Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1291

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-10-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
16/04586
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3026, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijden zonder rijbewijs, art. 107.1 WVW 1994. Ontoereikende bewijsmotivering. Bewezenverklaring kan, v.zv. inhoudende dat het verdachte is geweest die een motorrijtuig heeft bestuurd, mede in aanmerking genomen hetgeen door de raadsman ttz. in h.b. omtrent het nummer van de identiteitskaart van verdachte is aangevoerd, niet z.m. worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering. De bestreden uitspraak is derhalve in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. CAG (anders): Middel klaagt terecht dat de in de nadere bewijsoverweging genoemde omstandigheid dat de door verdachte aan de politie opgegeven gegevens na onderzoek overeen bleken te komen niet uit de gebezigde b.m. volgt. Dit verzuim behoeft niet tot cassatie te leiden, aangezien uit het (onderliggende) p-v van bevindingen, dat het Hof deels tot het bewijs heeft gebezigd, z.m. duidelijk wordt waar het Hof op heeft gedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04586

Zitting: 10 oktober 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 september 2016 door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Den Haag wegens “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De verdachte is door het hof veroordeeld voor het rijden in een auto zonder rijbewijs. Het eerste middel bevat twee klachten. Het klaagt allereerst dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte degene is geweest die op 10 januari 2014 de in de tenlastelegging bedoelde personenauto heeft bestuurd. Daarnaast klaagt het dat de nadere bewijsoverweging van het hof niet begrijpelijk is gemotiveerd.

3.1. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 10 januari 2014 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Nieuwe Binnenweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.”

3.2. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een geschrift, zijnde een afschrift conform origineel van het proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, D04 wijkpolitie, met bonnummer [001] en zaaknummer 002676429, opgemaakt en ondertekend op 20 januari 2014 door een opsporingsambtenaar. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

[verbalisant], agent van politie, constateerde dat een persoon een feit pleegde dat als volgt is omschreven: als bestuurder van een motorrijtuig rijden zonder rijbewijs voor de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort, gepleegd op 10 januari 2014 te Rotterdam, aan de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam, met een personenauto van het merk Volkswagen met kenteken [AA-00-BB].

Verdachte bestuurde een personenauto waar rijbewijs B voor noodzakelijk was. Uit onderzoek bleek verdachte deze niet te hebben. RDW geen gegevens bekend.

De verdachte verstrekte [verbalisant] de volgende personalia: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats].

2. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van bekeuring van de politie, met bonnummer [001], opgemaakt en ondertekend op 16 januari 2014 door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Op 10 januari 2014 aan de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam zag ik dat de volgende gedraging werd verricht: rijden zonder rijbewijs, gepleegd door [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats].

De verdachte bestuurde een personenauto waar rijbewijs B voor noodzakelijk was. Uit onderzoek bleek verdachte deze niet te hebben. RDW geen gegevens bekend.”

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 9 september 2016 houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging, als volgt:

Ik verzoek u mijn cliënt vrij te spreken. Op basis van het dossier kan ik geen beeld vormen van hetgeen is gebeurd. Zo is niet gerelateerd onder welke omstandigheden de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan het ten laste gelegde. In het proces-verbaal van bevindingen is een nummer van een identiteitskaart vermeld, dat kennelijk op mijn cliënt betrekking heeft. Op zijn ID-staat staat evenwel een ander nummer van de identiteitskaart van mijn cliënt, dat niet correspondeert met het nummer van de identiteitskaart die in het proces-verbaal van bevindingen is vermeld.

(…)

De voorzitter constateert dat de identiteitskaart van de verdachte, zoals in kopie weergegeven op de zich in het hof-dossier bevindende informatiestaat SKDB-persoon, met nummer [002], is afgegeven op 8 maart 2016.

De raadsman dupliceert als volgt:

Ik beschik over een kopie van een identiteitskaart uit 2009 met het nummer [003]. Uit de scandatum van dit document, namelijk 12 april 2014, is mijns inziens af te leiden dat mijn cliënt zijn identiteitskaart uit 2009 in 2014 nog steeds in gebruik had. Deze identiteitskaart correspondeert met de ten laste gelegde datum.”

