Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1307

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-10-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
15/05925
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3067, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Redelijke termijn in h.b. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. de toetsing in cassatie van het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn. ’s Hofs oordeel dat de redelijke termijn in h.b. niet is overschreden geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof de f&o heeft vastgesteld op grond waarvan het de stelling van de verdediging dat sprake is van "een langdurige inactiviteit die niet aan cliënt dan wel zijn verdediging te wijten is" heeft verworpen. De enkele (voor het eerst in cassatie aangevoerde) omstandigheid dat niet blijkt dat het OM in de periode van 12 maart 2013 t/m 12 maart 2014 heeft getracht de mededeling uitspraak aan de betrokkene te betekenen, maakt dat niet anders. CAG: Redelijke termijn i.h.k.v. betekening mededeling uitspraak e.a. is overschreden. Geen cassatie, nu totale duur ontnemingsprocedure binnen zes jaren blijft, zodat vertraging “overall” wordt gecompenseerd door voortvarende behandeling. Samenhang met 16/04012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05925 P

Zitting: 17 oktober 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 december 2015 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 17.972,58 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/04012. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de betrokkene heeft mr. J.L. Baar, advocaat te 's-Gravenhage, vier middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de hulpofficier van justitie [betrokkene 1] als getuigen te (doen) horen, meer in het bijzonder dat het hof bij deze afwijzing het noodzakelijkheidscriterium niet zodanig ruim heeft toegepast dat deze in concreto niet wezenlijk zou hebben verschild van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.

  5. Het eerste middel in de samenhangende hoofdzaak luidt gelijk aan het onderhavige middel. Hetzelfde geldt voor het verzoek van de raadsman bij het hof tot het doen horen van de drie genoemde getuigen en de onderbouwing van dit verzoek. Het wekt dan ook geen verbazing dat het hof het verzoek in beide zaken met dezelfde motivering heeft afgewezen. Ik meen daarom hier te mogen volstaan met een verwijzing naar mijn bespreking van het eerste middel in de samenhangende hoofdzaak.

  6. Het eerste middel faalt.

  7. Het tweede middel klaagt dat de bewijsmiddelen met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel innerlijk tegenstrijdig zijn.

  8. Die tegenstrijdigheid zou erin zitten dat het hof enerzijds de verklaring van de betrokkene tot het bewijs heeft gebezigd dat hij één eerdere oogst heeft gehad met een gewicht van ongeveer 700 gram hetgeen hem € 2.200,00 heeft opgebracht, terwijl het hof anderzijds bij de berekening van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel er vanuit is gegaan dat de eerdere oogst 226 planten besloeg.

  9. Ik kan de steller van het middel in deze klacht niet volgen. Het hof heeft immers de eigen verklaring van de betrokkene over de opbrengst per 700 gram tot uitgangspunt genomen en dat doorgetrokken naar de opbrengst uit 226 planten met een gemiddelde van 27,55 gram per plant. Van de gestelde innerlijke tegenstrijdigheid is derhalve geen sprake, terwijl deze berekening aan de hand van de bewijsmiddelen ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.

  10. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat eerder een oogst van 226 hennepplanten heeft plaatsgehad, vindt deze klacht haar weerlegging in de bewijsconstructie van het hof. Ik wijs op (i) bewijsmiddel 2 waaruit blijkt dat in de in werking zijnde hennepkwekerij 226 hennepplanten stonden, (ii) de vaststelling van het hof dat in de hoofdzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene in de periode van 24 mei 2011 tot 6 september 2011 ongeveer 226 hennepplanten heeft geteeld, (iii) de verklaring van de betrokkene dat hij één oogst heeft gehad (bewijsmiddel 1), (iv) de inrichting van de hennepkwekerij (bewijsmiddel 2) en (v) het ontbreken van een aannemelijke contra-indicatie. Derhalve kon het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van 226 hennepplanten.

  11. Het tweede middel faalt in beide onderdelen.

  12. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte de kosten van de betrokkene aangaande het stroomverbruik aan Stedin Netbeheer B.V. niet in mindering heeft gebracht op de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de kosten die de betrokkene in dit verband heeft gemaakt “in directe relatie staan tot het delict”.1

13. Anders dan de raadsman kennelijk wil betogen, valt noch in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2015 noch in de daar voorgedragen pleitnota te lezen dat de verdediging toen naar voren heeft gebracht dat de kosten die de betrokkene in het kader van de betalingen aan Stedin Netbeheer B.V. zou hebben gemaakt, “directe”(of rechtstreekse) kosten zijn die om die reden van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel afgetrokken zouden moeten worden. In de pleitnota is ter zake van de ontnemingsprocedure enkel opgemerkt “dat cliënt gelet op het proefdraaien, de geringe opbrengst (…), de kosten (waaronder eveneens de betalingsregeling met Stedin Netbeheer B.V. valt) geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten”. Deze enkele opmerking is iets anders dan een gemotiveerd verzoek om het stroomverbruik als kostenpost voor de betrokkene op het geschatte bedrag in mindering te brengen. Bovendien wil een betalingsregeling, zo deze zou zijn getroffen, nog niet zeggen dat de betrokkene daaraan al heeft voldaan.

14. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat in de toelichting op het middel wordt gewezen op hetgeen in eerste aanleg bij pleidooi van 22 december 2015 is aangevoerd. Verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, maar in hoger beroep niet zijn herhaald, behoeven door de appelrechter niet te worden besproken.2 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt niet dat de raadsman dit pleidooi in hoger beroep uitdrukkelijk heeft voorgedragen, noch dat het hof ermee heeft ingestemd dat dit pleidooi in hoger beroep als herhaald en ingelast kan worden beschouwd.

