Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1305

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-10-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
16/01253
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3062, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bestuursrechtelijke sanctie van huisverbod in combinatie met strafrechtelijke vervolging t.z.v. mishandeling, beroep op niet-ontvankelijkheid OM. Huisverbod a.b.i. art. 2 Wet tijdelijk huisverbod punitieve sanctie? Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het huisverbod opgelegd door de burgemeester ertoe strekt de veiligheid van personen met wie een huishouden wordt gedeeld te waarborgen en een periode te creëren, waarin maatregelen kunnen worden genomen om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen en dus om in een noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het voorziet primair in de mogelijkheid om vroegtijdig op te treden uit een oogpunt van bescherming en preventie waardoor huiselijk geweld kan worden voorkomen en kan worden voorzien in een afkoelingsperiode. Gelet hierop is een besluit tot oplegging en verlenging van een huisverbod niet punitief van aard en geen 'criminal charge' a.b.i. art. 6 EVRM (zie ook ECLI:NL:RVS:2013:BZ2495 en ECLI:NL:RVS:2017:1922). Aan verdachte is een huisverbod opgelegd ex art. 2 Wet tijdelijk huisverbod n.a.v. bewezenverklaarde mishandeling. ’s Hofs oordeel dat het OM het recht tot strafvervolging van verdachte niet verliest door de enkele omstandigheid dat i.v.m. hetzelfde feit een huisverbod is opgelegd, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin ontoereikend gemotiveerd. Een vergelijking met de uitzonderlijke situatie a.b.i. ECLI:NL:HR:2015:434 (alcoholslotprogramma) gaat niet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01253 (bij vervroeging)

Zitting: 17 oktober 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 7 december 2015 het (mondeling) vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 13 mei 2015 bevestigd, bij welk vonnis de verdachte, wegens “mishandeling”, is veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. P.A. Speijdel, advocaat te Enschede, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.

3.2. Het hof heeft het vonnis van de politierechter, met overname van de gronden waarop het rust, bevestigd. De politierechter heeft het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie als volgt samengevat en verworpen:

“2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De politierechter is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in haar vervolging. Zij overweegt daartoe het volgende. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 ECLI:NL:HR:2015:434, komt naar voren dat het met betrekking tot het alcoholslotprogramma gaat om een uitzonderlijke - van andere gevallen waarin een bestuursrechtelijk en een strafrechtelijk traject samenlopen, afwijkende - situatie, nu enerzijds de procedure die leidt tot oplegging van het alcoholslotprogramma en anderzijds de strafrechtelijke vervolging hun oorsprong vinden in hetzelfde feit. De aan de betrokkene verweten gedraging is immers identiek, te weten het rijden onder invloed, terwijl de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar zijn, te weten de bevordering van de verkeersveiligheid.

In onderhavig geval zijn het bestuursrechtelijke en het strafrechtelijke traject niet dermate vergelijkbaar dat gesproken zou moeten worden van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit als bedoelt in art. 68 Sr. Het opleggen van een huisverbod strekt er namelijk toe in de gegeven noodsituatie (verdere) escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het kan ook worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maat er juist situaties zijn ontstaan waarbij acute en dringende behoefte aan het creëren van een afkoelingsperiode is. Het opleggen van een dergelijke maatregel brengt dan ook geen bestraffend karakter met zich mee, zodat geen sprake is van strijd met het ne bis in idem beginsel. De politierechter verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.”

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

“De verdediging is primair van mening dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Een huisverbod heeft een karakter van bestraffing. Het wordt opgelegd als een ordemaatregel, maar heeft ook een bestraffend karakter, net als bij het alcoholslotprogramma (zie ECLI:NL:HR:2015:434). Bij het alcoholslotprogramma wordt een veilige situatie in het verkeer geschept, dat is hetzelfde bij een huisverbod waar een veilige situatie in huis wordt geschept. Een huisverbod krijgt degene die naar het oordeel van de politie daartoe het meeste aanleiding heeft gegeven. Dus de vrouw wordt natuurlijk niet uit huis geplaatst, maar de man, die daarmee gestraft wordt. Dat geeft rust, maar het is ook een vorm van bestraffing. Dit wordt ook zwaar gesanctioneerd. Als je bijvoorbeeld een oplader thuis wilt ophalen. Maar om die overtreding gaat het hier niet. Het gaat om de kwestie dat het huisverbod opgelegd is. Het huisverbod als zodanig en de verlenging van het huisverbod hebben de kenmerken van een bestraffing in zich.

