Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1280

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
16/01748
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2974, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Telen van hennep. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM op de grond dat verdachte is vervolgd voor een strafbaar feit dat reeds heeft geleid tot de oplegging van een bestuurlijke boete door uitkeringsinstantie (UWV). HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/01747 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01748

Zitting: 3 oktober 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 17 februari 2016 is de verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.

  2. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (16/01747), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte in de vervolging heeft ontvangen, omdat de verdachte is vervolgd voor een strafbaar feit dat eerder reeds heeft geleid tot de oplegging van een bestuurlijke boete.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 december 2013 tot en met 11 februari 2014 in Lelystad, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid van ongeveer 126 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

6. De steller van het middel betoogt dat het er, gelet op “hetgeen verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd en het arrest”, in cassatie voor moet worden gehouden dat het UWV aan de verdachte een bestuurlijke boete heeft opgelegd, dat deze boete een ‘determination of a criminal charge’ betreft en dat deze is opgelegd naar aanleiding van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit. De strafrechtelijke vervolging is volgens de steller van het middel om die reden in strijd met het ne bis in idem-beginsel als bedoeld in art. 50 HV, art. 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM,1 art. 14, zevende lid, IVBPR en met het una via-beginsel, zoals neergelegd in art. 243, tweede lid, Sv.

7. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2016 blijkt niet dat de verdediging een verweer heeft gevoerd met als strekking dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat de verdachte voor hetzelfde feit eerder reeds een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen. Uit het proces-verbaal volgt daarentegen dat de raadsman heeft bevestigd dat het hoger beroep zich met name richt tegen de ontnemingszaak en dat de verdediging geen bezwaren heeft tegen het vonnis in de strafzaak.

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt voorts dat de verdachte het volgende heeft verklaard:

“Het klopt dat ik mijn woning aan de [a-straat 1] te Lelystad ter beschikking heb gesteld aan anderen voor het opzetten van een hennepkwekerij. Ik heb hier echter uiteindelijk niets aan verdiend. In eerste aanleg is beslist dat ik een ontnemingsbedrag moet gaan betalen. Het UWV heeft eveneens gesteld dat ik een teveel aan ontvangen WW-uitkering moet terugbetalen, evenals een boete. Ik moet nu veel geld gaan betalen, terwijl ik er niets aan heb overgehouden. Ik ben het daar niet mee eens. Ik wil hiermee niet zeggen dat het goed is geweest wat er is gebeurd. Ik heb geprobeerd op illegale wijze mijn leven op orde te krijgen. Dit is een domme beslissing geweest. Ik ben mij daarvan bewust.”

9. Het hof heeft niets vastgesteld ten aanzien van de oplegging door het UWV van een boete naar aanleiding van het bewezen verklaarde feit. Dat betekent dat het middel ten onrechte steunt op de veronderstelling dat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat aan de verdachte voor het telen van hennep een boete is opgelegd en dat hij ter zake is geconfronteerd met een terugvordering. Het middel bevat in dit verband geen motiveringsklacht. Dat verwondert niet, omdat door of namens de verdachte in hoger beroep geen verweer is gevoerd dat ertoe strekt dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met een eerder opgelegde boete wegens hetzelfde feit. In cassatie is het voor een dergelijk betoog te laat, omdat de beoordeling daarvan een feitenonderzoek zou vergen waarvoor in de cassatieprocedure geen plaats is.

10. Zelfs als deze horde met de steller van het middel zou worden genomen, treft het middel geen doel. Bij de aan de Hoge Raad in het kader van de samenhangende ontnemingszaak ingezonden stukken van het geding bevinden zich drie brieven van het UWV. Eén van die brieven, gedateerd op 1 oktober 2015, betreft een “vordering WW” en vermeldt een terug te betalen bedrag van € 4351,77. De tweede brief, van 2 oktober 2015, betreft een “boetevordering”. In deze brief wordt een boetebedrag van € 2180,- genoemd dat aan het UWV moet worden betaald. Volgens de steller van het middel is deze bestuurlijke boete opgelegd op grond van art. 27a van de Werkloosheidswet (WW). In art. 27a WW is bepaald dat het UWV een bestuurlijke boete oplegt wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in art. 25 WW. Het betreft de verplichting om het UWV alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan het de uitkeringsgerechtigde redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op – kort gezegd – de (hoogte van de) door hem te ontvangen uitkering. Uit de stukken van het geding volgt niet dat de door het UWV teruggevorderde uitkering en de door het UWV opgelegde boete hun grond vinden in het bewezen verklaarde feit dan wel op andere wijze hiermee samenhangen. Door de verdediging is zulks in hoger beroep wel betoogd, maar een nadere onderbouwing ontbreekt. Ook de derde brief, van 17 december 2015, werpt daarop geen licht. Daarin staat vermeld dat het UWV de betrokkene op 28 september 2015 heeft laten weten dat hij teveel WW-uitkering heeft ontvangen en dat hij het desbetreffende bedrag aan het UWV moet terugbetalen en dat daarnaast een boete is opgelegd. Ik heb echter geen brief van 28 september 2015 bij de stukken van het geding aangetroffen.

