Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1303

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
16/03130
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3060, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van zware mishandeling in discotheek in Nijmegen. Afwijzing bij tussenarrest van bij appelschriftuur gedaan verzoek tot het horen als getuige van CIE-informant die ooggetuige is geweest van het geweldsincident en wiens gegeven informatie potentieel ontlastend is voor verdachte. Het Hof heeft het verzoek (aan de hand van de maatstaf van het verdedigingsbelang) afgewezen op de grond dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de informant informatie heeft over de betrokkenheid van verdachte en er in het dossier reeds vele uiteenlopende verklaringen van personen zijn opgenomen, zodat het Hof niet ziet wat een nieuwe verklaring zou kunnen toevoegen. Mede in aanmerking genomen de inhoud van de van de informant ingekomen informatie (nl. dat een ander dan verdachte zich aan zware mishandeling heeft schuldig gemaakt) en hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, is ’s Hofs oordeel niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03130

Zitting: 3 oktober 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 18 maart 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld, en een andere benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.1

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.2

3. Uit de bewijsvoering blijkt dat het hof het volgende heeft vastgesteld. In de nacht van 11 op 12 december 2010 vond in de uitgaansgelegenheid Matrixx in Nijmegen een geweldsincident plaats waarbij [betrokkene 1] werd mishandeld. Toen [betrokkene 1] zich even later buiten bevond, werd hij door twee van de desbetreffende jongens opnieuw mishandeld. [betrokkene 1] is bij dit incident bewusteloos geraakt en heeft onder meer een hersenschudding en een dubbele kaakfractuur opgelopen. [betrokkene 4] , een vriend van [betrokkene 1] , werd eveneens mishandeld. Zijn kaak bleek op vier plaatsen gebroken. In augustus 2011 is bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) bij de Politie Gelderland-Zuid van een informant de informatie ingekomen dat [betrokkene 2] omstreeks december 2010 in de Matrixx heeft gevochten en een Antilliaanse jongen zwaar heeft mishandeld. De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verzocht de informant als getuige te horen omdat deze voor de verdachte ontlastend zou kunnen verklaren. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 11 januari 2012 het noodzakelijk geoordeeld de CIE-informant te horen, het verzoek toegewezen en de zaak daartoe verwezen naar de rechter-commissaris. Nadat de CIE-officier van justitie aan de rechter-commissaris heeft bericht dat zwaarwegende opsporings- en veiligheidsbelangen zich tegen een verhoor van de informant verzetten en de informant ook niet bereid is als (afgeschermde) getuige een verklaring af te leggen, heeft de rechter-commissaris van het verhoor afgezien. Vervolgens heeft de rechtbank ter terechtzitting van 10 april 2013 alsnog, in een andere samenstelling, het herhaalde verzoek van de verdediging tot het horen van de informant afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank het belang van de veiligheid van de informant en de bescherming van zijn identiteit in aanmerking genomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het de juistheid van de CIE-informatie “wil” aannemen en daarmee het niet noodzakelijk bevonden de informant te horen. Het hof heeft het desbetreffende verzoek eveneens afgewezen.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de afwijzing van het verzoek tot het als getuige horen van de CIE-informant niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het middel keert zich zowel tegen de afwijzing van het verzoek bij het tussenarrest van 9 april 2015 als tegen de afwijzing van het herhaalde verzoek bij het eindarrest van 18 maart 2016.3

5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de nacht van 11 op 12 december 2010 te Nijmegen tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

- aan een persoon genaamd [betrokkene 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een dubbele kaakfractuur), heeft toegebracht, door deze [betrokkene 1] opzettelijk meermalen met kracht in/op/tegen zijn gezicht en/of hoofd en tegen zijn lichaam te slaan en/of te stompen en [betrokkene 1] (terwijl hij weerloos op de grond lag) meermalen met kracht tegen zijn lichaam te schoppen en/of te trappen.”

6. De tijdig ingediende appelschriftuur van de raadsman van 3 mei 2013 houdt het volgende in:

“Appellant is verbaasd over de heroverweging van de rechtbank ten aanzien van het horen van de informant. Immers, de rechtbank had in een andere samenstelling eerst aangegeven dat de informant gehoord moest worden bij de rechter-commissaris.

