Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1314

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
17/04220
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3101, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Machtiging voortgezet verblijf. Voldoet de geneeskundige verklaring aan de in art. 16 lid 1 Wet Bopz gestelde eisen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/04220

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 27 oktober 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Limburg

In deze Bopz-zaak gaat het om de geneeskundige verklaring en andere vereisten voor een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoekster tot cassatie (geboren in 1941, hierna: betrokkene) is op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf van 1 juli 2016, met een geldigheidsduur tot 1 juli 2017, opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis (verpleeginrichting)1.

1.2

Bij verzoekschrift d.d. 22 mei 2017 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Limburg verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting. Bij dit verzoekschrift was onder meer een verklaring gevoegd, op 15 mei 2017 ondertekend door de (niet bij de behandeling betrokken) waarnemend Bopz-arts [betrokkene 1] die betrokkene met het oog daarop heeft onderzocht.

1.3

Op 6 juni 2017 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en haar advocaat, de specialist ouderengeneeskunde [betrokkene 2], [betrokkene 3] als eerst verantwoordelijke verzorgende tevens zorgcoördinator en [betrokkene 4], medewerkster en vorige begeleidster van betrokkene. Voorts is [betrokkene 5] in haar hoedanigheid van mentor van betrokkene gehoord.

1.4

Bij beschikking van 13 juni 2017 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van één jaar2.

1.5

Bij mailbericht van 28 juli 2017 heeft de cassatieadvocaat de rechtbank verzocht de beschikking van 13 juni 2017, zoals verbeterd bij beschikking van 12 juli 2017, andermaal te verbeteren, omdat in de beschikking geen melding is gemaakt van een door de advocaat van betrokkene aan de rechtbank gestuurde brief van 24 mei 2017 met bijlagen. Bij beschikking van 22 augustus 2017 heeft de rechtbank dit verzoek tot verbetering afgewezen. Volgens de rechtbank maakte de brief van 24 mei 2017 met bijlagen deel uit van de gedingstukken.

1.6

Namens betrokkene is – tijdig − beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Voor zover onderdeel I is voorgedragen ten einde in cassatie zeker te stellen dat de brief van 24 mei 2017 met bijlagen tot de gedingstukken in eerste aanleg behoort, mist betrokkene belang bij deze klacht. Gelet op de genoemde beschikking van 22 augustus 2017, moet in cassatie worden aangenomen dat de rechtbank ten tijde van haar beschikking op 13 juni 2017 kennis droeg van de brief van 24 mei 2017 met bijlagen en dat deze tot de gedingstukken behoorde.

2.2

Voor zover de Hoge Raad aan onderdeel I toekomt: het middelonderdeel klaagt dat de rechtbank deze brief met bijlagen ten onrechte niet afzonderlijk heeft vermeld in de beschikking van 13 juni 2017. Dit zou in strijd zijn met het voorschrift in art. 230, lid 1 onder b, in verbinding met art. 287 Rv, dat de rechtbank ‘het verloop van het geding’ in het vonnis, onderscheidenlijk in de beschikking, vermeldt. Wanneer de rechtbank niet kenbaar maakt waarop zij haar beslissing heeft gegrond en welke stukken zij daarbij heeft betrokken, schiet zij volgens de klacht tekort in haar motiveringsplicht.

