Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1316

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
17/01922
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3267, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Beëindiging gezag over minderjarig kind. Ontbreken van perspectief op terugkeer. Art. 1:266 lid 1 onder a BW, art. 1:247 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/01922

mr. P. Vlas

Zitting: 17 november 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[de moeder]

tegen

1. Raad voor de Kinderbescherming

2. [verweerder 2]

3. [verweerster 3]

4. Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg

Deze zaak heeft betrekking op een gezagsbeëindiging in de zin van art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1 Uit [de moeder] (hierna: de moeder) is op [geboortedatum] 2003 te Maastricht [de dochter] (hierna: [de dochter]) geboren. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [de dochter]. [de dochter] staat sinds 9 december 2011 onafgebroken onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de GI). Vanaf die datum is [de dochter] op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst in een perspectief biedend pleeggezin. De pleegouders zijn de grootouders van [de dochter] aan moederszijde: [verweerder 2] en [verweerster 3] (hierna gezamenlijk: de pleegouders).

1.2

De Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht, heeft bij verzoekschrift van 1 december 2015 de rechtbank Limburg verzocht het ouderlijk gezag van de moeder over [de dochter] te beëindigen en de GI te belasten met de voogdij. De moeder heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De pleegouders hebben zich aangesloten bij het standpunt van de moeder en hebben voor het geval het verzoek wordt toegewezen, verzocht om met de voogdij te worden belast.

1.3

Bij beschikking van 31 mei 2016 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [de dochter] beëindigd en de pleegouders benoemd tot voogd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de dochter] die is gelegen in de zware persoonlijke problematiek van de moeder, waardoor de moeder niet in staat is voor [de dochter] te zorgen en belangrijke beslissingen te nemen. De moeder is niet in staat om binnen een aanvaardbare termijn weer zelf de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding voor [de dochter] te dragen. De aanvaardbare termijn is feitelijk reeds verstreken nu [de dochter] zich heeft gehecht aan de pleegouders en bij hen is opgegroeid en voorts gesteld noch gebleken is dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van [de dochter] in de (nabije) toekomst zal kunnen dragen of daartoe in het verleden in staat is geweest. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan het criterium van art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW voor beëindiging van het ouderlijk gezag.

1.4

De moeder is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof ’s-Hertogenbosch. Zij kan zich niet verenigen met de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de beëindiging van het ouderlijk gezag. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de wettekst van art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW te strikt heeft uitgelegd.

1.5

Bij beschikking van 19 januari 2017 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het anders of meer verzochte afgewezen. Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

‘3.9.2. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [de dochter] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de dochter] aanvaardbaar te achten termijn.

3.9.3.

Het hof overweegt dat uit de stukken, met name uit het raadsrapport van 25 november 2015, en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen en nader is toegelicht door de vertegenwoordigers van de raad en de GI, volgt dat de ernstige bedreigde ontwikkeling van [de dochter] is gelegen in de persoonlijke (psychiatrische) problematiek van de moeder. Het maakt dat de moeder niet in staat was en is om de zorg en opvoeding van [de dochter] op zich te nemen. De pleegouders zorgen al vanaf haar geboorte voor [de dochter], waarbij zij de moeder, die ten dele ook nog afhankelijk is van hun zorg, waar mogelijk betrekken. De voor [de dochter] aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder weer zelf de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [de dochter] zal kunnen dragen is inmiddels ruimschoots overschreden. Duidelijk is dat niet gewerkt wordt aan thuisplaatsing van [de dochter] bij de moeder, zodat de ondertoezichtstelling ook niet langer de geëigende maatregel is.

Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding om niet tot beëindiging van het gezag over te gaan. Het hof merkt daarbij overigens op dat er ook wel kanttekeningen te plaatsen zijn bij de door de moeder gestelde instemming met de ondertoezichtstelling en de plaatsing bij de pleegouders. Uit het raadsrapport volgt dat de moeder op momenten kan aangeven dat het goed is dat [de dochter] bij de pleegouders woont, terwijl zij op andere momenten de plaatsing niet accepteert. Ter zitting van het hof was de moeder daar eveneens ambivalent in.

3.10.

Het hof is met de raad en de GI van oordeel dat het belang van [de dochter] bij rust en stabiliteit thans duidelijkheid omtrent haar toekomstperspectief vereist. Een beëindiging van het gezag van de moeder over [de dochter] acht het hof in het belang van [de dochter] noodzakelijk’.