Appellant is van oordeel dat het horen van de informant in hoger beroep alsnog dient plaats te vinden. De informant heeft dusdanige informatie gegeven die ontlastend is danwel kan zijn voor hem. Het heeft er sterke schijn van dat de informant ooggetuige is geweest en derhalve belangrijke informatie kan geven over hetgeen zich heeft voorgedaan.

Indien de informant niet gehoord kan worden volgens uw hof, is appellant van oordeel dat de runners van de informant gehoord zouden moeten worden, danwel dat de CIE-officier van justitie gehoord dient te worden onder andere ten aanzien van hetgeen zij richting de rechter-commissaris kenbaar heeft gemaakt over de informant.”

7. De advocaat-generaal bij het hof heeft bij brief van 21 januari 2014 als volgt gereageerd op de inhoud van de appelschriftuur:

“Ingevolge art. 410 van het Wetboek van Strafvordering kunnen ook tijdig in een appelschriftuur opgegeven getuigen – die getoetst dienen te worden aanhet criterium van het verdedigingsbelang – worden geweigerd op gronden als bedoeld in art. 264.

Ik ben van oordeel dat de gezondheid en het welzijn van de door u gevraagde getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. Daarom verzet ik mij tegen het horen van de getuige. Wel kan de chef van de CIE en/of de officier van justitie verantwoordelijk voor de CIE worden gehoord.”

8. Bij een op 6 februari 2014 namens de voorzitter van de strafkamer van het hof verzonden e-mailbericht is de raadsman ervan in kennis gesteld dat de voorzitter vooralsnog geen aanleiding ziet om in het verzoek tot het horen van de CIE-informant te bewilligen. Dat e-mailbericht houdt voorts in dat de voorzitter de advocaat-generaal zal verzoeken om door de CIE-chef en/of de CIE-officier van justitie een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken ten aanzien van de CIE-informatie. De raadsman is daarbij in de gelegenheid gesteld vragen op te geven.

9. Bij brief van 26 februari 2014 heeft de raadsman zijn vragen aan de CIE-chef en de CIE-officier van justitie opgegeven. Van de CIE-officier van justitie wenste de raadsman onder meer antwoord op de volgende vragen:

“8. Kunt u aangeven of de informant heeft verklaard dat [betrokkene 2] de mishandeling alleen heeft gedaan of met anderen?

9. Kunt u aangeven indien de informant heeft aangegeven dat [betrokkene 2] de mishandeling met anderen heeft gepleegd, wie deze personen zijn of hoe deze personen er uit hebben gezien?

10. Kunt u aangeven of de informant iets heeft verklaard over [verdachte] en/of [betrokkene 3] ?”

10. Ter beantwoording van de door de raadsman opgegeven vragen is een tweetal processen-verbaal opgemaakt. Het betreft een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van [verbalisant 1] , chef van het Team Criminele Inlichtingen Oost-Nederland, van 29 maart 2014 en een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van [verbalisant 2] , CI-officier van justitie bij het parket Oost-Nederland, van 3 april 2014.4 Het laatstgenoemde proces-verbaal houdt als antwoorden op de vragen 8, 9 en 10 van de raadsman het volgende in:

“8. Zoals ik in mijn brief van 9 februari 2012 aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken te Arnhem heb gemeld, heeft de informant geen (belastende of ontlastende) concrete informatie gegeven over andere personen dan degene die genoemd wordt in het betreffende TCI-proces-verbaal.

9. Zie onder 8.

10. Zie onder 8.”

11. De raadsman heeft bij faxbericht van 6 mei 2014 aan het hof medegedeeld dat de verdediging van oordeel is dat [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ter terechtzitting van het hof dienen te verschijnen en dat het daarnaast in het belang van de verdediging en noodzakelijk is om de informant als getuige te horen. In dat verband heeft de raadsman aangevoerd dat [verbalisant 2] en [verbalisant 1] het grootste deel van zijn vragen ten onrechte niet hebben beantwoord.