2.3

Art. 230, lid 1 onder b, Rv schrijft voor dat het vonnis ‘het verloop van het geding’ vermeldt; deze bepaling is krachtens art. 287 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing op een beschikking in een verzoekschriftprocedure. De bestreden beschikking beschrijft, dienovereenkomstig, in paragraaf 1 “het verloop van de procedure”. De wettekst schrijft niet voor dat de ontvangst door de rechtbank van een brief met bijlagen, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, met zoveel woorden in de beschikking wordt genoemd. Het schrijven van 24 mei 2017 werd niet aangekondigd als een ‘verweerschrift’ in de zin van art. 282 Rv en is door de rechtbank kennelijk opgevat als slechts een schrijven waarmee de advocaat, voorafgaand aan de mondelinge behandeling en met het oog daarop, bewijsstukken aan de rechtbank heeft toegezonden en/of procedurele wensen kenbaar heeft gemaakt. Hoe dan ook, de vermelding van deze brief is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid van de beschikking. De nietigheid van de beschikking vloeit evenmin voort uit de aard van het voorschrift. Daarom faalt de rechtsklacht. Overigens neemt dit niet weg dat het in het algemeen aanbeveling verdient, dat de rechter van een ingekomen (inhoudelijk) schrijven van een der partijen melding maakt in de beschikking of in het proces-verbaal van de zitting. Daarmee kan worden voorkomen dat achteraf discussie ontstaat over de vraag of de rechtbank hiervan kennis heeft genomen en, zo ja, of het beginsel van hoor en wederhoor ten aanzien van dat stuk in acht is genomen3. De subsidiaire motiveringsklacht treft geen doel, nu in dit middelonderdeel niet wordt geklaagd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan een bepaald (in de brief van 24 mei 2017 naar voren gebracht) essentieel verweer. Onderdeel I faalt om deze redenen.

2.4

Onderdeel II.a komt neer op de klacht dat de beslissing dat de geneeskundige verklaring aan de eisen van art. 16 lid 1 Wet Bopz voldoet, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is zonder een nadere motivering. Het middelonderdeel wijst erop dat in eerste aanleg het verweer was gevoerd dat de door dat artikel vereiste geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de geneesheer-directeur4. Volgens de klacht heeft de rechtbank nagelaten te onderzoeken wat de functie, taken en bevoegdheden waren van de ‘waarnemend Bopz-arts’ wier handtekening onder de verklaring is gesteld. De rechtbank heeft zich evenmin ervan vergewist of de geneesheer-directeur heeft ingestemd met de inhoud van de geneeskundige verklaring.

2.5

Art. 16 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat bij een verzoek tot het verkrijgen van een machtiging tot voortgezet verblijf een verklaring moet worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokken patiënt is opgenomen. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 21 januari 2000 het volgende overwogen:

“Gelet op de van de zijde van de regering vermelde redenen voor het voorschrijven van een verklaring van de geneesheer-directeur, moet aan de verklaring bedoeld in art. 16 lid 1 Bopz de eis worden gesteld dat deze door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend ten blijke van zijn instemming met en verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring (HR 1 juli 1994, NJ 1994, 715-723). In dit verband moet volgens art. 1 lid 3 onder 'geneesheer-directeur' mede worden verstaan de arts die, hoewel geen directeursfunctie bekledende, belast is met de zorg voor de algemene gang van zaken op geneeskundig gebied in het psychiatrisch ziekenhuis. Als geneesheer-directeur moet ook worden aangemerkt de arts die volgens een binnen het ziekenhuis geldende regeling tot vervanging van de geneesheer-directeur als waarnemend geneesheer-directeur de functie van de geneesheer-directeur uitoefent (HR 31 mei 1996, nr. 8822, NJ 1997, 36).

De aard van de in de Wet Bopz aan de geneesheer-directeur toegekende bevoegdheid tot en verantwoordelijkheid voor het verstrekken van geneeskundige verklaringen verzet zich evenwel tegen het door de geneesheer-directeur verlenen van mandaat aan anderen tot het in zijn naam ondertekenen van zodanige geneeskundige verklaringen.”5

