Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:132

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-01-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
15/02351
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:419, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsmotiveringsklachten. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/02409, 15/02458, 15/02848, 15/03375, 15/04787 en 16/00626.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02351

Mr. Machielse

Zitting 17 januari 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 13 mei 2015 voor 1: medeplegen van voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, en 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur ingezonden met twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs van feit 1. Het opzet van verdachte zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen blijken. Integendeel, uit de gebezigde bewijsmiddelen is enkel af te leiden dat verdachte bij de ontmoetingen juist buiten de gesprekken is gehouden.

3.2. Onder 1 heeft het hof bewezen verklaard dat

“hij in of omstreeks de periode van 01 november 2008 tot en met 19 februari 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk

- één of meer telefoongesprekken gevoerd en/of één of meer sms-berichten verzonden en/of uitgewisseld, waarin ontmoetingsplaatsen werden afgesproken en/of aan elkaar werden doorgegeven en/of

- één of meer ontmoetingen bijgewoond en/of

- één of meer telefoontoestellen aangeschaft en/of overgedragen en/of in ontvangst genomen (specifiek) bestemd en/of bedoeld voor de onderlinge communicatie tussen deelnemende daders en/of

- één of meer telefoongesprekken gevoerd en/of één of meer sms-berichten verzonden en/of uitgewisseld

en/of één of meer afspra(a)k(en) gemaakt omtrent

* de bezichtiging en/of inspectie van.de af te nemen hoeveelheid cocaïne in Polen en/of

* het met elkaar in contact brengen van personen in Polen (waaronder de chauffeurs van het voorgenomen transport) en/of

* de naam van één van de chauffeurs, die de hoeveelheid cocaïne zouden gaan vervoeren (" [betrokkene 1] "), waarbij een van zijn mededaders, te weten: Walter [betrokkene 2] , zich opzettelijk

- per auto naar Warschau (Polen) heeft begeven teneinde aldaar één of meer persoonlijke ontmoetingen te hebben met één of meer (andere) mededader(s) en/of

- van Warschau (Polen) naar Kiel (Duitsland) begeven teneinde aldaar aan de [medeverdachte 5] (persoonlijk) verslag uit te brengen van en/of te berichten omtrent de ontmoeting(en) en/of afspra(a)k(en) gemaakt in Polen;

3.3. Ik stel voorop dat in cassatie niet kan worden onderzocht of conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, juist zijn. Zulke vaststellingen en conclusies kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.2

De steller van het middel verwijst naar twee ontmoetingen tussen [medeverdachte 5] en [betrokkene 2] , waarbij verdachte ook wel aanwezig is geweest, maar waarbij ook [medeverdachte 5] en [betrokkene 2] onderonsjes hadden waar verdachte niet aan deelnam. Kennelijk bespraken beiden bepaalde zaken waar verdachte niet bij mocht zijn.

Deze twee geïsoleerde waarnemingen hebben echter onvoldoende betekenis om de overige feiten en omstandigheden waar het hof op heeft gewezen van kleur te doen verschieten. Het hof heeft het bewijs van feit 1 immers niet alleen op deze twee ontmoetingen gebaseerd.

3.4. In zijn arrest heeft het hof het volgende opgenomen:

“Circa 2008 is een door de DEA aangestuurde criminele burgerinfiltrant bijgenaamd ‘ [A] ’ (hierna aangeduid als ‘de infiltrant’ of ‘ [A] ’) in contact geraakt met een drugsorganisatie in Colombia. Deze organisatie wilde dat de infiltrant het vervoer zou regelen van een partij cocaïne van Zuid-Amerika naar Europa. Op grond van deze informatie zijn de DEA en de Poolse politie een gecoördineerd onderzoek gestart. De infiltrant was in 2008 aanwezig bij diverse besprekingen over de mogelijkheden om de partij cocaïne naar Polen te sturen. Deze besprekingen vonden onder meer plaats in Colombia en in Polen. Aan deze besprekingen namen personen deel die de cocaïne zouden leveren en transporteren en personen die zorg zouden dragen voor de verdere distributie/levering vanuit Polen. Ook Nederland werd genoemd als land waarheen de cocaïne uiteindelijk zou worden gedistribueerd. De infiltrant was door de drugshandelaren aangezocht om het transport naar Europa te organiseren en uit te voeren en zou ook een belangrijke rol hebben bij de verdere distributie. Daarbij was het aanvankelijk de bedoeling de cocaïne per schip naar Polen te vervoeren.