Als de hulp officier van justitie vraagt wat een verdachte vindt van een huisverbod, dan zal de verdachte snel zeggen dat hij het er mee eens is, want anders duurt de inverzekeringstelling een stuk langer. Die toestemming zegt niets. Het heeft dus heel nadrukkelijk een karakter van bestraffing. Het Openbaar Ministerie dient dan ook niet ontvankelijk verklaard te worden omdat er door het huisverbod al een bestraffing plaats heeft gevonden.”

3.4. De bewezenverklaarde mishandeling is gepleegd op 17 maart 2015. Bij de stukken van het geding bevinden zich:

- een beschikking van de burgemeester, gedateerd 17 maart 2015, inhoudende de oplegging van een huisverbod in de zin van art. 2 Wet tijdelijk huisverbod (Wth);

- een proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie ten behoeve van de beslissing tot het huisverbod, gedateerd 17 maart 2015.

Uit het een en ander kan – gelijk de politierechter en het hof kennelijk hebben gedaan – worden afgeleid dat aan de verdachte een huisverbod is opgelegd naar aanleiding van de bewezenverklaarde mishandeling.

3.5. Voor een beter begrip van de hier aan de orde zijnde bestuursrechtelijke maatregel ga ik eerst in op de desbetreffende wettelijke regeling. Die is te vinden in de Wet tijdelijk huisverbod (Wth)1 en het daarop gebaseerde Besluit tijdelijk huisverbod2. De genoemde wet houdt onder meer het volgende in:

“Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

(…)

b. huisverbod: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven;

c. uithuisgeplaatste: degene aan wie een huisverbod is opgelegd.

Artikel 2

1 De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

2 Een huisverbod kan slechts worden opgelegd aan een meerderjarig persoon.

3 Indien de burgemeester voornemens is het huisverbod op te leggen wegens kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan, neemt hij contact op met het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 teneinde te overleggen over het voornemen om een huisverbod op te leggen.

4 Het huisverbod bevat in ieder geval:

a. een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt;

b. de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod, en

c. de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.

5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot het huisverbod.

6 De uithuisgeplaatste geeft aan waar of op welke wijze hij bereikbaar is. Indien de uithuisgeplaatste dit niet terstond kan doorgeven, geeft hij dit binnen 24 uur nadat het huisverbod is opgelegd door aan de burgemeester.

7 Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het huisverbod niet tevoren op schrift kan worden gesteld, kan het huisverbod mondeling worden aangezegd. De burgemeester draagt alsnog zorg voor spoedige opschriftstelling en bekendmaking. Indien de verblijfplaats van de uithuisgeplaatste niet bekend is, kan bekendmaking plaatsvinden door nederlegging van het huisverbod bij de gemeentesecretarie.

8 De burgemeester deelt onverwijld de inhoud van het huisverbod en de gevolgen van niet-naleving daarvan voor de uithuisgeplaatste mede aan degene met wie de uithuisgeplaatste een huishouden deelt. De burgemeester deelt de inhoud van het huisverbod ook mede aan de door de burgemeester aangewezen instantie voor advies of hulpverlening, en indien het huisverbod wordt opgelegd wegens kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan aan de stichting, bedoeld in het derde lid.

9 De burgemeester kan het huisverbod in ieder geval intrekken indien de uithuisgeplaatste een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard en dit door de instantie voor advies of hulpverlening, aangewezen ingevolge het achtste lid, is bevestigd, en deze aanvaarding tevens inhoudt dat de uithuisgeplaatste hulpverlening aan één of meer personen die met de uithuisgeplaatste in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven niet zal belemmeren en zal meewerken indien dit van hem wordt gevraagd door de instantie voor advies of hulpverlening.”

