil ik niet dat hij daarnaartoe gaat, omdat ik niet wil dat mijn kind naar een school gaat waar zijn identiteit in twijfel wordt getrokken. Dat zou verschrikkelijk zijn en ingaan tegen het hele gevoel dat wij onze kinderen willen meegeven.”

5.16. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte heeft onderbouwd waarom [betrokkene 1] niet zal worden geaccepteerd door te verwijzen naar een door de verdediging overgelegde brief afkomstig van het rabbinaat waarin staat dat de verdachte en haar kinderen niet als joods worden erkend. Het niet erkennen van de zoon van de verdachte als joods is, zoals de verdachte ook op de terechtzitting heeft uiteengezet, een wezenlijk onderdeel van het richtingsbezwaar. Daarom heeft het hof de verklaring van de verdachte van zijn wezenlijke inhoud ontdaan terwijl die verklaring een niet ondergeschikt onderdeel vormde van het betoog van de verdediging.28

Naar mijn mening slaagt dan ook deze deelklacht.

5.17. Dan kom ik nu terug op de overweging van het hof dat de normen en waarden die op de school [A] worden gehanteerd passen bij de normen en waarden waarmee de verdachte [betrokkene 1] opvoedt, waarmee het hof kennelijk bedoelt dat dit een school is waarop [betrokkene 1] geplaatst zou kunnen worden in de zin van art. 5, aanhef en onder b, Lpw 1969. Dat dit wellicht niet mogelijk is kwalificeert het hof als een praktisch bezwaar, dat niet kan leiden tot een vrijstelling.

5.18. Uit de wetsgeschiedenis van de eerste Leerlichtwet uit 1900 blijkt dat de wetgever de toevoeging ‘’waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden’’ niet zonder reden heeft opgenomen in de wet:

‘’De bijvoeging „waar voor de kinderen plaats te verkrijgen is" is noodig, omdat de mogelijkheid niet is uitgesloten dat ouders geen bezwaar hebben tegen het onderwijs op alle scholen, maar alleen tegen die scholen waar zij hunne kinderen geplaatst kunnen krijgen.’’29

Wat daaronder moet worden verstaan wordt duidelijk bij de toelichting op de destijds opgenomen vrijstelling op grond van een te grote afstand tussen school en woning:

‘’De uitdrukking „geen plaatsing kunnen verkrijgen" is zeer algemeen gesteld. Vooral in den eersten tijd zal de meest voorkomende reden van afwijzing wel zijn: gebrek aan schoolruimte. Maar ook om andere redenen zal plaatsing soms niet te verkrijgen zijn, hetzij omdat aan de toelating voorwaarden worden gesteld, waaraan niet kan worden voldaan, hetzij omdat slechts kinderen van een bepaald kerkgenootschap worden toegelaten.’’30

5.19. Vervolgens heeft de wetgever bij de invoering van de huidige wet de betekenis van dit onderdeel van de wettelijke regeling niet gewijzigd. In de Memorie van Toelichting wordt met betrekking tot de vrijstelling op grond van richtingbezwaren in dat verband opgemerkt dat wanneer een kind niet op een bepaalde school kan worden toegelaten, een dergelijke school buiten beschouwing moet blijven, omdat dit dan geen school is waarop het kind geplaatst zou kunnen worden.31 Dit betekent dat een ouder zich dus nog steeds met vrucht kan beroepen op de vrijstelling indien op de (enige) school waartegen geen (geldig) richtingbezwaar bestaat, het kind niet kan worden geplaatst of toegelaten.

