Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1318

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-11-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
17/02752
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:31, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

IPR. Familierecht. Internationale rechtsmacht. Staat het ontbreken van bevoegdheid ten aanzien van echtscheidingsverzoek in de weg aan bevoegdheid tot het treffen van (neven-)voorziening met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het kind gewone verblijfplaats in Nederland heeft? Verhouding van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis tot art. 827 lid 1, onder c, Rv en art. 1:251a lid 2 BW. Litispendentie in de zin van art. 19 lid 2 Verordening Brussel II-bis en art.13 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/02752

mr. P. Vlas

Zitting: 17 november 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats]

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , India

In deze zaak komt de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van een internationale echtscheiding met nevenvoorzieningen die betrekking hebben op de ouderlijke verantwoordelijkheid en op partner- en kinderalimentatie.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [de vrouw] (hierna: de vrouw) is op 29 april 2011 te Mumbai, India, gehuwd met [de man] (hierna: de man). De vrouw heeft de Nederlandse en de Pakistaanse nationaliteit. De man heeft de Indiase nationaliteit.

1.2 Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2014 [kind 1] (hierna: [kind 1] ) geboren. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit over [kind 1] . Uit een eerder huwelijk van de vrouw is op [geboortedatum] 2008 [kind 2] (hierna: [kind 2] ) geboren.

1.3 [kind 2] en [kind 1] (gezamenlijk: de kinderen) verbleven beiden bij de vrouw. Sinds 29 september 2016 verblijft [kind 1] bij de man in India. De vrouw heeft aangifte gedaan van ontvoering van [kind 1] c.q. onttrekking van [kind 1] aan haar gezag door de man. Het Openbaar Ministerie heeft een strafrechtelijk onderzoek gestart en de man aangemerkt als (een van de) verdachte(n). Er is een internationaal opsporingsbevel tegen hem uitgevaardigd.

1.4 De vrouw is op 7 december 2014 met de kinderen vanuit Mumbai (India) naar Nederland gereisd. De man heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot – kort gezegd – teruggeleiding van [kind 1] naar India ingediend, zulks op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag2 en de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. De rechtbank heeft dat verzoek bij beschikking van 6 juli 2015 afgewezen. Het gerechtshof Den Haag heeft deze beschikking op 19 augustus 2015 bekrachtigd.

1.5 De man heeft op 5 mei 2015 een echtscheidingsprocedure in India aanhangig gemaakt. Tevens is de man in India een gezagsprocedure en een aanvullende gezagsprocedure gestart.

1.6 Bij verzoekschrift van 7 mei 2015 heeft de vrouw de rechtbank Noord-Holland verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over [kind 1] , subsidiair haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw te bepalen en voorts een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage voor [kind 1] vast te stellen van € 780 per maand en een partneralimentatie van € 10.000 per maand. Bij verweerschrift heeft de man een bevoegdheidsincident opgeworpen en verzocht de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit wegens gebrek aan rechtsmacht te ontzeggen.

1.7 De rechtbank heeft zich bij tussenbeschikking van 6 april 20163, kort gezegd, bevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding van de vrouw op grond van art. 9, aanhef en onder c, Rv (rov. 3.4.4-3.4.8). De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid inzake [kind 1] de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van art. 8 Brussel II-bis4, aangezien [kind 1] haar gewone verblijfplaats in Nederland had op het tijdstip dat de zaak bij de rechtbank aanhangig werd gemaakt (rov. 3.5). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van art. 3, aanhef onder b, Alimentatieverordening5 bevoegd is ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de partner- en kinderalimentatie, aangezien de onderhoudsgerechtigde in Nederland haar woonplaats heeft (rov. 3.6). Bij beschikking van 25 mei 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland tussentijds hoger beroep opengesteld van de tussenbeschikking van 6 april 2016.