1.6

De moeder heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De pleegouders hebben een verweerschrift ingediend waarin zij hebben verzocht het cassatieberoep te verwerpen. De Raad voor de Kinderbescherming en de GI hebben geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 3.9.2 en 3.9.3 van de bestreden beschikking en bestaat, na een inleiding, uit drie onderdelen (in het cassatieverzoekschrift aangeduid als ‘subonderdelen’).

2.2

Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9.2 dat [de dochter] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, als bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de dochter] aanvaardbaar te achten termijn. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel, voor zover het hof van dezelfde rechtsopvatting als de rechtbank is uitgegaan, berust op een onjuiste rechtsopvatting en dat het hof, evenals de rechtbank, de strekking van art. 1:266 lid 1, onder a, BW heeft miskend, althans dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

2.3

De klacht wordt nader uitgewerkt onder 1.1-1.6 van onderdeel I. De onderdelen 1.1 en 1.2 geven slechts art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW weer en bevatten geen klacht. Onderdeel 1.3 klaagt over het oordeel van het hof dat, kort gezegd, sprake is van een ernstige ontwikkelingsdreiging (als bedoeld in art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW). Geklaagd wordt dat het hof met zijn verwijzing naar ‘de stukken’ voor een veel te algemene formulering heeft gekozen, zodat het erop lijkt dat het hof op onjuiste althans onduidelijke gronden tot zijn oordeel is gekomen. Het middel betoogt voorts dat [de dochter] al sedert haar geboorte bij de pleegouders woont en door hen wordt opgevoed. Het hof heeft niet heeft vastgesteld welke concrete gedragingen van de moeder thans het gevaar oproepen dat [de dochter] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd zou kunnen worden, aldus onderdeel 1.3.

2.4

In hoger beroep is de moeder niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de dochter] die is gelegen in de zware persoonlijke problematiek van de moeder. Dit oordeel, dat een sterk feitelijk karakter heeft, kan niet voor het eerst in cassatie ter discussie worden gesteld. Bovendien merk ik op dat het hof in rov. 3.5 – onbestreden in cassatie – heeft vastgesteld dat de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd geen enkel bezwaar te hebben tegen de ondertoezichtstelling van [de dochter]. Voor de (verlenging van de) ondertoezichtstelling op de voet van art. 1:255 lid 1 BW geldt dezelfde voorwaarde als voor gezagsbeëindiging ingevolge art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a BW, namelijk dat de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De klachten van onderdeel 1.3 falen derhalve.

2.5

De klacht van onderdeel 1.4 heeft betrekking op het oordeel van het hof dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de dochter] te dragen. Geklaagd wordt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de betekenis van ‘verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding’ in de zin van art. 1:247 lid 2 BW, althans dat het hof ervan geen blijk heeft gegeven dat het rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het tot de ouderlijke verantwoordelijkheid behoort om zorg te dragen dat kinderen in een veilige leefomgeving opgroeien. Daartoe voert het middel aan dat de moeder [de dochter] vanaf haar geboorte aan de zorg van haar ouders (de pleegouders) heeft toevertrouwd, dat zij door deze handelwijze heeft laten zien dat zij wel degelijk haar verantwoordelijkheid als ouder heeft weten te nemen door zorg te dragen dat [de dochter] in een veilige leefomgeving opgroeit en dat de intense wens van de moeder om voor [de dochter] te kunnen zorgen niet meer is dan een wens en er geen feitelijke gedragingen zijn die reden zijn om daadwerkelijk een einde te maken aan de sinds jaren bestaande situatie dat [de dochter] door de pleegouders wordt opgevoed.

2.6

Het door het middel bestreden oordeel van het hof is gelijkluidend aan het oordeel van de rechtbank. De moeder heeft in hoger beroep niet aangevoerd dat de rechtbank bij haar oordeel dat de moeder niet in staat is binnen een aanvaardbare termijn weer zelf de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [de dochter] te dragen, is uitgegaan van een onjuiste uitleg van ‘verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding’ in de zin van art. 1:247 lid 2 BW, omdat daaronder tevens moet worden verstaan het dragen van de verantwoordelijkheid dat het kind (elders) in een veilige omgeving opgroeit. De moeder kan deze stelling niet voor het eerst in cassatie aanvoeren. Hierop stuit de klacht van onderdeel 1.4 af.

