Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1308

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
17/03182
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3068, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag onder advocaat i.v.m. een jegens hem gericht strafrechtelijk onderzoek. Beslissing Rb. op bezwaarschrift van betrokkene tegen o.m. beslissingen van de RC op verzoeken van betrokkene. N-o cassatieberoep. Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat, kan de betrokkene in het ingestelde beroep niet worden ontvangen. CAG: hoewel de bestreden beschikking in de "Akte rechtsmiddel" en de "Herstel op akte rechtsmiddel" wordt aangeduid als een beslissing op een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv, is van een dergelijk klaagschrift geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03182 B

Zitting: 14 november 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Bij beschikking van 31 mei 2017 is een namens de betrokkene ingediend bezwaarschrift door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. De betrokkene is advocaat. Het onderhavige bezwaarschrift is ingediend in het kader van een tegen hem ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Hoewel de bestreden beschikking in de “Akte rechtsmiddel” en de “Herstel op akte rechtsmiddel” wordt aangeduid als een beslissing op een klaagschrift ex art 98 lid 4 Sv, is van een dergelijk klaagschrift naar aanstonds moge blijken, geen sprake. In de aanzegging is dan ook terecht een termijn van 30 dagen gesteld voor het indienen van cassatiemiddelen.

  4. Voor de goede orde meld ik dat namens de betrokkene ook beroep in cassatie is ingesteld tegen een beschikking van dezelfde rechtbank van 14 juli 2017, waarin een namens de betrokkene ingediend klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond is verklaard (zaak 17/03535). Dit klaagschrift heeft naar het zich laat aanzien geen betrekking op geheimhouderstukken. Ik zie dan ook onvoldoende reden voor een gelijktijdige behandeling in cassatie.

  5. De ontvankelijkheid van de betrokkene in het ingestelde cassatieberoep

5.1. De bestreden beschikking houdt in dat de rechtbank “meent” een drietal bezwaren “te kunnen opmaken” uit het ingediende bezwaarschrift en hetgeen door de raadsman tijdens de mondelinge behandeling van het bezwaarschrift naar voren is gebracht. Deze bezwaren, die door de rechtbank kort zijn weergegeven, betreffen blijkens die weergave: (1) bezwaren inzake de processtukken, (2) bezwaren tegen de art. 98 Sv procedure en (3) bezwaren tegen de door de rechter-commissaris geweigerde getuigen. Over deze, mij overigens niet onbegrijpelijk voorkomende weergave van de aangevoerde bezwaren wordt in de cassatieschriftuur niet geklaagd.

5.2. Het onder (1) bedoelde bezwaar houdt blijkens de weergave van de rechtbank in dat de rechter-commissaris de OvJ geen termijn heeft gesteld tot verstrekking van alle processtukken. Tegen een beslissing van de rechter-commissaris op een verzoek van de verdachte als bedoeld in art. 30 lid 2 Sv of art. 34 lid 3 Sv stelt de wet geen rechtsmiddel open.1 Dat betekent gelet op art. 445 Sv dat de rechtbank de betrokkene in zoverre niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn bezwaarschrift. Dat brengt mee dat de betrokkene in zoverre eveneens niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep.

5.3. Met betrekking tot het onder (2) bedoelde bezwaar heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“De rechter-commissaris heeft naar het oordeel van de rechtbank in zijn brief van 10 mei 2017 geen beslissing genomen. Van een beschikking dat beslag is toegestaan, is naar het oordeel van de rechtbank in die brief geen sprake, zodat daartegen geen bezwaren kunnen worden ingediend. De raadsman zal geduld moeten betrachten en de rechter-commissaris de gelegenheid moeten geven de art. 98 Sv procedure zorgvuldig af te ronden, zoals aangekondigd in zijn brief. Verdachte is in dit verzoek niet-ontvankelijk.”

5.4. Tegen het feitelijke en geenszins onbegrijpelijke oordeel van de rechtbank dat de brief van 10 mei 2017 geen beslissing van de rechter-commissaris inhoudt, komt het middel tevergeefs op. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het feit dat de “Beschikking doorzoeking” van 21 februari 2017 als oordeel van de rechter-commissaris inhoudt dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht, meebrengt dat de rechter-commissaris op de voet van art. 98 lid 2 Sv heeft bepaald dat van de inbeslaggenomen stukken kan worden kennisgenomen, kan niet als juist worden aanvaard. Dat betekent dat de rechtbank de betrokkene in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaarschrift en dat het tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep eveneens niet-ontvankelijk is.

5.5. Tegen de weigering van de rechter-commissaris om onderzoekshandelingen te verrichten waarom door de verdachte is verzocht, kan de verdachte op grond van art. 182 lid 6 Sv binnen veertien dagen een bezwaarschrift indienen. Tegen de beslissing van de rechtbank op dat bezwaarschrift stelt de wet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat de betrokkene ook in zoverre niet in het ingestelde beroep kan worden ontvangen.

5.6. De slotsom moet zijn dat voor de gehele beschikking geldt dat daartegen geen beroep in cassatie openstaat en dat de betrokkene dus niet in het ingestelde beroep kan worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Art. 126aa lid 5 Sv, waarvan in het bezwaarschrift eveneens gewag wordt gemaakt, geeft de verdachte of zijn raadsman het recht om de OvJ een verzoek te doen. Om een verzoek aan de rechter-commissaris gaat het hier niet. Tegen de afwijzing van het verzoek door de OvJ stelt de wet geen rechtsmiddel open.