Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1332

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-12-2017
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
17/00271
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:819
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie in rolincident. Ambtshalve inlichtingen over al dan niet opgemaakt zijn van proces-verbaal pleitzitting in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2018/132 met annotatie van A.M. Dumoulin-Siemens
JOR 2018/203 met annotatie van mr. C. Spierings
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/00271

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 01 december 2017

Conclusie in het rolincident inzake:

1. [eiseres 1]

2. [eiser 2]

tegen

[verweerder]

1.1 In deze verstekzaak, die ten gronde betrekking heeft op de vraag of een vennootschap onder firma door opzegging is geëindigd, wordt in de cassatiedagvaarding onder 2.4 vermeld dat:

(i) het gerechtshof Amsterdam in de onderhavige zaak uitspraak heeft gedaan zonder dat op voorhand het proces-verbaal voorhanden was;

(ii) de steller van het middel het proces-verbaal op 9 december 2016 heeft opgevraagd met het volgende verzoek:

“Voor het door ons uit te brengen cassatieadvies in bovengenoemde zaak dienen wij te beschikken over het proces-verbaal van de zitting van 7 juni 2016 met zaaknummer 200.169.703/01.”

(iii) het gerechtshof daarop op 12 december 2016 het volgende heeft geantwoord:

“Geachte heer, mevrouw,

Partijen hebben geen recht op afgifte van een proces-verbaal van de pleitzitting. Een proces-verbaal wordt alleen opgemaakt als een partij daarbij een bijzonder belang heeft. In dit geval is dat bijzondere belang onvoldoende duidelijk gemaakt.”

(iv) de steller van het middel na ontvangst van deze brief contact heeft opgenomen met de betrokken medewerker van het hof en dat daaruit bleek “dat dit beleid is”;

(v) deze gebleken gang van zaken leidt tot de navolgende klachten onder 2.4.1-2.4.3;

1.2 In paragraaf 2.4.4 van de cassatiedagvaarding wordt het voorbehoud gemaakt om de middelen nader aan te vullen indien en voor zover het proces-verbaal alsnog beschikbaar wordt.

1.3 In de cassatiedagvaarding (onder 2.4.3) is de volgende passage opgenomen:

“Bovendien (…) dient dit p-v, anders dan het exemplaar dat bij brief van 14 oktober 2016, een adequate weergave van de door partijen ingenomen standpunten en weren te geven.”

1.4 Uit deze passage, die overigens een niet geheel lopende zin bevat, zou kunnen worden afgeleid dat er wel een proces-verbaal zou zijn opgemaakt, die bij brief van 14 oktober 2016 zou zijn toegestuurd1.

Ik heb daarom ambtshalve inlichtingen laten inwinnen bij de griffie van het hof over het (al dan niet) opgemaakt zijn van een proces-verbaal van de zitting van 7 juni 2016 en over genoemde brief van 14 oktober 2016.

1.5 Als antwoord op dit verzoek is door de griffie van het hof bij e-mail van 24 november 2017 aan de griffie van de Hoge Raad het aan deze conclusie gehechte proces-verbaal toegezonden en is telefonisch aan de griffie van de Hoge Raad meegedeeld dat dit ook naar (de advocaten van) partijen is gestuurd.

1.6 Alvorens ten gronde te concluderen, dienen eisers tot cassatie m.i. in de gelegenheid te worden gesteld binnen een door de rolraadsheer te bepalen termijn op het mij toegezonden proces-verbaal te reageren.

2. Conclusie

De conclusie in dit incident strekt ertoe dat de Hoge Raad de zaak naar de rol verwijst voor het hiervoor onder 1.6 omschreven doel.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Beide stukken ontbreken in het procesdossier van eisers tot cassatie.