2.7

Onderdeel 1.5 klaagt dat het hof ten aanzien van de eis van de ‘aanvaardbare termijn’ als bedoeld in art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW een onjuiste wettelijke maatstaf heeft gehanteerd, door te overwegen dat de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder zelf de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [de dochter] zal kunnen dragen inmiddels ruimschoots is verstreken en dat duidelijk is dat niet meer aan thuisplaatsing wordt gewerkt. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat dit niet de enige beoordelingsfactor is en nagelaten om andere factoren in zijn oordeel te betrekken.

2.8

Bij de bespreking van deze klacht kan het volgende worden vooropgesteld. Op 1 januari 2015 is in werking getreden de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van enige wetten in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming.2 In deze wet zijn art. 1:266-268 BW (oud) inzake de maatregelen van de (gedwongen) ontheffing en art. 1:269-270 BW (oud) inzake de ontzetting uit het ouderlijk gezag vervangen door één gezagsbeëindigende maatregel. De gronden voor beëindiging van het gezag zijn thans opgenomen in art. 1:266 lid 1 BW. Daarnaast zijn onder meer de gronden voor de ondertoezichtstelling gewijzigd.

2.9

De wetgever heeft met de in art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW genoemde grond voor gezagsbeëindiging aangesloten bij die van de ondertoezichtstelling.3 Een ondertoezichtstelling kan volgens art. 1:255 lid 1, aanhef en onder a, BW worden uitgesproken indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouders de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is, niet of onvoldoende accepteren. Art. 1:255 lid 1, onder b, BW stelt verder als voorwaarde dat er een gerechtvaardigde verwachting moet zijn dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. Het ontbreken van deze gerechtvaardigde verwachting is juist voorwaarde voor gezagsbeëindiging krachtens art. 1:226 lid 1, aanhef en onder a, BW. Aldus vormt de grond voor gezagsbeëindiging het spiegelbeeld van de grond voor ondertoezichtstelling.4

2.10

Met de introductie van het criterium van de aanvaardbare termijn in art. 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW heeft de wetgever onder meer een einde willen maken aan herhaaldelijke (zich over jaren uitstrekkende) verlengingen van ondertoezichtstellingen met een machtiging uithuisplaatsing in situaties waarin er geen perspectief is op terugplaatsing van de minderjarige bij de ouders. Daarmee is beoogd het kind stabiliteit en continuïteit te bieden.5 In art. 1:265j lid 3 BW is om die reden het voorschrift opgenomen dat het verzoek tot verlenging van een twee jaar of langer durende ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing vergezeld moet gaan van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot die verlenging. Dit voorschrift strekt ertoe de kinderrechter in staat te stellen om te beoordelen of verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds is aangewezen of dat een gezagsbeëindigende maatregel meer voor de hand ligt.6 De MvT vermeldt hierover het volgende:

‘Een periodieke toetsing door de rechter van de noodzaak van de maatregel is belangrijk om te kunnen vaststellen of de inbreuk op het familie- en gezinsleven die een ondertoezichtstelling is, nog steeds aangewezen is. Naarmate de duur van de ondertoezichtstelling langer duurt, zal zich de vraag voordoen of dit het juiste interventie-instrument is. Als successievelijk gedurende twee of meer jaren ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing wordt opgelegd, zal die vraag des te indringender moeten worden beantwoord. In die gevallen zal een gezagsbeëindigende maatregel aan de orde zijn.

(…)

Indien blijkt dat ouders, binnen een voor de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kind niet op zich kunnen nemen, dient de – nieuwe – maatregel tot gezagsbeëindiging te worden overwogen waarbij het gezag zo mogelijk wordt overgedragen aan de feitelijke opvoeders zoals de pleegouders. Dit is een belangrijke concretisering van het belang dat een kind heeft bij stabiliteit en continuïteit in de verzorging en opvoeding. Bij de eerste verlenging van een ondertoezichtstelling, en zeker na een periode van twee jaar, moet overwogen worden of het kind nog langer in onzekerheid mag blijven over zijn toekomstige opvoedingssituatie’.7

2.11

De MvT vermeldt over het bepalen van de aanvaardbare termijn het volgende:

