Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1284

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-11-2017
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
16/06046
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:270, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Omvang gemeenschap, verknochtheid van tweetal ontslagvergoedingen (art. 1:94 BW), waarvan één is ondergebracht in een stamrecht-B.V. en de andere contant aanwezig is gebleven. Aanspraak die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid: onderscheid tussen periode vóór en na ontbinding huwelijksgemeenschap (zie o.a. HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292). Aanspraak op stamrecht verknocht indien deze bedoeld was als oudedagsvoorziening? Verdeling inboedelgoederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/06046

mr. W.L. Valk

Zitting: 10 november 2017

Conclusie inzake:

[de vrouw]

tegen

[de man]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

Deze zaak betreft de verdeling en afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zoals die tussen partijen heeft bestaan. In cassatie zijn de volgende vragen aan de orde: of de door de man van zijn voormalige werkgevers ontvangen (ontslag)vergoedingen aan hem verknocht zijn, of de vrouw jegens de man een vergoedingsrecht heeft ter zake van een bankrekening bij ABN AMRO Bank, of de te verrekenen kosten van een vakantie van de vrouw met de kinderen is meegenomen in de opstelling van de over en weer door partijen te betalen bedragen, of bij de waardebepaling van de voormalige echtelijke woning de juiste peildatum is aangehouden en of het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van de vrouw inzake de verknochtheid van enkele goederen.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

1.1.1.

Partijen zijn op 3 oktober 1986 gehuwd in gemeenschap van goederen. De man is geboren op [geboortedatum] 1956 en de vrouw op [geboortedatum] 1956.

1.1.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn drie thans meerderjarige kinderen geboren.

1.1.3.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de voormalige echtelijke woning).

1.1.4.

De rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 2 juli 2013 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2.

De man heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, verzocht de huwelijksgemeenschap te verdelen.

1.3.

De rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2013 de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.

1.4.

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld en onder meer grieven gericht tegen oordelen van de rechtbank omtrent de voormalige echtelijke woning, de inboedel, de door de man ontvangen vergoedingen van Tele Atlas N.V. (hierna: Tele Atlas) en TomTom, de verrekening tussen partijen en de bankrekeningen. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en onder meer grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de ontslagvergoeding van TomTom.

1.5.

Het hof heeft op 10 juli 2014, 11 september 2014, 4 juni 2015 (verbeterd op 20 augustus 2015), 8 oktober 2015, 31 maart 2016 en 15 september 2016 (tussen)beschikkingen gegeven, waarin het hof onder meer als volgt heeft geoordeeld.

1.5.1.

Met betrekking tot de door de man van zijn voormalige werkgevers ontvangen (ontslag)vergoedingen heeft het hof de beschikking van de rechtbank bevestigd. Daartoe heeft het hof in rechtsoverweging 3.11.2 van de beschikking van 10 juli 2014 met betrekking tot de ontslagvergoeding van Tele Atlas, die is gestort in een stamrecht-BV, kort samengevat, overwogen dat deze gelet op vaste jurisprudentie en de bepalingen in de stamrechtovereenkomst aan de man verknocht is. In rechtsoverweging 3.9.2 van dezelfde beschikking heeft het hof met betrekking tot de ontslagvergoeding van TomTom overwogen dat deze gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad niet aan de man verknocht is omdat de vergoeding ineens door de man is ontvangen, de aan de ontslagvergoeding van TomTom ten grondslag liggende overeenkomst niet is overgelegd zodat het doel van de ontvangen gelden niet vastgesteld kan worden, niet duidelijk is welke bestemming de gelden hebben gekregen en de regel uit HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 niet van toepassing is omdat het in die zaak ging om een letselschade-uitkering.

1.5.2.

Bij eindbeschikking van 15 september 2016 heeft het hof bepaald dat de vrouw ter zake van verrekening een bedrag van € 24.164,13 aan de man moet voldoen. Het hof heeft daartoe onder meer in rechtsoverweging 15.7.2 van de beschikking van 31 maart 2016 overwogen dat de aanspraak van de vrouw ter zake van de ABN AMRO-rekening niet kan worden aanvaard omdat de berekening van de door de vrouw genoemde bedragen onvoldoende inzichtelijk is en niet vast te stellen is of de overboekingen van de ABN AMRO-rekening zien op kosten van de huishouding of levensonderhoud. Voorts heeft het hof in rechtsoverweging 15.9.5 van de beschikking van 31 maart 2016 overwogen dat de creditcardschuld per 14 september 2013 moet worden verdeeld in die zin dat beide partijen de helft van deze schuld moeten dragen.

1.5.3.

Bij eindbeschikking van 15 september 2016 heeft het hof de beschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd, onder meer met betrekking tot het bedrag van de overbedeling ter zake van de voormalige echtelijke woning en bepaald dat de man dienaangaande € 167.416,— aan de vrouw moet voldoen. Die beslissing berust op de uitkomsten van een door het hof bij de beschikking van 10 juli 2014 bevolen deskundigenonderzoek. In rechtsoverweging 11.9 en 11.10 van de beschikking van 4 juni 2015 heeft het hof de bezwaren van partijen tegen het deskundigenrapport verworpen.

1.5.4.

Bij eindbeschikking van 15 september 2016 heeft het hof een aantal inboedelgoederen aan de vrouw toebedeeld en vastgesteld dat de inboedel voor het overige is verdeeld. Daartoe heeft het hof in rechtsoverweging 3.8.3 van de beschikking van 10 juli 2014 overwogen dat aan de vrouw de goederen moeten worden toebedeeld die door haar in productie 28 zijn genoemd, alsmede dat de inboedel daarmee is verdeeld, nu de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans dat partijen daarover te weinig hebben gesteld, en zij over een ingerichte woning beschikken.