2.6

Anders dan de grote psychiatrische ziekenhuizen waarop de wetgever ten tijde van de totstandkoming van de Wet Bopz het oog had, beschikken (kleinschalige) verpleeginrichtingen dikwijls niet over een eigen medische staf onder leiding van een ‘geneesheer-directeur’. De arts die, ‘hoewel geen directeursfunctie bekledend, belast is met de zorg voor de algemene gang van zaken op geneeskundig gebied in het psychiatrisch ziekenhuis’ (vgl. art. 1 lid 3 Wet Bopz) treedt voor de toepassing van de Wet Bopz op als ware hij geneesheer-directeur. In dat geval is die arts bevoegd de in art. 16 lid 1 Wet Bopz bedoelde verklaring te ondertekenen als geneesheer-directeur6. In de praktijk wordt in de zorg voor verstandelijk gehandicapten en psychogeriatrische patiënten deze taak dikwijls toevertrouwd aan een zogeheten Bopz-arts7, die voor meerdere inrichtingen tegelijk kan zijn aangesteld. Omdat de functie ‘Bopz-arts’ niet in de wet is omschreven, kan soms onduidelijkheid ontstaan omtrent de juridische hoedanigheid waarin deze arts optreedt8.

2.7

Ik werp een korte blik op het toekomstige recht. In het wetsvoorstel Wet verplichte ggz dat bij de Eerste Kamer in behandeling is9, keert de functie van geneesheer-directeur terug voor de algemene psychiatrie; zie voor de omschrijving art. 1:1 (lid 1 onder i) Wet verplichte ggz. Bij de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wijst de officier van justitie een geneesheer-directeur aan (art. 5:4). Deze geneesheer-directeur draagt zorg voor een medische verklaring van een psychiater (art. 5:8). In het wetsvoorstel Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd)10 is niet voorzien in de functie van een geneesheer-directeur bij de aanvraag van een zorgmachtiging; de rechter beslist op een verzoek van het indicatieorgaan (zie art. 24 – 27 Wzd). Hoofdstuk 14 van het wetsvoorstel Wet verplichte ggz brengt evenwel op belangrijke punten wijziging in het wetsvoorstel Wet zorg en dwang11. Zo is alsnog voorgesteld in art. 1, lid 1 onder m, Wzd de nieuwe functie van “Wzd-arts” op te nemen. Dit is een “ter zake kundige arts, al dan niet in dienst van de zorgaanbieder, die door de zorgaanbieder is aangewezen om toe te zien op de inzet van de minst ingrijpende vorm van onvrijwillige zorg en de mogelijke afbouw ervan en die verantwoordelijk is voor de algemene gang van zaken op het terrein van het verlenen van onvrijwillige zorg”. De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de Wzd-arts zijn taken op grond van deze wet naar behoren kan uitvoeren en waarborgt de onafhankelijkheid van de Wzd-arts bij de uitvoering van zijn taken op grond van deze wet. De zorgaanbieder mag de Wzd-arts geen aanwijzingen geven met betrekking tot diens taakuitoefening op grond van deze wet (art. 2b Wzd). Met betrekking tot de aanvraagprocedure wordt de Wzd-arts toegevoegd aan art. 25 lid 1 Wzd als een van degenen die een verzoek om een rechterlijke machtiging kan indienen bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (als bedoeld in de Wet langdurige zorg). Vervolgens dient het CIZ het verzoek om een zorgmachtiging bij de rechtbank in.

2.8

Naar huidig recht is de geneesheer-directeur een arts, maar behoeft hij niet een (BIG-geregistreerde) psychiater te zijn. Indien de geneesheer-directeur zelf psychiater is en niet bij de behandeling betrokken, kan hij het door art. 16 lid 2 in verbinding met art. 5 of art. 6 Wet Bopz vereiste onderzoek van de patiënt verrichten. In het andere geval wijst hij daartoe een niet bij de behandeling betrokken psychiater aan. In de instellingen voor verstandelijk gehandicapten en de psychogeriatrie hebben zich afzonderlijke specialismen ontwikkeld: de arts verstandelijk gehandicapten en de specialist ouderengeneeskunde. In 2012 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of voor de opneming in een instelling voor verstandelijke gehandicapten een geneeskundige verklaring van een arts die geen ‘psychiater’ in de zin van art. 1 Wet Bopz is, voldoet12. Naar aanleiding van deze uitspraak is de wettelijke omschrijving gewijzigd. Met ingang van 1 januari 2012 is een zesde lid aan art. 1 Wet Bopz toegevoegd dat luidt:

“Voor de toepassing van het bij of krachtens de wet bepaalde, wordt met een psychiater gelijk gesteld, een arts voor verstandelijk gehandicapten voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft, of een specialist ouderengeneeskunde, voor zover het de opname of het verblijf van een patiënt met een psychogeriatrische aandoening betreft.”

