Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1306

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
16/03957
16/03958
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3066, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid en gekwalificeerde diefstal. Art. 457.1.c Sv (novum), persoonsverwisseling. Hetgeen in de CAG is vermeld, geeft steun aan de stelling waarop de aanvragen berusten, te weten dat in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken waarvan herziening is gevraagd sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Aanvragen gegrond. CAG: De bij de aanvragen overgelegde stukken en de naar aanleiding daarvan uitgevoerde onderzoeken leveren voldoende aanwijzingen op dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling, in die zin dat het ernstige vermoeden rijst dat niet aanvrager maar zijn tweelingbroer is aangehouden voor de strafbare feiten waarvoor aanvrager is veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03957 H en 16/03958 H

Zitting: 7 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[aanvrager]

  1. De aanvrager is in de zaak met parketnummer 13/659147-15 bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2015 ter zake van “feitelijke aanranding van de eerbaarheid”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, met gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (zaaknummer 16/03957 H). Voorts is de aanvrager in de zaak met parketnummer 13/126774-15 bij vonnis van de politierechter in dezelfde rechtbank van 22 september 2015 wegens “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis (zaaknummer 16/03958 H). De vonnissen zijn bij verstek gewezen en onherroepelijk geworden.

  2. Namens de aanvrager heeft mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, aanvragen tot herziening van voornoemde vonnissen ingediend die blijkens de daarop door de griffie geplaatste stempels op 3 augustus 2016 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen. Beide aanvragen steunen op de stelling dat er sprake is van een persoonsverwisseling. Aangevoerd wordt dat niet de aanvrager, maar de tweelingbroer van de aanvrager, [betrokkene 1], de bewezenverklaarde feiten heeft begaan en dat deze zich voor de aanvrager heeft uitgegeven. Ter ondersteuning van deze stelling zijn diverse documenten als bijlagen bij de aanvragen gevoegd. Volgens de aanvrager bestaat er een ernstig vermoeden dat indien de rechters op de hoogte zouden zijn geweest van de persoonsverwisseling het onderzoek van beide strafzaken tot vrijspraak van de aanvrager zou hebben geleid (een gegeven als bedoeld in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv). Nu de aanvragen op dezelfde gronden rusten, lenen zij zich voor een gezamenlijke bespreking in deze conclusie.

  3. Bij beide aanvragen zijn nagenoeg dezelfde stukken ingebracht, te weten:

a) een door [betrokkene 1], de tweelingbroer van de aanvrager, ondertekende verklaring van 16 januari 2016 in de Poolse taal, met daaraan gehecht een beëdigde vertaling. Deze verklaring houdt in dat hij erkent dat hij sinds 2009 de gegevens van zijn broer, [aanvrager] (de aanvrager), gebruikt;

b) een door [betrokkene 2], de partner van de aanvrager, ondertekende verklaring van 11 maart 2016 in de Engelse taal. Deze verklaring houdt - kort gezegd - in dat zij op de politiefoto PL1300.14.02486 in het strafdossier niet haar partner maar diens broer [betrokkene 1] herkent en dat het kenmerkende verschil tussen de aanvrager en zijn broer is dat [betrokkene 1] een stip tussen zijn wenkbrauwen heeft;

c) een kopie van het paspoort van de aanvrager, waaruit kan worden afgeleid dat de aanvrager géén stip tussen de wenkbrauwen heeft;

d) processen-verbaal vaststelling identiteit van de politie van resp. 17 maart 2015 (16/03957 H) en 4 juli 2015 (16/03958 H). In de processen-verbaal is een politiefoto met nummer PL1300.14.02486 opgenomen, waarop zichtbaar is dat de afgebeelde persoon een stip tussen de wenkbrauwen heeft. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben op ambtsbelofte opgetekend dat de aangehouden verdachte “qua uiterlijk een en dezelfde persoon” is als de persoon afgebeeld op de politiefoto;

e) een op 17 maart 2015 opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van de verdachte ‘Nn Ad12000 M 150316 2303’ (met nummer PL1300-2015061354-2), waaruit blijkt dat de verdachte geen identiteitsbewijs bij zich droeg en er zeker geen aan de politie ging tonen (16/03957 H) en een op 28 juni 2015 opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van de verdachte (met nummer PL1300-2015146376-2), waarin is vermeld dat de verdachte verklaarde dat hij zich niet kon identificeren (16/03958 H);

f) een proces-verbaal van relaas (met nummer PL1300-2015061354) van de politie van 19 maart 2015, waarin is gerelateerd dat de identiteit van de verdachte door middel van een politiefoto is vastgesteld1;

g) processen-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 maart 2015 (met nummer PL1300-2015061354-6; voor 16/03957 H) en d.d. 28 juni 2015 (met nummer PL1300-2015146376-6; voor 16/03958 H), waarin de aangehouden verdachte onder meer verklaart ‘[aanvrager]’ te heten en geen geldige legitimatiebewijs bij zich te hebben. Voorts is van belang de handtekening van verdachte onder de verklaring, die weinig gelijkenis vertoont met de handtekening op het paspoort van aanvrager (bijlage c).