1.6.

Op 14 december 2016 heeft de vrouw tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende incidenteel cassatieberoep. De vrouw heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend. De man heeft een verweerschrift inzake het beroep van de vrouw op art. 3:303 BW ingediend.

2 Bespreking van het principale cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel betreft de door de man van Tele Atlas ontvangen ontslagvergoeding die is ondergebracht in MiLéNi B.V. en richt zich tegen rechtsoverweging 3.11.2 van de beschikking van 10 juli 2014, waarin het hof heeft overwogen:

‘3.11.2. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof verwijst voor wat betreft de heersende jurisprudentie op het punt van verknochtheid van ontslagvergoedingen naar rov. 3.9.2 van deze beschikking. De man heeft de door hem van Tele Atlas N.V. ontvangen ontslagvergoeding ondergebracht in een stamrecht-B.V., te weten MiléNi B.V. De man heeft als productie 8d bij het verweerschrift de onderliggende overeenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man overgelegd. In artikel 2 van die overeenkomst staat:

“Tele Atlas will in its petition offer [de man] a termination lump sum compensation of € 720.800,— gross, as a compensation for loss of (future) income and as a supplement to any unemployment or any benefits or any lower salary which [de man] may receive elsewhere. This amount may be adapted in accordance with article 5 hereof.

The methods of payment shall be at [de man]’s discretion, provided that from a tax perspective it remains within acceptable and legal limits. [de man] will in his defence accept this compensation as reasonable.

In the event that [de man] wishes to receive the payment for a future right to periodical payments (“stamrecht”) within the meaning of Article 11 ( 1) (g) of the Dutch 1964 Wages and Salaries Tax Act (“Wet op de loonbelasting 1964”) he will provide Tele Atlas timely with the articles of incorporation of this “standing right” company and with the “standing right agreement” in order to enable Tele Atlas to determine – prior to payment – that such a payment without any deduction of taxes is allowed in accordance with Dutch tax law. Payment will take place after the share transfer as mentioned in article 5 has taken place.”

Artikel 2 van de stamrechtovereenkomst luidt:

“Het recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon voorziet in aan ondergetekende sub 1 toekomende:

a. Periodieke uitkeringen die ingaan in het jaar waarin ondergetekende sub 1 de leeftijd van 65 jaar bereikt,

b. Aanvullende periodieke uitkeringen, ingaande per 1 januari 2005, als aanvulling op het inkomen uit tegenwoordige arbeid, indien het inkomen uit tegenwoordige arbeid van ondergetekende sub I niet hoger is dan € 75.000,— (zegge: vijfenzeventigduizend EURO) gemeten per ultimo van ieder kalenderjaar gedurende de periode vóór het bereiken van de 65jarige leeftijd van ondergetekende sub 1. De totale aanvullende periodieke uitkering plus het inkomen uit tegenwoordige arbeid van ondergetekende sub I bedraagt per jaar maximaal € 75.000. (...)”

Gelet op de vaste jurisprudentie en voornoemde bepaling in de overeenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man alsmede artikel 2 van de stamrechtovereenkomst is het hof van oordeel dat de stamrechtvoorziening van Tele Atlas N.V. als verknocht moet worden beschouwd.

De stellingen van de vrouw dat sprake zou zijn van onregelmatigheden in de overgelegde stukken heeft zij onvoldoende onderbouwd. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals door de vrouw is verzocht. Voorts heeft de vrouw niet nader onderbouwd waarom van de contante waarde van de belastingclaim moet worden uitgegaan. Aan de stelling van de vrouw dat de lening van MiléNi B.V. geen € 795.661,— maar € 750.800,— bedraagt dient om diezelfde voorbij te worden gegaan.

Gelet op het voorgaande falen de grieven 7 tot en met 10 van de vrouw en dienen de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot MileNi B.V. en de stamrechtvoorziening te worden bekrachtigd.’

2.2.

Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen. Subonderdeel 1a klaagt dat het oordeel van het hof niet voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen. De vrouw heeft onder meer gesteld dat de ontslagvergoeding door de man c.q. door partijen altijd bedoeld is geweest als oudedagsvoorziening. Verder heeft de vrouw een e-mail van de man overgelegd waarin de man zegt dat hij de stamrecht-BV altijd heeft gezien als hun pensioenvoorziening omdat hij in zijn werkzaam leven bij werkgevers niet veel aan pensioen heeft opgebouwd. De vrouw stelt dat dit een essentiële stelling betreft die het hof niet onbehandeld of impliciet ongemotiveerd had mogen verwerpen, nu deze stelling het standpunt inhoudt dat sprake is geweest van een bestemmingswijziging van de ontslagvergoeding en dat aanvaarding van deze stelling meebrengt dat van verknochtheid geen sprake meer is.

2.3.

Subonderdeel 1b betoogt, onder verwijzing naar de beschikking van uw Raad van 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292, dat het hof heeft miskend dat bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak jegens een stamrecht-BV in de huwelijksgemeenschap valt, onderzocht moet worden in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voorts is de conclusie van het hof dat de aanspraak van de man op de stamrecht-BV verknocht is in het licht van de voornoemde beschikking van de Hoge Raad onbegrijpelijk, nu de ontslagvergoeding ruimschoots voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap is ontvangen, aldus de vrouw.

2.4.