3.4. Het bestreden arrest bevat daarnaast de volgende nadere bewijsoverweging waarin kennelijk ook op het hiervoor weergegeven verweer van de raadsman wordt ingegaan:

“Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft de verdachte zijn personalia aan de politie opgegeven. Na onderzoek bleken deze gegevens overeen te komen. Dat de in het proces-verbaal van bevindingen vermelde identiteitskaart een ander nummer had, kan daaraan niet afdoen. Naar het oordeel van het hof staat op grond van het proces-verbaal van bevindingen genoegzaam vast dat het de verdachte is geweest die op 10 januari 2014 zonder rijbewijs reed over de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam en zijn personalia aan de politie opgaf.”

3.5. Aan de klacht dat de nadere bewijsoverweging van het hof niet begrijpelijk is gemotiveerd, is ten grondslag gelegd dat deze overweging inhoudt dat blijkens de door het hof gebruikte bewijsmiddelen de verdachte [verdachte] zijn personalia aan de politie heeft opgegeven, terwijl uit deze bewijsmiddelen niet blijkt dat de bestuurder van de personenauto daadwerkelijk [verdachte] was, of iemand die zich uitgaf voor [verdachte]. Daarnaast is aan deze klacht ten grondslag gelegd dat het hof heeft overwogen dat, na onderzoek, “de gegevens overeen bleken te komen”, terwijl de bewijsmiddelen niets inhouden over dit onderzoek en het hof niet het wettig bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het dit onderzoek naar de personalia ontleent.

3.6. Ik ben het met de steller van het middel eens, dat de nadere bewijsoverweging niet uitblinkt in helderheid. Voor zover het middel echter berust op de stelling dat het hof heeft overwogen dat het de verdachte [verdachte] is geweest die blijkens de bewijsmiddelen zijn personalia aan de politie heeft opgegeven, gaat het mijns inziens uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Ik meen namelijk dat het hof met zijn overweging dat de verdachte blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zijn personalia heeft opgegeven, heeft gedoeld op de als verdachte aangemerkte bestuurder van de personenauto. Dat sluit mijns inziens ook aan op het door het hof gebezigde bewijsmiddel 1 dat inhoudt: “De verdachte verstrekte [verbalisant] de volgende personalia: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats]”.

3.7. Wel klaagt het middel terecht dat het hof heeft verzuimd het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan het zijn overweging heeft ontleend dat de gegevens na onderzoek “bleken overeen te komen”. Het betreft immers een omstandigheid die door het hof redengevend is geacht voor de bewezenverklaring, terwijl deze niet blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.1 Tot cassatie hoeft dit mijns inziens echter niet te leiden, aangezien uit het proces-verbaal van bevindingen waarvan het hof in bewijsmiddel 1 een zakelijke weergave geeft, zonder meer duidelijk wordt waar het hof op heeft gedoeld. Dit proces-verbaal houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, [verbalisant], desgevraagd de volgende personalia:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [voornaam verdachte]

Geboren : [geboortedatum]-1991

Geboortegemeente : [geboorteplaats]

Geslacht : mannelijk

Burger service nummer : [004]

Adres : [a-straat 1]

Postcode en Woonplaats : [woonplaats]

Land : Nederland

Personalia conform : Identiteitskaart

Nummer : [005]”

3.8. Met name de laatste twee regels duiden erop dat de verbalisant de door de verdachte verstrekte persoonsgegevens heeft gecontroleerd aan de hand van een kennelijk door de verdachte verstrekte identiteitskaart. Op grond van het vorenstaande moet de nadere bewijsoverweging van het hof mijns inziens zo worden gelezen dat het hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de bestuurder van de personenauto personalia heeft opgegeven, zijnde de personalia van de verdachte, en dat vervolgens uit onderzoek bleek dat de opgegeven personalia overeen kwamen met de gegevens op de door de bestuurder getoonde identiteitskaart, zodat – wat er ook zij van het in het proces-verbaal van bevindingen genoemde nummer van de identiteitskaart – genoegzaam vaststaat dat het de verdachte is geweest die op 10 januari 2014 zonder rijbewijs reed over de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam en zijn personalia aan de politie opgaf.

3.9. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging kennelijk gereageerd op hetgeen door de raadsman in hoger beroep is aangevoerd, namelijk dat op de ID-staat van de verdachte een ander nummer van zijn identiteitskaart stond dan in het proces-verbaal van bevindingen is vermeld. Dit baseerde de raadsman op de omstandigheid dat hij beschikte over een kopie van een identiteitskaart ten name van de verdachte met het nummer [003] uit 2009 met als scandatum 12 april 2014, waaruit volgens de raadsman zou kunnen worden afgeleid dat deze identiteitskaart in 2014 nog in gebruik was bij de verdachte.