3.6. De Wet tijdelijk huisverbod trad in werking op 1 januari 2009. Sindsdien heeft de burgemeester de bevoegdheid om aan personen van wie een ernstige en onmiddellijke dreiging van huiselijk geweld uitgaat een huisverbod op te leggen. Dit huisverbod houdt tevens een contactverbod in. De invoering van de maatregel werd destijds noodzakelijk geacht in situaties van dreigend huiselijk geweld waarin (nog) geen strafbaar feit is gepleegd, waardoor het voor de opsporingsautoriteiten lastig interveniëren is.3 In die zin vormt het bestuurlijk huisverbod een aanvulling op de in het strafrecht bestaande mogelijkheden tot het opleggen van een huisverbod, bijvoorbeeld als (bijzondere) voorwaarde bij een sepot of voorwaardelijke veroordeling.4 Daarnaast werd de invoering van het bestuurlijke huisverbod noodzakelijk geacht vanwege de lage(re) aangiftebereidheid van slachtoffers van huiselijk geweld.5 Blijkens de toelichting op de wet strekt een huisverbod hoofdzakelijk ter voorkoming van toekomstig huiselijk geweld doordat dadelijk kan worden ingegrepen en aldus het risico op escalatie wordt verkleind.6 Daarnaast is het bestuurlijk huisverbod (mede) gericht op hulpverlening aan de (potentiële) slachtoffers en de uithuisgeplaatste.7 Als de dreiging geweken of verminderd is, ontvalt aan het huisverbod de grond. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de uithuisgeplaatste het hulpaanbod aanvaardt.

3.7. Een beschikking tot tijdelijk huisverbod wordt door de burgemeester opgelegd aan een meerderjarig persoon (art. 2 lid 2 Wth) voor de duur van 10 dagen (art. 2 lid 1 Wth). De burgemeester kan zijn bevoegdheid mandateren aan de hulpofficier van justitie (art. 3 Wth). Blijkens art. 2 van het Besluit tijdelijk huisverbod dient de beslissing tot het opleggen van een huisverbod tot stand te komen op grond van een risicotaxatie, waarin uitsluitend de in de bijlage bij dat Besluit opgesomde feiten en omstandigheden mogen worden betrokken. Deze feiten en omstandigheden zien op de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen en de context waarin de (dreiging van) huiselijk geweld plaatsvond. Indien bij één of meer risico-indicatoren wordt geoordeeld dat er sprake is van een hoog risico ligt het in de rede dat een huisverbod wordt opgelegd, aldus de Nota van Toelichting bij het Besluit.8 Op de beschikking tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod zijn de bepalingen uit de Awb van toepassing. Van belang is art. 4:8 Awb, dat meebrengt dat zowel degene te wiens aanzien het huisverbod zal worden opgelegd, als de personen met wie deze samenwoont, moet worden gehoord.9 Hierin ligt besloten dat een belangenafweging plaatsvindt tussen de belangen van de potentieel uithuisgeplaatste en de personen waarmee deze samenleeft. Het huisverbod kan tot ten hoogste vier weken worden verlengd (art. 9 Wth), maar ook worden ingetrokken (art. 2 lid 9 Wth). Tegen het huisverbod kan krachtens art. 6 Wth door de uithuisgeplaatste een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan, als bedoeld in art. 8:81 Awb. De verdachte wordt naar aanleiding van dit verzoek binnen drie dagen door de voorzieningenrechter gehoord. De voorzieningenrechter toetst het huisverbod ex nunc. Gedurende de procedure kan de uithuisgeplaatste zich laten bijstaan door een raadsman. Overtreding van het huisverbod is ingevolge art. 11 Wth een misdrijf, waarop maximaal twee jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd, of een geldboete van de vierde categorie.

