Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1296

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-10-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
16/05926
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3031, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Doodslag, poging tot doodslag en vernieling auto door in Amsterdam met een vuurwapen kogels in de richting van A en B af te vuren. Beroep op noodweer(exces). Hof: Niet aannemelijk dat A was gewapend. HR: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05926

Zitting: 31 oktober 2017

Mr. D.J.C. Aben

Standpunt/conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 16 juni 2016, door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 impliciet subsidiair “doodslag”, onder 2 impliciet subsidiair “poging tot doodslag” en onder 3 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren.1 Tevens heeft het hof de vordering van drie benadeelde partijen toegewezen, allereerst [betrokkene 1] voor een bedrag van € 11.707,27 ter zake van materiële schade, in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 93 dagen hechtenis. Het hof heeft de verdachte verwezen in de door deze benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van het arrest begroot op € 2.895,-. De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] is toegewezen tot het bedrag van € 2.786,- bestaande uit € 786,- materiële schade en € 2.000,- immateriële schade in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 37 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij U. [...] heeft het hof toegewezen tot een bedrag van € 544,50 als vergoeding voor materiële schade in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 10 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslissingen genomen inzake inbeslaggenomen voorwerpen.

2. De verdachte heeft beroep in cassatie doen instellen. Het door het Openbaar Ministerie ingestelde cassatieberoep is tijdig ingetrokken.
Namens de verdachte heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende tweede middelen van cassatie ingediend.

3. De middelen richten zich tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer(exces). Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen, onder meer op de grond dat niet aannemelijk was geworden dat [betrokkene 3] , het slachtoffer van de onder 1 bewezenverklaarde doodslag, gewapend was toen hij door de verdachte de betreffende nacht werd doodgeschoten. In cassatie wordt dit oordeel onbegrijpelijk genoemd vanwege verklaringen van de verdachte en van getuigen die erop neerkomen dat het slachtoffer wel degelijk gewapend was.

4. Het oordeel van het hof dat het slachtoffer niet gewapend was, betreft een feitelijk oordeel dat door de cassatierechter slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het hof heeft ten aanzien van elke (getuigen)verklaring waarop een beroep is gedaan teneinde te onderbouwen dat het slachtoffer gewapend was, te kennen gegeven dat en waarom hij die verklaring niet aannemelijk acht. In cassatie wordt aangevoerd dat die overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn. Daarbij worden argumenten aangevoerd die ook in feitelijke aanleg reeds naar voren zijn gebracht. Al die argumenten waren het hof dus bekend en het hof heeft mede op basis daarvan een afweging gemaakt. Dat de afweging anders is uitgevallen dan door de verdediging bepleit, maakt het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk.

5. Ten overvloede merk ik op dat in de toelichting wordt gewezen op verklaringen van een “getuige [betrokkene 4]”. Over verklaringen van getuige [betrokkene 4] heeft het hof zich niet uitgelaten; wel over verklaringen van een getuige genaamd [betrokkene 5]. Processen-verbaal met daarin verklaringen van een getuige [betrokkene 5] heb ik bij de stukken aangetroffen.

6. De klachten tegen de verwerping van het beroep op noodweer zijn uitsluitend gericht tegen het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 3] gewapend was. Nu ‘s hofs oordeel ter zake niet onbegrijpelijk is, falen de klachten tegen de verwerping van het beroep op noodweer.

7. Nu het hof heeft aangenomen dat zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan, volgt daaruit dat ook het tweede middel, dat klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweerexces, faalt.2

8. De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

9. Mijn standpunt houdt in dat de verdachte op de voet van artikel 80a RO niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:GHAMS:2016:2317. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman gewezen op het op deze zaak betrekking hebbende bericht van [...], ‘Slachtoffer schietpartij Noord blijkt lid van Amsterdamse rapformatie THC’, Het Parool 6 mei 2014.

2 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6.1.