Wezenlijk voor de onderhavige zaak is dat de door de man van Tele Atlas ontvangen ontslagvergoeding strekte tot vergoeding van door de man te lijden inkomensverlies in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, maar de man ervoor heeft gekozen om die vergoeding in een stamrecht-BV te storten waaruit vooral ná het bereiken door de man van de 65-jarige leeftijd (dus vanaf 2021) uitkeringen zullen plaatsvinden (naast eventuele uitkeringen tot aanvulling van zijn arbeidsinkomen tót het bereiken van de 65-jarige leeftijd).

2.5.

Het hof heeft beslist dat de stamrechtsvoorziening als verknocht moet worden beschouwd en heeft daartoe enkel in algemene zin verwezen naar ‘de vaste jurisprudentie’ en naar de inhoud van de overeenkomst met Tele Atlas en artikel 2 van de stamrechtovereenkomst.

2.6.

Subonderdeel 1a berust klaarblijkelijk op de opvatting dat indien een stamrecht bedoeld is als oudedagsvoorziening, dat stamrecht niet, of in beginsel niet als verknocht dient te gelden. Mij dunkt dat voor die opvatting veel is te zeggen. De vraag of een goed, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 BW aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW – kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord, maar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.2 Mijns inziens behoort met betrekking tot een oudedagsvoorziening te worden aangenomen dat als het huwelijk door echtscheiding eindigt, die voorziening, voor zover voorafgaande aan de echtscheiding opgebouwd, niet verknocht is en dus bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking moet worden genomen. De analogie met pensioenaanspraken ligt immers alleszins voor de hand (in de strikte zin van het woord is de onderhavige oudedagvoorziening geen pensioenaanspraak, maar de strekking van de voorziening is niet wezenlijk anders dan die van pensioen).3 Vergelijk ook HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:502, RvdW 2016/442. In die zaak had het hof vastgesteld dat de man aan zijn aanspraak jegens zijn voormalige werkgever de bestemming van een oudedagsvoorziening had gegeven en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat die voorziening in de huwelijksgemeenschap viel en dus tussen partijen moest worden verdeeld. Het daartegen gerichte onderdeel 3 van het cassatiemiddel is door uw Raad met toepassing van art. 81 Wet RO verworpen.

2.7.

Waar het hof niets over de stellingen van de vrouw omtrent het karakter van het stamrecht als oudedagsvoorziening heeft overwogen, moeten we naar de gedachtegang van het hof gissen. Mogelijk4 is die gedachtegang geweest dat de strekking van de oorspronkelijke aanspraak op Tele Atlas beslissend is, omdat indien die aanspraak niet verknocht was, tegen de achtergrond van de zaaksvervangingsregel ook de aanspraak op de stamrecht-BV dat niet is. Die gedachtegang is echter niet juist. Voor de vraag in hoeverre een vervangend goed verknocht is, is de eigen aard van dat goed beslissend en niet de aard van het oorspronkelijke goed.5 Dat lijkt ook recent nog mede de opvatting van de wetgever te zijn.6

2.8.

Subonderdeel 1a treft dus doel.

2.9.

Als over het lot van subonderdeel 1a al anders zou moeten worden gedacht, treft in ieder geval subonderdeel 1b doel. In het licht van de door het subonderdeel vermelde rechtspraak van uw Raad heeft het hof ten onrechte niet onderzocht in hoeverre de aanspraak van de man op de stamrecht-BV ziet op de periode voor respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, althans het hof heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom dat onderzoek hier achterwege kon blijven. Waar de vraag of de aanspraak op de stamrecht-BV al dan niet verkocht is tussen partijen in geschil was, was het hof tot het bedoelde onderzoek respectievelijk de bedoelde motivering gehouden, ook zonder dat de vrouw zich in de feitelijke instanties subsidiair op het standpunt had gesteld dat de bedoelde aanspraak gedeeltelijk verknocht is.

2.10.

Onderdeel 2 van het principale middel betreft de aanspraak van de vrouw ter zake van de ABN AMRO rekening en keert zich tegen rechtsoverweging 15.7.2 van de beschikking van 31 maart 2016. Daarin is overwogen:

‘15.7.2 Het hof oordeelt als volgt.

De ABN-AMRO-rekening is door de rechtbank weliswaar toegedeeld aan de vrouw (zie rov. 15.5 hiervóór), maar delen van de door de vrouw overgelegde overzichten van die rekening zijn onleesbaar (gemaakt), waardoor de vrouw haar berekening van de totaalbedragen (van € 38.531,17 + € 1.943,—) onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Voorts blijkt uit de rekeningoverzichten weliswaar van overboekingen naar een groot aantal begunstigden, maar valt daaruit niet af te leiden op welk product of op welke dienst de overboeking betrekking heeft (daartoe hadden kassabonnen; contracten; facturen e.d. in het geding gebracht moeten worden, hetgeen de vrouw heeft nagelaten (in die zin ontbreekt ook de concrete opstelling waar het hof partijen om heeft gevraagd in zijn beschikking van 4 juni 2015), en is voor het hof niet vast te stellen of de overboekingen wel zien op kosten van de huishouding c.q. levensonderhoud. De stelling dat de vrouw ter zake van de ABN-AMRO-rekening een vergoedingsrecht heeft jegens de man kan daarom niet worden aanvaard.’

2.11.

De vrouw betoogt dat het hof heeft miskend dat de man blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 30 april 2014 heeft erkend dat de vrouw bedragen ten behoeve van de huishouding heeft voldaan. Volgens de vrouw moet ervan uitgegaan worden dat de man met die erkenning reageerde op productie 29 van de vrouw, die zag op de periode van 18 februari 2012 tot en met 24 juli 2013, en leidt dit ertoe dat het hof over deze periode een bedrag van € 29.837,04 had moeten toewijzen.