2.9

In het onderhavige geval is de bij het inleidend verzoekschrift gevoegde verklaring opgesteld en, op de plaats in het formulier bestemd voor de geneesheer-directeur, ondertekend door [betrokkene 1], “waarnemend Bopz-arts Cicero zorggroep”. In eerste aanleg is het verweer gevoerd dat de geneeskundige verklaring in strijd met de wet niet is ondertekend door de geneesheer-directeur van deze verpleeginrichting13. De rechtbank heeft onder ‘verloop van de procedure’ het volgende vermeld:

“Bij het verzoekschrift is een ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring overgelegd van de geneesheer-directeur van de verpleeginrichting waarin betrokkene is opgenomen en die niet bij diens behandeling betrokken was (…).”

Vervolgens heeft de rechtbank omtrent dit verweer in rov. 2.1 (punt 6) overwogen:

De enkele stelling dat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de geneesheer-directeur en de mogelijke consequenties daarvan vanuit tuchtrechtelijk oogpunt bezien, is onvoldoende voor de conclusie dat de geneeskundige verklaring in dit geval niet mag worden gebruikt. De rechtbank zal aan die stelling derhalve voorbij gaan. Bovendien blijkt uit de geneeskundige verklaring dat zij op 15 mei 2017 is ondertekend door [betrokkene 1] als waarnemend Bopz arts van de Cicerogroep. (…)”

2.10

Met de steller van het middel ben ik het eens dat de eerste volzin in deze overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: blijkens de rechtspraak, aangehaald in alinea 2.5, kan de ondertekening van de verklaring door de (waarnemend) geneesheer-directeur persoonlijk naar geldend recht niet worden gemist.

2.11

Indien de rechtbank, gezien de tweede volzin van deze overweging, ervan is uitgegaan dat [betrokkene 1] in dit geval optrad als waarnemend geneesheer-directeur van verpleeginrichting De Hazelhof, is die vaststelling zonder nadere motivering niet begrijpelijk, nu haar hoedanigheid uitdrukkelijk werd betwist: hoe kan een waarnemend Bopz-arts van Cicero zorggroep optreden als geneesheer-directeur van verpleeghuis De Hazelhof te Gulpen, dat blijkens de gedingstukken wordt geëxploiteerd door de stichting Sevagram? Mogelijk heeft in dit geval een rol gespeeld dat de geneesheer-directeur van verpleeghuis De Hazelhof zich vanwege een mogelijk belangenconflict tussen hemzelf en betrokkene had teruggetrokken14. Mijns inziens kan in een dergelijke situatie worden teruggevallen op de in alinea 2.5 aangehaalde regel. Het past in het stelsel van de wet dat voor zo’n situatie in een binnen het ziekenhuis geldende regeling een vaste vervanger wordt aangewezen om de geneeskundige verklaring te ondertekenen als waarnemend geneesheer-directeur. Het kan niet de bedoeling zijn dat iedere willekeurige arts voor de gelegenheid wordt aangewezen: de bevoegdheid leent zich naar haar aard niet voor mandatering15. In de regel zal de waarnemer worden gezocht binnen het eigen ziekenhuis, omdat het gaat om de eindverantwoordelijkheid voor de gang van zaken in het ziekenhuis waarin de patiënt is opgenomen, maar een arts buiten het desbetreffende ziekenhuis of de desbetreffende verpleeginrichting zou ik – zeker in geval van een belangenconflict – niet bij voorbaat willen uitsluiten als waarnemend geneesheer-directeur. In het voorgelegde geval is evenwel onduidelijk gebleven of, en zo ja, op grond waarvan de rechtbank [betrokkene 1] als waarnemend geneesheer-directeur heeft aangemerkt en het desbetreffende verweer heeft verworpen. De bestreden beschikking kan om deze redenen niet in stand blijven.

