Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:131

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-01-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
16/01087
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:410, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht, procesrecht. Geding na cassatie en verwijzing door HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1056, NJ 2014/250. Weigering integriteitsverklaring onrechtmatig? Werknemer niet integer in de zin van de toepasselijke Integriteitscode?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2017/93
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/01087

mr. Hartlief

Zitting: 20 januari 2017

Conclusie inzake:

[eiser]

(hierna: ‘ [eiser] ’ te noemen)

tegen

ABN AMRO Bank N.V.

(hierna: ‘ABN AMRO’ te noemen)

Deze zaak, die voor de tweede maal in cassatie wordt voorgelegd, betreft het volgende. ABN AMRO is met [eiser] een beëindiging van zijn dienstverband overeengekomen. De overeenkomst bevat een geheimhoudingsclausule met een uitzondering voor verplichtingen op grond van de Integriteitscode van de Nederlandse Vereniging van Banken. Bij brief van 28 juli 2005 heeft ABN AMRO aan de opvolgend werkgever van [eiser] meegedeeld dat en waarom zij geen integriteitsverklaring kan verstrekken. [eiser] acht die gang van zaken in strijd met de overeenkomst dan wel onrechtmatig. De kantonrechter en het hof hebben schadevergoeding op te maken bij staat toegewezen. Volgens het hof zijn de verwijten onvoldoende om [eiser] niet integer in de zin van de Integriteitscode te achten. Uw Raad heeft dat arrest vernietigd, omdat het hof de verwijten (ook) in onderlinge samenhang had moeten beschouwen. Naar het oordeel van het verwijzingshof heeft [eiser] , gezien het totaalbeeld, niet integer gehandeld in de zin van de Integriteitscode. De brief van ABN AMRO van 28 juli 2005 wordt niet in strijd met de geheimhoudingsclausule of onrechtmatig geacht. Het hiertegen gerichte cassatieberoep van [eiser] faalt mijns inziens op procesrechtelijke gronden (in het bijzonder vanwege de beperkingen van de nog resterende rechtsstrijd). Overigens acht ik het bereikte resultaat ook materieel niet onjuist of onbegrijpelijk.

1 De feiten

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

1.2

[eiser] is vanaf 1 oktober 1974 tot 1 mei 2005 bij ABN AMRO in dienst geweest. Zijn laatste functie bij de bank was districtsdirecteur van het district Amsterdam-Zuid.

1.3

ABN AMRO is lid van de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: de NVB); zij heeft zich “gecommitteerd” aan de op 20 mei 1998 door de algemene ledenvergadering van de NVB vastgestelde integriteitscode (hierna: de Integriteitscode). Art. 1 van de Integriteitscode luidt als volgt:

“De leden zullen zich inspannen zich er van te vergewissen dat nieuw aan te trekken medewerkers voldoen aan ter zake te stellen eisen van integriteit en kunnen bij een ander lid, tevens voormalig werkgever van de betrokkene, ter zake informatie inwinnen, waaraan dit lid, onder voorbehoud van toestemming van de betrokkene, medewerking zal verlenen. Indien de betrokkene toestemming weigert, wordt deze in beginsel niet in dienst genomen, […]”

1.4

[eiser] is, na een aantal verwikkelingen, op 2 augustus 2004 de toegang tot het werk ontzegd; hij werd toen vrijgesteld van werkzaamheden.

1.5

Vervolgens hebben onderhandelingen plaatsgevonden die hebben geleid tot een beëindigingsovereenkomst op 29 december 2004 (productie 1 bij inleidende dagvaarding). In die overeenkomst is in art. 4 onder a het volgende bepaald:

“Partijen zullen zich in de toekomst niet ongunstig over elkaar uitlaten en verklaren de inhoud en correspondentie en andere contacten over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de grondslag daarvan voor derden geheim te houden (…), alles tenzij een (wettelijke) verplichting, bijvoorbeeld gebaseerd op de Wet Toezicht Effectenverkeer of de Integriteitscode van de NVB, partijen tot een andere opstelling noodzaakt.”

1.6

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is, conform de beëindigingsovereenkomst, door de kantonrechter ontbonden per 1 mei 2005 onder toekenning van een vergoeding aan [eiser] van € 770.000 bruto (bijlage 11 van productie 5 bij inleidende dagvaarding). Aan [eiser] werd een positief getuigschrift verstrekt, dat mede was ondertekend door [betrokkene 1] (destijds voorzitter directie Nederland van ABN AMRO, tevens bestuurslid van de NVB) (bijlage 5 van productie 5 bij inleidende dagvaarding).

1.7

[eiser] is met ingang van 1 mei 2005 in dienst getreden bij Fortis Bank (Nederland) als relatiemanager bij MeesPierson. In de betreffende arbeidsovereenkomst van 9 februari 2005 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) is als ontbindende voorwaarde opgenomen dat geen integriteitsverklaring zou worden verkregen.

1.8

Op 12 mei 2005 heeft MeesPierson aan ABN AMRO verzocht een integriteitsverklaring betreffende [eiser] af te geven (bijlage 14 van productie 8 bij inleidende dagvaarding). Bij brief van 28 juli 2005 heeft ABN AMRO aan MeesPierson geantwoord dat zij de integriteitsverklaring niet (zonder meer) kan ondertekenen, omdat zij niet kon bevestigen dat zij geen aanleiding heeft aan de integriteit van [eiser] te twijfelen (productie 4 bij inleidende dagvaarding). ABN AMRO heeft daaraan onder meer toegevoegd:

“De reden voor de beëindiging van het dienstverband van [eiser] is kort gezegd gelegen in het feit dat zijn managementstijl met regelmaat in strijd is gebleken met onze Corporate Values. Commerciële en financiële resultaten halen is van groot belang, maar niet ten koste van alles. Ten opzichte van zijn medewerkers heeft [eiser] bij voortduring de menselijke maat uit het oog verloren, waardoor een aantal van hen beschadigd raakte.

Voorts was door zijn manipulerende optreden een vertrouwensbreuk ontstaan met zijn gehele managementteam.

Ook tijdens de onderhandelingen rond de beëindiging van zijn dienstverband heeft [eiser] geprobeerd de bank op een ongeoorloofde manier onder druk te zetten, terwijl toen ook bleek dat hij vele kopieën van bankdocumenten thuis had, die eerst zijn ingeleverd toen wij gedreigd hebben hem daarom op staande voet te ontslaan.”

1.9

Bij brief van 2 augustus 2005 heeft MeesPierson aan [eiser] bericht dat ABN AMRO op 28 juli 2005 te kennen heeft gegeven dat zij de integriteitsverklaring niet wil afgeven. MeesPierson heeft [eiser] in die brief voorts, onder verwijzing naar de ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst (de brief van 2 augustus 2005 spreekt over ‘het voorbehoud in de aanstellingsbrief’), meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst derhalve van rechtswege eindigt per 28 juli 2005 (bijlage 8 van productie 5 bij inleidende dagvaarding).

1.10

[eiser] heeft ABN AMRO in kort geding gedagvaard tot afgifte van de integriteitsverklaring (productie 5 bij inleidende dagvaarding). Deze voorziening is geweigerd bij vonnis van 22 september 2005 (productie 11 bij inleidende dagvaarding).

1.11

De kantonrechter Rotterdam heeft bij beschikking van 28 oktober 2005 de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en MeesPierson voorwaardelijk ontbonden met ingang van 1 december 2005 (productie 12 bij inleidende dagvaarding).

2 Het procesverloop

2.1

Het procesverloop kan worden samengevat als volgt.

2.2

[eiser] heeft bij inleidende dagvaarding van 29 november 2005 de onderhavige procedure tegen ABN AMRO aanhangig gemaakt. Hij heeft gevorderd uitvoerbaar bij voorraad (arrest na verwijzing, rov. 1.12.):

 te verklaren voor recht dat ABN AMRO schadeplichtig is jegens hem, primair op grond van art. 6:74 BW, subsidiair op grond van art. 6:162 BW;

 ABN AMRO te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan hem, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 ABN AMRO te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.3

[eiser] heeft aan deze vordering het volgende ten grondslag gelegd. Volgens [eiser] is de brief van 28 juli 2005 in strijd met art. 4 van de beëindigingsovereenkomst. Verder is de brief van 28 juli 2005 volgens [eiser] in strijd met het verstrekte positieve getuigschrift en de beoordelingsformulieren over de jaren 1994 tot en met 2003 en behoefde hij er daarom niet op bedacht te zijn dat ABN AMRO hem een integriteitsverklaring zou willen onthouden. Bovendien had ABN AMRO naar de mening van [eiser] onvoldoende reden om te twijfelen aan zijn integriteit en heeft ABN AMRO geen hoor- en wederhoor toegepast (zie rov. 1.12. van het arrest na verwijzing).

2.4

De kantonrechter Amsterdam heeft bij vonnis van 13 september 2006 de vordering van [eiser] toegewezen. Volgens de kantonrechter gaat het, naar de kern genomen, om de vraag of bij ABN AMRO in redelijkheid terechte twijfel is ontstaan over de integriteit van [eiser] bij “de uitoefening van het bancaire bedrijf in de meest ruime zin” zoals in de Algemene gedragsregels van de Integriteitscode onder punt 2 staat vermeld (zie weergave van dit vonnis in rov. 1.13. van het arrest na verwijzing). Daartoe heeft de kantonrechter overwogen:

“7. De kernvraag in dit geschil is of in redelijkheid bij ABN AMRO terechte twijfel is ontstaan over de integriteit van [eiser] bij ‘de uitoefening van het bancaire bedrijf in de meest ruime zin’, zoals in de Algemene gedragsregels van de Integriteitscode van de NVB onder punt 2 staat vermeld. Indien deze vraag bevestigend zou worden beantwoord komt vervolgens aan de orde of ABN AMRO daardoor genoodzaakt werd de afgifte van de integriteitsverklaring te weigeren onder opgave van de redenen aan MeesPierson als vermeld in de brief van 28 juli 2005.”