5.20. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat het de stelling van de verdediging dat [betrokkene 1] (zeer waarschijnlijk) niet tot [A] kan worden toegelaten, heeft weerlegd, zodat in cassatie moet worden uitgegaan van de juistheid van deze stelling. Door te overwegen zoals het heeft gedaan, heeft het hof daarmee miskend dat het voor de toepassing van art. 5, aanhef en onder b, Lpw 1969 van belang is, dat het kind ook feitelijk kan worden geplaatst of toegelaten op de betreffende school. Het oordeel van het hof dat de bezwaren omtrent (onder meer) de toelating van [betrokkene 1] tot de school van ‘’praktische en pedagogische aard’’ zijn, getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting. Ook als ervan wordt uitgegaan dat het hof dit niet heeft miskend of de verklaringen van de verdachte niet heeft gedenatureerd, is het oordeel van het hof ten aanzien van [A] in elk geval niet zonder meer begrijpelijk. Het hof had moeten motiveren waarom [A] een school is waarop de jongere wel geplaatst kon worden of moeten motiveren waarom hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging:
i) heeft aangevoerd dat het fundamentele verschil tussen de geloofsopvatting van de verdachte en de orthodoxe richting van de joodse scholen gelegen is in het feit dat volgens de liberaal joodse opvatting [betrokkene 1] wel en volgens de richting van de joodse scholen niet joods is;
ii) heeft aangevoerd dat voornoemd fundamentele verschil ertoe leidt dat [betrokkene 1] niet wordt toegelaten tot de joodse scholen;
iii) een brief van het rabbinaat heeft overgelegd waaruit blijkt dat het rabbinaat te Amsterdam de verdachte en haar zoon niet als joods erkennen waardoor zij niet lid kunnen worden van het NIK (Nederlands Israëlisch Kerkgenootschap);
iv) in hoger beroep verzocht heeft om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om meer informatie te kunnen verstrekken aan het hof, zoals stukken van het Nederlands Israëlisch Kerkgenootschap en het rabbinaat over een eventuele aanmelding van [betrokkene 1] bij [A] , terwijl het hof dit verzoek heeft afgewezen.32

5.21. Voor wat betreft het oordeel van het hof dat de verdachte de normen en waarden van de school onderschrijft en dat de bedenkingen ten aanzien van het in twijfel trekken van de joodse identiteit geen bedenkingen zijn die de richting van het onderwijs betreffen, wil ik het volgende opmerken. De overweging van het hof dat de normen en waarden die op de school [A] worden gehanteerd, passen bij de normen en waarden waarmee de verdachte haar zoon opvoedt, kan ik volgen. Dit geldt echter niet voor de consequentie die het hof daaraan verbindt, dat de bedenkingen rondom het in twijfel trekken van de joodse identiteit van de zoon van de verdachte slechts praktische en pedagogische bedenkingen zijn. Aangenomen mag worden dat het erkennen of ontkennen van een bepaalde religieuze identiteit een fundamenteel onderdeel van een religie is. Aangezien de verdediging heeft aangevoerd dat het essentiële verschil tussen de richting van de verdachte en de richting van de school nu juist het erkennen van de joodse identiteit van haar kind betreft, is naar mijn mening het oordeel van het hof dat de verdachte vanuit haar levensovertuiging geen bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op [A] , niet zonder meer begrijpelijk. Met name omdat het hof dit fundamentele verschil tussen de liberaal joodse traditie en de orthodoxe leer kennelijk wel aanneemt als geldig richtingbezwaar ten aanzien van de bassischool [B] (de andere joodse school waartegen de verdachte bezwaar heeft) en de verdediging heeft aangevoerd dat [A] en [B] wat dat betreft op dezelfde richting zijn gestoeld.

5.22. Voordat ik tot een afsluitende conclusie kom wil ik in zijn algemeenheid nog het volgende opmerken. De heersende opvatting in Nederland (inclusief die van de wetgever) is, dat kinderen naar school behoren te gaan, omdat zij recht hebben op onderwijs en zich het beste kunnen ontwikkelen in een (school)gemeenschap waaraan ook andere kinderen deelnemen.33 Tegenwoordig wordt vaker dan voorheen een beroep gedaan op de vrijstelling op grond van richtingbezwaren34 en kent Nederland inmiddels meer verschillende religieuze en levensbeschouwelijke stromingen waarbij lang niet voor elke stroming (genoeg) scholen bestaan die op een daarop toegesneden grondslag zijn gebaseerd.35 Uit de jurisprudentie volgt (vooralsnog) echter niet dat de vrijstelling wezenlijk anders moet worden opgevat dan de wetgever in respectievelijk 1900 en 1969 voor ogen heeft gehad. Dat internationaalrechtelijke verdragen het bestaan van deze vanuit historisch oogpunt specifiek Nederlandse vrijstelling niet verplichten36, maakt dat niet anders. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de gevallen waarin en de wijze waarop de vrijstelling kan worden ingeroepen ingevolge art. 5, 6 en 8 Lpw 1969 beperkt zijn en aan strikte eisen zijn gebonden, maar dat deze bepalingen geen strijd opleveren met de in art. 9, eerste lid, EVRM en art. 2 Eerste Protocol EVRM gewaarborgde rechten.37 Daarnaast heeft de Hoge Raad het belang van een duidelijke toelichting van de bezwaren benadrukt en verduidelijkt wat in elk geval niet onder richtingbezwaren moet worden verstaan. Ook al zouden als gevolg van de maatschappelijke ontwikkelingen na 1969 meer vrijstellingen tot stand komen en (ook bij de wetgever) de vrees ontstaan dat de leerplicht zijn effect zal verliezen38, is het niet aan de rechter maar behoort het tot de taak van de wetgever om daar verandering in te brengen.39 Hoewel de politiek op dit punt bepaald niet stilzit, zal de vrijstelling op grond van richtingbezwaren vooralsnog onverkort moeten worden toegepast.40