2.12.

De overige klachten behoeven geen bespreking indien onderdeel II.a slaagt. Volledigheidshalve ga ik kort hierop in. Onderdeel II.b klaagt over onjuistheid van de vaststelling dat een afschrift van een behandelingsplan (zie art. 38a Wet Bopz) en van de aantekeningen van de behandeling als bedoeld in art. 37a Wet Bopz is overgelegd en dat daarmee is voldaan aan de vereisten van art. 16 lid 4 Wet Bopz. Volgens de klacht voldoen de overgelegde stukken inhoudelijk niet aan de eisen die de wetgever voor ogen stonden. Om te kunnen beoordelen of met een extramurale behandeling en begeleiding zou kunnen worden volstaan, heeft de rechter voldoende relevante en actuele informatie nodig. Deze informatie is volgens het middelonderdeel in de aangehaalde stukken niet te vinden en zou ook niet blijken uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

2.13.

Nu betrokkene is opgenomen in een verpleeginrichting, is niet art. 38a maar art. 38 Wet Bopz van toepassing (zie art. 37b Wet Bopz). Het eerste lid van artikel 38 luidt:

De geneesheer-directeur draagt zorg dat voor een patiënt als bedoeld in art. 37b, tweede lid, zo spoedig mogelijk na zijn opneming een behandelingsplan wordt opgesteld. Het behandelingsplan is gericht op het zodanig wegnemen van het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene doet veroorzaken, dat betrokkene niet langer in het ziekenhuis behoeft te verblijven. Zo mogelijk geschiedt dit door het behandelen van de stoornis. Indien dit niet mogelijk is, geschiedt dit door het anderszins wegnemen van het gevaar. Artikel 36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.”

Zoals uit de parlementaire geschiedenis blijkt, wordt onder een behandelingsplan verstaan:

“(…) een in overleg tussen de patiënt en zijn behandelaars opgestelde doelstelling of reeks van doelstellingen en een aantal afspraken over de wijze waarop aan het bereiken van deze doelstellingen zal worden gewerkt. Het zal hierbij niet altijd mogelijk zijn om uitvoering en gedetailleerd te werk te gaan. Ook zal het behandelingsplan vaak moeten worden bijgesteld. (…)”16

2.14.

Namens betrokkene is aangevoerd dat het behandelingsplan gedateerd is: het zou zijn opgesteld naar aanleiding van een onderzoek van 2,5 jaar geleden. Naar de mening van betrokkene is niet een voldoende actueel behandelingsplan overgelegd. Die klacht mist mijns inziens feitelijke grondslag. Bij de in eerste aanleg overgelegde stukken bevinden zich een formulier “medische voorgeschiedenis & beleidsafspraken” en het zorgdossier tot en met 23 mei 2017. Daarnaast heeft de raadsman van betrokkene aan de rechtbank een verslag overgelegd van 15 november 2016 van het door [betrokkene 6] (psychiater/neuroloog) en de arts-assistent psychiatrie [betrokkene 7] verrichte onderzoek van betrokkene, het zorgleefplan van 8 mei 2017 en een op 24 mei 2017 gemaakt stappenplan. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de specialist ouderengeneeskunde, de eerst verantwoordelijke verzorgende tevens zorgcoördinator bovendien aan de rechtbank informatie verstrekt over de actuele situatie van betrokkene. Ter zitting is, betrekkelijk uitgebreid, gesproken over de mogelijkheden van betrokkene om zelfstandig te gaan wonen. Volgens de specialist ouderengeneeskunde is zelfstandig wonen niet meer haalbaar. Dit is bevestigd door de eerst verantwoordelijke verzorgende en de vorige begeleidster. Daarmee had de rechtbank actuele gegevens voorhanden op basis waarvan zij een beslissing kon nemen. Wat betreft de aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz, heeft de rechtbank de overgelegde aantekeningen blijkbaar voldoende geacht17. Om deze redenen faalt de klacht onder b.