2.5

De kantonrechter heeft deze kernvraag ontkennend beantwoord. Naar zijn oordeel heeft ABN AMRO voorafgaande aan de weigering van de verklaring geen (voldoende deugdelijk) onderzoek verricht dat in redelijkheid tot de conclusie zou kunnen leiden dat de bij haar gerezen twijfel over de integriteit van [eiser] terecht is. Volgens de kantonrechter kon daarom in het midden blijven of [eiser] integer was in de zin van de Integriteitscode (zie weergave van het vonnis van 13 september 2006 in rov. 1.13. van het arrest na verwijzing).
De kantonrechter overweegt (vonnis 13 september 2006, rov. 9. en 11.):

“9. Leiderschapstijl (als door ABN AMRO genoemd in de brieven van 19 augustus 2004 en 29 juli 2005) en het op integere wijze uitoefenen van werkzaamheden voor het bancaire bedrijf kunnen wellicht in elkaar overlopen, maar de beëindiging van een arbeidsovereenkomst vanwege een – pas na vele jaren ontdekte – ongewenste stijl van leiding geven kan niet zonder meer rechtvaardigen dat voor de betrokken werknemer geen integriteitsverklaring wordt afgegeven. Die verklaring gaat immers om gedrag in de uitoefening van werkzaamheden voor het bancaire bedrijf als bedoeld in de Integriteitscode en de daarin genoemde richtlijnen (op het gebied van privacy van cliënten, rassendiscriminatie, koersgevoelige informatie, privé beleggingstransacties en hypothecaire kredieten). (…)

11. Voor een onderzoek naar de integriteit van [eiser] is in deze procedure geen aanleiding, aangezien het er (zoals ABN AMRO zelf terecht heeft benadrukt) niet om gaat of [eiser] al dan niet integer was, maar of de twijfel aan zijn integriteit in redelijkheid terecht was. Dat had ABN AMRO moeten onderzoeken alvorens te (kunnen) weigeren de integriteitsverklaring af te geven. De resultaten van dat onderzoek had zij dan kant en klaar in deze procedure kunnen (en moeten) inbrengen. De brief van 28 juli 2005 heeft zijn uitwerking allang gehad en het kwaad voor [eiser] is dus reeds geschied. Toetsing van het gedrag van [eiser] achteraf zal in de premature handelwijze van ABN AMRO geen verandering meer kunnen brengen. Voor een bewijsopdracht aan ABN AMRO met betrek-king tot de gedragingen van [eiser] is daarom helemaal geen aanleiding.”

2.6

Bij exploot van 29 november 2006 heeft ABN AMRO hoger beroep ingesteld. ABN AMRO heeft tien grieven naar voren gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [eiser] zal afwijzen met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure in beide instanties. Bij memorie van antwoord heeft [eiser] de door ABN AMRO geformuleerde grieven bestreden en producties overgelegd. Beide partijen hebben de zaak laten bepleiten waarna arrest is gevraagd.

2.7

Op 7 oktober 2008 heeft het hof Amsterdam tussenarrest gewezen. Het hof heeft, anders dan de kantonrechter, tot uitgangspunt genomen dat het antwoord op de vraag of [eiser] integer was in de zin van de Integriteitscode niet in het midden kan blijven (zie weergave van dit tussenarrest in rov. 1.14. van het arrest na verwijzing). Het hof overwoog daartoe als volgt:

“4.4 Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat het antwoord op de vraag of [eiser] integer was in de zin van de code niet in het midden kan blijven. Als [eiser] , zoals ABN AMRO stelt, niet integer was in de door de code bedoelde zin, heeft ABN AMRO de afgifte van de integriteitsverklaring terecht geweigerd. Als [eiser] wel integer was, heeft ABN AMRO de verklaring ten onrechte niet afgegeven. Mocht dit laatste het geval blijken dan kan ABN AMRO zich er niet op beroepen dat zij goede gronden had om aan de integriteit van [eiser] te twijfelen. ABN AMRO heeft immers, anders dan van haar in geval van twijfel aan Jansens integriteit verwacht had mogen worden, geen deugdelijk onderzoek naar de integriteit van [eiser] verricht alvorens de brief van MeesPierson van 12 mei 2005 te beantwoorden. Een deugdelijk onderzoek vereiste in ieder geval dat [eiser] in de gelegenheid was gesteld om te reageren op de hem door ABN AMRO in het kader van zijn integriteit gemaakte verwijten. Daarvan is, zoals [eiser] onweersproken heeft gesteld, geen sprake geweest. (…)”

2.8

Het hof heeft in het genoemde tussenarrest van 7 oktober 2008 vervolgens de door ABN AMRO aan [eiser] gemaakte verwijten (genummerd a t/m i en 1 t/m 4) onderzocht (zie weergave van dit tussenarrest in rov. 1.14. van het arrest na verwijzing). Het hof heeft de verwijten als volgt weergegeven:

“4.5 ABN AMRO heeft (in haar conclusie van antwoord onder 21) een aan-tal feiten en omstandigheden genoemd, die volgens haar voorbeelden zijn van niet integer gedrag van [eiser] . Het betreft hier – kort weergegeven – :

a. [eiser] gaf medewerkers plots, ongevraagd en zonder aanwijsbare grond promoties of salarisverhogingen, naar de indruk van die medewerkers om hun loyaliteit te “kopen”.

b. [eiser] stond bevriende relaties toe verder “rood te staan” dan volgens de richtlijnen van ABN AMRO was toegelaten en droeg medewerkers op om in strijd met die richtlijnen zodanige administratieve kunstgrepen toe te passen dat zijn toezegging aan die relatie kon worden uitgevoerd.

c. [eiser] liet zijn secretaresse een jaar lang rijden in een door de bank geleasede auto en gebruikte zijn naam en functie bij ABN AMRO om te bewerkstelligen dat een bevriende relatie een door ABN AMRO gesponsorde auto kreeg.

d. [eiser] manipuleerde en loog regelmatig, bijvoorbeeld door tegen A te zeggen dat B hem iets over A had verteld wat bij navraag niet gezegd was.

e. [eiser] gebruikte stelselmatig bankfaciliteiten ten gunste van vrienden en kennissen.

f. In december 2003 probeerde [eiser] – via het lid van het managementteam [betrokkene 2] – te bewerkstelligen dat verzekeringscontracten van een ander filiaal van ABN AMRO werden overgeheveld naar het kantoor aan de Apollolaan omdat [eiser] zijn doelstelling niet had gehaald.

g. In diezelfde maand droeg [eiser] een medewerker op € 4.000,- als overeengekomen verzekeringspremie te boeken, terwijl de desbetreffende verzekeringsovereenkomst nog niet tot stand gekomen was en ook niet tot stand gekomen is.

h. [eiser] toonde een “chronisch” gebrek aan respect voor medewerkers.

i. Medio 2004 dwong [eiser] een accountmanager een nog niet overeengekomen lening van € 5 miljoen te boeken alsof deze al was overeengekomen.

ABN AMRO wijst ter onderbouwing van haar stelling dat het gedrag van [eiser] niet integer was voorts op 1) de gang van zaken die volgens haar aanleiding was tot de tweede heisessie, 2) de gang van zaken met betrekking tot een email van het managementteamlid [betrokkene 3] , 3) het feit dat tijdens de onderhandelingen op 26 augustus 2004 bleek dat [eiser] in strijd met de daarvoor geldende regels interne stukken van ABN AMRO thuis had en 4) “chantage” door [eiser] tijdens dat zelfde gesprek op 26 augustus 2004.”

2.9

Het hof Amsterdam heeft in het tussenarrest van 7 oktober 2008 ten aanzien van de verwijten sub (a), sub (c) voor zover het betrekking heeft op het een jaar lang laten rijden van de secretaresse van [eiser] in een door ABN AMRO geleasede auto, sub (1) en sub (2) geoordeeld dat dit naar zijn aard geen gedrag betreft waarop de Integriteitscode ziet (zie rov. 4.7, 4.9 en 4.16 van het tussenarrest en de weergave van dit tussenarrest in rov. 1.14. van het arrest na verwijzing). Deze overwegingen zijn niet bestreden (zie rov. 5. van het arrest na verwijzing). Aangaande verwijt sub (h) is in het tussenarrest van 7 oktober 2008 geoordeeld dat het gestelde onvoldoende is om de verklaring te weigeren (rov. 4.15).

2.10

In het tussenarrest van 7 oktober 2008 heeft het hof ABN AMRO toegelaten tot bewijs met betrekking tot verwijten sub (b), sub (f) en sub (4) (rov. 4.8, 4.13 en 4.18). Aangaande verwijt (c) voor zover het ziet op het bewerkstelligen dat een bevriende relatie een door ABN AMRO gesponsorde auto kreeg, verwijt sub (g) en verwijt sub (i) heeft het hof ABN AMRO in de gelegenheid gesteld een akte te nemen of opgave te doen van te horen getuigen (rov. 4.9 en 4.14).

2.11

Op 19 februari 2009 zijn [betrokkene 4] (arbeidsrechtjurist in dienst van ABN AMRO) en [betrokkene 5] (destijds commercieel medewerker ABN AMRO) als getuigen gehoord met betrekking tot verwijt sub (4). Op 3 juli 2009 is [eiser] (als partij-getuige) gehoord met betrekking tot verwijt sub (4).

2.12

Bij tussenarrest van 2 november 2010 heeft het hof ABN AMRO niet geslaagd geacht in het bewijs van verwijt sub (4) (rov. 2.5). Deze overweging is onbestreden gebleven (vergelijk rov. 6. van het arrest na verwijzing).

2.13

Op 20 januari 2011 zijn [betrokkene 3] (destijds manager particulieren ABN AMRO), [betrokkene 2] (destijds manager financieel advies ABN AMRO), [betrokkene 6] (destijds manager adviesdesk zakelijk ABN AMRO), [betrokkene 7] (accountmanager ABN AMRO) en [betrokkene 8] (destijds preferred banker ABN AMRO) als getuigen gehoord over verwijten sub (b) en sub (f). Op 25 juli 2011 is [eiser] als getuige gehoord over verwijten sub (b) en sub (f).

2.14

Bij tussenarrest van 27 maart 2012 is ABN AMRO in de gelegenheid gesteld een akte over verwijten sub (c) (tweede gedeelte), sub (g) en sub (i) te nemen.

2.15

Bij eindarrest van 12 februari 2013 heeft het hof in rov. 2.3 overwogen dat ABN AMRO in haar akte te kennen heeft gegeven af te zien van bewijslevering met betrekking tot het tweede gedeelte van verwijt sub (c) (met betrekking tot het bewerkstelligen dat een bevriende relatie een door ABN AMRO gesponsorde auto kreeg). Deze overweging is onbestreden gebleven (vergelijk rov. 6. van het arrest na verwijzing).