2.12.

Door de advocaat van de man is tijdens de mondelinge behandeling op 30 april 2014 onder meer gesteld7:

‘De bankrekeningen zijn gesplitst op 1 januari 2012. In 2013 is de beschikking voorlopige voorzieningen afgegeven. In de tussentijd heeft de vrouw geleefd. Moet dat geld wel of niet verrekend worden? Ik meen van wel, De helft komt voor rekening van de vrouw, de helft voor rekening van [?] de man. Het totaal netto inkomen van de man van € 70.000,— is uitgegeven, Vervolgens moet het vermogen van partijen worden aangesproken. Ik wil vaststellen dat de man ook moet leven en dat ook zijn kosten van de huishouding moeten worden betaald uit zijn inkomen. In productie 15 heeft de man uitgerekend wat de kosten van de huishouding van de vrouw zijn geweest. Daarnaast heeft de vrouw ook van een eigen rekening geleefd, daarvan heeft zij ook kosten van de huishouding betaald: € 1.755,12 per maand. Samen € 2.884,47 per maand. Het netto loon bedroeg € 77.160,—. De totale uitgaven waren € 147.622,—. Er was dus een tekort van € 70.461,—. Daar komen de kosten die de vrouw zelf heeft gemaakt nog bij. Dan kom je op € 87.404,—. De helft daarvan, € 43.702,— zou de vrouw moeten betalen aan de man.’ (cursivering toegevoegd)

2.13.

Uit de door mij gecursiveerde passages volgt dat de stelling van de man waarop de vrouw zich beroept, door de man is betrokken in het kader van zijn standpunt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw kan doen gelden omdat zijn inkomen niet toereikend is geweest voor de kosten van de huishouding van beide partijen en deze kosten daarom deels ten laste van de vermogens van beide partijen behoren te worden gebracht. Anders gezegd, de context van de bedoelde stelling van de man is grief IV in het incidenteel beroep, namelijk als toelichting op een door de man gepretendeerde aanspraak. Het hof heeft die stelling niet mede betrokken op grief 16 van het principaal beroep, waar de vrouw zich op het standpunt stelde dat de man moet worden veroordeeld tot betaling van de kosten van de huishouding van de vrouw over de periode vanaf het uiteengaan van partijen en de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie, en heeft die stelling daarom niet mede gelezen als een erkenning door de man van een door de vrouw gepretendeerde aanspraak. Deze aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

2.14.

Onderdeel 3 betreft de verrekening van de kosten van de vakantie van de vrouw met de kinderen in New York. Het onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 18.3 van de beschikking van 15 september 2016, waar het hof opsomt welke aanspraken de man en de vrouw tegenover elkaar kunnen doen gelden, en het daarop voortbordurende dictum. De vrouw voert aan dat in het licht van rechtsoverweging 15.9.5 (bedoeld zal zijn rechtsoverweging 15.9.4) van de beschikking van 31 maart 2016, waar het hof grief IV in het incidenteel beroep heeft verworpen, onbegrijpelijk is dat in de opsomming in rechtsoverweging 18.3 van de beschikking van 15 september 2016 de kosten van de vakantie in New York ontbreken. De man erkent dat het onderdeel terecht is voorgesteld.8

2.15.

Het onderdeel is inderdaad terecht voorgesteld. Het hof heeft in rechtsoverwegingen 15.9.1 tot en met 15.9.4 van de beschikking van 31 maart 2016 grief IV van de man, waarin de man is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de man de helft van de kosten van de vakantie in New York moet dragen, verworpen. In het dictum van de beschikking van 15 september 2016 heeft het hof de beslissing van de rechtbank dat de vrouw ter zake van verrekening van kosten een bedrag van in totaal € 1.537,87 aan de man dient te voldoen – in welk bedrag de kosten van de vakantie in New York waren meegenomen – vernietigd. Vervolgens heeft het hof bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 24.164,13 ter zake van verrekening dient te voldoen, welk bedrag is gebaseerd op de optelsom die het hof in rechtsoverweging 18.3 van de beschikking van 15 september 2016 heeft gemaakt, onder verwijzing naar rechtsoverweging 11.16.3 van de beschikking van 4 juni 2015, alsmede rechtsoverwegingen 15.3.1, 15.3.2, 15.8 en 15.10.3 van de beschikking van 31 maart 2016. In deze opstelsom ontbreken de kosten van de vakantie in New York, die de man voor de helft moet dragen gelet op ’s hofs verwerping van grief IV in het incidenteel beroep. De bedoelde helft betreft een bedrag van € 3.462,13.

2.16.

Onderdeel 4 betreft de peildatum voor de waardebepaling van de voormalige echtelijke woning. De vrouw is in hoger beroep zowel opgekomen tegen de toedeling van de woning aan de man als tegen de beslissing van de rechtbank omtrent de waardering van de woning. Met betrekking tot de toedeling heeft het hof de grieven van de vrouw verworpen (zie rechtsoverweging 3.7.4 van de beschikking van 10 juli 2014). Ter zake van de waardering van de woning heeft het hof een deskundige benoemd. Door de deskundige is de woning per datum 10 maart 2015 getaxeerd, zijnde de datum van zijn rapportage. Het hof heeft bij zijn beschikking van 4 juni 2015 de bezwaren van partijen tegen die taxatie verworpen en het bedrag dat de man ter zake van de toedeling van de woning aan hem dient te vergoeden, berekend op € 167.416,—. Het dictum van de eindbeschikking van 15 september 2016 is hiermee in overeenstemming.