2.15.

Onderdeel III klaagt dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke eisen voldoet omdat deze gebaseerd is op feiten en gedragingen van 2,5 jaar geleden. Ook zou uit het proces-verbaal niet blijken dat de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling inlichtingen heeft verkregen over de actuele situatie van betrokkene. Bovendien getuigt het oordeel van de rechtbank dat (nog steeds) sprake is van ‘gevaar’ in de zin van art. 1, lid 1 onder b en c, Wet Bopz van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk. Daar komt bij dat de rechtbank volgens betrokkene het gevoerde verweer niet beantwoordt.

2.16.

De geneeskundige verklaring is opgemaakt op 15 mei 2017 op basis van eigen onderzoek. Uit de verklaring valt af te leiden dat betrokkene op die datum lijdt aan dementieën NAO ten gevolge van alcoholabusus. Hierdoor heeft betrokkene problemen met planning, organisatie en inzicht18. De geneeskundige verklaring verwijst (in rubriek 3) naar de second opinion van november 2016, waarin eveneens de diagnose ‘persisterende dementie door alcohol’ is gesteld. Zoals tijdens de mondelinge behandeling door de specialist ouderengeneeskunde naar voren is gebracht, wordt het ziektebeeld niet beter.19 Volgens de geneeskundige verklaring doet deze stoornis betrokkene gevaar veroorzaken. Doordat betrokkene geen ziekte-inzicht heeft en ervan overtuigd is dat zij alles kan, bestaat het risico van ernstige zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. In het verleden is al meerdere keren geprobeerd betrokkene zelfstandig te laten wonen, maar dit resulteerde telkens in een heropname. De situatie was toen levensbedreigend. Het feit dat het nu goed met haar gaat, komt volgens de geneeskundige verklaring doordat nu structuur wordt geboden aan betrokkene. Zonder deze structuur zou het voor haar lastig zijn op het huidige niveau te blijven functioneren.20

2.17.

Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk dat − en waarom − de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de stoornis betrokkene dit gevaar doet veroorzaken en dat dit gevaar niet af te wenden is buiten de instelling. De door de rechtbank gebruikte informatie is gebaseerd op actuele gegevens. In de geneeskundige verklaring en ter zitting is aangegeven dat het gaat om een ziektebeeld van blijvende aard en dat geen verbetering te zien is. Het middelonderdeel leidt niet tot cassatie.

2.18.

Onderdeel IV klaagt dat de rechtbank het verzoek van de officier van justitie niet heeft getoetst aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid, althans dat van een toetsing aan deze eisen niet uit de beschikking blijkt. Voor zover de rechtbank heeft gemeend niet aan deze eisen te hoeven toetsen, geeft haar oordeel dat de advocaat onvoldoende verweer heeft gevoerd blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is haar oordeel onbegrijpelijk.

2.19.

Bij de beoordeling van het gevaar moet worden onderzocht: de kans dat het gevreesde onheil zich zal voordoen en hoe ernstig de gevolgen zijn indien het gevreesde onheil zich voordoet. Om aan het proportionaliteitsvereiste te voldoen moet het gevreesde onheil voldoende ernstig zijn om een vrijheidsbeneming te rechtvaardigen.

2.20.

