Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1277

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
15/05206
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2971
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzettelijk aanwezig hebben van 1.650 gram hennep. Innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering door enerzijds een gedeelte van de verklaring van verdachte niet aannemelijk te achten maar anderzijds die verklaring wel voor het bewijs te gebruiken? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/05204 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05206

Zitting: 3 oktober 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 14 oktober 2015 de verdachte wegens primair “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair twintig dagen hechtenis.

  2. Deze strafzaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (nr. 15/05204 P), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.1

4. Het middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring niet begrijpelijk heeft gemotiveerd, aangezien het hof enerzijds een gedeelte van de verklaring van de verdachte niet aannemelijk heeft geacht, terwijl het hof anderzijds die verklaring wel voor het bewijs heeft gebruikt.

5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 5 april 2013 in de gemeente Almere, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan het [a-straat 1] ) een hoeveelheid van 1650 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(i) Een proces-verbaal “aantreffen hennepkwekerij” van de politie van 5 april 2013, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Op 5 april 2013 stelde ik een onderzoek in op het adres [a-straat 1] te Almere. Na het binnentreden zag ik dat op de eerste verdieping twee ruimtes waren ingericht als hennepkwekerij. Er stonden geen planten meer in de kweekruimtes. Deze hingen te drogen en zijn als hennep in beslag genomen.”

(ii) Een kennisgeving van inbeslagneming van de politie, voor zover inhoudende als relaas van de rapporteur:

“Hennep aangetroffen in de woning [a-straat 1] te Almere.

1650 gr Hennep.”

(iii) Een proces-verbaal “opiumwet” van de politie van 28 mei 2013, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Op dinsdag 28 mei 2013 werd door de Unit Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld aan een hoeveelheid in beslag genomen verdovende middelen. Aangeboden werd een partij van 1.650 gram gedroogde plantendelen, in beslag genomen onder [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976.

De genoemde plantdelen, waaraan de hars niet was onttrokken, werden door ons herkend als materiaal van het geslacht Cannabis, beter bekend als hennep. Uit de aangeboden hoeveelheid materiaal werd door ons een representatief monster genomen dat werd gewaarmerkt zoals in de sporenlijst is vermeld. Dit monster werd getest, waarbij gebruik werd gemaakt van een indicatieve test van MMC International. De test gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op Lijst II van de Opiumwet.”

(iv) Een op 5 april 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik ben de eigenaar van het pand [a-straat 1] in Almere. U zegt mij dat ik verdacht word van het kweken van hennep in die woning. Ik heb een stomme fout gemaakt. Ik kan daar niet omheen draaien. Een kennis van mij heeft de hennepkwekerij, waar ongeveer tweehonderd planten stonden, opgebouwd. Ik ben in oktober of november vorig jaar begonnen met de kwekerij. Ik had in totaal twaalf of veertien gloeilampen van 400 watt. De kennis heeft de planten bijgehouden. Het is mijn verantwoording.”

7. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de verdachte subsidiair bepleit dat het ter beschikking stellen van de ruimte moet worden gezien als medeplichtigheid en dus niet als het zelf feitelijk opzettelijk aanwezig hebben van hennep, aangezien de verdachte nooit als heer en meester over de bij hem aangetroffen hennep heeft beschikt. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft de ruimte ter beschikking gesteld voor € 1.000,-. De hennepkwekerij was niet van hem. De verdachte heeft de hennepkwekerij ook niet verzorgd. Dit deed de huurder.

Voorts heeft de verdachte op die terechtzitting verklaard dat de kwekerij niet van hem was maar van een kennis en dat hij de naam van die kennis uit angst voor die persoon niet kan noemen.

8. Het hof heeft in reactie op dit verweer onder “bewijsverweer en bewijsoverweging” (met weglating van een voetnoot) het volgende overwogen:

“Het hof acht voorts niet aannemelijk geworden hetgeen verdachte heeft gesteld over een kennis die volgens verdachte een grote, leidende rol heeft gespeeld bij de opbouw van de hennepkwekerij en het onderhoud daarvan. Verdachte kiest ervoor de hem bekende personalia van deze persoon niet op te geven, zodat het onmogelijk is verdachtes verklaring op dit punt te verifiëren. Er zijn buiten de verklaring van verdachte ook geen aanwijzingen voor de betrokkenheid van een of meer anderen.

Het hof houdt verdachte aan zijn verklaring die hij op 5 april 2013, de dag waarop de hennepkwekerij werd ontdekt, tegenover de politie heeft afgelegd. In die verklaring geeft hij aan dat hij van het begin af aan betrokken is geweest bij de hennepkwekerij. Hij verklaart - zakelijk weergegeven - onder meer:

Ik ben de eigenaar van het pand [a-straat 1] te Almere. Een kennis van mij heeft de hennepkwekerij, waar ongeveer tweehonderd planten stonden, opgebouwd. Ik had in totaal twaalf of veertien lampen van 400 watt. De kennis heeft de planten bijgehouden. Het is mijn verantwoording. Hij heeft tweemaal geoogst.