2.17.

De vrouw richt hiertegen een rechtsklacht. Die klacht berust op de opvatting dat indien de verdelingsrechter niet de verdeling zelf vaststelt, maar slechts de wijze van verdeling, het tijdstip van de feitelijke verdeling de peildatum is, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum behoort te worden aanvaard.

2.18.

Wat de steller van het onderdeel onder de feitelijke verdeling verstaat, maakt hij niet duidelijk. Mogelijk bedoelt hij het tijdstip waarop ter uitvoering van de verdeling overeenkomstig art. 3:186 BW levering van de voormalige echtelijke woning aan de man zal plaatsvinden. In dat geval faalt de klacht omdat zij ten onrechte de effectuering van de verdeling aan de verdeling gelijkstelt.

2.19.

Mogelijk ook bedoelt de steller van het middel een overeenkomst van verdeling door partijen met inachtneming van hetgeen door het hof omtrent de wijze van verdeling is bepaald. Op zichzelf is juist dat indien de rechter de verdeling niet zelf vaststelt maar alleen de wijze van verdeling gelast (een onderscheid dat door art. 3:185 lid 1 BW wordt gemaakt), de verdeling een erop volgende overeenkomst van verdeling door partijen veronderstelt.9 Ervan uitgaande dat de opvatting van het middel is dat voor de peildatum deze op de beslissing van de rechter volgende overeenkomst van verdeling bepalend is, dient de klacht mijns inziens eveneens te worden verworpen.

2.20.

De juistheid van de veronderstelde opvatting volgt niet uit de door het onderdeel genoemde beschikking HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7205, NJ 2000/643. Die beschikking formuleert de regel dat bij vaststelling van de verdeling door de rechter als peildatum de datum van de uitspraak van de rechter het meest in aanmerking komt. Uit die regel kan niet a contrario worden afgeleid dat indien de rechter de wijze van verdeling bepaalt, iets anders geldt. De reden die genoemde beschikking voor de regel geeft, namelijk dat op de dag van de uitspraak wordt vastgesteld wat aan een ieder toekomt, is integendeel óók geldig ingeval de rechter, zoals in een geval als het onderhavige, de wijze van verdeling nauwkeurig heeft vastgesteld, met inbegrip van het bedrag van de eventuele overbedelingsaanspraak. Daarom komt ook in een geval als het onderhavige, als peildatum de datum van de uitspraak van de rechter het meest in aanmerking.

2.21.

Ook diverse overwegingen van praktische aard pleiten hiervoor. In de eerste plaats is het maar de vraag of de praktijk zich van het onderscheid tussen het geval dat de rechter zelf de verdeling vaststelt en het geval dat hij slechts de wijze van verdeling gelast, wel steeds bewust is.10 Naar mijn waarneming gaat het om een onderscheid dat in gevallen als het onderhavige uitsluitend van theoretisch belang is. De overeenkomst van verdeling die volgt op de beslissing van de rechter waarbij hij tot in detail de wijze van verdeling heeft gelast, zal doorgaans niet met uitdrukkelijke wilsverklaringen tot stand komen, maar stilzwijgend volgen uit door partijen verrichte uitvoeringshandelingen. Aldus bestaat er in praktisch opzicht geen verschil met het geval waarin de rechter de verdeling heeft vastgesteld.11 In de tweede plaats kan de rechter de waarde van een te verdelen goed uiteraard niet bepalen met ingang van een datum die ten tijde van zijn uitspraak nog in de toekomst ligt. Een consequent doordenken van de opvatting van het onderdeel leidt tot de gevolgtrekking dat de rechter die de wijze van verdeling gelast, de waarde van het te verdelen goed op het moment van verdeling niet zou kunnen vaststellen en dus ook niet het bedrag van de overbedelingsaanspraak in verband met de door hem bevolen toedeling. Een nieuwe procedure zou nodig zijn om de bedoelde waarde en het bedoelde bedrag vast te stellen. Dat is uiteraard hopeloos onpraktisch. Ten slotte nog, uitgaande van de opvatting van het onderdeel liggen manipulaties voor de hand. Bij een stijgende markt neemt de overbedelingsaanspraak toe en bij een dalende markt neemt zij af. Het loont dus gemakkelijk voor een van partijen om de overeenkomst van verdeling uit te stellen. Ook daarom behoort de opvatting waarvan het onderdeel uitgaat, niet te worden aanvaard.

2.22.

Onderdeel 5 betreft de verdeling van de inboedel. Het onderdeel komt op tegen rechtsoverweging 3.8.3 van de beschikking van 10 juli 2014. Deze rechtsoverweging luidt:

‘3.8.3. Het hof is van oordeel dat aan de vrouw dienen te worden toegedeeld de door de vrouw in productie 28 genoemde “spullen van de overleden moeder van de vrouw” (pagina 1), “persoonlijke spullen van de vrouw” (pagina 2 tot en met 4), alsmede de wieg, de keukentafel met laatjes, het antieke bordenrek, de piano met kruk en lamp. In hetgeen de man te dien aanzien heeft gesteld ziet het hof onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Nu de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans partijen daarover te weinig hebben gesteld en onderbouwd, en partijen ieder beschikken over een volledig ingerichte woning, zal het hof beslissen dat daarmee de inboedel is verdeeld en partijen over en weer niets meer van elkaar hebben te vorderen.’

2.23.