In de onderhavige zaak heeft de advocaat van betrokkene aangevoerd dat de vrijheidsbeneming niet proportioneel is omdat de ernst van het gevaar niet opweegt tegen de zwaarte van de vrijheidsbenemende maatregel. De rechtbank heeft ten aanzien van het gevaar overwogen dat nadat betrokkene eerdere toegestane vrijheden waren toegestaan betrokkene binnen een week ‘meer dood dan levend’ heropgenomen is. Hierin ligt reeds het oordeel besloten dat de vrijheidsbeneming van betrokkene gerechtvaardigd is. Voorheen is geprobeerd om betrokkene zelfstandig te laten wonen, maar moest zij weer opnieuw opgenomen worden wegens zelfverwaarlozing; de specialist ouderengeneeskunde heeft aangegeven dat de situatie toen levensbedreigend was. Zowel ter zitting als uit de geneeskundige verklaring blijkt dat betrokkene geen sociaal vangnet heeft21. Daar komt bij dat zij intensieve begeleiding weigert. De keren dat zij met ontslag is gegaan, liet zij enkele dagen later hulpverleners niet meer toe. Om deze redenen is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank (in rov. 2.1 onder 4) van oordeel is dat het verweer van betrokkene onvoldoende aanknopingspunten biedt om de gevolgtrekking te maken dat de vrijheidsontneming niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het middelonderdeel faalt.

2.21.

Onderdeel V klaagt over een schending van de motiveringsverplichting ingevolge de artikelen 30 en 230 Rv, 121 Grondwet, art. 6 lid 1 in verbinding met art. 5 lid 1 EVRM en de eisen van een goede procesorde. Het bestreden oordeel zou in strijd zijn met de regels omtrent stelplicht en bewijslast. Verder zou de rechtbank voorbij zijn gegaan aan bepaalde, volgens het middelonderdeel essentiële stellingen en verweren.

2.22.

In de onderhavige zaak is namens betrokkene aangevoerd dat: er geen sprake is van gevaar; dat niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid en dat de benodigde stukken niet in orde zijn. Ten aanzien van het gestelde gevaar werd het verweer gevoerd dat dit slechts gebaseerd is op feiten uit het verleden en dat betrokkene nu al vier jaar vrij is van alcohol. De ernst van het gevaar zou niet opwegen tegen de zwaarte van het dwangmiddel.

2.23.

De rechtbank heeft het door de advocaat van betrokkene gevoerde verweer puntsgewijs besproken en daartoe overwogen:

“3. het gevaar

Gevaar is de kans op onheil. Onheil behoeft zich niet te hebben verwezenlijkt. De aanname van een actueel gevaar kan derhalve ook steunen op de met betrokkene opgedane ervaringen uit het verleden. Die ervaringen liegen er in het geval van betrokkene niet om. Na eerder toegestane vrijheden (ontslag dan wel verlof) is de betrokkene binnen een week ‘meer dood dan levend’ heropgenomen. De stelling dat van gevaar geen sprake is en dat ten onrechte wordt teruggegrepen op het verleden, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dus ontoereikend.

4. proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid

De stellingen zijn niet uitgewerkt en bevatten onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de vrijheidsontneming van betrokkene niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.

(…)

6. benodigde stukken

De enkele stelling dat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de geneesheer-directeur en de mogelijke consequenties daarvan vanuit tuchtrechtelijk oogpunt bezien, is onvoldoende voor de conclusie dat de geneeskundige verklaring in dit geval niet mag worden gebruikt. De rechtbank zal aan die stelling derhalve voorbij gaan. Bovendien blijkt uit de geneeskundige verklaring dat zij op 15 mei 2017 is ondertekend door [betrokkene 1] als waarnemend Bopz-arts van de Cicerogroep. Verder is de stelling van de betrokkene dat sprake is van een gedateerd behandelings-/ zorgplan (bijna tweeënhalf jaar oud) gemotiveerd weersproken.”

2.24.