3.10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de raadsman een ID-staat SKDB dan wel een stuk waaruit die scandatum van 12 april 2014 zou blijken, heeft overgelegd. Daarnaast heb ik bij de stukken van het geding evenmin een identiteitskaart van de verdachte uit 2009 met als scandatum 12 april 2014 aangetroffen. Wel bevindt zich bij de stukken van het geding een de verdachte betreffende ID-staat SKDB d.d. 29 februari 2016. Deze bevat een afbeelding van de identiteitskaart van de verdachte voorzien van het nummer [003] (hetzelfde nummer waar de raadsman op doelt) met als afgiftedatum 27 augustus 2009 en geldig tot 27 augustus 2014. Deze afbeelding is echter voorzien van de vermelding “datum scan ID-document 12-04-2011”.

3.11. Gezien de geldigheidsduur van de identiteitskaart is het zeer goed mogelijk dat de verdachte deze identiteitskaart op 10 januari 2014 nog in gebruik had. Het is echter ook mogelijk dat de verdachte in de tussentijd deze identiteitskaart heeft moeten laten vervangen door een nieuwe identiteitskaart met een ander nummer. In ieder geval dwingt hetgeen de raadsman heeft aangevoerd in mijn visie niet zonder meer tot de gevolgtrekking dat de verdachte de in 2009 afgegeven identiteitskaart op 10 januari 2014, de datum van het tenlastegelegde feit, in gebruik had.

3.12. In het licht van het vorenstaande acht ik het oordeel van het hof dat genoegzaam vaststaat dat het de verdachte is geweest die op 10 januari 2014 zonder rijbewijs reed over de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam en zijn personalia aan de politie opgaf, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Gelet hierop is de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte degene is geweest die op 10 januari 2014 de personenauto heeft bestuurd mijns inziens vergeefs voorgesteld.

3.13. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Het tweede en het derde middel komen op tegen de strafmotivering. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.1. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 augustus 2016, is de verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Anderzijds houdt het hof rekening met de relatieve ouderdom van het feit alsmede met de omstandigheid dat de verdachte serieus bezig lijkt te zijn met zijn bedrijf.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke hechtenis van na te melden duur een passende reactie vormt.”

4.2. Het tweede middel klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

4.3. De rechter dient op grond van art. 359 lid 6 Sv in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze voor de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel hebben geleid. Dit vereiste wordt door de Hoge Raad zo ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering expliciet te vermelden dat een dergelijke sanctie wordt opgelegd en deze te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.2

4.4. Het hof heeft met zijn hiervoor aangehaalde overwegingen uitdrukkelijk doen blijken dat alleen deels onvoorwaardelijke hechtenis in de onderhavige zaak passend en geboden is en aldus in overeenstemming met art. 359 lid 6 Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde hechtenis hebben bepaald.3 Het tweede middel is daarom vergeefs voorgesteld.

4.5. Het derde middel klaagt dat de strafmotivering niet begrijpelijk is, aangezien het hof heeft overwogen dat de verdachte blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie van 15 augustus 2016 meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten, terwijl uit het uittreksel justitiële documentatie volgt dat de verdachte slechts eenmaal onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

4.6. Ik stel vast dat het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 15 augustus 2016, waarnaar het hof in zijn strafmotivering verwijst, naast een aantal onherroepelijke veroordelingen voor andersoortige strafbare feiten – voor zover hier van belang – het volgende inhoudt:

- een veroordeling door de kantonrechter Delft d.d. 2 februari 2010 wegens overtreding van art. 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 gepleegd op 28 mei 2009 (onherroepelijk: 20 juli 2010);

- een strafbeschikking wegens overtreding van art. 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 gepleegd op 1 augustus 2013 (onherroepelijk: 3 oktober 2013).

4.7. Gelet hierop is de vaststelling van het hof dat de verdachte meermalen onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten en andersoortige strafbare feiten niet onbegrijpelijk. Gelet op art. 78b Sr kan een onherroepelijke strafbeschikking in het kader van de strafmotivering immers worden gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling door de strafrechter.4 Het derde middel faalt.

5. De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers, rov. 3.3.

2 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437, rov. 4.3.3.

3 Vgl. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852.

4 Vgl. HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:7, NJ 2017/31, rov. 2.4.1-2.4.2.