2.16

In het eindarrest heeft het hof met betrekking tot de verwijten (b), (f), (g) in samenhang met (i) als volgt geoordeeld (rov. 2.7, 2.10-2.11 en 2.18-2.19):

“2.7 (…) [eiser] betwist niet dat volgens de daarvoor destijds bij ABN AMRO bestaande richtlijnen geen kredietfaciliteit verstrekt mocht worden aan particulieren die als slechte betaler geregistreerd stonden bij het BKR. Dat betekent dat [eiser] , anders dan hij heeft gedaan, niet aan [betrokkene 8] had mogen vragen [betrokkene 10] een particulier krediet te verstrekken. Dat [eiser] dat wel heeft gedaan is afkeuringswaardig maar betekent niet dat ABN AMRO [eiser] enkel op grond hiervan niet-integer gedrag kan verwijten in de zin van de code en het afgeven van een integriteitsverklaring heeft mogen weigeren. Niet alleen heeft [eiser] het onderhavige krediet niet zelf verstrekt maar heeft [betrokkene 8] dat gedaan – die kennelijk geen aanleiding heeft gezien zijn direct-leidinggevende [betrokkene 3] te raadplegen over de vraag of het krediet wel mocht worden verleend – maar bovendien gaat het om één geval – en heeft [eiser] niet stelselmatig bevriende relaties kredietfaciliteiten verleend in strijd met de daarvoor bestaande richtlijnen, zoals ABN AMRO aanvankelijk suggereerde – en betreft het een krediet tot een zeer beperkt bedrag. Van belang is ook dat uit de verklaring [betrokkene 8] niet blijkt dat [eiser] hem onder druk heeft gezet tot kredietverlening over te gaan. (…)

2.10

Het hof acht het op grond van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] genoegzaam bewezen dat [eiser] eind 2003 [betrokkene 2] heeft gevraagd [betrokkene 9] te bellen over het overhevelen van omzet uit de verkoop van verzekeringen en dat hij in hun bijzijn een telefoongesprek over het overhevelen van omzetten heeft gevoerd toen [betrokkene 2] niet op zijn verzoek wilde ingaan. (…)

2.11

Ook dit gedrag van [eiser] is niet erg gelukkig, maar ook hier geldt dat dit de conclusie dat [eiser] niet integer was in de zin van de code en dat ABN AMRO op grond van dit gedrag gerechtigd was het afgeven van de integriteitsverklaring te weigeren, niet rechtvaardigt, ook niet in combinatie met het onder 2.7 omschreven gedrag. Uit de verklaringen van beide genoemde getuigen blijkt immers ook dat het overhevelen van omzet – zo dit technisch al mogelijk was – onmiddellijk zou zijn opgemerkt door de medewerkers van het kantoor Apollolaan. Niet voorstelbaar is daarom dat het daadwerkelijk tot overheveling van omzet zou zijn gekomen als [betrokkene 9] daarin had toegestemd. (…)

2.18

Anders dan ABN AMRO [eiser] verwijt, blijkt uit de thans nog in het geding gebrachte verklaringen niet dat [eiser] [betrokkene 7] heeft gedwongen een lening van € 7 miljoen te boeken in het RDW2 systeem. In de verklaring staat dat [eiser] [betrokkene 7] op enig moment belde met het verzoek een geldlening die door een van de medewerkers was “gescoord” nog dezelfde dag in het RDW systeem in te voeren en dat [eiser] wilde dat de lening nog zou worden meegenomen in de RDW-scores van die week. Vervolgens verklaart [betrokkene 7] : “Op zichzelf vond ik het verzoek van [eiser] niet bijzonder en ik voldeed er dan ook aan zonder vragen te stellen.” Uit niets blijkt dat [betrokkene 7] zich gedwongen voelde de lening in het RDW systeem te boeken of dat het desbetreffende verzoek van [eiser] bijzonder was. Integendeel, [betrokkene 7] zag geen aanleiding nadere vragen te stellen.

2.19

Zelfs als [eiser] een verzekeringspremie in het RDW systeem heeft laten boeken op een moment dat de desbetreffende verzekeringsovereenkomst nog niet was afgesloten of daarin een leningsovereenkomst heeft laten opnemen die nog niet definitief was, betekent dat nog niet dat [eiser] daarmee niet integer heeft gehandeld in de zin van de code. Het systeem voorzag immers in een correctie van onjuiste vermeldingen en was uitsluitend bedoeld voor een competitie tussen de verschillende filialen van ABN AMRO. Het al dan niet bewust aanleveren van onjuiste gegevens voor dit systeem valt niet onder de in Jansens professioneel functioneren te vergen integriteit, waar de code betrekking op heeft.”

2.17

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter aldus bekrachtigd.

2.18

ABN AMRO heeft op 13 mei 2013 cassatie ingesteld tegen het eindarrest. [eiser] is in het geding in cassatie niet verschenen. Mijn ambtsvoorganger Spier heeft op 28 februari 2014 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en het vonnis in prima, afwijzing van Jansens vorderingen en veroordeling van [eiser] in de kosten van drie instanties. Deze slotsom wordt in de conclusie als volgt toegelicht:

(i) het hof heeft in zijn tussenarrest van 7 oktober 2008 onbestreden geoordeeld dat ABN AMRO de afgifte van een integriteitsverklaring terecht heeft geweigerd als [eiser] niet integer was in de zin van de integriteitscode (randnummer 5.2);

(ii) onbegrijpelijk is (de redengeving van) het oordeel in het eindarrest van 12 februari 2013 dat de opdracht tot kredietverlening en het overhevelen van de verzekeringscontracten niet zouden getuigen van een gebrek aan integriteit (randnummers 4.5.1-4.7);

(iii) de conclusie moet luiden dat [eiser] niet integer in de zin van de integriteitscode heeft gehandeld en dat zijn vorderingen voor afwijzing gereed liggen (randnummer 5.3).

2.19

Bij arrest van 2 mei 2014 heeft Uw Raad het eindarrest vernietigd en het geding verwezen naar het hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. Daartoe overwoog Uw Raad:3

“3.3.1 Het middel bevat motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.2.4 aangehaalde oordelen [het betreft hier de hiervoor in 2.16 geciteerde overwegingen uit rov. 2.7, 2.10-2.11 en 2.19, A-G]. Met betrekking tot elk van die oordelen acht het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom het hof het desbetreffende gedrag niet heeft aangemerkt als strijdig met de Integriteitscode. Voorts klaagt het middel aan het slot van onderdeel 3.1 erover dat het hof zich niet kenbaar rekenschap heeft gegeven van de vraag of de bewezen geachte verklaringen in onderlinge samenhang, alsmede in samenhang met de overige, in rov. 4.5 van het eerste tussenarrest vermelde gedragingen, rechtvaardigen dat ABN AMRO het afgeven van de gevraagde integriteitsverklaring heeft geweigerd.

3.3.2

Het middel slaagt. Het hof diende, bij beantwoording van de vraag of ABN AMRO afgifte van de door Mees Pierson op de voet van de Integriteitscode verzochte verklaringen mocht weigeren, de relevante gedragingen van [eiser] niet alleen op zichzelf, maar mede in onderlinge samenhang te beoordelen. Daarbij gaat het niet alleen om de gedragingen die het hof in zijn eindarrest bewezen heeft geacht, maar ook om de gedragingen die het hof in zijn eerste tussenarrest heeft aangemerkt als onvoldoende om als grond te kunnen dienen voor het weigeren van de integriteitsverklaring, respectievelijk om [eiser] als niet-integer in de zin van de Integriteitscode te beschouwen. Gelet op een en ander is het bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd.”

2.20

Op 11 juni 2014 heeft ABN AMRO een oproep tot verder procederen aan [eiser] laten betekenen. Beide partijen hebben een memorie na verwijzing genomen, producties overgelegd, een akte genomen en de zaak laten bepleiten.

2.21

Op 15 september 2015 heeft het hof Den Haag arrest gewezen in de procedure na cassatie en verwijzing. Het hof heeft in rov. 1.1.-1.11. de feiten samengevat. Rov. 1.12.-1.15. behelzen een weergave van het procesverloop vóór verwijzing. Rov. 2. bevat een weergave van het arrest van Uw Raad. In rov. 3.-9. heeft het hof de omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing aangeduid. Het hof heeft in rov. 3. vooropgesteld dat het in deze procedure na verwijzing gaat om de vraag of [eiser] integer was in de zin van de Integriteitscode:

“3. Het gaat in dit hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad om de vraag of [eiser] integer was in de zin van de Integriteitscode. Als [eiser] niet integer was in die zin, heeft ABN AMRO de afgifte van de integriteitsverklaring terecht geweigerd. Als [eiser] wel integer was, heeft ABN AMRO de verklaring ten onrechte niet afgegeven. Deze door het hof Amsterdam in r.o. 4.4 van het eerste tussenarrest gehanteerde maatstaf is in cassatie niet bestreden, zodat dit hof deze maatstaf eveneens tot uitgangspunt zal dienen te nemen.”

2.22

Het verwijzingshof heeft in rov. 8.-9. geoordeeld dat het in deze zaak thans nog gaat om een zevental verwijten en dat deze in onderlinge samenhang dienen te worden beoordeeld. Het verwijzingshof overweegt in dat kader:

“8. Het gaat aldus om de gedragingen die – omwille van de leesbaarheid van onderhavig arrest – zijn hernoemd, als volgt:

i. [eiser] stond bevriende relaties toe verder “rood te staan” dan volgens de richtlijnen van ABN AMRO was toegelaten en droeg medewerkers op om in strijd met die richtlijnen zodanige administratieve kunstgrepen toe te passen dat zijn toezegging aan die relatie kon worden uitgevoerd.

ii. [eiser] gebruikte stelselmatig bankfaciliteiten ten gunste van vrienden en kennissen.

iii. In december 2013 probeerde [eiser] te bewerkstelligen dat verzekeringscontracten van een ander filiaal van ABN AMRO werden overgeheveld naar het kantoor Apollolaan omdat [eiser] zijn doelstelling niet had gehaald.

iv. [eiser] heeft in december 2003 een medewerker opgedragen om € 4.000,-- als overeengekomen verzekeringspremie te boeken, terwijl de desbetreffende verzekeringsovereenkomst nog niet tot stand was gekomen en ook niet tot stand gekomen is.

v. [eiser] dwong een accountmanager een nog niet overeengekomen lening van € 5 miljoen te boeken alsof deze al was overeengekomen.

vi. [eiser] toonde een “chronisch” gebrek aan respect voor medewerkers.

vii. Tijdens de onderhandelingen over zijn vertrek bij ABN AMRO op 26 augustus 2004 bleek dat [eiser] , in strijd met de daarvoor geldende regels, interne stukken van ABN AMRO thuis had.