12. Vervolgens heeft de raadsman bij faxbericht van 19 januari 2015 aan de advocaat-generaal verzocht de informant als getuige op te roepen. Ook in dit verband stelt de raadsman dat verreweg het grootste deel van de vragen niet is beantwoord, waarvan het merendeel ten onrechte, terwijl de verdediging belang heeft de getuige te horen, in het bijzonder over zijn reden van wetenschap. Dat faxbericht houdt in dat de verdediging subsidiair van oordeel is dat veel vragen ten onrechte niet zijn beantwoord door de TCI-chef en de CI-officier van justitie en dat beiden derhalve ter terechtzitting als getuigen zouden dienen te verschijnen.

13. Ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2015 heeft de raadsman, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal, onder meer het volgende aangevoerd:

“CIE-informatie wordt vaak gebruikt om een onderzoek te starten. In deze zaak is dat anders. De CIE-informatie die zich in het onderhavige dossier bevindt, is potentieel ontlastend. In eerste aanleg is het verzoek om de CIE-informant te horen, toegewezen. Later is de rechtbank daarop teruggekomen. Ook in hoger beroep heb ik verzocht om de informant te horen. De advocaat-generaal heeft zich tegen het horen van de informant verzet, omdat de gezondheid en het welzijn van de informant in gevaar zou worden gebracht. Ik vraag me af waarom door het horen van deze informant gevaar voor zijn gezondheid zou ontstaan. Het is wel van belang dat zijn identiteit niet bekend wordt. Dat snap ik. Ik hoef zijn identiteit niet te weten. Het is belangrijk dat deze getuige wordt gehoord. Er is veel onduidelijk. Er is verdachte een forse straf opgelegd. Als de informant op de bewuste avond in de Matrixx zelf aanwezig is geweest en hij heeft gezien wat er is gebeurd, dan kan hij mogelijk ook meer vertellen over de rol van verdachte en de medeverdachte. De informatie die hij heeft gegeven, lijkt te impliceren dat verdachte [verdachte] niet degene kan zijn geweest die de vechtpartij is begonnen en [betrokkene 1] zwaar heeft mishandeld. In hoger beroep heb ik wel vragen mogen stellen aan de CIE-officier van justitie en aan de chef van het TCI. Die hebben echter zeer weinig antwoorden gegeven. En de antwoorden die ik wel heb gekregen, begrijp ik niet. Ik heb de CIE-officier van justitie gevraagd of zij nader kon onderbouwen waarom de veiligheid van de getuige is het gedrang is, in het bijzonder omdat ik instem met het anoniem horen van de getuige. Daar heb ik geen antwoord op gekregen. Ik persisteer bij mijn verzoek om de informant als getuige te horen.

Als dit verzoek wordt afgewezen, dan wil ik alsnog de CIE-chef en de CIE-officier van justitie horen.”

14. Het hof heeft bij tussenarrest van 9 april 2015 onder de aanhef “Verzoek tot het horen van de CIE-informant” als volgt beslist op het verzoek van de raadsman:

“De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2015, net als in eerste aanleg, verzocht om de CIE-informant als getuige te doen horen. Daartoe is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de verdediging belang heeft bij het horen van de informant als getuige. Als de informant op de bewuste avond in de Matrixx zelf aanwezig is geweest en heeft gezien wat er is gebeurd, kan hij mogelijk ook meer vertellen over de rol van verdachte en de medeverdachte. De informatie die hij heeft gegeven lijkt te impliceren dat verdachte [verdachte] niet degene kan zijn geweest die de vechtpartij is begonnen en [betrokkene 1] zwaar heeft mishandeld. Om hierover helderheid te krijgen dient de informant als getuige te worden gehoord. De verdediging gaat in dit verband akkoord met maatregelen die de identiteit van de informant/getuige kunnen afschermen.

Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen het horen van de informant als getuige. Daarbij is gewezen op het persoonlijke veiligheidsbelang van de informant en op het belang van de opsporing in het algemeen bij het onbekend blijven van de identiteit van informanten om te voorkomen dat informanten niet meer informatie willen geven. Volgens het openbaar ministerie zou het horen van de informant over zijn redenen van wetenschap duidelijk maken wie hij is, want dan zou het lijstje met naam en toenaam van getuigen in het dossier “afgevinkt” kunnen worden. Bovendien is er sprake van voldoende compensatie, nu zowel de CIE-officier van justitie als de TCI-chef van de politie schriftelijk op vragen van de verdediging hebben geantwoord. Alle belangen afwegende moet het verzoek daarom worden afgewezen, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt als volgt.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal dat op 2 augustus 2011 is opgemaakt door [verbalisant 3] , inspecteur van politie, Groepschef van de Criminele Inlichtingen Eenheid bij de Politie Gelderland-Zuid. In dit proces-verbaal is onder meer de volgende informatie die via één informant is ingekomen opgenomen:

“(…) Omstreeks december 2010 heeft [betrokkene 2] gevochten in de Matrixx. Hij heeft een Antilliaanse jongen zwaar mishandeld (…)”.

De verstrekte informatie is door de verbalisant als betrouwbaar aangemerkt.

[betrokkene 2] voornoemd is in eerste aanleg bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Hij heeft, kort gezegd, ontkend iemand te hebben mishandeld.

In eerste aanleg heeft de verdediging zowel in de zaak van verdachte [betrokkene 3] als in de zaak van verdachte [verdachte] verzocht om de informant te horen. In de zaak van verdachte [verdachte] heeft de rechtbank, nadat zij in een eerdere beslissing het verzoek had toegewezen en het openbaar ministerie had geweigerd medewerking aan het oproepen van de informant als getuige te verlenen, uiteindelijk alsnog het herhaalde verzoek tot het horen van de informant afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer nog overwogen dat zij in de gegeven situatie uitgaat van de juistheid van de informatie zoals die hiervoor is weergegeven. In de zaak van verdachte [betrokkene 3] is het verzoek tot het horen van de informant meteen afgewezen.

In beide zaken hebben de CIE-officier van justitie als de TCI-chef van de politie in een proces-verbaal antwoord gegeven op een aantal vragen van de verdediging aangaande de informant en de door de informant gegeven informatie. Het merendeel van de vragen is onbeantwoord gebleven, omdat volgens de betreffende verbalisant het beantwoorden van de vragen kan bijdragen aan het bekend worden van de identiteit van de informant. De TCI-chef heeft wel verklaard dat uit nader onderzoek zou zijn gebleken dat de informatie alleen betrekking kan hebben op de ten laste gelegde mishandeling.

De informant, zo blijkt uit voormelde processen-verbaal, is op geen enkele manier bereid medewerking te verlenen aan een getuigenverhoor.

Het hof is om de volgende redenen van oordeel dat door het achterwege blijven van het verhoor van de informant de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Er zijn geen dan wel onvoldoende aanwijzingen dat de informant informatie heeft over de betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachte. De door de informant gegeven informatie ziet niet op hen. Zij is vaag en in algemene bewoordingen gesteld. In het dossier zoals dat aan het hof ter beschikking staat, zijn voorts vele wat betreft de betrokkenheid van verdachte en medeverdachte uiteenlopende verklaringen van personen opgenomen die de voorvallen geheel of gedeeltelijk hebben meegekregen, zodat het hof op basis van de door de raadsman gegeven onderbouwing niet ziet wat een nieuwe - belastende of ontlastende verklaring - zou kunnen toevoegen.

Het hof ziet op grond van het voorgaande eveneens geen belang voor de verdediging dan wel noodzaak om, zoals subsidiair is verzocht, de TCI-chef en de CIE-officier van justitie als getuige te horen.

Zowel het primaire als het subsidiaire verzoek zal daarom worden afgewezen.”

15. Ter terechtzitting van 4 maart 2016 heeft het hof met instemming van de procespartijen het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van het tussenarrest van 9 april 2015. De advocaat-generaal heeft zich in het requisitoir op het standpunt gesteld dat een verklaring van de informant niet van belang is voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv.5 De raadsman heeft vervolgens het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een pleitnota die, voor zover hier relevant, het volgende inhoudt:6

Alternatief scenario

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat [betrokkene 2] betrokken is bij deze zaak. Naar het oordeel van de verdediging is dit dusdanig dat het heel goed zou kunnen zijn dat hij met vrienden van hem (niet zijnde client) verantwoordelijk is voor de mishandeling van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] .