‘Evenals bij de ondertoezichtstelling is het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid die het kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling, over in welk gezin hij verder zal opgroeien. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Het spreekt voor zich dat een zich over jaren uitstrekkende verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aansluit. Voor jongere kinderen zal deze termijn over het algemeen korter zijn dan voor de oudere kinderen. De toepassing van dit uitgangspunt vereist maatwerk, precieze termijnen zijn niet te geven’.8

2.12

Ten aanzien van de situatie dat de minderjarige in een pleeggezin is geplaatst noemt de MvT een aantal factoren die bij de afweging van belang zijn:

‘Wel kunnen de volgende factoren worden genoemd die van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen indien een minderjarige in een pleeggezin is geplaatst:

a. Wanneer een kind in een pleeggezin is geplaatst, moet het zich daar, indien mogelijk, volledig en harmonieus kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectief biedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind.

b. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel.

c. In die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend.

d. De enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij toewijzing van het verzoek tot beëindiging van het gezag’.9

2.13

Het hof Den Haag oordeelde in een beschikking van 25 november 2015 dat de aanvaardbare termijn niet enkel ziet op de periode na de uithuisplaatsing maar ook betrekking kan hebben op de periode daaraan voorafgaand.10 Het daartegen gerichte cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.11 Aangenomen kan worden dat de aanvaardbare termijn niet pas aanvangt op het moment dat een maatregel van ondertoezichtstelling wordt uitgesproken.12

2.14

In de literatuur is opgemerkt dat de toepassing van het vereiste van de aanvaardbare termijn een van de meest lastige uitdagingen van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen vormt.13 Er valt enige kritiek te beluisteren dat de nieuwe wet te weinig ruimte zou laten voor maatvoering in het concrete geval, waarbij de mate van onzekerheid die het kind ervaart en de voorzienbare impact van de gezagsbeëindigende maatregel worden betrokken, nu de wetgever nadrukkelijk als uitgangspunt heeft genomen dat jarenlange verlenging van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing zonder perspectief op terugkeer naar de ouders onwenselijk is in verband met het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in de opvoeding en de enkele bereidheid van de gezagdragende ouders om zich niet verzetten tegen de uithuisplaatsing niet doorslaggevend mag zijn bij de afweging of een gezagsbeëindiging is aangewezen.14

2.15

De rechter heeft op grond van art. 1:266 lid 1 BW een discretionaire bevoegdheid (‘de rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen’), die hem de mogelijkheid geeft om een verzoek tot beëindiging van het gezag af te wijzen.15 Uit de MvT bij de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen volgt ook niet dat in de situatie waarin de minderjarige langdurig in een pleeggezin is geplaatst en er geen perspectief is op terugplaatsing bij de ouders, altijd een gezagsbeëindigende maatregel moet worden uitgesproken. Hieruit valt af te leiden dat de duurzame bereidheid van de ouders om in te stemmen met plaatsing in een pleeggezin een factor van betekenis blijft bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen. Aan die factor mag evenwel als zodanig geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat de rechter de situatie als geheel dient te beoordelen. De wetgever heeft namelijk beoogd de bestaande praktijk sinds het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2008 te codificeren. 16 Dit is als volgt toegelicht:

‘De nieuwe grond voor gezagsbeëindiging biedt ruimte voor beëindiging van het gezag in die gevallen waarin gerede twijfel is over de bereidheid van de ouders om hun kind duurzaam in een pleeggezin te laten opgroeien (onderdeel J, artikel 266, eerste lid, onder a). Op basis van de vigerende wetgeving heeft de Hoge Raad enige malen geoordeeld dat een gedwongen ontheffing niet kan worden uitgesproken in het geval dat de betrokken ouder blijk heeft gegeven van zijn bereidheid om het kind in het pleeggezin te laten opgroeien (zie HR 15 juni 1990, NJ 1990, 632, HR 8 mei 1992, NJ 1992, 498 en HR 25 april 1997, NJ 1997, 596). De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 4 april 2008 (NJ 2008, 506) dit vereiste genuanceerd: «Deze rechtspraak behoeft in verband met het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie heroverweging, in zoverre dat het blijk geven van die duurzame bereidheid weliswaar in de beoordeling moet worden betrokken, maar niet (zonder meer) in de weg staat aan gedwongen ontheffing.» Of een gezagsbeëindigende maatregel aan de orde is, zal de rechter moeten beoordelen op grond van alle omstandigheden van het geval. Het wetsvoorstel vormt in deze zin een codificatie van de praktijk.