9. Het hof dient “de relevante gedragingen van [eiser] niet alleen op zichzelf, maar mede in onderlinge samenhang te beoordelen”. Het gaat om het totaalbeeld dat ontstaat. Daarbij kan niet worden afgezien van het (ook) opnieuw wegen van de afzonderlijke gedragingen op zichzelf. Immers, deze gedragingen vormen geen gelijksoortige eenheden met identiek soortelijk gewicht, waarbij het na verwijzing volstaat de eerder – in dit geval: door hof Amsterdam – afzonderlijk gewogen eenheden op te tellen om tot een totaal(beeld) te komen.”

2.23

In rov. 10.-18. is het verwijzingshof ingegaan op de betekenis van het begrip ‘integriteit’ in de zin van de Integriteitscode. Het verwijzingshof heeft vooropgesteld dat in de considerans van de code het belang van integriteit wordt onderstreept en in het kader wordt geplaatst van de adequate vervulling van de belangrijke rol die het bankwezen in het economisch en maatschappelijk bestel speelt (rov. 11.-14.). Een stijl van leidinggeven die gepaard gaat met manipuleren, liegen en het bevoordelen van vrienden en relaties kan volgens het verwijzingshof in dat licht worden gekenschetst als niet integer als bedoeld in de code (rov. 15.). Het verwijzingshof is met A-G Spier van oordeel dat van medewerkers in de financiële wereld (en al helemaal van leidinggevenden in die wereld) mocht en mag worden verwacht dat ze op een eerlijke en openhartige wijze omgaan met (kort gezegd) de aan hun zorgen toevertrouwde belangen en dat zij zich ook overigens op zodanige wijze gedragen dat de financiële instelling, de toezichthouder en derden aan hun handelingen redelijkerwijs geen aanstoot moeten kunnen nemen (rov. 16.) Een sluitende, afgebakende definitie van integriteit in de zin van de code acht het verwijzingshof niet goed denkbaar. Het verwijzingshof zoekt voor de invulling ook aansluiting bij art. 3:12 BW (rov. 17.).

2.24

Vervolgens heeft het verwijzingshof in rov. 20.-50. de diverse afzonderlijke verwijten beoordeeld. Het hof heeft de verwijten (i) (het toestaan van de rood stand), (iii) (de overheveling van een verzekeringscontract), (v) (het inboeken van de geldlening) en (vii) (het thuis hebben van interne stukken) gegrond geacht. Het hof heeft daartoe overwogen als volgt (rov. 24.-25., 32.-33., 42.-44. en 50.):

Ad i. (…)

24. Het hof is van oordeel dat [eiser] , door [betrokkene 8] te vragen om, in strijd met de binnen ABN AMRO bestaande richtlijnen, aan [betrokkene 10] een aanvullend privékrediet te verstrekken, verwijtbaar heeft gehandeld. [eiser] was weliswaar bevoegd om zonodig een kredietverlening in afwijking van de richtlijnen door te drukken, maar gesteld noch gebleken is dat hij dat – op een passende wijze – heeft gedaan. [eiser] had gezien de wetenschap dat nadere kredietverlening volgens deze richtlijnen niet mogelijk was en de afwijzende reactie van [betrokkene 3] op zijn verzoek, er van af moeten zien om [betrokkene 8] , kennelijk met opzet buiten [betrokkene 3] om, te verzoeken het krediet (snel) te verlenen. [betrokkene 8] was ondergeschikte van [eiser] en voelde kennelijk enige druk – zij het geen dwang – om het krediet te verlenen, nu hij heeft verklaard: “Ik weet wel dat het verzoek van [eiser] kwam en dat het krediet snel moest worden verleend. Ik kende de achtergronden van [betrokkene 10] niet maar omdat [eiser] directeur van het kantoor was heb ik toch het krediet ver[s]trekt”. Dat [betrokkene 8] uiteindelijk ook een verantwoordelijkheid inzake de kredietverlening aan [betrokkene 10] droeg, doet aan dit verwijt niet af.

25. Dit verwijt ziet op de zuiverheid en betrouwbaarheid van handelen die van een directeur als [eiser] mocht worden verwacht. Het is, volledig op zichzelf beschouwd, echter van onvoldoende gewicht om van niet-integer handelen in de zin van de Integriteitscode te spreken. (…)

Ad iii. (…)

32. Na bewijslevering heeft hof Amsterdam in r.o. 10 van zijn eindarrest bewezen geacht dat [eiser] eind 2003 [betrokkene 2] , bankemployee, heeft gevraagd [betrokkene 9] , directeur van de vestiging te Hoofddorp van ABN AMRO, te bellen over het overhevelen van omzet uit de verkoop van verzekeringen – hof: van dat kantoor naar kantoor Amsterdam-Zuid – en dat hij in hun bijzijn een telefoongesprek over het overhevelen van omzetten heeft gevoerd toen [betrokkene 2] niet op zijn verzoek wilde ingaan. Hof Amsterdam acht ook aannemelijk dat dit gesprek door [eiser] is gevoerd met [betrokkene 9] . Deze bewezenverklaring is in cassatie niet met succes bestreden. Dit oordeel is daarom na verwijzing uitgangspunt.

33. Het hof acht de handelwijze van [eiser] ongepast en ernstig verwijtbaar. Met de door [eiser] gevraagde overheveling werd beoogd een vals beeld te geven van de omzet van de kantoren te Amsterdam-Zuid en Hoofddorp. Dat is ongepast. Een poging om [betrokkene 9] daarin te betrekken is op zichzelf ook ongepast. Voorts is ook het verzoek aan [betrokkene 2] , een ondergeschikte, om [betrokkene 9] met dat doel te bellen, ongepast. Daar komt bij dat [betrokkene 2] dat toen ook zo heeft ervaren, waar hij onder ede heeft verklaard: “[i]k vond die opdracht niet passend en niet normaal omdat die frauduleus was en een verkeerd beeld zou geven voor de medewerkers”. (…)

Ad iv. en v. (…)

42. [eiser] stelt dat de overeenkomst van geldlening van € 7 miljoen tot stand is gekomen doordat de klant de – door de Kredietcommissie geaccordeerde – offerte van ABN AMRO mondeling had geaccepteerd. Deze mondelinge toezegging vond [eiser] voldoende om de overeenkomst in RSS4 in te voeren, naar het hof aanneemt: in de week waarin de mondelinge acceptatie plaatsvond. Het hof verwerpt deze stellingen. Immers, de lening is gesloten met Bouwfonds – destijds een 100% dochter van ABN AMRO – en dus niet met het filiaal van [eiser] . Dat erkent [eiser] : de lening was bij Bouwfonds ondergebracht, omdat Bouwfonds over relevante gespecialiseerd[e] kennis beschikte. [eiser] verklaart echter niet hoe dit zich dan verhoudt tot de aan hem gerichte mondelinge acceptatie van zijn offerte (kantoor Amsterdam-Zuid van ABN AMRO). Gesteld noch gebleken is dat deze offerte en de daarop gerichte mondelinge acceptatie zagen op een overeenkomst met Bouwfonds. Evenmin is onderbouwd waarom deze overeenkomst voor RSS als een door kantoor Amsterdam-Zuid gerealiseerde verkoop heeft te gelden.

43. Door het niettemin invoeren in RSS van de gerealiseerde overeenkomst van de geldlening van € 7 miljoen is een valse voorstelling van zaken gegeven van de prestaties van kantoor Amsterdam-Zuid in de betreffende week. Dit is verwijtbaar en niet integer.

44. Het feit dat het hier om een competitie tussen filialen/kantoren gaat, en ABN AMRO geen (financiële) schade heeft geleden, is wel van belang voor de mate van verwijtbaarheid, maar neemt deze niet weg. Het feit dat interne audits niets onoorbaars hebben opgeleverd werpt geen ander licht op de zaak. (…)

Ad vii. (…)

50. [eiser] heeft niet betwist dat tijdens de onderhandelingen over zijn vertrek bij ABN AMRO op 26 augustus 2004 is gebleken dat hij interne stukken van ABN AMRO thuis had, en dat dit in strijd was met de daarvoor geldende regels. Deze handelwijze van [eiser] is onzorgvuldig en verwijtbaar. Er is echter onvoldoende gesteld om te oordelen dat deze handelwijze, volledig op zichzelf beschouwd, van voldoende gewicht is om als niet integer in de zin van de Integriteitscode te worden beschouwd. Deze handelwijze telt echter wel mee in het hierna te beoordelen totaalbeeld. (…)”

2.25

Het verwijzingshof heeft verwijt (ii) (stelselmatig gebruik van bankfaciliteiten ten gunste van vrienden en kennissen) als ongegrond beoordeeld en is ten aanzien van verwijt (iv) (het inboeken van de verzekeringspremie) en verwijt (vi) (het gebrek aan respect voor medewerkers) tot het oordeel gekomen dat nadere bewijslevering zou dienen plaats te vinden (rov. 28.-30., 41. en 47.):

Ad ii. (…)

28. (…) Echter het gaat het hof te ver daaraan de conclusie te verbinden dat deze client treatments geen (relevant) zakelijk doel [is] toe te dichten, maar als privé festiviteiten [zijn] aan te merken. Het is immers goed denkbaar dat deze client treatments bedoeld zijn als een zakelijke netwerkactiviteit. Dat bepaalde klanten daarvoor bij herhaling zijn uitgenodigd, dat – bijvoorbeeld – het hotel zich niet in het marktgebied Amsterdam-Zuid bevindt, en dat [eiser] sterke banden heeft met de eigenaren van het hotel, is, zonder bijkomende omstandigheden, die niet zijn gesteld, niet een aanwijzing dat dit anders is. De persoonlijke overtuiging van [betrokkene 3] dat de sponsoring nooit tot stand zou zijn gekomen zonder bedoelde persoonlijke band, welke overtuiging verder niet is toegelicht, maakt dit ook niet anders. Een andere kwestie is of deze client treatments succesvol waren, of niet. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden geoordeeld dat [eiser] ter zake van deze kwestie verwijtbaar heeft gehandeld.

29. Het hof is voorts van oordeel dat de kwestie van de parkeerplaatsen wel verwijtbaar is, in de zin van onzorgvuldig personeelsbeleid/slecht werkgeverschap, maar naar de aard geen kwestie die de integriteit van [eiser] in de hier aan de orde zijnde zin betreft.

30. Met betrekking tot het verwijt over de benadering/bejegening van de binnenhuisarchitecte leest het hof het gestelde anders dan hof Amsterdam. ABN AMRO heeft immers niet gesteld dat deze architecte werkzaamheden voor ABN AMRO en [eiser] had verricht. Bij de (juiste lezing van de) stellingname van ABN AMRO is, zo die stellingname juist is, geen sprake van niet integer gedrag, nu daarmee nog niet is gezegd dat het de serieuze bedoeling van [eiser] was de opdrachtverlening door ABN AMRO afhankelijk te stellen van een zacht prijsje voor hemzelf.