De rechtbank heeft haar oordeel omkleed met redenen die de beslissing kunnen dragen. Het gestelde feit dat betrokkene vrij is van alcohol wil niet zeggen dat er geen gevaar meer is. De door de rechtbank aangehaalde ervaringen laten juist zien hoe het, als gevolg van de geestelijke stoornis, mis kan gaan. Uit het verweer blijkt niet waarom de gerelateerde situaties uit het verleden zich niet opnieuw kunnen voordoen. Het verweer noemt alternatieve mogelijkheden, maar diept niet uit waarom deze maatregelen zouden kunnen verhinderen dat het door de rechtbank bedoelde gevaar daarmee afgewend kan worden. Uit het verleden blijkt volgens de verstrekte informatie dat betrokkene na een eerder verlof na enkele dagen geen hulp meer toeliet en vervolgens in een levensbedreigende situatie kwam te verkeren. Het onderdeel faalt.

2.25

Gegrondbevinding van de klacht in onderdeel II.a brengt mee dat de beschikking niet in stand kan blijven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Limburg.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv

1 Of betrokkene nu nog steeds in deze verpleeginrichting verblijft, valt op basis van het dossier niet met zekerheid te zeggen: zij heeft een verzoek om ontslag uit het ziekenhuis ingediend, waarop HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2527 betrekking heeft.

2 Bij verbeterbeschikking van 12 juli 2017 heeft de rechtbank een fout in de datumaanduiding van de beschikking (6 in plaats van 13 juni) hersteld.

3 Zie Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 230 Rv, aant. 3 (R.H. de Bock).

4 Pleitnota blz. 4 onder 6.

5 HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4428, NJ 2000/191, rov. 3.4.

6 Zie R.B.M. Keurentjes en R.H. Zuijderhoudt, De geneesheer-directeur, Praktijkreeks Bopz, 2003, blz. 40 – 45. Het voorgeschreven formulier voor de geneeskundige verklaring (zie de op art. 3 Besluit administratieve bepalingen Bopz gebaseerde Regeling vaststellen modellen Wet Bopz: besluit van de minister van VWS d.d. 28 oktober 2003, nr. GVM2419898, te raadplegen via wetten.overheid.nl) houdt slechts rekening met ‘de’ geneesheer-directeur, ongeacht de onderliggende organisatiestructuur.

7 Zie SDU-commentaar Wet Bopz, (W. Dijkers), art. 5 onder C.2.8.

8 Zie, naast de thans bestreden beschikking, bijvoorbeeld: Rb. Den Haag 13 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1732 naast Rb. Den Haag 23 februari 2011, ECLI:NL:RBDHA:2011:BV2521.

9 Kamerstukken I 2016-2017, 32 399, A.

10 Kamerstukken I 2013-2014, 31 996, A.

11 Zie onder meer: B. Frederiks en R. Knuiman, In Wet zorg en dwang geen plaats voor Bopz-arts, NJB 2016/1885.

12 HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2028, NJ 2012/420 m.nt. J. Legemaate tevens gepubliceerd in JVGGZ 2012/1 m.nt. W. Dijkers. Zie ook HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226.

13 De advocaat van betrokkene verwees in dit verband naar Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 7 juni 2016, ECLI:NL:TGZCTG:2016:219, GJ 2016/103.

14 Zie bijlage 3 bij de genoemde brief aan de rechtbank van 24 mei 2017; betrokkene heeft klachten tegen de betrokken arts ingediend. Ook in de zaak 17/03236 lag hier een probleem: zie ECLI:NL:PHR:2017:983, voetnoot 1.

15 Vgl. HR 21 januari 2000, aangehaald in alinea 2.5 hiervoor.

16 Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 31.

17 Vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7928, NJ 2013/100, JVggz 2013/9.

18 Zie rubriek 3.d van de geneeskundige verklaring. De afkorting NAO staat voor: niet anders omschreven.

19 Zie proces-verbaal van 6 juni 2017, blz. 2.

20 Zie onder 4d van de geneeskundige verklaring.

21 Zie 4a van de geneeskundige verklaring.