Indien gedurende de uitvoering van een ondertoezichtstelling het op een gegeven moment duidelijk is dat de ouders nimmer de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding op zich kunnen nemen, dienen de inspanningen van de gezinsvoogdijwerker erop gericht te zijn acceptatie bij de ouders van die situatie te bevorderen. Dit kan immers een eventuele gezagsbeëindiging voorkomen, omdat de hulpverlening bij acceptatie in vrijwillig kader kan worden voortgezet’.17

2.16

In de toelichting op art. 1:255 lid 1 onder b BW is voorts uitdrukkelijk gesteld dat het dragen van verantwoordelijkheid voor de zorg van de kinderen ook kan betekenen dat de ouders accepteren dat hun kind elders (bijvoorbeeld in een pleeggezin) wordt opgevoed.18

2.17

In de literatuur is erop gewezen dat uit de (gepubliceerde) beschikkingen van hoven en rechtbanken die sinds de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen zijn gewezen, blijkt dat het gebrek op perspectief op terugkeer naar huis niet zonder meer leidt tot beëindiging van het gezag.19 Bij de te nemen beslissingen over de gezagsbeëindiging is instemming van de ouders met een uithuisplaatsing een belangrijke factor gebleven, maar dan wel in combinatie met andere factoren zoals de beschikbaarheid en kwaliteit van het alternatieve opvoedingsmilieu, het gegeven van een ‘netwerkplaatsing’ alsmede de leeftijd van de minderjarige. 20

2.18

Ik keer terug naar onderdeel 1.5. Anders dan dit onderdeel betoogt, blijkt niet dat het hof slechts heeft meegewogen dat er geen perspectief is op thuisplaatsing van [de dochter] bij de moeder en de ondertoezichtstelling dan niet langer de geëigende maatregel is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.9.3 en 3.10 van de bestreden beschikking ook andere factoren in zijn afweging betrokken, waaronder de omstandigheid dat de pleegouders al vanaf haar geboorte voor [de dochter] zorgen, dat de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder zelf de verantwoordelijkheid voor de zorg en de opvoeding van [de dochter] zal kunnen dragen inmiddels ruimschoots is overschreden en dat het belang van [de dochter] bij rust en stabiliteit thans duidelijkheid omtrent haar toekomstperspectief vereist. Het oordeel van het hof is overigens niet onjuist of onbegrijpelijk. In dit verband is nog van betekenis dat het hof heeft geoordeeld dat er kanttekeningen zijn te plaatsen bij de door de moeder gestelde instemming met de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing omdat, kort gezegd, uit het raadsrapport volgt dat de moeder de plaatsing niet altijd accepteert en daar eveneens ter zitting ambivalent in was. Tegen dit oordeel zijn in cassatie geen klachten gericht. Kennelijk is het hof niet ervan overtuigd geraakt dat de moeder, indien zij het ouderlijk gezag over [de dochter] behoudt, ook in de toekomst zal blijven instemmen met het verblijf van [de dochter] bij de pleegouders en haar medewerking zal blijven verlenen. Ik kom tot de slotsom dat onderdeel 1.5 faalt.

2.19

Onderdeel 1.6 bouwt voort op onderdeel 1.5 en betoogt, kort gezegd, dat voor zover het hof wel verschillende factoren in zijn oordeel heeft betrokken, dit oordeel in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel valt uit de onderliggende gedingstukken niet af te leiden dat [de dochter] zich in het pleeggezin niet harmonieus kan ontwikkelen, onduidelijkheid over haar toekomstperspectief bestaat, zij last heeft of onzekerheid ervaart door de jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, en het hechtingsproces in het geding is. Uit de gedingstukken zou juist het tegenovergestelde blijken.21

2.20

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De beoordeling of in het specifieke geval een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie is geen plaats voor een herwaardering van in de gedingstukken aangevoerde feitelijke stellingen. Overigens vermeldt het middel geen vindplaatsen in de gedingstukken waar deze feitelijke stellingen eerder zijn aangevoerd, zodat het middel op dit punt niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

2.21

Onderdeel II klaagt dat het hof de rechtsstrijd van partijen heeft miskend, omdat de moeder uitdrukkelijk tegen het rechtsoordeel van de rechtbank een grief heeft gericht, te weten dat niet te allen tijde een gezagsbeëindigende maatregel moet volgen als het perspectief op terugkeer van de minderjarige naar de gezaghebbende ouder ontbreekt. Het hof heeft volgens het onderdeel zijn taak als appelrechter miskend door de grief niet in zijn beoordeling te betrekken.