Ad iv. en v. (…)

41. [eiser] stelt dat de overeenkomst met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering mondeling/telefonisch tot stand is gekomen – naar het hof begrijpt: uiterlijk in de week waarin deze als verkoop in RSS5 werd geregistreerd – en hij vervolgens een verzekeringsadviseur naar de klant heeft gestuurd om de overeenkomst administratief af te ronden. Als de overeenkomst als beschreven mondeling en rechtsgeldig tot stand is gekomen – ABN AMRO betwist dit – is de verkoop terecht in RSS ingevoerd. ABN AMRO die de bewijslast van haar stellingen ter zake draagt heeft een concreet bewijsaanbod gedaan. Aan bewijslevering komt het hof echter niet toe gezien hetgeen hierna in r.o. 51 wordt geoordeeld. (…)

Ad vi. (…)

47. Naar het oordeel van het hof zijn de beschuldigingen dat [eiser] sollicitanten schoffeert, werknemers willekeurig voor ontslag voordraagt en zonder overleg schuift in organigrammen, te weinig geconcretiseerd. Het hof gaat daaraan voorbij. Als de respectloze aanduiding van collega’s heeft plaatsgevonden zoals ABN AMRO stelt, dan is dit respectloos en verwijtbaar. ABN AMRO die de bewijslast van haar stellingen ter zake draagt heeft een concreet bewijsaanbod gedaan. Aan bewijslevering komt het hof echter niet toe gezien hetgeen hierna in r.o. 51 wordt geoordeeld. (…)”

2.26

Het verwijzingshof is daarna toegekomen aan de beoordeling van het totaalbeeld dat de verwijten oproepen. Het verwijzingshof is daarbij tot het oordeel gekomen dat [eiser] niet integer is in de zin van de Integriteitscode, dat ABN AMRO de afgifte van de integriteitsverklaring om die reden terecht heeft geweigerd en dat verdere bewijslevering met betrekking tot de verwijten (iv) en (vi) daarom achterwege kan blijven. Het verwijzingshof overweegt als volgt (rov. 51.-52.):

Totaalbeeld verwijten

51. Uit het voorgaande, in onderlinge verband en samenhang bezien, volgt dat [eiser] niet integer is in de zin van de Integriteitscode. Dat geldt los van de vraag hoe bewijslevering als bedoeld in rechtsoverwegingen 44 en 506 zou uitpakken. [eiser] heeft (het doel/oogmerk van) genoemde regels en richtlijnen van ABN AMRO geschonden/miskend door, waar het hem zo uitkwam, bewust een valse of vertekende voorstelling van zaken te geven. [eiser] heeft getracht collega’s en/of ondergeschikten daarin actief te betrekken. Dat is, gelet op de leidinggevende- (en dus voorbeeldfunctie) die [eiser] bekleedde ernstig verwijtbaar en geeft blijk van niet betrouwbaar en niet openhartig gedrag.

52. Als gezegd is de consequentie die daaraan na verwijzing moet worden verbonden dat ABN AMRO de afgifte van de integriteitsverklaring terecht heeft geweigerd (zie r.o. 3).”

2.27

Tot slot heeft het verwijzingshof op grond van de devolutieve werking van het appel de overige stellingen en weren van [eiser] beoordeeld. Die stellingen kunnen [eiser] - hoewel ABN AMRO niet op alle punten heeft gehandeld zoals van haar mocht worden verwacht - naar ’s hofs oordeel niet baten. Daarbij is onder meer van belang dat het [eiser] ten tijde van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met ABN AMRO duidelijk moet zijn geweest dat de bank hem serieuze verwijten maakte op het gebied van integriteit. Het hof overweegt (rov. 53.-54.):

“53. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof de overige stellingen en weren van [eiser] beoordelen.

54. Naar het oordeel van het hof heeft ABN AMRO met het verzenden van de brief van 28 juli 2005 niet gehandeld in strijd met art. 4 van de beëindigingsovereenkomst. In die bepaling is duidelijk vermeld dat van de daar geregelde geheimhouding (onder meer) zijn uitgezonderd de verplichtingen op grond van de Integriteitscode, zoals in het onderhavig geding aan de orde. Ook kan niet worden geoordeeld dat ABN AMRO door het verzenden van die brief onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . [eiser] heeft – gelet op het traject dat heeft geleid tot de beëindigingsovereenkomst – er in redelijkheid niet zonder meer op mogen vertrouwen dat ABN AMRO hem een dergelijke verklaring zou verstrekken. Dit wordt niet anders door het enkele feit dat ABN AMRO hem een positief (door [betrokkene 1] medeondertekend) getuigschrift heeft verstrekt en ABN AMRO hem eerst na verloop van tijd – toen escalatie blijkbaar niet meer te vermijden viel – heeft aangesproken op zijn gedrag. Het moet [eiser] immers ten tijde van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst duidelijk zijn geweest dat de bank hem serieuze verwijten maakte op het gebied van integriteit. Dat derden door dit getuigschrift op het verkeerde been konden worden gezet is ABN AMRO te verwijten, maar maakt niet dat [eiser] – tegen beter weten in – hieraan verwachtingen kan ontlenen. Ook het feit dat ABN AMRO voor het verzenden van de brief geen hoor- en wederhoor heeft toegepast, of [eiser] omtrent haar voornemen heeft geïnformeerd maakt niet dat moet worden geoordeeld dat de bank onrechtmatig heeft gehandeld in de door hem verdedigde zin. Overigens, volledig ten overvloede, zij opgemerkt dat het voorgaande niet wegneemt dat van ABN AMRO had mogen worden verwacht om – in het traject dat heeft geleid tot de beëindigingsovereenkomst – expliciet te maken dat (desgevraagd) geen integriteitsverklaring zou worden verstrekt, ook indien er bij ABN AMRO de verwachting bestond dat [eiser] niet in de bankwereld zou terugkeren. Een dergelijke mededeling had mogelijk tot een andere – voor [eiser] financieel gunstigere – uitkomst van de onderhandelingen geleid. Echter, op deze situatie gerichte stellingen en vorderingen van [eiser] ontbreken.”

2.28

Het verwijzingshof heeft op deze gronden in zijn arrest van 15 september 2015 het vonnis van de kantonrechter d.d. 13 september 2006 vernietigd en de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen. Het hof overweegt daartoe in rov. 56.:

“56. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. Het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [eiser] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en het hoger beroep. De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd.”

2.29

[eiser] heeft bij cassatiedagvaarding van 11 december 2015 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 7 oktober 2008 en het arrest van het hof Den Haag van 15 september 2015. ABN AMRO heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten. Namens [eiser] is gerepliceerd.

3 Ontvankelijkheid cassatieberoep

3.1

Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad dient ambtshalve te worden beoordeeld of een rechtsmiddel tijdig is ingesteld.7 Naar mijn mening heeft [eiser] niet binnen de daarvoor geldende termijn cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 7 oktober 2008. Ik concludeer daarom dat [eiser] in zoverre niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Ik licht dit toe.

3.2

Op grond van art. 402 Rv dient het cassatieberoep (behalve als de wet een kortere termijn voorschrijft) binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag van de uitspraak te worden ingesteld. In het geval van een tussenarrest (waarbij geen voorlopige voorziening is toegestaan) kan het beroep in cassatie (behoudens toestemming van de appelrechter voor tussentijds cassatieberoep) slechts tegelijk met beroep tegen het eindarrest worden ingesteld (art. 401a lid 2 Rv). De verweerder die zelf (de wettekst vermeldt: ‘van zijn zijde’) in cassatie wenst te komen, dient dit, op straffe van verval van recht, te doen bij zijn conclusie van antwoord in cassatie (art. 410 lid 1 Rv).

3.3

In het dictum van het arrest van het hof Amsterdam van 7 oktober 2008 zijn geen beslissingen omtrent enig gedeelte van het gevorderde vervat. Het betreft daarom een zuiver tussenarrest.8 Het hof Amsterdam heeft echter bij arrest van 12 februari 2013 wel beslist op het gevorderde. Het dictum van dit arrest vermeldt immers dat het vonnis van de kantonrechter van 13 september 2006 (waarmee de vorderingen van [eiser] waren toegewezen) wordt bekrachtigd. Dit betekent dat op dat moment een termijn van drie maanden aanving om tegen de arresten van het hof Amsterdam (behalve het eindarrest van 12 februari 2013 gaat het om tussenarresten van 7 oktober 2008, 2 november 2010 en 27 maart 2012) in cassatie op te komen. ABN AMRO heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Het stond [eiser] vervolgens vrij bij conclusie van antwoord in cassatie zijnerzijds bezwaren aan te voeren tegen de uitspraken van het hof Amsterdam. Dit heeft hij nagelaten. [eiser] is in de bedoelde cassatieprocedure niet verschenen. Dit betekent dat [eiser] niet meer kan opkomen tegen het (tussen)arrest van het hof Amsterdam van 7 oktober 2008.

3.4

Ik concludeer daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen het arrest van het Hof Amsterdam van 7 oktober 2008.

3.5

Het cassatieberoep is wel tijdig (want binnen drie maanden na de uitspraak) ingesteld voor zover het zich richt tegen het arrest na verwijzing van het hof Den Haag van 15 september 2015. Hierna bespreek ik de tegen dat arrest gerichte klachten.

4 Bespreking van de cassatieklachten

4.1

Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding en vijf onderdelen.

4.2

Het eerste onderdeel valt uiteen in drie afzonderlijke subonderdelen.

4.3

In het eerste subonderdeel (cassatiedagvaarding 1.1-1.6) wordt naar de kern betoogd dat het in deze zaak in acht te nemen toetsingskader niet wordt gevormd door de Integriteitscode. Volgens [eiser] vormt deze Integriteitscode slechts een norm tussen banken onderling. In de verhouding tussen ABN AMRO en [eiser] zou het toetsingskader daarom primair worden gevormd door de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst. Het tweede subonderdeel (cassatiedagvaarding 1.8) verdedigt dat het hof, mede gezien art. 25 Rv, het beginsel van goed werkgeverschap in zijn beoordeling had moeten betrekken. In het derde subonderdeel (cassatiedagvaarding 1.9-1.10) wordt bepleit dat de Integriteitscode geen verplichting bevat om uitlatingen te doen over de reden van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [eiser] meent dat het hof daarom zijn stelling had moeten honoreren dat ABN AMRO de geheimhoudingsbepaling uit de beëindigingsovereenkomst heeft geschonden.