5.23. Door de slotoverwegingen van het hof – waarin het stelt dat de verdachte een duidelijke voorkeur voor thuisonderwijs lijkt te hebben – kan ik mij niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het hof mogelijk heeft getwijfeld aan de oprechtheid van de bedenkingen van de verdachte. Nog daargelaten dat de rechter niet mag treden in de beoordeling van het gewicht van de bezwaren, maken ook deze overwegingen het oordeel van het hof niet begrijpelijk. Ten eerste, omdat niet goed blijkt op welke verklaringen van de verdachte het hof doelt waaruit zou blijken dat zij van oordeel is dat zij haar zoon beter onderwijs kan geven dan het onderwijs dat op scholen wordt gegeven. Ten tweede, omdat een voorkeur voor thuisonderwijs niet het bestaan uitsluit – maar wellicht juist het gevolg is – van oprechte en overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op nabij gelegen scholen.

5.24. Samenvattend ben ik van oordeel dat het middel slaagt, omdat het oordeel van het hof dat de bezwaren van de verdachte tegen openbare scholen niet als richtingsbezwaren kunnen worden opgevat en de bedenkingen tegen de basisschool [A] geen betrekking hebben op religieuze overtuigingen maar op praktische en pedagogische bezwaren, niet begrijpelijk is. Daarbij heeft het hof de verklaring van de verdachte inhoudende dat [betrokkene 1] op [A] niet zal worden geaccepteerd gedenatureerd.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing, dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarbij heb ik de voetnoten weggelaten.

2 Kamerstukken II 1897/98, 160, 3, p. 4-8.

3 Kamerstukken II 1897/98, 160, 3, p. 7-8.

4 Zie onder meer Kamerstukken II 1897/98, 160, 3, p. 8: ‘’De wet van 1889 had geen ander doel dan aan gemoedsbezwaren tegemoet te komen en vrij algemeen schijnt thans het besef doorgedrongen, dat de leerplicht zoo behoort te worden geregeld, dat daardoor geene aanleiding wordt gegeven tot heropening van den schoolstrijd.’’ De gelijke bekostiging volgde pas bij de Grondwetswijziging van 1917 (art. 23 Gw) en kreeg voor het basisonderwijs gestalte in de Wet op het lager onderwijs 1920.

5 Bij een onderzoek naar het schoolverzuim van circa 60.000 kinderen op 1 januari 1897 werd slechts in dertien gevallen opgegeven: gemoedsbezwaren, Kamerstukken II 1897/98, 160, 3, p. 7; daarnaast werd de verwachting uitgesproken dat slechts weinigen gebruik zullen maken van de vrijstelling, p. 8.

6 Kamerstukken II 1897/98. 160, 3, p. 7 en p. 12.

7 Kamerstukken II 1967/68, 9039, 3, p. 13 en Kamerstukken II 1967/68, 9039, 12 (Amendement Masman).

8 Kamerstukken II 1967/68, 9039, 3, p. 14; Anders Sperling die – op basis van gesprekken met toenmalig minister Grosheide die de leerplichtwet van 1969 invoerde – van mening is dat de vrijstelling nog exact dezelfde betekenis heeft als in 1900, J. Sperling, Moet jij niet naar school? Een onderzoek naar de juridische aspecten van thuisonderwijs vanuit Nederlands en rechtsvergelijkend perspectief (dissertatie), Erasmus Universiteit Rotterdam 2010, p. 275-276.

9 Zoals ook recent weer is verwoord in de opvatting van staatssecretaris Dekker in een algemeen overleg over thuisonderwijs op 16 maart 2016, Handelingen II 2015/16, 31135, 68, p. 24.