Een verklaring van dergelijke wetenschap over de opzet, inrichting, verantwoordelijkheid en het aantal oogsten getuigt van daderschap. Dat er mogelijk een of meer anderen een rol hebben gespeeld bij de opbouw en installatie maakt dit niet anders, temeer omdat verdachte door het verzwijgen van de identiteit van die ander(en) controle daarvan onmogelijk maakt.”

9. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de bewijsvoering geen toonbeeld van consistentie is. Daarbij valt te wijzen op de als bewijsmiddel 4 voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat een kennis van hem de hennepkwekerij heeft opgebouwd en de planten heeft bijgehouden, in combinatie met de overweging van het hof in zijn nadere bewijsoverweging dat het hof hetgeen de verdachte heeft gesteld over een kennis die een grote, leidende rol heeft gespeeld bij de opbouw van de hennepkwekerij en het onderhoud daarvan niet aannemelijk geworden acht. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het de verdachte houdt aan zijn verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd en waarvan deel uitmaakt dat een kennis van hem de hennepkwekerij heeft opgebouwd en de planten heeft bijgehouden.

10. Tot cassatie behoeft de innerlijke spanning in de bewijsvoering evenwel niet te leiden. Daarbij moet worden bedacht dat de bewezenverklaring is toegesneden op het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en niet op het telen van hennep, zoals in de zaak waarnaar de steller van het middel verwijst.2 Het hof heeft uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in het bijzonder de als bewijsmiddel 4 opgenomen bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, kunnen afleiden dat de verdachte wist dat in de woning waarvan hij eigenaar was hennep aanwezig was. Verder begrijp ik de overwegingen van het hof aldus, dat het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de in zijn woning aanwezige hennep, dat hij geacht kon worden die hennep aanwezig te hebben en dat de (mogelijke) betrokkenheid van een ander bij de opbouw en het onderhoud van de hennepkwekerij daaraan niet afdoet.3 In deze benadering kan de minder gelukkig geformuleerde overweging van het hof ten aanzien van de onaannemelijkheid van een “grote, leidende rol” van een ander aldus worden begrepen, dat het hof onaannemelijk heeft geacht dat de betrokkenheid van een derde in de omstandigheden van het geval afdoet aan de genoemde machtsuitoefening van de verdachte ten aanzien van de in zijn woning aanwezige hennep. In het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de eigenaar is van de woning waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, dat er ongeveer tweehonderd planten stonden, dat hij in oktober of november 2012 is begonnen met de hennepkwekerij en dat hij in totaal twaalf tot veertien gloeilampen van 400 watt had. Ook heeft de verdachte erkend dat hij “een stomme fout” heeft gemaakt en dat “het” zijn verantwoordelijkheid is.

11. Ten slotte merk ik nog op dat hetgeen in de aanvulling op het cassatiemiddel wordt opgemerkt ten aanzien van het aantal oogsten, de rol van de verdachte als medeplichtige en de mogelijke betrokkenheid van anderen, geen zelfstandige cassatieklacht bevat. Een stellige en duidelijke klacht ten aanzien van het oordeel van het hof om de verdachte als pleger en niet als medeplichtige aan te merken kan ik daarin niet ontwaren. In het middel en in de toelichting daarop wordt uitsluitend geklaagd over de innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering. Daarin wordt niet betoogd dat het hof het verweer van de verdediging dat het handelen van de verdachte zou moeten worden aangemerkt als medeplichtigheid ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aanvankelijk ontbraken pagina 4 van het arrest van het hof en een ondertekende versie van de aanvulling met bewijsmiddelen bij de aan de Hoge Raad toegezonden processtukken. Nadat deze stukken waren opgevraagd bij het hof en alsnog naar mr. De Boer waren toegezonden, is in overleg met de rolraadsheer een nadere termijn verleend om de reeds ingediende schriftuur te wijzigen of aan te vullen dan wel het middel in te trekken. Binnen deze termijn heeft mr. De Boer een aanvulling op het reeds ingediende cassatiemiddel ingediend.

2 In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4699.

3 Vgl. HR 15 september 1986, NJ 1987/359, rov. 6.2, HR 28 mei 1985, NJ 1985/822 m.nt. Van Veen, rov. 6.2 en HR 23 september 1980, NJ 1981/15, rov. 5. Uit deze arresten volgt dat het voor het “aanwezig hebben” van hennep niet noodzakelijk is dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen heeft. Voldoende is dat de hennep zich in de machtssfeer van de verdachte bevindt.