4.4

Het eerste subonderdeel is naar mijn mening reeds om processuele redenen vergeefs voorgesteld. In een procedure na cassatie en verwijzing die volgt op een vernietiging van een einduitspraak is de verwijzingsrechter gebonden aan alle in de vernietigde uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of vergeefs zijn bestreden.9, 10 De in cassatie onbestreden overwegingen hebben immers kracht van gewijsde verkregen en de in cassatie vergeefs bestreden beslissingen zijn onaantastbaar geworden door het arrest van de Hoge Raad.11 De verwijzingsrechter is slechts in twee gevallen niet aan een eerdere eindbeslissing gebonden, namelijk als de eindbeslissing vanwege de vernietiging in cassatie niet in stand is gebleven (art. 424 Rv) of als in cassatie tegen de eindbeslissing is opgekomen en de gegrondheid van die klacht in het midden is gelaten.12

4.5

In de onderhavige zaak heeft het hof Amsterdam (vóór verwijzing) geoordeeld dat niet in het midden kan blijven of [eiser] integer was in de zin van de code, dat ABN AMRO de afgifte van de integriteitsverklaring terecht heeft geweigerd als [eiser] niet integer was in de door de code bedoelde zin en dat ABN AMRO de verklaring ten onrechte niet heeft afgegeven als [eiser] wel integer was (tussenarrest 7 oktober 2008, rov. 4.4). De beslissing van het hof Amsterdam houdt dus in dat het toetsingskader wordt gevormd door de Integriteitscode. Dit oordeel is in de eerste cassatiezaak niet bestreden. Dit betekent dat het Haagse hof (zoals dat hof in rov. 3. van het arrest na verwijzing terecht heeft geoordeeld) als verwijzingsrechter aan dit toetsingskader was gebonden.

4.6

Het beroep op de rechtsregel over de bevoegdheid van de rechter om terug te komen op een bindende eindbeslissing in een tussenuitspraak (repliek in cassatie randnummer 3) kan [eiser] naar mijn mening niet baten. Deze rechtsregel houdt in dat de rechter aan wie gebleken is dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, bevoegd is om (nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen om zich hierover uit te laten) over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing.13 Naar het oordeel van Uw Raad vindt deze rechtsregel echter geen overeenkomstige toepassing in een procedure na cassatie en verwijzing.14

4.7

Overigens komt het eerste subonderdeel mij ook materieel ongegrond voor. De verwijten van [eiser] hebben betrekking op de brief van 28 juli 2005 waarin ABN AMRO aan MeesPierson meedeelt dat de integriteitsverklaring niet kan worden verleend en ingaat op de (achter-)gronden van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het gaat in deze zaak dus om de vraag of berichtgeving tussen de banken ABN AMRO en MeesPierson onderling door de beugel kan. De toepasselijkheid van de (tussen banken onderling geldende) Integriteitscode is daarmee gegeven. Ook in de contractuele verhouding tussen ABN AMRO en [eiser] is onderkend dat ABN AMRO de Integriteitscode dient te respecteren. Overeengekomen is immers dat de geheimhoudingsbepaling geen toepassing vindt wanneer een (wettelijke) verplichting, bijvoorbeeld gebaseerd op de Wet Toezicht Effectenverkeer of de Integriteitscode van de NVB, partijen tot een andere opstelling noodzaak (hiervoor 1.5).

4.8

Subonderdeel 1.1 is op de voornoemde gronden vergeefs voorgesteld.

4.9

Subonderdeel 1.2 (cassatiedagvaarding 1.8) verdedigt dat het hof het beginsel van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) in zijn beoordeling had dienen te betrekken bij de beantwoording van de vraag of ABN AMRO de informatie, vervat in de brief van 28 juli 2005, aan MeesPierson had mogen verstrekken.

4.10

In randnummer 13 van de schriftelijke toelichting wijst [eiser] ter onderbouwing op randnummer 30 van de inleidende dagvaarding en randnummers 5, 9 en 29 van de conclusie van repliek. Deze (hierna geciteerde) stellingen zien echter met name op de weigering van ABN AMRO om de integriteitsverklaring te verstrekken. Zij hebben geen betrekking op de inhoud van de brief van 28 juli 2005:

- Inleidende dagvaarding randnummer 30:

“30. Met andere woorden: [eiser] hoefde er nooit vanuit te gaan dat de integriteitsverklaring niet zou worden afgegeven, anders dan wat ABN AMRO en MeesPierson hebben gesteld. Over het bevoordelen van bepaalde relaties – hetgeen ABN AMRO [eiser] tijdens het kort geding opeens verweet – is in het kader van de onderhandelingen helemaal nooit gesproken. Dit is aan de orde geweest tijdens het MT-overleg van 21 juli 2004, waarvoor [eiser] niet [is] uitgenodigd was. Op het verslag van dat overleg is door de gemachtigde van [eiser] uitgebreid gereageerd bij brief van 11 augustus 2004. Daarna is over dit punt nooit meer een woord vuil gemaakt door de bank, tot het kort geding van september 2005 – meer dan een jaar later. Dit is ook nooit genoemd als reden dat [eiser] werd ontslagen. Het is altijd alleen gegaan om de stijl van leidinggeven, een uitsluitend interne aangelegenheid.”

- Conclusie van repliek, randnummers 5, 9 en 29:

“5. Gelet op het voorgaande brengen de beginselen van goed werkgeverschap en hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt met zich mee dat indien een werkgever besluit geen integriteitsverklaring af te geven, hij aan die weigering een zorgvuldig onderzoek ten grondslag moet leggen. Onderdeel van dat onderzoek dient te zijn het toepassen van hoor en wederhoor.

(…)

9. MeesPierson heeft op 12 mei 2005 gevraagd om afgifte van een integriteitsverklaring. Pas op 28 juli 2005 wordt deze schriftelijk door ABN AMRO geweigerd. In de tussenliggende 2,5 maanden heeft ABN AMRO geen onderzoek verricht. Eveneens buitengewoon onzorgvuldig is het feit dat ABN AMRO in juli 2005 wel met MeesPierson heeft overlegd over het functioneren van [eiser] , maar [eiser] daarin niet gekend heeft. [eiser] is ook in dat traject niet in de gelegenheid gesteld zich te verweren.

(…)

29. Wat [eiser] ook niet integer vindt is dat ABN AMRO in het onderhandelingstraject tot twee keer toe op papier heeft gezet dat een regeling voor [eiser] de voorkeur zou verdienen omdat hij dan de steun van zijn vorige werkgever bij het solliciteren zou hebben. In plaats daarvan wordt hij pootje gelicht door ABN AMRO.”

4.11

Het hof Amsterdam heeft dienaangaande geoordeeld dat ABN AMRO de afgifte van de integriteitsverklaring terecht heeft geweigerd als [eiser] niet integer was in de door de code bedoelde zin en dat ABN AMRO de verklaring ten onrechte niet heeft afgegeven als [eiser] wel integer was (tussenarrest 7 oktober 2008, rov. 4.4). Die maatstaf is in de eerste cassatieprocedure onbestreden gebleven.

4.12

Na cassatie en verwijzing heeft [eiser] een andere wending gegeven aan zijn beroep op goed werkgeverschap. Hij heeft in randnummer 10 van de memorie na verwijzing aangedragen dat de informatieverstrekking in de brief van 28 juli 2005 door ABN AMRO in strijd is met goed werkgeverschap (art. 7:611 BW). Het verwijzingshof behoefde op die tournure niet in te gaan. Uitgangspunt is immers dat de verwijzingsrechter de zaak dient te behandelen in de stand waarin zij verkeerde toen de vernietigde uitspraak werd gewezen.15 Een verandering of vermeerdering van de gronden van de eis is niet toegestaan.16 Het hof behoefde bij die stand van zaken niet (ook niet met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden op de voet van art. 25 Rv) te beoordelen of ABN AMRO de informatie, vervat in de brief van 28 juli 2005, gezien de norm van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW, aan MeesPierson mocht verstrekken.

4.13

Subonderdeel 1.3 (cassatiedagvaarding 1.9-1.10) bepleit dat de Integriteitscode geen verplichting bevat om informatie te verschaffen over de reden van de beëindiging van het dienstverband. [eiser] vermeldt in dit verband: “Er bestaat slechts een inspanningsplicht “mee te werken” voor ABN AMRO voor zover voldaan wordt aan het voorbehoud van toestemming van betrokkene, aldus artikel 1. Anders gezegd: indien die toestemming niet wordt verleend aan ABN AMRO door [eiser] , dan legt artikel 1 geen plicht op ABN AMRO de gevraagde informatie (alsnog) te verlenen.” (cassatiedagvaarding 1.10). Kennelijk wil [eiser] ingang doen vinden dat de informatie over de beëindiging van het dienstverband vanwege het ontbreken van toestemming niet is te scharen onder de van de geheimhoudingsclausule uitgezonderde ‘verplichtingen op grond van de Integriteitscode’ en daarmee juist binnen de reikwijdte van de geheimhoudingsclausule valt. Volgens [eiser] zou de verstrekking van de informatie zonder toestemming daarom in strijd zijn met de Integriteitscode hetgeen jegens hem onrechtmatig kan zijn. Ook dit subonderdeel treft geen doel. Het subonderdeel wijst namelijk niet op stellingen in de gedingstukken waarmee een zodanig betoog is ontwikkeld. Het verwijzingshof heeft in rov. 54. tot uitgangspunt genomen dat het in het onderhavige geding gaat om verplichtingen op grond van de Integriteitscode en dat ABN AMRO met de brief van 28 juli 2005 daarom niet heeft gehandeld in strijd met de beëindigingsovereenkomst. Mede gezien het ontbreken van een (verwijzing naar een) andersluidend betoog in de gedingstukken in feitelijke instanties is die beoordeling noch onjuist noch onbegrijpelijk te achten.

4.14

Op grond van het vorenstaande acht ik het eerste onderdeel ongegrond.

4.15

Het tweede onderdeel (cassatiedagvaarding 2.1-2.3) strekt ten betoge dat het hof ten onrechte niet zou hebben onderkend dat de inhoud van de brief van
28 juli 2005 zelfstandig door [eiser] ten grondslag is gelegd aan zijn stelling dat ABN AMRO onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [eiser] meent dat het hof voorbij is gegaan aan zijn stelling dat er (in het kader van de Integriteitscode) geen noodzaak of verplichting was tot het verstrekken van informatie. Volgens [eiser] ligt in zijn betoog besloten dat MeesPierson zonder de aanvullende informatie niet zonder meer gebruik zou hebben gemaakt van haar bevoegdheid om [eiser] niet in dienst te nemen (cassatiedagvaarding 2.3).