1.8 De man is in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de tussenbeschikking van de rechtbank van 6 april 2016 te vernietigen en de vrouw in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit wegens gebrek aan rechtsmacht af te wijzen. De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

1.9 Bij tussenbeschikking van 14 maart 2017 heeft het hof Amsterdam de bestreden beschikking vernietigd en zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van het echtscheidingsverzoek met nevenvoorzieningen van de vrouw. Hiertoe heeft het hof, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen. De gewone verblijfplaats van de vrouw betreft de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn of haar belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn. De gewone verblijfplaats van de vrouw is na het huwelijk met de man gelegen in India. Na ommekomst van twee weken na 7 december 2014 hebben zich voldoende feiten en omstandigheden voorgedaan die de conclusie rechtvaardigen dat de gewone verblijfplaats van de vrouw is gewijzigd en Nederland is geworden. Het standpunt van de vrouw dat zij zes maanden voorafgaand aan de indiening van haar echtscheidingsverzoek in Nederland verbleef, moet worden verworpen (rov. 4.3). Art. 3 Brussel II-bis is bepalend voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek. Geen van de daarin limitatief opgenomen gronden is hier van toepassing (rov. 4.4.). Op grond van art. 7 Brussel II-bis moet worden onderzocht of rechtsmacht op grond van de nationale wetgeving kan worden bepaald. Vaststaat dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft op grond van art. 2 t/m 8 Rv. Onderzocht dient te worden of rechtsmacht kan worden aangenomen op grond van art. 9 aanhef en onder b en c Rv, het zogenoemde forum necessitatis (rov. 4.5). Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat het voeren van een procedure in India voor de vrouw onmogelijk dan wel onaanvaardbaar is. De onbevoegdheid van de Nederlandse rechter levert in het onderhavige geval geen schending op van het in art. 6 EVRM neergelegde beginsel (rov. 4.6). De Nederlandse rechter is onbevoegd om van het echtscheidingsverzoek van de vrouw kennis te nemen. De verzochte nevenvoorzieningen delen het lot van het echtscheidingsverzoek (rov. 4.7).

1.10 De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat na een inleiding waarin de kern van de zaak, de vaststaande feiten en het juridisch kader worden uiteengezet, uit twee onderdelen, waarvan het tweede onderdeel uiteenvalt in verschillende subonderdelen. Het middel is gericht tegen rov. 4.1, 4.3 en 4.7 van de bestreden beschikking.

2.2

Onderdeel I is gericht tegen rov. 4.1 en 4.7 van de bestreden beschikking en klaagt in de kern dat het hof heeft miskend dat de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ter zake van de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen betreffende [kind 1] dient te worden beoordeeld aan de hand van art. 8 Brussel II-bis. Het onderdeel betoogt dat aangezien vaststaat dat de gewone verblijfplaats van [kind 1] ten tijde van het indienen van het verzoek bij de rechtbank op 7 mei 2015 in Nederland was gelegen, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ter zake de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen betreffende [kind 1] . Art. 8 Brussel II-bis is van toepassing op elke rechtsmachtsvraag omtrent verzoeken ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid, ongeacht of deze in een zelfstandige procedure dan wel als een nevenvoorziening in een echtscheidingsprocedure aan de orde zijn gesteld. Volgens het onderdeel heeft het hof dit miskend dan wel zijn gedachtegang niet gemotiveerd. Gegrondbevinding van deze klacht, raakt ook de daarop voortbouwende rov. 4.2 en rov. 4.4-4.6, alsmede de slotsom in rov. 4.7 en het dictum, aldus de klacht.

2.3

De Verordening Brussel II-bis bevat in afdeling 2 van Hoofdstuk II een regeling van de bevoegdheid op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid (art. 8 t/m art. 15 Brussel II-bis). Deze bevoegdheidsregels hebben een eigen formeel toepassingsgebied.6 De hoofdregel is neergelegd in art. 8 Brussel II-bis en geldt voor alle maatregelen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid, ongeacht of deze maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure worden verzocht.7

2.4

Art. 8 Brussel II-bis luidt als volgt:

‘1. Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

2. Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.’

Art. 8 Brussel II-bis verklaart derhalve bevoegd de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.8 Als peilmoment voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van het kind geldt het tijdstip waarop de zaak bij het desbetreffende gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het tijdstip van aanhangigheid wordt op autonome wijze bepaald in art. 16 Brussel II-bis.