11. Indien er met de steller van het middel vanuit zou worden gegaan dat aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd vanwege de overtreding van art. 25 WW, moet worden geconcludeerd dat van schending van het ne bis in idem-beginsel of het una via-beginsel geen sprake is. De beide procedures en daaruit voortvloeiende sancties behelzen immers een ander aan de verdachte gemaakt verwijt: enerzijds het nalaten van de verdachte om te voldoen aan de verplichting het UWV op de hoogte te stellen van feiten en omstandigheden die de hoogte van de uitkering beïnvloeden, anderzijds het gedurende een bepaalde periode telen van hennep. De relevante gedragingen verschillen dan ook van elkaar, terwijl ook de strekkingen van art. 27a WW en art. 3 onder B Opiumwet dusdanig van elkaar verschillen, dat geen sprake is van hetzelfde feit.2

12. Een vergelijking met de door de steller van het middel genoemde rechtspraak van de Hoge Raad, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie gaat niet op. Deze rechtspraak heeft betrekking op gevallen waarin dezelfde gedraging of hetzelfde samenstel van gedragingen aanleiding gaf tot de oplegging van een bestuurlijke boete en tot een strafrechtelijke vervolging.3 Een dergelijke situatie doet zich in de onderhavige zaak als gezegd niet voor.

13. Gelet op het voorafgaande, is evenmin sprake van twijfel over de uitleg van het Unierecht die aanleiding zou zijn om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, zoals door de steller van het middel is verzocht. In het bijzonder merk ik op dat de door de steller van het middel in dit verband opgeworpen vragen of de juridische kwalificatie van de overtreden delictsomschrijvingen en de op de overtredingen gestelde strafmaxima een rol mogen spelen bij de beoordeling of sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in het ne bis in idem-beginsel, in de onderhavige zaak geen beantwoording behoeven.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het Zevende Protocol is door Nederland niet geratificeerd, maar de rechtspraak van het Europese hof over art. 4 kan volgens de Hoge Raad van belang zijn voor de gedachtevorming over de toepassing van art. 68 Sr. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394 m.nt. Buruma, rov. 2.7.1.

2 Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394 m.nt. Buruma, rov. 2.9.1 en 2.9.2. De rechtspraak van de Hoge Raad over het feitsbegrip speelt ook een rol in het kader van het una via-beginsel, dat is neergelegd in de art. 5:43 Awb en art. 243, tweede lid, Sv (zie rov. 2.1 van voornoemd arrest).

3 De steller van het middel wijst onder meer op HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256 m.nt. Keulen, waarin de verdachte wegens rijden onder invloed van alcohol een alcoholslotprogramma opgelegd had gekregen en strafrechtelijk werd vervolgd en HvJ EU 26 februari 2013, C-617/10 (Akerberg Fransson), waarin het ging om belastingfraude, welke aanleiding gaf tot de oplegging van administratieve boetes en een strafrechtelijke vervolging. Ook in EHRM 27 januari 2015, nr. 17039/13 (Rinas v. Finland) en EHRM 10 februari 2015, nr. 53753/12 (Kiiveri v. Finland) ging het om belastingfraude, waarvoor de klager zowel administratieve boetes opgelegd had gekregen als strafrechtelijk was vervolgd. Ten overvloede wijs ik in dit verband nog op de uitspraken van het Europees hof in de zaken A en B tegen Noorwegen (EHRM 15 november 2016, nr. 24130/11 en 29758/11), waaruit kan worden afgeleid dat voor de cumulatie van strafrechtelijke en administratieve procedures ter zake van hetzelfde feit meer ruimte bestaat dan voorheen werd aangenomen.