4.16

Ook deze klachten acht ik ongegrond. Het verwijzingshof heeft naar mijn mening niet miskend dat [eiser] de inhoud van de brief van 28 juli 2005 zelfstandig aan zijn beroep op onrechtmatige daad ten grondslag heeft gelegd. Het hof heeft die grondslag in zijn beoordeling betrokken en verworpen. Het verwijzingshof is in rov. 54. immers tot het oordeel gekomen dat ABN AMRO door het verzenden van die brief niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Dit oordeel wordt mede gedragen door de overweging in rov. 54. dat het in het onderhavige geding gaat om verplichtingen op grond van de Integriteitscode en dat ABN AMRO met de brief van 28 juli 2005 daarom niet heeft gehandeld in strijd met de beëindigingsovereenkomst. Met die overweging heeft het verwijzingshof ook de veronderstelling verworpen dat er (in het kader van de Integriteitscode) geen noodzaak of verplichting was tot het verstrekken van deze informatie. Het tweede onderdeel mist dus feitelijke grondslag.

4.17

Het derde onderdeel wijst op het betoog dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ABN AMRO de integriteitsverklaring zou verstrekken en hem zou steunen bij het zoeken van een andere baan. Volgens het onderdeel zou het verwijzingshof ten onrechte niet op dat essentiële betoog hebben gerespondeerd. [eiser] verwijst in dat kader naar de (hierna geciteerde) randnummers 29-30 van de inleidende dagvaarding, randnummer 30 van de conclusie van repliek, de inhoud van het getuigschrift en het concept-verzoekschrift voor de pro forma ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het voorafgaande onderhandelingstraject:

- Inleidende dagvaarding randnummers 29-30:

“29. In de brief van 8 oktober 2004 van ABN AMRO wordt er nog maar eens op gewezen dat als [eiser] akkoord zou gaan met een regeling, ABN AMRO [eiser] zou steunen bij het zoeken van een baan. De Bank schrijft:

“Voorts betekent een contradictoire ontbinding in de regel voor de buitenwereld nogal wat – wat bepaald niet in het voordeel van uw cliënt lijkt te zijn, die straks weer de arbeidsmarkt op moet, wat altijd beter gaat met steun van de voormalig werkgever.”

30. Met andere woorden: [eiser] behoefde er nooit vanuit te gaan dat de integriteitsverklaring niet zou worden afgegeven, anders dan wat ABN AMRO en MeesPierson hebben gesteld. Over het bevoordelen van bepaalde relaties – hetgeen ABN AMRO [eiser] tijdens het kort geding opeens verweet – is in het kader van de onderhandelingen helemaal nooit gesproken. Dit is aan de orde geweest tijdens het MT-overleg van 21 juli 2004, waarvoor [eiser] niet [is] uitgenodigd was. Op het verslag van dat overleg is door de gemachtigde van [eiser] uitgebreid gereageerd bij brief van 11 augustus 2004. Daarna is over dit punt nooit meer een woord vuil gemaakt door de bank, tot het kort geding van september 2005 – meer dan een jaar later. Dit is ook nooit genoemd als reden dat [eiser] werd ontslagen. Het is altijd gegaan om de stijl van leidinggeven, een uitsluitend interne aangelegenheid.”

- Conclusie van repliek, randnummer 30:

“ABN AMRO kon het blijkbaar niet accepteren dat zij een aanzienlijke ontbindingsvergoeding had betaald aan iemand waarvan mocht worden verwacht dat hij, mede gezien zijn leeftijd, kansloos was op de arbeidsmarkt. In plaats daarvan is [eiser] erin geslaagd een vergelijkbare functie te vinden aansluitend aan zijn dienstverband bij ABN AMRO. Ook na zijn gedwongen vertrek bij MeesPierson is [eiser] erin geslaagd elders werk te vinden bij een andere bank. In dat kader heeft [eiser] ABN AMRO in januari 2006 opnieuw verzocht om afgifte van een integriteitsverklaring. ABN AMRO heeft dit zonder opgave van redenen geweigerd. De baan is daarom niet doorgegaan. ABN AMRO blijft hiermee in de weg staan aan de mogelijkheden voor [eiser] om elders in de bankwereld emplooi te vinden. Zoals eerder aangegeven kent de procedure tot afgifte van de integriteitsverklaring geen beroepsmogelijkheid.”

4.18

De klacht faalt. Het verwijzingshof heeft in rov. 54. namelijk gerespondeerd op de stelling van [eiser] dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ABN AMRO de integriteitsverklaring zou verstrekken en hem zou steunen bij het vinden van een andere baan. Het verwijzingshof is daarbij ingegaan op het traject dat heeft geleid tot de beëindigingsovereenkomst en het verstrekte getuigschrift. Het verwijzingshof is tot het oordeel gekomen dat het [eiser] ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst duidelijk moet zijn geweest dat de bank hem serieuze verwijten maakte op het gebied van integriteit. Naar ’s hofs oordeel kunnen derden door het getuigschrift op het verkeerde been worden gezet. Volgens het verwijzingshof betekent dit echter niet dat [eiser] – tegen beter weten in – vertrouwen aan het getuigschrift kan ontlenen. Het verwijzingshof overweegt:

“54. (…) [eiser] heeft – gelet op het traject dat heeft geleid tot de beëindigingsovereenkomst – er in redelijkheid niet zonder meer op mogen vertrouwen dat ABN AMRO hem een dergelijke verklaring zou verstrekken. Dit wordt niet anders door het enkele feit dat ABN AMRO hem een positief (door [betrokkene 1] medeondertekend) getuigschrift heeft verstrekt en ABN AMRO hem eerst na verloop van tijd – toen escalatie blijkbaar niet meer te vermijden viel – heeft aangesproken op zijn gedrag. Het moet [eiser] immers ten tijde van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst duidelijk zijn geweest dat de bank hem serieuze verwijten maakte op het gebied van integriteit. Dat derden door dit getuigschrift op het verkeerde been konden worden gezet is ABN AMRO te verwijten, maar maakt niet dat [eiser] – tegen beter weten in – hieraan verwachtingen kan ontlenen. (…)”

4.19

In dat licht mist de klacht over het passeren van de stelling over gerechtvaardigd vertrouwen feitelijke grondslag. Het derde onderdeel slaagt niet.

4.20

Het vierde onderdeel richt zich tegen de overweging van het verwijzingshof dat het feit dat ABN AMRO geen hoor- en wederhoor heeft toegepast niet maakt dat de bank onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld in de door hem bedoelde zin. [eiser] acht deze motivering onvoldoende begrijpelijk. [eiser] wijst in dat verband op het in de Integriteitscode opgenomen vereiste van instemming van de werknemer en de norm van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW.

4.21

Ook deze klacht komt mij ongegrond voor. Het verwijzingshof heeft met betrekking tot de inhoud van de brief van ABN AMRO van 28 juli 2005 overwogen dat het in de onderhavige zaak gaat om verplichtingen op grond van de Integriteitscode (rov. 54.). Verder is het verwijzingshof tot het oordeel gekomen dat de gemaakte verwijten voldoende steun vinden in de feiten (rov. 52.). Bij die stand van zaken mocht het verwijzingshof oordelen dat het ontbreken van hoor en wederhoor geen (rechtens relevante) onrechtmatige gedraging oplevert in de door [eiser] bedoelde zin. Het hof was evenmin gehouden de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) in zijn motivering te betrekken. Het dossier bevat namelijk geen feitelijke grondslag die de conclusie rechtvaardigt dat het niet toepassen van hoor en wederhoor – onder de hiervoor weergegeven omstandigheden – een schending van de norm van goed werkgeverschap als bedoeld in art. 7:611 BW zou opleveren.

4.22

Het vierde onderdeel is daarom vergeefs voorgesteld.

4.23

In het vijfde onderdeel zijn twee klachten te onderscheiden.

4.24

In de eerste plaats wordt betoogd dat de opbouw van het arrest van de verwijzingsrechter onbegrijpelijk is. [eiser] wijst er daartoe op dat het hof reeds in rov. 52. tot het oordeel komt dat ABN AMRO de afgifte van de integriteitsverklaring terecht heeft geweigerd, terwijl het hof pas nadien, gelet op de devolutieve werking van het appel, de stellingen van [eiser] uit de eerste aanleg behandelt. Deze klacht is ongegrond. Het verwijzingshof heeft eerst beoordeeld of ABN AMRO de afgifte van de integriteitsverklaring terecht heeft geweigerd. Het verwijzingshof heeft die vraag (anders dan de kantonrechter) bevestigend beantwoord. Vervolgens heeft het verwijzingshof in rov. 54. in het kader van (de devolutieve werking van het hoger beroep) de andere stellingen beoordeeld die [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering naar voren heeft gebracht. Het betreft hier de stelling dat de inhoud van de brief van ABN AMRO van 28 juli 2005 in strijd is met de beëindigingsovereenkomst respectievelijk onrechtmatig is, de stelling dat [eiser] gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de verstrekking van de integriteitsverklaring en de stelling dat ABN AMRO onrechtmatig zou hebben gehandeld door geen hoor en wederhoor toe te passen. Het verwijzingshof heeft deze stellingen ongegrond bevonden. Het verwijzingshof is pas nadien tot de slotsom gekomen dat de vorderingen van [eiser] afgewezen dienen te worden (rov. 56.). Deze opbouw sluit aan bij het gevoerde processuele debat en is in dat licht niet onjuist of onbegrijpelijk.

4.25

In de tweede plaats heeft [eiser] naar voren gebracht dat uit de overwegingen van het hof niet blijkt welke grieven doel treffen. Die constatering is op zichzelf juist. Er is echter geen rechtsregel die de appelrechter verplicht om in zijn motivering te vermelden welke grieven doel treffen. Art. 30 Rv schrijft slechts voor dat arresten de gronden inhouden waarop zij berusten. De klacht houdt niet in dat het hof buiten de grenzen van de grieven is getreden. Dat is overigens ook niet het geval. Het oordeel van de kantonrechter dat ABN AMRO de integriteitsverklaring niet had mogen weigeren en dat de brief van 28 juli 2005 aan MeesPierson daarmee eveneens onvoldoende gegrond was, is immers in de tien geformuleerde grieven uitvoerig bestreden. Het verwijzingshof heeft ook inzichtelijk gemaakt op welke gronden deze grieven naar zijn oordeel slagen.