4. Op 16 maart 2015 was sprake van een aanhouding naar aanleiding van een melding van aanranding en op 28 juni 2015 was sprake van een aanhouding naar aanleiding van diefstal van een lokfiets. Gesteld wordt dat niet de aanvrager maar de tweelingbroer van de aanvrager, [betrokkene 1], telkens de aangehouden persoon betrof en dat [betrokkene 1] bij zijn aanhoudingen ten overstaan van de politie gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van de aanvrager. Het dossier bevat correspondentie tussen personen van verschillende afdelingen van het openbaar ministerie, waaruit kan worden afgeleid dat de executie-officier van Amsterdam, mr. M.L.A. ter Veer, de opgelegde straffen in beide zaken (tot op heden2) heeft opgeschort in afwachting van de resultaten van een identiteitsonderzoek naar aanleiding van de vermeende persoonsverwisseling.3 Navraag hierover bij de Justitiële Informatiedienst, die opdracht heeft gekregen tot het leiden van het hiervoor bedoelde identiteitsonderzoek, heeft het volgende opgeleverd.

5. De politie Amsterdam-Amstelland heeft het gevraagde identiteitsonderzoek opgestart. De politie heeft aan de hand van haar bevindingen geconcludeerd dat [betrokkene 1] inderdaad misbruik heeft gemaakt van de personalia van de aanvrager, maar zij heeft tevens - in strijd met de stelling van de raadsman van de aanvrager - verklaard dat, conform de gegevens in de strafrechtsketendatabank (hierna: SKDB), [aanvrager] en niet [betrokkene 1] degene is met een moedervlek tussen de wenkbrauwen. Gelet hierop was nader identiteitsonderzoek nodig en is een en ander uitbesteed aan de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar). Bij dit nadere onderzoek heeft de KMar de Poolse autoriteiten betrokken.4

6. Op 10 oktober 2017 heeft de Justitiële Informatiedienst mij een door [verbalisant 3], opperwachtmeester van de KMar te Rotterdam, opgemaakt proces-verbaal van 26 september 2017 doen toekomen, waarin de onderzoeksbevindingen tot dusver zijn uiteengezet.5 Aan de hand van de van de Poolse autoriteiten ontvangen persoons- en afgiftegegevens en de pasfoto’s op de afgegeven documenten van [aanvrager] en [betrokkene 1] is een gezichtsvergelijkend onderzoek ingesteld door voornoemde verbalisant. Op de door de Poolse autoriteiten verstrekte (kopieën van) documenten is duidelijk te zien dat [betrokkene 1] een vlek tussen zijn wenkbrauwen heeft en dat [aanvrager] dat niet heeft. De foto en het identiteitskaartnummer van [aanvrager] komen overeen met de identiteitskaart die is gescand bij de identiteitsvaststelling op 19 december 2012. De foto’s afkomstig uit Polen zijn vergeleken met materiaal (foto’s en gegevens) uit het Nederlandse registratiesysteem van justitie, de SKDB. Uit het gezichtsvergelijkend onderzoek is gebleken dat de manspersoon die in de SKDB staat vermeld onder strafrechtketennummer 7629154 (geregistreerd onder de naam: [aanvrager]) en die in het ‘Politie Suite handhaving vreemdelingen’ staat vermeld onder de naam [aanvrager] overeenkomt met de manspersoon die in Polen bekend is onder de naam [betrokkene 1]. De manspersoon die in de SKDB staat vermeld onder strafrechtketennummer 8495700 (geregistreerd onder de naam: Tomasz) komt overeen met de manspersoon die in Polen bekend staat onder de naam [aanvrager]. Uit het voorgaande leid ik af dat in de SKDB klaarblijkelijk sprake is van een verkeerde registratie in die zin dat de foto van [betrokkene 1] ten onrechte is gekoppeld aan de naam van de aanvrager, [aanvrager].6

7. Ik heb de raadsman van verzoeker, mr. M. Berndsen, de op het namens mij verrichte onderzoek betrekking hebbende stukken doen toekomen teneinde hem in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Bij schrijven van 17 oktober 2017 heeft voornoemde raadsman meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen vervroeging van deze conclusie en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de toegezonden stukken de aanvragen ondersteunen.

8. De bij de aanvragen overgelegde stukken en de naar aanleiding daarvan uitgevoerde onderzoeken leveren mijns inziens voldoende aanwijzingen op dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling, in die zin dat het ernstige vermoeden rijst dat niet de aanvrager maar [betrokkene 1] is aangehouden voor de strafbare feiten. Een en ander levert derhalve het ernstig vermoeden op dat de rechters in eerste aanleg, waren zij hiermee bekend geweest, de aanvrager van de hem tenlastegelegde feiten zouden hebben vrijgesproken. Er is sprake van een gegeven als bedoeld in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv (een novum).

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvragen tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden vonnissen zal bevelen, en de zaken zal verwijzen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaken op de voet van art. 472 lid 2 jo. art. 471 lid 1 Sv opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze bijlage is alleen ingebracht in de aanvrage voor de herzieningsprocedure met zaaknummer 16/03957 H.

2 Dit is gebleken uit telefonische navraag bij het arrondissementsparket Amsterdam.

3 Zie o.m. het e-mailbericht d.d. 14 juli 2016 van M.L.A. ter Veer aan Bureau Preventieven (AP Amsterdam).

4 Zie het door mij aan het dossier toegevoegde e-mailbericht d.d. 22 november 2016 van [A], verbonden aan de Justitiële Informatiedienst, afdeling Matching Autoriteit.

5 Dit proces-verbaal heb ik in het dossier bijgevoegd.

6 In het proces-verbaal is voorts te lezen dat nog dactyloscopisch vergelijkingsonderzoek (identiteit vaststellen door middel van vingerafdrukken) is ingesteld. Dat heeft een voorlopige (Prüm)Hit opgeleverd in Polen, maar tot op heden is daarover nog geen reactie ontvangen uit Polen. Omwille van de voortvarendheid van deze herzieningsprocedure is besloten de reactie op dat verzoek niet af te wachten.