3.8. Het in de onderhavige zaak gevoerde verweer was gebaseerd op het ne bis in idem beginsel. Dat beginsel houdt in dat niemand voor hetzelfde feit twee keer mag worden vervolgd en bestraft. Dit beginsel is nationaalrechtelijk neergelegd in art. 68 Sr. Als uitgangspunt geldt dat het ne bis in idem beginsel niet in de weg staat aan een strafrechtelijke vervolging, indien op een eerder moment een tuchtrechtelijke, civiele of administratiefrechtelijke procedure heeft plaatsgevonden.10 Specifiek voor de samenloop met de bestuurlijke boete gelden de regels als neergelegd in art. 243 lid 2 jo art. 255 Sv en art. 5:44 Awb. Op grond van deze regels zijn de autoriteiten gehouden te kiezen voor één procedurele weg (una via).11 Indien een andere bestuurlijke sanctie dan de bestuurlijke boete wordt opgelegd, ontbreken dergelijke regels aangaande de (externe) samenloop. In dergelijke gevallen kan, bij hoge uitzondering, de oplegging van een bestuursrechtelijke sanctie enerzijds en de strafrechtelijke vervolging anderzijds met elkaar onverenigbaar zijn. In zijn arrest van 3 maart 2015 aangaande het alcoholslotprogramma, overwoog de Hoge Raad het volgende:

“4.2. Het gaat in de onderhavige zaak naar de kern genomen om het antwoord op de vraag of de omstandigheid dat het CBR aan een bestuurder een asp heeft opgelegd omdat hij heeft gereden onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcoholhoudende drank dat een bepaalde drempelwaarde in het adem- of bloedalcoholgehalte is overschreden, gevolgen heeft voor de strafrechtelijke vervolgbaarheid van diezelfde gedraging.

4.3.1. Art. 68 Sr is op het onderhavige geval niet van toepassing, omdat niet sprake is van - kort gezegd - meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter.

4.3.2. Er bestaat echter een sterke gelijkenis tussen de strafrechtelijke vervolging in gevallen als het onderhavige en de procedure die leidt tot oplegging van een asp, welke gelijkenis blijkt wanneer op de onderhavige situatie de vergelijkingsfactoren worden toegepast die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld ten behoeve van de beoordeling van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit' als bedoeld in art. 68 Sr en art. 313 Sv (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394). Een dergelijke vergelijking leidt tot de slotsom dat enerzijds de procedure die leidt tot oplegging van het asp en anderzijds de strafrechtelijke vervolging hun oorsprong vinden in hetzelfde feit als in die rechtspraak bedoeld. De aan de betrokkene verweten gedraging is immers identiek, te weten (nader bepaalde gevallen van) rijden onder invloed, terwijl de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar zijn, te weten de bevordering van de verkeersveiligheid.

Daarnaast geldt dat voor de betrokkene de gevolgen van het opleggen van het asp en de van het instellen van een strafvervolging te verwachten strafrechtelijke sancties in hoge mate overeenkomen, nu beide voor de betrokkene kunnen leiden tot een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en oplegging van een wezenlijke betalingsverplichting.

Aldus komt naar voren dat zich hier een uitzonderlijke - van andere gevallen waarin een bestuursrechtelijk en een strafrechtelijk traject samenlopen, afwijkende - situatie voordoet die op gespannen voet staat met het, aan art. 68 Sr ten grondslag liggende, beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit.

4.3.3. Hoewel het, hiervoor onder 3 sub (iii) weergegeven, internationale kader in een geval als het onderhavige niet van toepassing is, kunnen aan dit kader en de daarbinnen ontwikkelde rechtspraak elementen worden ontleend die voor de beantwoording van de hiervoor in 4.2 gestelde vraag van belang zijn. Dat kader benadrukt het internationaal breed erkende belang van het ne bis in idem-beginsel (vgl. in die zin ook voornoemd arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011), en brengt aldus tevens de gelding van het aan art. 68 Sr ten grondslag liggende beginsel tot uitdrukking.