4.26

Dit alles brengt mee dat ook het vijfde onderdeel vergeefs is voorgedragen.

4.27

Het cassatieberoep faalt dus (reeds) op procesrechtelijke gronden.

4.28

Ten overvloede merk ik op dat de beoordeling van het verwijzingshof mij ook inhoudelijk niet onjuist of onbegrijpelijk voorkomt. Het verwijzingshof heeft (op basis van het totaalbeeld dat de bewezen geachte verwijten oproepen) geoordeeld dat [eiser] (het doel/oogmerk van) de regels en richtlijnen van ABN AMRO heeft geschonden/miskend door, waar het hem zo uitkwam, bewust een valse of vertekende voorstelling van zaken te geven en dat [eiser] voorts heeft getracht collega’s en/of ondergeschikten daarin actief te betrekken (arrest na verwijzing rov. 52.). Deze overweging lijkt op het eerste gezicht relatief beknopt ten opzichte van de beoordeling van de afzonderlijke verwijten. Zij dient echter te worden bezien in het licht van de overweging in rov. 15. Daarin is gemotiveerd waarom een stijl van leidinggeven die gepaard gaat met manipuleren, liegen en bevoordelen van vrienden en relaties als ‘niet integer’ in de zin van de integriteitscode kan worden gekenschetst (hiervoor 2.23). Tegen die achtergrond maakt rov. 52. voldoende inzichtelijk waarom [eiser] naar ’s hofs oordeel niet integer heeft gehandeld als bedoeld in de integriteitscode. De weigering van de integriteitsverklaring en de mededelingen in de brief van 28 juli 2005 vinden daarmee steun in de feiten. Daar staat tegenover dat ABN AMRO expliciet had dienen te maken dat geen integriteitsverklaring zou worden verstrekt, ook indien bij ABN AMRO de verwachting bestond dat [eiser] niet in het bankwezen zou terugkeren (arrest na verwijzing rov. 54.). Die omstandigheid wordt echter gerelativeerd door de onbestreden vaststelling van het verwijzingshof dat het [eiser] ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst duidelijk moet zijn geweest dat de bank hem serieuze verwijten maakte op het gebied van integriteit (arrest na verwijzing rov. 54.). Onder die omstandigheden mocht het verwijzingshof naar mijn mening oordelen dat er geen (voldoende) grond bestaat om ABN AMRO schadeplichtig te achten voor de weigering van de integriteitsverklaring en de mededelingen in de brief van 28 juli 2005 aan MeesPierson.

4.29

Op grond van het vorenstaande kom ik tot de conclusie dat het cassatieberoep dient te worden verworpen voor zover dat zich richt tegen het arrest (na cassatie en verwijzing) van het hof Den Haag van 15 september 2015.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot:

- niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep voor zover dat zich richt tegen het arrest van het hof Amsterdam van 7 oktober 2008.

- verwerping van het cassatieberoep van [eiser] voor zover dat zich richt tegen het arrest van het hof Den Haag van 15 september 2015.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan de (onbestreden) rov. 1.1.-1.11. van het arrest na cassatie en verwijzing van het hof Den Haag d.d. 15 september 2015 (hierna: het arrest na verwijzing).

2 Hier wordt klaarblijkelijk gedoeld op het geautomatiseerde registratiesysteem RSS (wat staat voor Registratie Systeem Sales), dat in de praktijk ook RGW wordt genoemd. RGW staat voor het project Resultaat Gericht Werken. Zie dienaangaande rov. 38. van het arrest na verwijzing.

3 Het arrest van Uw Raad is in verschillende tijdschriften geannoteerd. Zie JAR 2014/145 m.nt. M.P. Vogel, TRA 2014/67 m.nt. J.J.M. de Laat en JOR 2014/236 m.nt. C.W.M. Lieverse. In deze annotaties wordt onder meer tot uitdrukking gebracht dat de Integriteitscode een open en tot op zekere hoogte subjectieve norm bevat waarvan de gevolgen voor de betrokken werknemer verstrekkend kunnen zijn. Gepleit wordt voor meer duidelijkheid over de invulling van de norm en de mogelijkheid van voorafgaande toetsing (bijvoorbeeld door het overeenkomen van een door een derde af te geven bindend advies).

4 Hier wordt blijkens rov. 38. gedoeld op het geautomatiseerde Registratie Systeem Sales.

5 Hier wordt blijkens rov. 38. gedoeld op het geautomatiseerde Registratie Systeem Sales.

6 Bedoeld wordt kennelijk: ‘rechtsoverwegingen 41 en 47’.

7 HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2814, NJ 2015/389 ( [.../...] ),
HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131, HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3170, NJ 2005/511 m.nt. W.D.H. Asser ( [.../...] ), HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5165, NJ 2001/164 (E/gemeente Zeist), HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1686, NJ 1995/348 (Van de Kuyt/gemeente Hoorn), Asser Procesrecht/E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 89 en H.J. Snijders/A. Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2009, nr. 43.

8 HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:725, RvdW 2016/555 (Imation Europe/Stichting Thuiskopie), HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3648, NJ 2015/34, HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58 m.nt. S. Perrick, HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0242, NJ 2012/338 (AGEASVEB c.s.), HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1415, RvdW 2010/1171, HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7139, NJ 2009/459, HR 8 mei 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH3664, NJ 2009/223, HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8925, NJ 2009/242 m.nt. P.A. Stein (Mariënwaerdt/ [...] ), HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2724, RvdW 2007/36 (X/Bank Bercoop), HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9681, RvdW 2007/6 (X/Kunststoffen Komfort KK), HR 17 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8325, NJ 2007/594 ( [...] /Nationale Nederlanden), HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8706, NJ 2005/256 m.nt. H.J. Snijders (Woudsend/ [...] ), HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1969, NJ 2004/655 (Unigasket), HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0309, NJ 2003/709 (Hellas/ECR), Asser Procesrecht/A.C. van Schaick, Eerste aanleg, Deventer: Kluwer 2016, nr. 104, W. Hugenholtz en W.H. Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy 2015, nr. 118, Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 33-35 en S.M. Kingma, ‘Tussentijds beroep tegen tussenuitspraken en deeluitspraken’, TCR 2010, p. 1-12.

9 HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2882, NJ 2011/16, HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7843, NJ 2009/291, HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0383, NJ 2008/109 ( [...] /gemeente Alphen aan den Rijn), HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9599, NJ 2002/348 (GTI Holding/ [...] ), HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1626, NJ 1995/530 m.nt. H.E. Ras (Mondia/Calanda), HR 16 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0542, NJ 1989/180 (Jan Tore Haaland/Staat der Nederlanden). Asser Procesrecht/E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 331, Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 257 en N.T. Dempsey, ‘De procedure na cassatie en verwijzing’, TCR 2012, p. 2.

10 De genoemde regel geldt niet onverkort bij een tussentijds cassatieberoep. In dat geval heeft de wederpartij de vrijheid om haar bezwaren tegen de tussenuitspraak eerst naar voren te brengen tegelijk met een cassatieberoep tegen de einduitspraak. Zie HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1073, NJ 1994/299 m.nt. H.E. Ras (Van de Rakt/Veltman).

11 HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9055, NJ 2006/640 ( [.../...] ), HR 16 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1447, NJ 1995/75 (S/gemeente Amsterdam), Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 257 en N.T. Dempsey, ‘De procedure na cassatie en verwijzing’, TCR 2012, p. 2.

12 Expliciet HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZB1223, NJ 1993/287 m.nt. P. van Schilfgaarde (Felix/land Aruba). Impliciet HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909, NJ 2007/576 m.nt. M.H. Wissink ( [.../...] ), HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8463, NJ 2004/2 m.nt. W.D.H. Asser (ANP/ [...] ), HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2744, NJ 1998/898 (Driessen/Lochtenberg) en HR 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0802, NJ 1994/91 m.nt. E.A.A. Luijten (Franken/Mr. H). Hierover Asser Procesrecht/E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 331, Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 257 en N.T. Dempsey, ‘De procedure na cassatie en verwijzing’, TCR 2012, p. 3.

13 HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521, NJ 2010/634 ( [...] /ABB), HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553 m.nt. H.J. Snijders ( [...] /gemeente Voorst), Asser Procesrecht/E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 80, Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 156, H.J. Snijders/A. Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2009, nr. 67-69, P.A. Fruytier, ‘De leer van de bindende eindbeslissing in dezelfde instantie, in hoger beroep en na verwijzing na HR 25 april 2008, NJ 2008, 553 ( [...] /Gemeente Voorst)’, TCR 2009, p. 93-99, A.J.P. Schild, ‘Terugkomen van (de leer van) de bindende eindbeslissing’, MvV 2008, p. 216-224 en C.J. Verduyn, ‘Een nieuwe maatstaf voor heroverweging van bindende eindbeslissingen’, TCR 2008, p. 73-78.

14 HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2882, NJ 2011/16, Asser Procesrecht/E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 335 en N.T. Dempsey, ‘De procedure na cassatie en verwijzing’, TCR 2012, p. 2. Een andersluidende opvatting is voordien verdedigd door P.A. Fruytier, ‘De leer van de bindende eindbeslissing in dezelfde instantie, in hoger beroep en na verwijzing na HR 25 april 2008, NJ 2008, 553 (De Vries/Gemeente Voorst)’, TCR 2009, p. 93 en 97-98 en B. Winters, ‘Verwijzing na cassatie in civiele zaken,’ Advocatenblad 2000, p. 690-691.

15 HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8845, NJ 2006/562 (Cats/Woonstichting Jutphaas), HR 21 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1494, NJ 1995/398 m.nt. H.J. Snijders (Unie van Sovjet Republieken in liquidatie/ICC Industries), HR 10 augustus 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC6233, NJ 1984/182 m.nt. P.A. Stein (Habets/Mijnwerkersfonds Steenkolenmijnen), Asser Procesrecht/E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 329, Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 254, N.T. Dempsey, ‘De procedure na cassatie en verwijzing’, TCR 2012, p. 4, B. Winters, ‘Verwijzing na cassatie in civiele zaken’, Advocatenblad 2000, p. 690 en B. Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 29 en 225-226.

16 HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9528, RvdW 2010/1127, Asser Procesrecht/E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 334, Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 260, N.T. Dempsey, ‘De procedure na cassatie en verwijzing’, TCR 2012, p. 6. Vergelijk tevens HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064, NJ 2013/6 m.nt. H.J. Snijders ( [...] /Ru-Pro) en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders (mr. Wertenbroek q.q. / [...] ).