2.5

Naast de hoofdbevoegdheidsregel van art. 8 Brussel II-bis is in art. 12 lid 1 Brussel II-bis een accessoire bevoegdheid voor maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid opgenomen. In art. 12 lid 1 Brussel II-bis is bepaald dat de rechter van een lidstaat die op grond van art. 3 Brussel II-bis bevoegd is om van de echtscheiding kennis te nemen, óók bevoegd is ten aanzien van nevenverzoeken inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Deze connexe bevoegdheid geldt indien aan de voorwaarden van art. 12 lid 1, onder a en b, Brussel II-bis is voldaan. In art. 12 lid 3 Brussel II-bis is een vergelijkbare bepaling opgenomen voor zelfstandige procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.

2.6

Heeft het kind geen gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat en kan evenmin art. 12 Brussel II-bis toepassing vinden, dan kan het Haags Kinderbeschermingsverdrag 19969 een rol spelen. De samenloop tussen de Verordening Brussel II-bis en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is geregeld in art. 61 Brussel II-bis, waarin is bepaald – kort gezegd – dat de Verordening Brussel II-bis van toepassing is wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft. Heeft het kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een staat die partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, dan geldt dat verdrag. Heeft het kind zijn gewone verblijfplaats in een derde land (geen lidstaat en geen staat die partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996), dan is het commune IPR van toepassing op de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is.10 Deze bevoegdheidsregels zijn neergelegd in art. 4 lid 2 en lid 3 Rv, indien de maatregelen worden verzocht in het kader van een echtscheidingsprocedure. Worden de maatregelen verzocht buiten het kader van een echtscheidingsprocedure, dat geldt art. 5 Rv.

2.7

De Verordening Brussel II-bis definieert het begrip gewone verblijfplaats niet.11 Het HvJEU heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de ‘gewone verblijfplaats’ een autonoom Unierechtelijk begrip is, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Verordening Brussel II-bis, met name het doel dat voortvloeit uit overweging 12 van de considerans van de verordening. Daarin is overwogen dat de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid.12 De ‘gewone verblijfplaats’ van het kind stemt overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt.13 Die plaats moet door de nationale rechterlijke instanties worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.14 Daartoe moeten, naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, nog andere factoren in aanmerking worden genomen die kunnen aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de gewone verblijfplaats van het kind een zekere integratie van het kind in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Tot die factoren behoren de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van een lidstaat en de nationaliteit van het kind.15 Bovendien kunnen de relevante factoren variëren naar gelang van de leeftijd van het kind.16

2.8

De bevoegdheid inzake de voorzieningen met betrekking tot de partner- en kinderalimentatie wordt bepaald aan de hand van de Alimentatieverordening. De bevoegdheidsregels van deze verordening hebben een universeel toepassingsgebied en gelden ongeacht de vraag of de verweerder zijn woonplaats in een lidstaat heeft.17 In het onderhavige geval is van belang dat art. 3, aanhef en onder b, Alimentatieverordening bepaalt dat indien de alimentatieprocedure wordt aangespannen door de onderhoudsgerechtigde, de zaak kan worden aangebracht bij de rechter van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde.18 Peilmoment voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde is het tijdstip waarop de zaak bij het desbetreffende gerecht aanhangig wordt gemaakt. Art. 9 Alimentatieverordening geeft een autonome regeling van het tijdstip van aanhangigheid.

2.9

Uit het bovenstaande volgt dat het oordeel van het hof in rov. 4.7 dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van het echtscheidingsverzoek van de vrouw kennis te nemen en de verzochte nevenvoorzieningen het lot van het echtscheidingsverzoek delen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof had immers met betrekking tot de verzochte nevenvoorzieningen ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid dienen te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van art. 8 Brussel II-bis. Ten overvloede wijs ik er op dat de situatie zoals omschreven in art. 10 Brussel II-bis zich in het onderhavige geval niet voordoet. Evenmin zijn in het onderhavige geval de uitzonderingen op art. 8 Brussel II-bis, neergelegd in art. 9, 12 en 15 Brussel II-bis, van toepassing. Met betrekking tot de verzochte nevenvoorzieningen ter zake van partner- en kinderalimentatie, had het hof dienen te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van de Alimentatieverordening.

2.10

Gelet op het voorgaande meen ik dat onderdeel I terecht is voorgesteld.

2.11

Onderdeel II is gericht tegen rov. 4.3 en valt in vijf subonderdelen uiteen. Het onderdeel klaagt in de kern dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Nederlandse rechter ter zake van het echtscheidingsverzoek geen bevoegdheid toekomt op grond van art. 3 Brussel II-bis.