De vrouw klaagt dat zij in grief 11, waarin zij is opgekomen tegen de verdeling van de inboedel door de rechtbank, heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met verknochtheid, persoonlijke spullen en met het buiten de boedel vallen van spullen van de moeder van de vrouw, welke stelling de vrouw heeft uitgewerkt op de als productie 28 overgelegde lijsten. Ook tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw aan de verknochtheid en de spullen van de overleden moeder gerefereerd, aldus de vrouw. Het hof is volgens de vrouw ten onrechte niet op deze essentiële stellingen ingegaan.

2.24.

Het onderdeel faalt. Alle goederen waarvan de vrouw had gesteld dat ze aan haar verknocht waren, zijn door het hof aan haar toebedeeld. Daarvan uitgaande kan de vrouw bij haar klacht slechts belang hebben voor zover het hof aan die goederen een waarde heeft toegekend en in verband met de toedeling aan de vrouw, aan de man een aanspraak wegens overbedeling heeft toegekend (dan wel verrekend), dan wel ten onrechte aan de vrouw niet zo’n aanspraak heeft toegekend.12 Dat doet zich niet voor. Het hof heeft aan de inboedelgoederen geen waarde toegekend. Daarover klaagt het middel niet. Overigens vermelden ook de lijsten die de vrouw als productie 28 heeft overgelegd, geen waardes.

2.25.

Ten overvloede nog het volgende. Zoals de steller van het middel (onder 29) ook zelf aanduidt, kan verknochtheid in diverse gradaties bestaan. Het is niet noodzakelijk zo dat verknochte goederen ook in economische zin niet van de gemeenschap deel uitmaken. Uitgaande van de hoofdregel dat de huwelijksgemeenschap alle goederen van de echtgenoten omvat, lag het niet alleen op de weg van de vrouw om de feiten en omstandigheden te stellen en eventueel te bewijzen waaruit volgt dat de bedoelde goederen in juridische zin wegens verknochtheid buiten de gemeenschap behoorden te blijven, maar ook dat die verknochtheid zo ver gaat dat dit ook in economische zin diende te geschieden. Eventueel valt het oordeel van het hof aldus te verstaan, dat de vrouw wel voldoende voor het eerste had gesteld, maar onvoldoende voor het laatste. Het onderdeel duidt ten onrechte niet aan op grond van welke stellingen van de vrouw het hof tot een nadere motivering gehouden was. Dat onderdeel duidt zelfs ook geen vindplaatsen aan waaruit zich laat afleiden dat in de feitelijke instanties de vrouw op het standpunt stond dat de economische waarde van de door haar als verknocht aangemerkte goederen buiten de gemeenschap viel (anders dan de waarde van de aan de man toe te delen inboedelgoederen) en dat in verband daarmee de man ter zake van de inboedel zou worden overbedeeld.

3 Bespreking van het incidenteel cassatieberoep

3.1.

Het incidentele cassatieberoep van de man bestaat uit één onderdeel en betreft de ontslagvergoeding van TomTom. Het onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 3.9.2 van de beschikking van 10 juli 2014 en het dictum van de beschikking van 15 september 2016, voor zover dit betrekking heeft op de ontslagvergoeding van TomTom. Rechtsoverweging 3.9.2 luidt als volgt:

‘3.9.2. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat dat goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In zijn arrest van 22 maart 1996, NJ 1996/640 oordeelde de Hoge Raad over de verknochtheid van een ontslagvergoeding dat wanneer in verband met de beëindiging van een dienstbetrekking aan de werknemer een schadeloosstelling wordt toegekend en uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, dit geen reden is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van echtgenoten omvat.

De Hoge Raad zag in zijn arrest van 17 oktober 2008, NJ 2009/41 echter wel aanleiding een uitzondering op die regel te maken. In dat geval ging het om aanspraken voortvloeiende uit een tussen de werknemer en diens werkgever in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gesloten overeenkomst, op grond waarvan de werkgever bij die beëindiging een koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort en waaruit de werknemer tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen zou ontvangen, waardoor zijn inkomen zou worden aangevuld tot 70% van zijn laatstgenoten salaris. In die situatie vallen de aanspraken die zien op de periode na de ontbinding van het huwelijk niet in de gemeenschap, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de werknemer, bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding, zou hebben genoten als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon, aldus de Hoge Raad.

Nu de man een geldbedrag ineens heeft ontvangen, welk geldbedrag niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering, geldt de door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel dat deze ontslagvergoeding niet verknocht is. De man heeft de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst van TomTom niet overgelegd, zodat door het hof ook niet kan worden vastgesteld of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris. In het geheel is niet duidelijk geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen.

De door de rechtbank en de man aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2012 (LJN: BY0957) maakt dat niet anders. Immers, de uitspraak in die zaak ziet op een geval van schadevergoeding bij letselschade, hetgeen een geheel andere situatie is dan in de onderhavige zaak aan de orde.

De grief van de man faalt dan ook.’

3.2.

Het middel analyseert dat het oordeel van het hof op een viertal gronden berust en formuleert tegen elk van die gronden klachten: a) de ontslagvergoeding is ineens ontvangen en is daarom niet verknocht; b) de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst is niet overgelegd, zodat het doel niet vastgesteld kan worden; c) niet duidelijk is welke bestemming de gelden hebben gekregen; en d) de uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2012 is niet van toepassing, omdat het in die zaak niet om een ontslagvergoeding maar om een letselschadevergoeding ging. Ten aanzien van grond a) en d) stelt de man, onder verwijzing naar de hiervoor reeds besproken uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2016, dat de strekking van de ontslagvergoeding van belang is en dat wanner de ontslagvergoeding is verstrekt door de werkgever tot vervanging van toekomstig gederfd loon, zij verknocht is voor zover de vergoeding ziet op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Ten aanzien van grond b) klaagt de man dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, nu hij wel degelijk stukken heeft overgelegd waaruit de strekking van de ontslagvergoeding blijkt. De man heeft zijn arbeidsovereenkomst met TomTom in het geding gebracht, die de grondslag vormt voor de ontslagvergoeding. Voorts heeft de man de uitspraken in de gerechtelijke procedure tussen TomTom en hemzelf over de ontslagvergoeding overgelegd. Met betrekking tot grond c) stelt de man dat het hof heeft miskend dat de strekking ten tijde van de verkrijging van het goed doorslaggevend is en die strekking niet later gewijzigd kan worden.