Allereerst heeft de medeverdachte [betrokkene 3] dit verklaard ter zitting op 25 mei 2011.

Later is gebleken dat de verklaring van hem niet verzonnen was want er kwam betrouwbare informatie binnen bij de CIE dat [betrokkene 2] gevochten had in de Matrixx in december 2010 en dat hij een Antilliaanse jongen zwaar mishandeld had.

Vervolgens is [betrokkene 2] door justitie ook als verdachte beoordeeld en in die hoedanigheid verhoord.

Daaruit blijkt dat hij ook betrokken is bij een opstootje!

Verder blijkt uit de verklaring van [betrokkene 3] dat hij met een jongen met een licht shirt was. Dit kan dus de jongen zijn die door getuigen wordt beschreven als jongen met een wit vest.

Verder blijkt uit het dossier dat [betrokkene 2] een litteken heeft bij zijn rechteroog (zie 1e verhoor [betrokkene 2] p. 261) en krulletjes dan wel krullend haar heeft (zie p. 265) en dit past bij de verklaring over de persoon 1 die begonnen is met vechten.

Conclusie is dan ook dat er niet alleen geen, althans onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van client maar dat er ook een zeer aannemelijk alternatief scenario is.

Nieuw voorwaardelijk verzoek tot horen informant, subsidiair TCI Chef, als getuige, indien uw Hof niet tot een vrijspraak komt.

Gelet op bovenstaande blijft de verdediging van oordeel dat het belangrijk is dat de informant wordt gehoord en anders subsidiair de TCI chef. Niet alleen om het alternatieve scenario te kunnen onderbouwen maar ook om ontlastend bewijs te kunnen leveren. Er is namelijk een grote kans dat client en [betrokkene 2] door elkaar zijn gehaald, nu [betrokkene 1] verklaart over littekens die hij heeft gezien bij 1 van de daders en het feit dat [betrokkene 1] een dergelijk litteken heeft. Client heeft ook een litteken in zijn gezicht maar anders dan [betrokkene 1] zegt. Daarnaast ligt er betrouwbare CIE informatie waarin wordt gezegd dat [betrokkene 2] betrokken is geweest bij de mishandeling.

Het heeft er alle schijn van dat de informant ooggetuige is geweest van het incident en dat hij heeft gezien wat er is gebeurd en dat [betrokkene 2] er bij betrokken is geweest.

Uw Hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat er geen dan wel onvoldoende aanwijzingen zijn dat de informant informatie heeft over de betrokkenheid van de verdachten. Dit terwijl de informant informatie heeft gegeven over dezelfde vechtpartij waarvoor mijn cliënt nu terecht staat. Wat heeft de informant nog meer allemaal verteld aan zijn runners.

De informatie is vaag volgens uw Hof. Ik zou zeggen reden temeer om hem te ondervragen. Wat heeft hij gezien? Wat weet hij.

Verder stelt uw hof dat er veel uiteenlopende verklaringen zijn over de betrokkenheid van verdachte en dat niet ingezien kan worden wat een nieuwe belastende of ontlastende verklaring zou kunnen toevoegen. Het gaat om het verdedigingsbelang als criterium. Het lijkt mij niet vol te houden dat een nieuwe ontlastende verklaring niet in het belang van de verdediging is.

Daarnaast loopt uw Hof vooruit op hetgeen de informant zou kunnen verklaren.

Kortom ik verzoek uw Hof om uw standpunt te herzien en alsnog het verzoek van de verdediging om de informant subsidiair de TCI chef, te horen toe te wijzen. Dat kan want uw Hof zit in een andere samenstelling en daarnaast zijn er op deze zitting nieuwe argumenten uitgewisseld.

Tenslotte heeft de Rechtbank ook haar eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de getuige herzien, ten nadele van de verdediging.”