2.22

Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Uit de bestreden beschikking blijkt dat het hof de in het onderdeel genoemde grief wel degelijk in zijn beoordeling heeft betrokken, nu het hof de in het kader van de grief naar voren gebrachte stellingen in rov. 3.5 heeft weergegeven en in rov. 3.9.3 heeft geoordeeld dat het hof in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om niet tot beëindiging van het gezag over te gaan. Het hof heeft eveneens gemotiveerd waarom de grief niet slaagt door te overwegen dat er kanttekeningen te plaatsen zijn bij de door de moeder gestelde instemming met de ondertoezichtstelling en de plaatsing bij de pleegouders en het belang van [de dochter] bij rust en stabiliteit thans duidelijkheid omtrent haar toekomstperspectief vereist.

2.23

Onderdeel III, nader uitgewerkt onder 3.1 t/m 3.5, bevat de klacht dat het hof art. 1:266 BW niet in overeenstemming met art. 8 EVRM heeft toegepast. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat er minder ingrijpende alternatieven bestaan, althans ervan geen blijk heeft gegeven deze alternatieven te hebben onderzocht en in zijn oordeel te hebben betrokken. Het onderdeel (onder 3.4) betoogt dat het hof niet heeft vastgesteld en op grond van de gedingstukken ook niet heeft kunnen vaststellen dat de moeder ooit haar medewerking heeft geweigerd en dat interventie geboden was.

2.24

Over de verhouding tussen de gezagsbeëindiging en art. 8 EVRM wordt in de MvT van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen het volgende opgemerkt:

‘Een gezagsbeëindiging betekent, evenals bij een ondertoezichtstelling, een inmenging in het gezinsleven van ouders en kind. Om die reden vereist artikel 8 van het EVRM niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.

Teneinde aan de vereisten van het EVRM te kunnen voldoen, zal in de meeste gevallen aan een gezagsbeëindiging een ondertoezichtstelling vooraf gaan. Niet zelden zullen immers zonder voorafgaande ondertoezichtstelling te weinig feiten beschikbaar zijn om het verzoekschrift gezagsbeëindiging voldoende te kunnen onderbouwen. Dit is na een ondertoezichtstelling eenvoudiger, omdat dan beter verantwoord kan worden dat, ondanks de verleende hulp en steun, de ouders niet in staat zijn om hun verantwoordelijkheid te nemen. Deze vraag of een gezagsbeëindiging aan de orde is, komt bij iedere verlenging van de ondertoezichtstelling steeds nadrukkelijker aan de orde.

(…)

Overigens betekent een beëindiging van het gezag niet dat de ouders geen rol meer in het leven van hun kind spelen. Zo hebben zij recht op informatie over de ontwikkeling van hun kind en op contact met hun kind voor zover het belang van het kind zich hiertegen niet verzet. De ouders behouden hun onderhoudsplicht jegens hun kind en hebben te allen tijde de mogelijkheid om een verzoek in te dienen om hersteld te worden in het gezag. Dit verzoek kan worden toegewezen indien aan de gronden voor herstel van het gezag is voldaan (onderdeel O, artikel 277 (nieuw))’.22

2.25

Met het oog op art. 8 EVRM heeft de instemming van de ouder met de uithuisplaatsing het effect dat de ingreep van gezagsbeëindiging kan worden voorkomen, indien het belang van het kind voldoende is gewaarborgd.23 Uit rov. 3.9.3 en 3.10 van de bestreden beschikking blijkt dat het hof de vraag onder ogen heeft gezien of in het onderhavige geval kon worden volstaan met een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dan wel met een pleeggezinplaatsing in een vrijwillig kader. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het hof een en ander niet toereikend heeft geacht voor het bereiken van de voor [de dochter] van belang zijnde duidelijkheid over haar toekomstperspectief, mede gelet op de omstandigheid dat de moeder – zoals het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld – zich wisselend positief en negatief heeft uitgelaten over de plaatsing van [de dochter] bij de pleegouders.