15. Dat het hof de bedoelde kosten niet in mindering heeft gebracht op het geschatte voordeel, is niet onjuist en in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

16. Het derde middel faalt.

17. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden terwijl uit de stukken niet blijkt dat het Openbaar Ministerie, naast de voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de betrokkene niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog aan de betrokkene te betekenen hetzij aan hem in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv zodat wel degelijk sprake is van overschrijding van de termijn wegens inactiviteit van de zijde van het Openbaar Ministerie.

18. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2015 gehechte pleitnota heeft de raadsman van de betrokkene het volgende aangevoerd:

“15. Uiterst subsidiair verzoekt de verdediging u de overschrijding van de redelijke termijn te betrekken in uw oordeel aangaande de ontnemingsprocedure. De verdediging verzoekt u in de lijn van Hof Arnhem-Leeuwarden de betalingsverplichting op nihil te stellen, nu in de onderhavige zaak naar de mening van de verdediging sprake is van een langdurige inactiviteit die niet aan cliënt dan wel zijn verdediging te wijten is (Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2015, ECU:NL:GHARL:2015:8631).”

19. Het hof heeft daarop in de besteden uitspraak het volgende overwogen:

“In afwijking van het betoog van de raadsman is naar het oordeel van het hof geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Op 28 december 2012 heeft de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage bij verstek vonnis gewezen. Op 6 februari 2013 is tevergeefs geprobeerd de mededeling uitspraak uit te reiken op het adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Omdat volgens de mededeling van degene die zich op genoemd adres bevond, de veroordeelde daar niet woonde noch verbleef, is de mededeling uitspraak teruggezonden aan de griffier. Op 11 maart 2013 is de mededeling uitspraak aan de griffier betekend, omdat van de veroordeelde geen woon- of verblijfplaats hier te lande bekend was.

Blijkens een uitdraai uit de Gemeentelijke Basisadministratie d.d. 13 november 2015 is de veroordeelde vanaf 10 januari 2012 "vertrokken naar onbekend waarheen". De veroordeelde staat dus niet ingeschreven op een adres in Nederland noch is een adres van de veroordeelde in het buitenland bekend.

Op 3 april 2014 is namens de veroordeelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter ingesteld. De stukken van het geding zijn op 16 april 2014 bij de griffie van dit gerechtshof binnengekomen. Ter terechtzitting van 9 juni 2015 heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgehad. Bij tussenarrest van 23 juni 2015 is het onderzoek heropend en geschorst. Ter terechtzitting van 22 december 2015 is het onderzoek opnieuw aangevangen en is uitspraak gedaan.

Op grond van hetgeen hierboven staat, concludeert het hof dat eind 2012 bij verstek vonnis is gewezen, waarna binnen één jaar de mededeling uitspraak aan de griffier is betekend.

Voorts concludeert het hof dat de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep.

Het hof is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als hierboven bedoeld.”

20. In cassatie interpreteert de steller van het middel het verweer in een richting die de raadsman op ’s hofs terechtzitting er niet aan heeft gegeven, want buigt het om naar hetgeen het hof zelf heeft overwogen omtrent de verstreken tijd tussen het wijzen van het verstekvonnis en de betekening daarvan aan de griffier. Het verweer bij het hof had niet specifiek op deze fase betrekking.

21. De betrokkene was, zo stelt ook het hof vast, vanaf 10 januari 2012 en dus vóór aanvang van de behandeling van de zaak bij de politierechter “vertrokken naar onbekend waarheen”. In een dergelijk geval is het arrest van HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 van belang. Daarin is onder meer de volgende overweging opgenomen:

“Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, èn indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.”

22. Het hof heeft vastgesteld dat op 6 februari 2013 en dus binnen een jaar na het wijzen van het verstekvonnis op 28 december 2012 getracht is de mededeling uitspraak rechtsgeldig te betekenen doch tevergeefs en dat op 11 maart 2013 de mededeling uitspraak aan de griffier is betekend. Uit het arrest kan evenwel niet worden afgeleid dat het hof de instructie van de Hoge Raad (volledig) in ogenschouw heeft genomen en dienovereenkomstig is nagegaan of in het jaar daarna nog een rechtsgeldige poging tot betekening heeft plaatsgevonden en of de betrokkene in het opsporingsregister was geplaatst. Voor zover de stukken van het geding in cassatie voorhanden zijn, blijkt daaruit niet van een dergelijke poging in het tweede jaar (noch, maar daarover wordt in cassatie niet geklaagd, van een plaatsing in het politieregister). Wel blijkt uit de gedingstukken dat de betrokkene eerst op 25 maart 2014 de mededeling heeft ontvangen.

23. In zoverre heeft de steller van het middel een punt. Tot cassatie behoeft dat naar mijn mening niet te leiden indien de Hoge Raad nog in 2017 uitspraak doet, omdat dan de totale duur van de onderhavige ontnemingsprocedure nog binnen de termijn van zes (driemaal twee) jaren zal blijven en daarmee de vertraging die in het kader van de betekening van de mededeling uitspraak is ontstaan ‘overall’ wordt gecompenseerd door een voortvarende behandeling.

24. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

25. Alle middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Gezien de formulering ga ik ervan uit dat de steller van het middel daarbij het oog heeft op het achtste lid en niet op het negende lid van art. 36e Sr.

2 Aldus A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk 2015, p. 202.