Op 13 december 2008 kwam de naar Europa te vervoeren cocaïne aan in een Colombiaans dorp. Het betrof een hoeveelheid van (ongeveer) 1.000 kilo. Deze partij is daar in beslag genomen door de Colombiaanse politie en overgedragen aan de DEA. De bij deze partij betrokken drugshandelaren waren niet op de hoogte van de inbeslagname en werden in de waan gelaten dat hun plannen doorgang konden vinden.

De inbeslaggenomen partij cocaïne is op initiatief en onder controle van de Amerikaanse autoriteiten/DEA en met medewerking van de Poolse autoriteiten per vliegtuig overgebracht naar Polen. De partij arriveerde daar op 17 januari 2009 en werd ondergebracht in een door de Poolse geheime dienst, de ABW, gehuurde loods. De infiltrant stelde de naar Polen gereisde vertegenwoordigers van potentiële kopers voor aan diverse Poolse undercover-agenten. Op 19 februari 2009 vond een ‘kijkdag’ ' plaats: de vertegenwoordigers van de potentiële kopers hebben de cocaïne die dag bekeken en getest. Kort daarna werden zij aangehouden.

De infiltrant heeft bij zijn activiteiten in dit traject onder meer samengewerkt met de verdachte [betrokkene 2] .

(...)

Uit de bewijsmiddelen kan zonder meer worden afgeleid dat zich in Polen een hoeveelheid van 1.000 kilo cocaïne bevond, waarvan gedeelten onder meer in Nederland te koop werden aangeboden en dat de DEA-infiltrant [A] zich daarmee bezighield. Ook kan daaruit worden afgeleid dat deze daarbij samenwerkte met [betrokkene 2] en dat [betrokkene 2] in verband daarmee actief was in Nederland. Uit de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken blijkt dat de verdachte vanaf eind november 2008 contact had met [betrokkene 2] . Later, onder meer wanneer [medeverdachte 5] afwezig was, was ook sprake van contact tussen [betrokkene 2] en de verdachte.”

(…)

Op 16 februari 2009 zond [medeverdachte 5] een sms-bericht aan [betrokkene 2] , waarin hij meedeelde dat hij had vernomen dat ‘de Turk’ (met wie blijkens diverse verklaringen [betrokkene 3] werd bedoeld) nu naar de vrienden van [betrokkene 2] ging, terwijl eveneens uit de bewijsmiddelen blijkt dat [betrokkene 3] die avond naar Warschau vloog en enkele dagen later de daar opgeslagen cocaïne inspecteerde. Daarop volgende gesprekken hadden betrekking op het bekijken van iets, op het brengen van geld naar de grens en op een transport. Op 18 februari 2009, de kijkdag in Polen, vonden gesprekken plaats tussen [medeverdachte 5] en [betrokkene 2] met betrekking tot ‘mensen die daar staan’ en proberen te bellen. In een sms-bericht van de verdachte aan [betrokkene 2] van 18.19 uur gaf hij een naam aan [betrokkene 2] door, te weten ‘ [betrokkene 1] ’. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat dit de bijnaam was van [betrokkene 4] , een van de chauffeurs die waren ingehuurd om de aan te kopen cocaïne te vervoeren.