Van bijzondere betekenis daarbij is dat in internationaal verband niet zonder meer doorslaggevend is of de nationale wetgever een sanctie als bestuursrechtelijk of als strafrechtelijk heeft aangemerkt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de beslissing van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 13 december 2005 (73661/01, Nilsson vs. Zweden), waarin in het kader van art. 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM een bestuursrechtelijke schorsing van de rijbevoegdheid van 18 maanden vanwege de ernst ervan als een 'criminal sanction' werd gezien. Uit diezelfde rechtspraak komt ook naar voren dat het EHRM bij de beoordeling of art. 4 van het Zevende Protocol is geschonden, groot belang toekent aan de vraag of sprake is van een 'sufficiently close connection' tussen de betrokken procedures. Indien sprake is van een dergelijke samenhang, kan het gevolg daarvan zijn dat de beide procedures moeten worden beschouwd als één samenhangende reactie op het strafbare feit en niet als twee verschillende procedures in de zin van art. 4 van het Zevende Protocol (vgl. ook EHRM 20 mei 2014, 11828/11, Nykänen vs. Finland).

4.3.4. Het voorgaande stelt in het licht dat de wetgever – anders dan met betrekking tot bijvoorbeeld de bestuurlijke boete en de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften – de samenhang tussen de procedure die leidt tot de oplegging van het asp en de strafvervolging niet heeft geregeld en daarmee geen regeling heeft getroffen die bepaalt hoe de strafrechter in die gevallen waarin het asp is opgelegd, dient om te gaan met de samenloop van die maatregel en de in de strafzaak te nemen beslissingen op het gebied van de procedurele afstemming, de vervolgbaarheid en/of de mogelijke verdiscontering van het gewicht van het opgelegde asp in de sanctietoemeting.

4.4. Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene is bij de huidige Nederlandse regelgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen immers meebrengen – en brengen in de hier aan de orde zijnde gevallen ook mee – dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.

Dit vervolgingsbeletsel geldt eveneens gedurende een tegen de oplegging van het asp lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

4.5. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat in de onderhavige zaak aan de verdachte onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Dat betekent dat het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk is, juist is, wat er ook zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering.” 12

Na deze uitspraak over het alcoholslotprogramma heeft de Hoge Raad enige arresten gewezen die bevestigen dat de samenloop van een bestuurlijke sanctie en een strafrechtelijke vervolging slechts bij hoge uitzondering tot niet-ontvankelijkheid van het OM leidt. Een strafvervolging die gebaseerd is op art. 197a en 197b Sr is bijvoorbeeld niet onverenigbaar met een eerder opgelegde bestuurlijke boete wegens overtreding van het verbod een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning (art. 2 Wav).13 Evenmin is de toepassing van een randvoorwaardenkorting op de in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid verstrekte inkomenssteun wegens het niet naleven van de regels voor de identificatie en registratie van dieren onverenigbaar met strafvervolging voor diezelfde gedraging.14 Voorts staat ook de bestuurlijke maatregel van ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in de weg aan het opleggen van de strafrechtelijke maatregel van ontzegging van de rijbevoegdheid:

“De ongeldigverklaring van het rijbewijs is een bestuurlijke maatregel waartoe kan worden besloten ingeval de houder van het rijbewijs blijkens de uitslag van een daartoe op grond van art. 131 WVW 1994 ingesteld onderzoek niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Deze maatregel wordt dus niet – direct of indirect – opgelegd op grond van het plegen van een strafbaar feit, ook al kan de verdenking van zo een feit wel de aanleiding vormen voor voormeld onderzoek. Hetgeen is overwogen in HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256 omtrent de strafvervolging ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, noopt niet tot een ander oordeel, omdat het in dat arrest – anders dan in het onderhavige geval – kort gezegd ging om de uitzonderlijke situatie waarin twee procedures over een identieke verweten gedraging hun directe oorsprong vonden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen.”15

3.9. Terug naar de onderhavige zaak. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de feiten die aan de oplegging van een huisverbod ten grondslag worden gelegd “naar van algemene bekendheid is” vrijwel altijd feiten zijn die tevens strafbare feiten opleveren. Erkend kan worden dat de in de bijlage bij het Besluit tijdelijk huisverbod gegeven opsomming van “Feiten en omstandigheden die het verloop van het incident betreffen” voor de juistheid van die stelling steun biedt. In elk geval moet het er in de onderhavige zaak voor worden gehouden dat het “incident” dat aanleiding was om het huisverbod op te leggen, de mishandeling is waarvoor de verdachte wordt vervolgd. Maar daarmee is nog niet gezegd dat zich hier de uitzonderlijke situatie voordoet waarvan volgens de Hoge Raad sprake is ingeval van de oplegging van een alcoholslotprogramma.