2.12

Subonderdeel II.1 klaagt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling van de termijn van zes maanden neergelegd in art. 3, aanhef en onder a, laatste gedachtestreepje, Brussel II-bis, geen ex nunc-toets toe te passen. Uit het oogpunt van proceseconomie dient een ex nunc-toets te worden gehanteerd, oftewel het spiegelbeeld van het perpetuatio fori-beginsel dat de Verordening Brussel II-bis hanteert. De opvatting dat bij de beoordeling van de zes maanden termijn het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt doorslaggevend is, is in strijd met de proceseconomie en met art. 6 EVRM, omdat de partij genoodzaakt wordt opnieuw een procedure te starten en nodeloze proceskosten zal moeten maken, aldus het subonderdeel.

2.13

De opvatting van het subonderdeel kan niet als juist worden aanvaard. Art. 3, aanhef en onder onder a, laatste gedachtestreepje, Brussel II-bis bepaalt immers uitdrukkelijk dat ter zake van echtscheiding het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt bevoegd is, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en onderdaan van de betrokken lidstaat is. Deze bevoegdheidsgrond leidt tot een forum actoris, evenals de bevoegdheidsgrond van art. 3, aanhef en onder a, voorlaatste gedachtestreepje, waarin een termijn van één jaar is opgenomen.19 Door het opnemen van deze termijnen (resp. van zes maanden en van één jaar), wordt het effect van de invoering van een forum actoris enigszins getemperd. Dergelijke termijnen waren reeds bekend in het recht van verschillende lidstaten, waaronder Nederland.20Een beoordeling ex nunc verhoudt zich niet met het als peilmoment geldende tijdstip waarop de zaak aanhangig is gemaakt en doorkruist het systeem van de verordening, in het bijzonder met betrekking tot litispendentie (art. 19 Brussel II-bis). Daarnaast zou een beoordeling ex nunc kunnen leiden tot forumshopping en de daarmee verbonden lawshopping. De omstandigheid dat een partij opnieuw een verzoek tot echtscheiding moet indienen, indien het desbetreffende gerecht met betrekking tot een eerder ingediend verzoek onbevoegd was van het verzoek kennis te nemen omdat de termijn nog niet was voltooid, en na voltooiing van die termijn wél bevoegdheid bestaat op grond van art. 3 Brussel II-bis voor het nieuwe ingediende verzoek, is niet in strijd met art. 6 EVRM.21 Het subonderdeel faalt derhalve.

2.14

Subonderdeel II.2 klaagt dat het hof in rov. 4.3 ten onrechte en zonder motivering het eerste huwelijksdomicilie als de gewone verblijfplaats van de vrouw tot uitgangspunt heeft genomen en heeft geoordeeld dat omstandigheden die de vrouw heeft gesteld geen wijziging hebben gebracht in de vaststelling dat de gewone verblijfplaats van de vrouw in India was gelegen. Volgens het subonderdeel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting over de invulling van de gewone verblijfplaats in de zin van art. 3 en art. 8 Brussel II-bis.

2.15

Het hof heeft in rov. 4.3 overwogen dat de gewone verblijfplaats de plaats is waar de betrokkene het permanente centrum van zijn of haar belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn. Het hof heeft vervolgens aan de hand van de juiste maatstaf invulling gegeven aan de gewone verblijfplaats van de vrouw. Deze invulling van het begrip gewone verblijfplaats is zo nauw verweven met beoordelingen van feitelijke aard, dat de door het hof daaraan gegeven invulling in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.22 Het oordeel van het hof dat de gewone verblijfplaats van de vrouw pas ongeveer twee weken ná 7 december 2014 in Nederland is komen te liggen, is, gelet op alle omstandigheden die het hof blijkens rov. 4.3 in zijn oordeel heeft betrokken, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel kan derhalve niet slagen.

2.16

Subonderdeel II.3 klaagt dat het hof in rov. 4.3 van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is uitgegaan voor zover het hof de feitelijke duur van het verblijf van de vrouw in India over de periode 2011/2012 doorslaggevend heeft geacht.