16. Het hof heeft in zijn eindarrest van 18 maart 2016 onder meer het volgende overwogen:

Betrokkenheid [verdachte] bij het geweld in de nacht van 12 december 2010

[betrokkene 4] heeft verklaard dat [verdachte] in de Matrixx (met twee anderen) geweld heeft gebruikt tegen [betrokkene 1] en dat [verdachte] samen met [betrokkene 3] buiten achter (onder meer) hem is aangerend. [betrokkene 4] heeft pas op de zitting van 10 augustus 2011 de naam van [verdachte] genoemd, maar zijn verklaring op zitting sluit aan bij zijn verklaringen bij de politie waar hij over een persoon heeft verklaard die hij kende van gezicht en die bij hem op school in Boxmeer heeft gezeten. Uit het onderzoek van de politie blijkt dat [verdachte] inderdaad op de betreffende school in Boxmeer heeft gezeten. Bovendien heeft Jovian [verdachte] herkend tijdens de Foslo.

De verklaringen van [betrokkene 4] dat [verdachte] betrokken is geweest bij de geweldsincidenten in en buiten de Matrixx vinden steun in de verklaringen van anderen waaruit blijkt dat [betrokkene 3] zowel (met twee anderen) in de Matrixx als (met een ander) buiten de Matrixx geweld heeft gebruikt in combinatie met de verklaringen waaruit blijkt dat [betrokkene 3] in de Matrixx de hele tijd bij [verdachte] was en dat [betrokkene 3] en [verdachte] gezamenlijk de Matrixx hebben verlaten, kort nadat ook de slachtoffers de Matrixx hadden verlaten. Toen [betrokkene 3] buiten de Matrixx geweld gebruikte tegen [betrokkene 1] was hij in gezelschap van een ander, terwijl niemand heeft verklaard (ook [betrokkene 3] en [verdachte] niet) dat na het verlaten van de Matrixx [betrokkene 3] en [verdachte] zich hebben gesplitst en [betrokkene 3] met een andere persoon dan [verdachte] zijn weg heeft vervolgd.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het betoog van de verdediging dat erop neerkomt dat [betrokkene 4] zich zou hebben vergist, doordat zijn waarnemingsvermogen of zijn blikveld werd belemmerd als gevolg van situationele dan wel zijn persoon betreffende omstandigheden. Het hof ziet ook overigens geen redenen om geen (of slechts aanvullend) geloof te hechten aan zijn verklaringen. (…)

Eindconclusie

(…) Het hof heeft de door de verdediging vermelde 'alternatieve scenario's' overwogen maar is tot de conclusie gekomen dat deze niet juist zijn. Het is niet aannemelijk dat verdachten alleen maar in de buurt waren doch niets met het geweld te maken hadden, en evenmin dat de een de ander heeft weggetrokken. Ook is niet aannemelijk dat het geweld buiten uitging van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] , en bijgevolg dat zij ook eerder binnen het geweld hadden gepleegd, mede in het licht van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] dat zij moesten omlopen.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof opnieuw voorwaardelijk verzocht de CIE-informant dan wel subsidiair de TCI-chef en runners als getuigen te horen.

De verdediging heeft dit zelfde verzoek gedaan bij appelschriftuur d.d. 3 mei 2013 en ter terechtzitting van dit hof van 26 maart 2015. Het hof heeft hierop bij tussenarrest van 9 april 2015 afwijzend beslist. Het hof wijst het verzoek af op dezelfde gronden als het eerdere verzoek. Er is niet gebleken van nieuwe informatie die zou nopen tot een andere beslissing. Voor zover is opgemerkt dat het hof in de gegeven motivering vooruit loopt op hetgeen de getuige zou kunnen verklaren, wordt naar het oordeel van het hof miskend dat dit punt de beslissing van het hof niet zelfstandig draagt.”

17. Vooropgesteld kan worden dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering van het verzoek betrekking te hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken - voor zover hier relevant - tot staving van de betwisting van het ten laste gelegde. Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval - en met inachtneming van het toepasselijke criterium - moeten beoordelen.7

18. Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek tot het horen van de informant bij het tussenarrest van 9 april 2015 geldt het volgende.8

19. In een geval waarin in de appelschriftuur als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv een opgave van getuigen wordt gedaan, dient de rechter, gelet op art. 418, eerste lid, Sv - behoudens de zich hier niet voordoende uitzondering van het tweede lid van die bepaling - de in art. 288, eerste lid, Sv voorziene maatstaf te hanteren. Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat door het achterwege blijven van het verhoor van de informant de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Aldus heeft het hof, zoals ook de steller van het middel constateert, de juiste maatstaf gehanteerd.