3.10. Uit hetgeen hiervoor onder 3.6 en 3.7 is vooropgesteld, blijkt dat het huisverbod een bestuurlijke maatregel is, waartoe kan worden besloten indien uit onderzoek blijkt dat de persoon ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning verblijven. Hieruit volgt dat deze maatregel dus niet – direct of indirect – wordt opgelegd op grond van het plegen van een strafbaar feit. Het enkele feit dat zich een “incident” heeft voorgedaan, rechtvaardigt niet de oplegging van een huisverbod, ook niet als dat incident een strafbaar feit is. Het incident vormt slechts de aanleiding voor een onderzoek, waarbij het de uitkomst van dat onderzoek is die grond kan opleveren voor het opleggen van een huisverbod. Die oplegging is dan ook vergelijkbaar met de ongeldigverklaring van het rijbewijs, waarbij de verdenking van een strafbaar feit eveneens de aanleiding kan vormen voor een onderzoek dat grond oplevert voor het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Dat leverde echter zoals wij zagen volgens de Hoge Raad niet een uitzonderlijke situatie op die op gespannen voet staat met het ne bis in idem-beginsel.16

3.11. Ik wijs er daarbij nog op dat ook al zou de bestuursrechtelijk maatregel en de strafvervolging op een identieke gedraging zijn gebaseerd die als zodanig grond oplevert voor beide reacties, daarmee nog niet sprake is een uitzonderlijke situatie als door de Hoge Raad bedoeld. Dat wordt geïllustreerd door de al genoemde uitspraak van de Hoge Raad die betrekking had op de zogenaamde randvoorwaardenkorting, waarin de gedraging dezelfde was, maar waarin de Hoge Raad geen uitzonderlijke situatie aannam. Vereist is namelijk ook dat de gevolgen van de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke sanctionering voor de betrokkene in hoge mate overeenkomen. Dat is niet het geval bij een korting op een overheidssubsidie. Dat is ook niet het geval in de onderhavige zaak, waarin de bestuursrechtelijke maatregel een sterk preventief karakter heeft en de strafrechtelijke reactie punitief van aard is.

3.12. Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Stb. 2008, 421.

2 Stb, 2008, 422.

3 Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 1.

4 Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 6.

5 Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 1-2.

6 Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 1-3, 6-7 en 19.

7 Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 3 en 19.

8 Stb. 2008, 422, p. 7.

9 Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 19.

10 Zie: J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, § VIII.3.2.1 (online geraadpleegd via Kluwer Navigator).

11 Hierbij zij opgemerkt dat uit de bepalingen van art. 243 lid 2 Sv en 5:44 Awb niet volgt dat een bestuurlijke boete steeds aan strafvervolging in de weg staat, in het bijzonder niet indien vóór de oplegging van de bestuurlijke boete de strafvervolging en het onderzoek ter terechtzitting reeds zijn begonnen. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2978.

12 HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434. Zie voorvergelijkbaar gevallen HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:412 en van dezelfde datum ECLI:NL:HR:2016:405. Zie tevens HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1807 aangaande zaken die voor de uitspraak van 3 maart 2015 nog niet onherroepelijk zijn geworden. Uit zeer recente rechtspraak van de Hoge Raad kan overigens worden afgeleid dat de enkele (toekomstige) mogelijkheid van de oplegging van het alcoholslotprogramma niet direct tot gevolg heeft dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Zie HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2478.

13 HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:222.

14 HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:241, r.o. 4.6.

15 HR 2 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3205.

16 Vgl. HR 2 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3205. Zie tevens HR 4 juli 2017 ECLI:NL:HR:2017:2478.