3.3.

De vrouw heeft naar aanleiding van het incidentele cassatieberoep (onder meer) aangevoerd dat de man daarbij geen belang heeft. Zij grondt dit verweer op de omstandigheid dat de man in het incidenteel appel niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de bestemming van de ontslagvergoeding niet vast is komen te staan, in samenhang bezien met de erkenning van de man in het verweerschrift in appel, randnummer 22, dat de vrouw recht heeft op de helft van de ontslagvergoedingen.

3.4.

Aldus leest de vrouw de beschikking van de rechtbank van 2 juli 2013 mijns inziens onjuist. In die beschikking spreekt de rechtbank inderdaad van een bestemming die is komen vast te staan, maar de context daarvan is als volgt (p. 13):

‘Anders dan in de vorengenoemde zaak die door de Hoge Raad is beslist, zijn de onderhavige ontslagvergoedingen van TomTom niet gestort in een stamrechtverzekering waaruit de man periodieke uitkeringen ontvangt waardoor zijn inkomen wordt aangevuld tot een bepaald percentage van zijn laatstgenoten salaris. De bestemming van de gelden is door de man niet nader geduid. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de bedragen als liquide middelen beschikbaar zijn en dat het aan de man is te beslissen op welke wijze hij daarover wil beschikken: in de vorm van een periodieke uitkering of als bedrag in één.’

3.5.

De man is in het incidenteel beroep met grief V tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de ontslagvergoedingen van TomTom opgekomen. Hij heeft, kort gezegd, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ontslagvergoedingen niet verknocht zijn omdat niet blijkt dat de ontvangen ontslagvergoeding nog altijd aanwezig is. De man heeft in dat kader bankafschriften overgelegd waaruit blijkt op welke betaalrekening de ontslagvergoeding is ontvangen, heeft beargumenteerd waarom een groot deel van dit bedrag zich onder de vrouw moet bevinden en heeft voor het overige aangekondigd nadere stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat de vergoeding nog altijd aanwezig is.

3.6.

Uit een en ander blijkt dat de man de overwegingen van de rechtbank aldus heeft opgevat dat volgens haar geen sprake is van verknochtheid omdat niet is gebleken dat de ontslagvergoeding nog is te identificeren, en niet (tevens) omdat de strekking van de aanspraak op de vergoeding niet zou zijn gebleken. Gelet op de context, zoals hiervoor weergegeven, heeft de man het oordeel van de rechtbank inderdaad in die zin mogen opvatten.

3.7.

Hiervoor in 3.3 kwam al aan de orde dat de vrouw zich ook op het standpunt stelt dat de man zou hebben erkend dat de ontslagvergoedingen bij helfte moeten worden verdeeld. Ook in zoverre is haar verweer ondeugdelijk. De door de vrouw aangeduide passage uit het verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift, onder 22 ziet op de omvang van het (gemiddelde) inkomen van de man in het kader van de vaststelling van de alimentatie. In dát verband lijkt de man te zeggen dat mede de ontbindingsvergoedingen bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld. Uit grief V in het incidenteel beroep blijkt echter dat dit zo niet kan zijn bedoeld, hetgeen voor de vrouw redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest.

3.8.

Vervolgens kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van de klachten in het incidenteel beroep. Uit de beschikking van uw Raad van 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292 volgt dat indien een ontslagvergoeding de vorm krijgt van hetzij een stamrechtverzekering hetzij een stamrecht-BV, voor de mate waarin die voorziening verknocht is beslissend is in hoeverre de aanspraak op het stamrecht ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Tussen partijen is in confesso dat wat betreft de van TomTom ontvangen vergoeding van een stamrechtvoorziening geen sprake is. Uit rechtsoverweging 3.9.2 van de beschikking van 10 juli 2014 blijkt dat het hof uit is gegaan van de opvatting dat een ontvangen ontslagvergoeding die niet in een stamrechtverzekering is ondergebracht, niet verknocht is, omdat niet-verknochtheid de ‘hoofdregel’ zou zijn. De beschikking van uw Raad van 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 maakt dit volgens het hof niet anders, omdat het daar ging om schadevergoeding bij letselschade, wat volgens het hof een geheel andere situatie is.

3.9.

Het dunkt mij betwistbaar dat nog steeds als hoofdregel zou gelden dat een ontslagvergoeding niet verknocht is.13 Mijns inziens blijkt uit de beschikking van 24 juni 2016 dat uw Raad van maatwerk uitgaat, zonder een hoofdregel.14 Reeds op die grond treft de rechtsklacht van het middel doel. Ook zie ik geen reden voor het onderscheid dat het hof meent te moeten maken tussen een ontslagvergoeding en schadevergoeding in geval van letselschade. Volgens de kennelijke opvatting van het hof kunnen liquide middelen die het resultaat zijn van een ontvangen vergoeding voor letselschade verknocht zijn, maar geldt dit niet voor een ontslagvergoeding. De logica van die opvatting ontgaat mij. Mij dunkt dat in beide gevallen doorslaggevend is of de vergoeding betrekking heeft op nadeel dat de betrokken echtgenoot geheel of gedeeltelijk na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal leiden of niet. Of de ontslagvergoeding in een stamrechtvoorziening is ondergebracht of niet, is niet bepalend. Ook in zoverre slaagt het middel.