(…)

Uit het dossier blijkt dat de verdachte [medeverdachte 5] in de periode van januari/februari 2009 regelmatig vergezelde bij diens ontmoetingen met [betrokkene 2] . Zo was de verdachte aanwezig bij ontmoetingen tussen [medeverdachte 5] en [betrokkene 2] op 7 en 26 januari 2009 en op 7, 9, 11 en 18 februari 2009. Voorts blijkt dat de verdachte bij afwezigheid van [medeverdachte 5] als diens waarnemer optrad in zaken [betrokkene 2] betreffende. Met name onderhield hij het contact met [betrokkene 2] , toen [medeverdachte 5] van 28 januari 2009 tot 31 januari 2009 en vanaf 31 januari 2009 tot 7 februari 2009 achtereenvolgens naar Duitsland en op wintersport was. Hij deed dat via het telefoonnummer 06-9032021, de één-op-één telefoon waarmee [medeverdachte 5] in die periode contact had met [betrokkene 2] . Uit de gesprekken die de verdachte in deze periode met [betrokkene 2] voerde bleek niet alleen dat zij afspraken elkaar te ontmoeten en dat ook daadwerkelijk ontmoetingen hebben plaatsgevonden, maar ook dat [betrokkene 2] tegen hem over “the program” en “the courier” sprak. Het hof maakt mede hieruit op dat de verdachte ook inhoudelijk op de hoogte was. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte wist dat over het voorgenomen cocaïnetransport werd gesproken en dat nauw betrokken was bij de voorgenomen koop en transport van een hoeveelheid cocaïne die in Polen opgeslagen lag. Het hof overweegt ten slotte nog dat de verdachte over de aard van deze contacten geen aannemelijke, de inhoud van voormelde bewijsmiddelen ontkrachtende, verklaring heeft afgelegd.”

In bewijsmiddel 7 is gemeld dat [betrokkene 3] op 19 februari 2009 in Warschau is aangehouden in gezelschap van vrachtwagenchauffeurs [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Verschillende bewijsmiddelen hebben betrekking op afgeluisterde telefoongesprekken of op observaties. De inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken wordt gekenmerkt door versluierd en gecodeerd taalgebruik. Sommige mobiele telefoons worden alleen gebruikt voor de communicatie tussen twee personen. [medeverdachte 5] gebruikte bijvoorbeeld het telefoonnummer 06- [001] voor zijn contacten met [betrokkene 2] . Omgekeerd gebruikte [betrokkene 2] 06- [002] voor zijn contacten met [medeverdachte 5] . Als [medeverdachte 5] vanaf 26 januari 2009 tot en met april 2009 niet in het land is gebruikt verdachte telefoon 06- [001] om contact te onderhouden met [betrokkene 2] (bewijsmiddel 10). Op 1 december 2008 wordt waargenomen dat verdachte [betrokkene 2] in Amsterdam op straat ontmoet en een gesprek met hem heeft (bewijsmiddel 12). Ook is er een ontmoeting op 7 januari 2009 van [medeverdachte 5] , [betrokkene 6] en verdachte met [betrokkene 2] in Amsterdam, waar verbalisanten waarnemen dat [medeverdachte 5] en [betrokkene 2] onder vier ogen met elkaar spreken. Ook op 26 januari 2009 wordt een ontmoeting van [medeverdachte 5] en verdachte met [betrokkene 2] waargenomen. [betrokkene 2] belt op 31 januari 2009 met verdachte en spreekt om 8:00 uur af op een met een code aangeduide plaats. Op 4 februari 2009 wordt verdachte weer gebeld door [betrokkene 2] , die informeert wanneer [medeverdachte 5] weer terug is. Een dag later belt [betrokkene 2] weer naar verdachte om met hem dezelfde dag af te spreken op een met code aangeduide plaats. Als verdachte daar is aangekomen belt hij naar [betrokkene 2] om dat te melden. En op 7 februari 2009 regelen [betrokkene 2] en [medeverdachte 5] dat verdachte een derde gaat ophalen. Die ontmoeting met die derde wordt ook geobserveerd. Vervolgens heeft [medeverdachte 5] een gesprek met de onbekende derde man. Ook op 9 februari 2009 's morgens wordt een ontmoeting gezien tussen [medeverdachte 5] , verdachte en [betrokkene 2] . Dat herhaalt zich 's avonds. De drie mannen lopen dan het Vondelpark in. Op 18 februari 2009 ontmoet [medeverdachte 5] in het gezelschap van verdachte [betrokkene 2] opnieuw. [medeverdachte 5] en [betrokkene 2] zonderen zich af nadat de eerste iets van de ander heeft gekregen. Op 13 februari 2009 rijdt [betrokkene 2] met [betrokkene 6] richting Polen.