2.26

Aan het voorgaande doet niet af dat het hof niet heeft vastgesteld dat de moeder in het verleden haar medewerking aan bepaalde beslissingen zou hebben geweigerd. De (ambivalente) houding van de ouder ten aanzien van de plaatsing van het kind in het pleeggezin kan immers ook (mede)bepalend zijn voor de onzekerheid die een kind ervaart.24 Zoals blijkt uit rov. 3.7 van de bestreden beschikking, hebben de pleegouders in hoger beroep gesteld dat zij er onvoldoende vertrouwen in hebben dat de moeder haar medewerking zal blijven verlenen en in de huidige opvoedingssituatie zal blijven berusten. De pleegouders hebben zij betoogd dat het belang van [de dochter] bij bestendiging van de huidige opvoedingssituatie, de hechtingsrelatie met de pleegouders en de zekerheid dat de pleegouders belangrijke beslissingen voor haar kunnen blijven nemen ongeacht de toestand waarin de moeder verkeert, dient te prevaleren boven het belang van de moeder om met het gezag te worden belast. Voorts hebben de pleegouders, blijkens rov. 3.7.1, daaraan ter zitting van het hof toegevoegd dat er periodes zijn dat de moeder minder betrokken is bij het leven van [de dochter] en dat er niet altijd contact mogelijk is, zodat geen sprake is van een duurzame en consistente medewerking van de kant van de moeder. Ook de GI heeft, zo blijkt uit rov. 3.8.1, ter zitting benadrukt dat de houding van de moeder een zorgpunt blijft en zij zich weinig laat sturen, terwijl het voor [de dochter] van belang is dat er duidelijkheid is. Daarmee heeft het hof voldoende gemotiveerd waarom de gezagsbeëindiging in het belang van [de dochter] noodzakelijk is. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk, zodat het onderdeel faalt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1-3.2 van de bestreden beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 januari 2017.

2 Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming, Stb. 2014,130.

3 Zie MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 34.

4 Vgl. o.a. M.R. Bruning, Groene Serie Personen- en familierecht, Afd. 5 Boek 1 BW (inleiding) en art. 1:266 BW, aant. 4.1; M. Bruning, T. Liefaard & P. Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdhulp, 2016, p. 482.

5 Zie bijv. MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-9.

6 Vgl. MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 33.

7 MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 10.

8 MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 34 (zie ook: p. 10-11).

9 MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 34.

10 ECLI:NL:GHDHA:2015:3991, rov. 6.

11 HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2046.

12 Zie ook onder nr. 6 van de conclusie van A-G Keus voorafgaand aan de beschikking van de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2016:507; M.R. Bruning, a.w., art. 1:266 BW, aant. 4.1.

13 Zie o.a. J. Kok, Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen: een analyse van eerste rechtspraak, FJR 2017/36, p. 171; J. Huijer & I. Weijers, De aanvaardbare termijn in jeugdbeschermingszaken, FJR 2016/40, p. 164-169.

14 Vgl. Huijer & I. Weijers, a.w., p. 167-168; I. Weijers, Rotjeugd. Een pedagogisch perspectief op straffen en beschermen, 2016, p. 20-22.

15 Zie Bruning, a.w., art. 1:266 BW, aant. 4.1.

16 ECLI:NL:HR:2008:BC5726, NJ 2008/506, m.nt. J. de Boer.

17 MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 12.

18 MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 23.

19 Zie Kok, a.w., FJR 2017/36, p. 71; E. Lam en I.J.M. Schepens, De stand van zaken twee jaar later, JIP 2017/98; J.H. de Graaf, De aanvaardbare termijn bij gezagsbeëindiging, JIP 2017/100.

20 Zie De Graaf, t.a.p.

21 Het onderdeel verwijst naar p. 12 en 14 van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 november 2015.

22 MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 34-35.

23 C. Forder, ‘Gaat het voorontwerp van de te ver of juist niet ver genoeg? – Het voorontwerp getoetst aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden’, in: M.R. Bruning & J. Kok (red.), Herziening kinderbeschermingsmaatregelen. Commentaren op het voorontwerp van wet (FJR-congresbundel), Deventer: Kluwer 2008, p. 68-69.

24 Vgl. Huijer & Weijers, a.w., FJR 2016/40, p. 167.