20. De maatstaf van het verdedigingsbelang noopt de rechter ertoe een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.9

21. Aan het verzoek tot het horen van de informant is ter terechtzitting van 26 maart 2015 ten grondslag gelegd dat de zich in het dossier bevindende CIE-informatie potentieel ontlastend is. In dit verband is aangevoerd dat die informatie lijkt te impliceren dat de verdachte niet degene kan zijn geweest die de vechtpartij is begonnen en [betrokkene 1] zwaar heeft mishandeld. Als de informant op de bewuste avond in de Matrixx aanwezig is geweest en heeft gezien wat er is gebeurd, kan hij mogelijk ook meer vertellen over de rol van de verdachte en [betrokkene 3] , aldus de raadsman.

22. Het hof heeft aan de afwijzing van het verzoek in het tussenarrest onder meer ten grondslag gelegd dat de door de informant gegeven informatie niet op de verdachte en [betrokkene 3] ziet en dat er geen dan wel onvoldoende aanwijzingen zijn dat de informant informatie heeft over hun betrokkenheid. Die overweging kan de afwijzing van het verzoek niet dragen. De verdediging heeft juist betoogd dat de verdachte niet was betrokken bij het ten laste gelegde feit. De verdediging heeft met het horen van de CIE-informant als getuige onderbouwing willen geven aan het alternatieve scenario dat niet de verdachte, maar (onder anderen) [betrokkene 1] de aangever [betrokkene 1] heeft mishandeld. Daarbij komt dat het hof kennelijk onder ogen heeft gezien dat sprake zou kunnen zijn van een ontlastende verklaring. Het hof overweegt echter dat het niet ziet wat een nieuwe – belastende of ontlastende – verklaring zou kunnen toevoegen, waarbij het verwijst naar de vele uiteenlopende verklaringen die zich in het dossier bevinden. Ik acht het oordeel van het hof ook in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Relevant is in dezen of de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof de mogelijkheid onder ogen ziet dat de getuige een ontlastende verklaring kan afleggen. Onder die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de onderhavige strafzaak te nemen beslissing.

23. Gelet op het voorafgaande acht ik de afwijzing van het verzoek in het tussenarrest, in het licht van enerzijds hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, ontoereikend gemotiveerd.

24. Het voorafgaande leidt tot de slotsom dat het middel, voor zover het klaagt over de afwijzing van het verzoek tot het horen van de CIE-informant bij tussenarrest van 9 april 2015, doel treft. Dat betekent dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft.

25. Ook het tweede middel, dat de klacht behelst dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, kan buiten bespreking blijven. In geval de Hoge Raad anders mocht oordelen en behoefte heeft aan een aanvullende conclusie, zal ik daartoe overgaan.

26. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan buiten bespreking blijven. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen – en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het cassatieberoep in de samenhangende zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 3] (nr. 16/01821) is ingetrokken.

2 Bij ‘akte partiële intrekking cassatie’ van 29 september 2016 is het cassatieberoep ingetrokken ten aanzien van de vrijspraak van het primair ten laste gelegde en de vrijspraak van het subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde voor zover dit ziet op de aangever [betrokkene 4] .

3 Met de inwerkingtreding van de Politiewet 2012 is de naam Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) gewijzigd in Team Criminele Inlichtingen (TCI). Bij de weergave van het procesverloop gebruik ik de afkorting die wordt gebruikt in het desbetreffende gedingstuk.

4 Het proces-verbaal van de CI-officier van justitie bevat bij ondertekening de handgeschreven datum 4 april 2014.

5 Zie p. 1-2 van het op schrift gestelde requisitoir.

6 Pagina’s 15-17.

7 Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

8 Het middel klaagt niet over de afwijzing van het ter terechtzitting van 26 maart 2015 gedane subsidiaire verzoek tot het horen van de CIE-chef en de CIE-officier van justitie.

9 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.5 en 2.76.