10 In 1900 werd de leerplicht zo opgevat, dat hoewel voor de overgrote meerderheid van de kinderen het zou neerkomen op schoolplicht, de leerplicht toch vooral bedoeld was dat kinderen onderwijs kregen. Vandaar dat de destijds voorgestelde vrijstelling op grond van thuisonderwijs werd gewijzigd naar een mogelijkheid om aan de leerplicht te voldoen, waarop enig toezicht werd gehouden zie Kamerstukken II 1897/98, 160, 3, p. 10, Kamerstukken II 1897/98, 160, 8, p. 2, en Kamerstukken II 1898/99, 14, 7-10.

11 Kamerstukken II 1967/68, 9039, 3, p. 14. Met ‘soort’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het voortgezet onderwijs. De leerplicht werd namelijk verlengd tot 9 jaar zodat de leerplicht zich nu ook ging uitstrekken over het voortgezet onderwijs (en niet alleen het lager onderwijs).

12 De wet sprak tot 11 mei 2001 over ‘overwegend bezwaar’. Sindsdien zijn deze woorden veranderd in ‘overwegende bedenkingen’ maar het betrof hierbij louter een technische en geen inhoudelijke aanpassing, zie Kamerstukken II, 1999/2000, 27265, 3, p. 2 en 10.

13 Kamerstukken II 1967/68, 9039, 5, p. 14.

14 Kamerstukken II 1967/68, 9039, 5, p. 13-14: ‘’Van de ruim 1800 vrijstellingen in het afgelopen schooljaar waren er 2 gebaseerd op bezwaren tegen het onderwijs (richting)’’.

15 Dat blijkt onder meer uit het feit dat de vrijstelling op grond van een te lange afstand tussen school en woning werd afgeschaft omdat deze niet werd gebruikt en de overheid bleef zorg dragen voor financiële steun in verband met vervoer naar scholen van de verlangde richting die (te) ver gelegen zijn, Kamerstukken II 1967/68, 9039, 5, p. 14.

16 HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, rov. 4.3.

17 HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9201; De wetgever had ook dit juist al voor ogen bij de totstandkoming van de eerste leerplichtwet, zie Kamerstukken II 1897/98, 160, 3, p. 7.

18 Zie de art. 5, 6 en 8 Lpw 1969.

19 HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, rov. 4.2.

20 HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453, rov. 6.6. Het ging in deze zaak om een Michaëlische levensovertuiging die zich tegen elke vorm van door de overheid georganiseerd onderwijs en dus tegen de strekking van de Leerplichtwet als zodanig verzette, zodat de bedenkingen zicht richtten tegen de leerplicht als zodanig.

21 J. Sperling en Th. Storimans, Recht op onderwijs, ouders en leerplicht, Themakatern Regelingen Leerplicht, Den Haag: Sdu 2010, p. 82; Kamerstukken II 2011/12, 33000 VIII, 146; HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453.

22 Zie bijvoorbeeld HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719 en zie ook Wetenschappelijk Bureau OM, Het begrip ‘richting’ en artikel 5 van de Leerplichtwet 1969, 6 juni 2012, p. 31, te raadplegen via < https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2012/06/06/het-begrip-richting-en-artikel-5-van-de-leerplichtwet-1969>

23 Wetenschappelijk Bureau OM 2012, p. 33-34; Hof Amsterdam 2 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV2889, hoewel niet expliciet in het arrest weergegeven, had de verdachte in deze zaak per school(richting) aangegeven waarom die richting voor hem onaanvaardbaar was.

24 Conclusie AG Aben bij HR 6 juli 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL6719, onder 4.6.

25 HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453, rov. 6.2.

26 HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, NJ 2000/703, rov. 4.2.2; Conclusie AG Jörg bij HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2946, NJ 2002/98, onder 10; HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453, rov. 6.6.

27 Vgl. Rb Rotterdam 17 november 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU5000, onder 8.13.

28 Zie G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2014, achtste druk, p. 766 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer, Deventer 2015, p. 204-205.