2.17

Het subonderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest. Zoals aangegeven in 2.15 van deze conclusie, heeft het hof een juiste maatstaf toegepast bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de vrouw. Voor het overige is het bestreden oordeel niet onvoldoende gemotiveerd of anderszins onbegrijpelijk. Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

2.18

Subonderdeel II.4 betoogt dat uit de omstandigheden die het hof als vaststaand aanneemt geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de plaats waar de vrouw het centrum van haar belangen had gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven, zeker niet India maar uitsluitend Nederland was. Het oordeel van het hof dat de gewone verblijfplaats van de vrouw niet reeds vóór 7 december 2014 in Nederland is gelegen en dat uit de omstandigheden geen bewijsvermoeden valt te ontlenen dat de vrouw altijd gewoon verblijf in Nederland heeft gehad, is volgens het subonderdeel onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.

2.19

Het subonderdeel bouwt voort op de voorgaande subonderdelen. Zoals ik reeds heb opgemerkt, past het hof een juiste maatstaf toe en is de invulling van het begrip gewone verblijfplaats zo nauw verweven met beoordelingen van feitelijke aard, dat die invulling in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het oordeel van het hof omtrent de gewone verblijfplaats van de vrouw is, gelet op alle omstandigheden die het hof blijkens rov. 4.3 in het bestreden oordeel heeft betrokken, niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel faalt derhalve.

2.20

Subonderdeel II.5 bouwt op de voorgaande klachten van onderdeel II voort en deelt het lot daarvan.

2.21

Ik kom tot de slotsom dat onderdeel II faalt.

2.22

Het slagen van onderdeel I heeft bij mij de vraag doen rijzen wat daarvan de consequentie is. De vrouw heeft immers bij inleidend verzoekschrift aan de rechter behalve echtscheiding ook nevenvoorzieningen inzake gezag en alimentatie verzocht. Nu de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid heeft om van de echtscheiding kennis te nemen, rijst de vraag welk gevolg deze omstandigheid heeft voor de verzochte nevenvoorzieningen. In mijn conclusie heb ik uiteengezet dat de rechter zijn internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de nevenvoorzieningen afzonderlijk moet beoordelen. Voor de gezagsvoorziening vloeit de internationale bevoegdheid voort uit art. 8 Brussel II-bis en voor de alimentatievoorziening uit art. 3, aanhef en onder b, Alimentatieverordening. Tegelijkertijd zijn naar Nederlands procesrecht de nevenvoorzieningen gekoppeld aan de echtscheidingsprocedure (art. 827 Rv) en leidt bijvoorbeeld de omstandigheid van het achterwege laten van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ertoe dat de beslissingen op in de echtscheidingsprocedure verzochte nevenvoorzieningen in de zin van art. 827 Rv hun kracht verliezen.23 Deze consequentie is op zich genomen logisch: voor beslissingen op in het kader van een echtscheidingsverzoek verzochte nevenvoorzieningen is geen plaats wanneer de echtscheiding niet wordt uitgesproken, bijvoorbeeld omdat de aangezochte rechter geen rechtsmacht heeft om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen. Aldus kan ik in de onderhavige zaak de beslissing van het hof in rov. 4.7 dat de verzochte nevenvoorzieningen het lot van het echtscheidingsverzoek delen, wel begrijpen, zij het dat het hof zijn oordeel inzake de nevenvoorzieningen ten onrechte geheel heeft geplaatst in de sleutel van de internationale bevoegdheid. Nu het hier een bevoegdheidsincident betreft, zou ik menen dat de Hoge Raad na vernietiging van de bestreden beschikking van het hof op het punt van de bevoegdheid ten aanzien van de nevenvoorzieningen, de zaak dient terug te wijzen naar de rechtbank Noord-Holland voor verdere behandeling en beslissing.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarin is geoordeeld dat de Nederlandse rechter onbevoegd is kennis te nemen van de door de vrouw gedane verzoeken tot nevenvoorzieningen en tot terugwijzing naar de rechtbank Noord-Holland voor verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1-2.5 van de beschikking van het hof Amsterdam van 14 maart 2017, zaaknummer 200.194.884/01.

2 2 Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de internationale ontvoering van kinderen, ’s-Gravenhage 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139.

3 Zie Rb. Noord-Holland van 6 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2749, rov. 2.4-2.5.

4 Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, PbEG 2003, L 338/1 (hierna: Brussel II-bis). De Verordening Brussel II-bis is van toepassing met ingang van 1 maart 2005.