3.10.

Ook de overige klachten van het middel slagen. De man heeft artikel 15 van de arbeidsovereenkomst met TomTom overgelegd, welke bepaling onder meer inhoudt:

‘In case the employment agreement is terminated by of on the initiative of TomTom, then the CFO shall as a compensation for loss of future income be entitled to a fixed amount of 12 base salaries, (including holiday allowance, and bonuspayment) unless the employment agreement is terminated for an “urgent reason” within the meaning of the articles 7:677 sub 1 and 7:678 of the Dutch Civil Code, in which situation the CFO is not entitled to any severance.’

Mede in het licht van de omstandigheid dat tussen partijen vaststond dat over de aan de man toekomende ontslagvergoeding tussen TomTom en de man was geprocedeerd, is onvoldoende gemotiveerd de beslissing van het hof dat waar de man ‘de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst van TomTom niet [heeft] overgelegd’, door het hof niet kon worden vastgesteld of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris en dat de bestemming van de door de man ontvangen gelden in het geheel niet duidelijk is geworden.15

3.11.

Het middel in het incidenteel cassatieberoep slaagt.

4 Conclusie

De conclusie strekt zowel in het principaal als in het incidenteel beroep tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk de beschikking van het hof van 10 juli 2014 onder 3.1-3.4 en de beschikking van de rechtbank van 2 juli 2013, pag. 2, onder het kopje ‘De beoordeling’, tweede alinea, alsmede p. 7 onder a.

2 HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 m.nt. L.C.A. Verstappen.

3 HR 27 november 1981, ECLI:NL:1981:AG4271, NJ 1982/503 m.nt. E.A. Luijten (Boon/Van Loon). Vergelijk ook de maatschappelijke opvatting zoals die ten grondslag ligt aan de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

4 De verwijzing naar artikel 2 van de stamrechtsovereenkomst lijkt hiermee echter in strijd.

5 HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009/40. Vergelijk Asser/De Boer, Kolkman & Salomons, 1-II 2016/271.

6 Naar aanleiding van de beschikking van 26 september 2008 zijn bij de behandeling van wetsvoorstel 28867 vanuit de Eerste Kamer vragen gesteld. In reactie daarop heeft de regering gezegd dat geen wijziging wordt beoogd ten opzichte van de bestaande rechtspraak. Zie MvA I, Kamerstukken II, 28867, C, p. 3.

7 Proces-verbaal d.d. 30 mei 2014, p. 6, vijfde alinea.

8 Verweerschrift in cassatie, tevens bevattende incidenteel cassatieberoep, onder 2.12.

9 H.H. Lammers, GS Vermogensrecht, art. 3:185 BW, aant. 7.

10 Het is in dit verband kenmerkend dat de rechtbank in haar beschikking van 2 juli 2013 op blad 6 het verzoek van de man aldus weergeeft dat het inhoudt dat de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap zal vaststellen, maar vervolgens door de rechtbank naar luid van het dictum de wijze van verdeling is vastgesteld, zonder dat de rechtbank motiveert waarom het in afwijking van het verzoek daarvoor kiest. Ook het hof besteedt geen aandacht aan het onderscheid. Voor zover ik kan overzien, deden ook partijen dit in de gedingstukken in de feitelijke instanties niet.

11 Uiteraard zijn er ook gevallen te bedenken waarin het onderscheid wel ook in praktische zin wat om het lijf heeft, bijvoorbeeld wanneer de rechter bepaalt dat de verdeling ten overstaan van een boedelnotaris zal plaatsvinden en daarbij onder leiding van de notaris een nadere invulling van de voorwaarden van de verdeling plaatsvindt, waaronder mogelijk ook het bedrag van de overbedelingsaanspraak. In een dergelijk geval is het juiste peilmoment uiteraard de verdeling ten overstaan van de boedelnotaris.

12 Omdat de aan de man toebedeelde goederen, anders dan een of meer goederen die aan de vrouw zijn toebedeeld, niet verknocht zijn en wel een waarde hebben.

13 Die hoofdregel kon worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640 m.nt. W.M. Kleijn. Volgens L.C.A. Verstappen in zijn NJ-annotatie bij HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41, nrs. 7-9 en 15 was (reeds) met die beschikking de oude hoofdregel achterhaald en geldt als nieuwe hoofdregel dat een ontslagvergoeding verknocht is. Anderen bleven uitgaan van niet-verknochtheid als hoofdregel. Zie bijv. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/285 en A-G Langemeijer onder 2.9 vóór HR 24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:291. Met de beschikking van 24 juni 2016 staat de discussie in een nieuw licht. De genoemde auteurs spraken zich voorafgaand aan die beschikking uit.

14 Zie met name de eerste alinea van rechtsoverweging 3.3.3 van die beschikking.

15 Uit hetgeen ik hiervoor onder 2.7 heb gezegd, volgt dat ik niet deel de opvatting van de steller van het middel in het incidenteel beroep (p. 48) als zou voor de bestemming van een ontslagvergoeding het moment van verkrijging beslissend zijn, met als gevolg dat niet mede van belang zou kunnen zijn wat de desbetreffende echtgenoot met die vergoeding vervolgens heeft gedaan.