29 Kamerstukken II 1897/98, 160, 3, p. 11.

30 Kamerstukken II 1897/98, 160, 3, p. 11.

31 Kamerstukken II 1967/68, 9039, 3, p. 14; zie ook Kamerstukken II 1967/68, 9039, 5, p. 6.

32 In eerste aanleg had de verdediging ook al uitvoerig betoogd waarom de jongere niet zou worden toegelaten tot de joodse scholen en daarbij een blanco aanmeldformulier van de school overgelegd waarop stond dat aanmelding ter goedkeuring aan het rabbinaat wordt voorgelegd. De kantonrechter had in eerste aanleg geoordeeld dat wel geldige bezwaren bestonden tegenover de joodse scholen maar onvoldoende concrete bezwaren tegenover de openbare scholen. Het is dan ook niet vreemd dat de verdediging in hoger beroep meer aandacht heeft besteed aan de bezwaren tegen de openbare scholen en minder (dan wellicht zou mogen worden verwacht) bewijs heeft aangeleverd omtrent de toelating bij de joodse scholen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting bleek de verdediging daar dus alsnog toe in staat, hetgeen het hof heeft afgewezen.

33 Zie onder meer Kamerstukken II 2011-12, 33000 VIII, 146; HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1338, rov. 5.4; en de opvatting van de staatssecretaris in een algemeen overleg over thuisonderwijs op 16 maart 2016, Handelingen II 2015/16, 31135, 68, p. 24.

34 De regering constateerde in 1967 slechts 2 gevallen, zie Kamerstukken II 1967/68, 9039, 5, p. 13. Voor het schooljaar 2009-2010 werden 328 gevallen geregistreerd (0,01% van het totale aantal leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs), zie Kamerstukken II 2011/12, 33000 VIII, 146. Tijdens het algemeen overleg op 16 maart 2016 werd gesproken over circa 600 kinderen die in Nederland met een beroep op art. 5, aanhef en onder b, Lpw 1969 thuisonderwijs ontvangen, Handelingen II 2015/16, 31135, 68, p. 2. De staatssecretaris zegt zich daarbij zorgen te maken over het toenemend aantal vrijstellingen, p. 22.

35 In dat verband zij ook verwezen naar het wetsvoorstel ‘Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen’, dat beoogd meer ruimte te creëren om op basis van een onderwijsconcept een school te beginnen, waar die mogelijkheid nu vooral is voorbehouden aan levensbeschouwelijke richtingen, Kamerstukken II 2014/15, 31135, 53.

36 Of zelfs overbodig maakt. Zie EHRM 11 september 2006, 35504/03 (Konrad en anderen tegen Duitsland). Het EHRM accepteerde hierbij het Duitse schoolsysteem dat anders dan het Nederlandse stelsel geen vrijstelling kent op grond van overwegende bedenkingen en thuisonderwijs verbiedt. Zie voorts EHRM 10 januari 2017, 29086/12 (Osmanoğlu en Kocabaş tegen Zwitserland).

37 HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0497; HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6898; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9201; HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1338; HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2577. Alleen indien in het concrete geval het recht op onderwijs van het kind in het geding komt – in onderhavig geval heeft het hof hier echter niets over vastgesteld – zou ik mij kunnen voorstellen dat sprake kan zijn van onverenigbaarheid met internationale verdragen, zie art. 14 EVRM, art. 2 van het Aanvullend Protocol en art. 28 IVRK.

38 Maar nog zonder dat sprake is van strijd met het recht op onderwijs voor het kind, omdat bijvoorbeeld (niet nader geregeld) vervangend (thuis)onderwijs wordt gegeven.

39 Zie bijvoorbeeld Rb Breda, 12 maart 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BL7280, rov. 4. Dat de wetgever dit ook voornemens is, blijkt uit het wetsvoorstel ‘Onderwijs op een andere locatie dan op school’, dat onder meer tot doel heeft het recht op onderwijs te borgen van kinderen die nu vrijgesteld zijn van de leerplicht op grond van richtingbezwaren. Daarin wordt voorgesteld mogelijk te maken dat de leerplicht kan worden vervuld door thuisonderwijs te volgen dat aan minimum kwaliteitseisen voldoet en de vrijstelling op grond van richtingbezwaren te schrappen, zie Kamerstukken II 2015/16, 31135, 58. Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 31135, 49.

40 Tijdens het algemeen overleg op 16 maart 2016, waarin toezicht op thuisonderwijs en eventueel schrappen van de vrijstellingsgrond in art. 5 onder b Lpw werd besproken, geeft de staatssecretaris op vragen van de CU nadrukkelijk aan dat de vrijstellingsgrond nochtans onverkort geldt totdat de het thuisonderwijs nader wettelijk geregeld is, Handelingen II 2015/16, 31135, 68, p. 4 en 26.