5 Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEU 2009, L7/1 (hierna: de Alimentatieverordening). De Alimentatieverordening is van toepassing met ingang van 18 juni 2011.

6 Th. M. de Boer, Ouderlijke verantwoordelijkheid, kinderbescherming, kinderontvoering, in: Th.M. de Boer, F. Ibili e.a., Nederlands internationaal personen- en familierecht, wegwijzer voor de rechtspraktijk, 2017, p. 156; Asser/Vonken 10-II 2016/414; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 2015, nr. 131; A. Borrás, in: U. Magnus & P. Mankowski, European Commentaries on Private International Law, Brussels IIbis Regulation, 2017, p. 113-119.

7 De Boer, a.w., p. 163; F. Ibili, Gewogen rechtsmacht in het IPR: over forum (non) conveniens en forum necessitatis, diss. VU, Serie Recht en Praktijk, 2007, p. 149.

8 Zie hierover D. van Iterson, Ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderbescherming, Praktijkreeks IPR, deel 4, 2011, nr. 162-168.

9 Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, gesloten te ’s-Gravenhage op 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299. Nederland is sedert 1 mei 2011 partij bij dit verdrag. India is daarbij geen partij.

10 Van Iterson, a.w., nr. 154; Asser/Vonken 10-II 2016/415 en 440; Strikwerda, a.w., nr. 131.

11 F. Ibili, in: Groene Serie Personen- en familierecht, art. 8 Brussel II-bis, aant. 3.

12 HvJEU 8 juni 2017, C‑111/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:436, rov. 39 e.v.; HvJEG 2 april 2009, C-523/07, ECLI:EU:C:2009:225, NJ 2009/457, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 34-35; HvJEU 22 december 2010, C‑497/10 PPU, ECLI:EU:C:2010:829, NJ 2011/500, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 44‑46 (Mercredi/Chaffe).

13 HvJEU 9 oktober 2014, C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2268, rov. 51-53.

14 HvJEG 2 april 2009, reeds aangehaald, rov. 42 en 44; HvJEU 22 december 2010, reeds aangehaald, rov. 47. In gelijke zin Strikwerda, a.w., nr. 131.

15 HvJEG 2 april 2009, reeds aangehaald, rov. 38-39.

16 HvJEU 22 december 2010, reeds aangehaald, rov. 53.

17 Vgl. HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063, NJ 2014/468, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.7.1.

18 L.Th.L.G. Pellis, Alimentatie, in: Th.M. de Boer, F. Ibili e.a., Nederlands internationaal personen- en familierecht, wegwijzer voor de rechtspraktijk, 2017, p. 211; P. Vlas, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 3, aant. 4.

19 Zie reeds Alegria Borrás, Toelichtend verslag over het EU-Verdrag betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken van 28 mei 1998, nr. 32, opgenomen in PbEG 1998, C 221/27. Dit verdrag is nimmer van kracht geworden. De tekst van dit verdrag is vrijwel ongewijzigd opgenomen in de Verordening Brussel II (EG) nr. 1347/2000, welke verordening op haar beurt met ingang van 1 maart 2005 is vervangen door de Verordening Brussel II-bis.

20 Zie Magnus/Mankowski/Borrás, a.w., art. 3, nr. 10 (p. 95). In het Nederlandse procesrecht gold voor het bepalen van de rechtsmacht ten aanzien van echtscheiding onder art. 814 Rv (oud) eveneens in bepaalde gevallen een termijn van zes resp. twaalf maanden. Zie hierover o.a. A. Wendels, Internationale echtscheidingen, 1983, p. 21 en 27.

21 Zie P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, Serie burgerlijk proces & praktijk, 2008, p. 49 e.v.

22 Zie in dit verband HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4107, NJ 2013/434, m.nt. Th. M. de Boer, rov. 3.4.

23 Zie voor een dergelijk geval: Hof Amsterdam 11 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3199, rov. 5.3 en 5.6. Vgl. ook voor de band tussen echtscheiding en nevenvoorzieningen: HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:2009:ZC2881, NJ 1999/656; HR 9 april 1999, ECLI:NL:HR:ZC2892, NJ 1999/657, m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7513, NJ 2006/76.