3.5. Uit deze bevindingen in het opsporingsonderzoek heeft het hof afgeleid en kunnen afleiden dat verdachte nauw betrokken was bij de organisatie van het geplande transport van cocaïne vanuit Polen naar Nederland en dat hij, op het moment dat [medeverdachte 5] niet beschikbaar was het aanspreekpunt was voor [betrokkene 2] . Het hof is ook tot de conclusie kunnen komen dat verdachte, als plaatsvervanger van [medeverdachte 5] , van alles op de hoogte was.

Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Een verifieerbare verklaring van de door het hof aangewezen redengevende feiten en omstandigheden is dus uitgebleven, met als gevolg dat het hof op die feiten is kunnen afgaan.

Het eerste middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de veroordeling voor feit 3. Het hof heeft het bewijs voor een deel gebaseerd op materiaal dat afkomstig is uit zaakdossier B06, hetwelk niet in het onderzoek ter terechtzitting tegen verdachte aan hem is voorgehouden terwijl evenmin de inhoud daarvan is medegedeeld. Aldus is het vierde lid van artikel 301 Sv geschonden.

4.2. Ter terechtzitting van 20 juli 2012 heeft de voorzitter van de rechtbank onder meer de korte inhoud medegedeeld van de stukken van het dossier in deze strafzaak en met name van al die stukken waarvan in het vonnis melding wordt gemaakt. In haar vonnis maakt de rechtbank op pagina 16 gewag van de dossiernummers ZD01, ZD04, ZD05 en ZD06. Op pagina 17 van het vonnis verwijst de rechtbank uitdrukkelijk naar dossier ZD06 met betrekking tot een geldtransport dat [betrokkene 6] ten behoeve van [medeverdachte 5] heeft verricht. Voorts verwijs ik naar de pleitaantekeningen van de advocaat in hoger beroep van 10 april 2015, waarin deze op pagina 10 in voetnoot 17 zelf verwijst naar een vindplaats in zaaksdossier 6. Ook in eerste aanleg heeft de advocaat van verdachte ter terechtzitting van 20 juli 2012 op pagina 45 in voetnoot 86 verwezen naar een vindplaats in zaaksdossier 6.3 Als van een stuk in eerste aanleg de korte inhoud is medegedeeld staat dat met de voorlezing van het stuk op één lijn. Zo een stuk kan dan ook in hoger beroep geacht worden voorgelezen te zijn.4 Bovendien is uit de verwijzing in de genoemde pleitnota's naar vindplaatsen in zaaksdossier 6 af te leiden dat de in dat zaaksdossier neergelegde onderzoeksresultaten aan de verdediging bekend waren. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte geen redelijk belang bij de klacht.5

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De zaken nr. 15/02848 ( [medeverdachte 1] ), nr. 15/02351 ( [verdachte] ), nr. 15/2/4/2009 ( [medeverdachte 2] ), nr. 15/02458 ( [medeverdachte 3] ), nr. 15/03375 ( [medeverdachte 4] ), nr. 15/04787 ( [medeverdachte 5] ), nr. 16/00626 ( [medeverdachte 6] ), hangen samen. In al deze zaken wordt vandaag geconcludeerd.

2 HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:239.

3 De verwijzing naar de pagina's in het dossier waar bewijsmiddelen zijn te vinden maakt weer geen gebruik van deze dossiernummers maar van "B-nummers". De bewijsmiddelen uit zaaksdossier 6 zijn te vinden in het deel van het dossier waarvan de pagina's worden aangeduid als B06. Deze systematiek gaat alleen niet op voor ZD01 omdat in dat kader gebruik wordt gemaakt van paginanummering B00 en B01.

4 HR 14 oktober 1986, NJ 1988, 511.

5 HR 21 maart 1989, NJB 1989, nr. 206; HR 8 januari 2013, NJ 2013, 264 m.nt. Borgers.