Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1271

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
16/01481
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2962, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis Sr. "Onmiddellijke" afkomst uit "eigen" misdrijf? Vervolg op HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842 m.b.t. “verwerven” en “voorhanden hebben” a.b.i. art. 420bis.1.b en 420quater.1.b Sr. In het bestreden arrest ligt als het oordeel van het Hof besloten dat het niet aannemelijk is geworden dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Het Hof heeft daartoe in aanmerking genomen dat door of namens verdachte niet met voldoende concretisering is aangevoerd dat dit geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is, in welk verband het Hof mede betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat verdachte verdere vragen omtrent de herkomst niet heeft willen beantwoorden. ꞌs Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is – mede gelet op de bewijsvoering en de aard van het bewezenverklaarde feit (het aanwezig hebben van henneptoppen) – toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01481

Zitting: 3 oktober 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 26 februari 2016 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte wegens “witwassen” veroordeeld en het in beslag genomen geldbedrag van € 93.063,27 verbeurd verklaard.1

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als witwassen.

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij op 14 mei 2009, in de gemeente Rotterdam een contant geldbedrag van in totaal € 93.063,27 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag, geheel dan wel gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf.”

5. In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld voor – kort samengevat – het aanwezig hebben van een hoeveelheid henneptoppen op 14 mei 2009 (feit 1) en het aanwezig hebben van 238 hennepplanten en 65 (jonge) hennepstekken op 15 mei 2009 (feit 3). De verdachte is vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, te weten de diefstal van elektriciteit in de periode van 1 april 2008 tot en met 14 mei 2009 te Rotterdam. Ter zake van het onder 4 ten laste gelegde (witwassen) is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hoger beroep van de officier van justitie was beperkt tot het onder 4 ten laste gelegde.

6. In zijn arrest van 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“3.3.1.

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

3.3.2.

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven onder 3.3.1 bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 3.3.1 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. met verdere verwijzingen HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, rov. 3.3.1 en 3.3.2).”

7. In zijn eerste uitspraak in de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad een vergelijkbare overweging opgenomen.2 Het hof had in zijn arrest dat voorafging aan deze uitspraak de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde voorhanden hebben van € 93.063,27 ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het bewezen verklaarde volgens het hof niet kon worden gekwalificeerd als witwassen. Het hof wees in dat verband op het verweer van de verdediging, dat inhield dat de verdachte zich bezighield met hennepteelt en dat hij niet langer ontkende dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig was uit door hemzelf gepleegde misdrijven. In cassatie werd hierover door het openbaar ministerie met vrucht geklaagd: hetgeen door de raadsvrouwe was aangevoerd kon volgens de Hoge Raad, mede gelet op hetgeen het openbaar ministerie in hoger beroep naar voren had gebracht, bezwaarlijk worden aangemerkt als een voldoende concretisering in de hiervoor onder (iii) bedoelde zin zowel van de door de verdachte gepleegde misdrijven als van het verband tussen die misdrijven en het aangetroffen geldbedrag.

8. Na terugwijzing heeft de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, het volgende verklaard over de herkomst van het geldbedrag:

“De € 90.000,- is afkomstig van de verkoop van de partij hennep waar nog 9,5 kilo van over was. Die tas met geld is naast de doos met hennep aangetroffen. (…)

U vraagt mij naar de herkomst van het bedrag.

Over de herkomst van dit bedrag wil ik geen verdere vragen beantwoorden.”

9. Uit de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities blijkt voorts dat de raadsman in hoger beroep het volgende heeft aangevoerd:

“In de visie van de verdediging heeft cliënt ten overstaan van Uw Hof vandaag wel met voldoende concretisering aangevoerd hoe het aangetroffen geldbedrag in de gangkast onmiddellijk door eigen eerdere verkoop van de partij hennep - waarvan het restant in de gangkast lag - heeft verworven of voorhanden heeft gehad.

Cliënt verklaart ten aanzien van het aangetroffen geld in de gangkast dat dit geld afkomstig is van de handel in hennep. Hij had een partij hennep. Hij was bezig deze te verkopen. Het restant van de partij hennep, te weten ongeveer 9970 gram henneptoppen, was nog niet verkocht en lag in een grote kartonnen doos naast de boodschappentas met geld.

(…)

Naar mijn mening is door de verklaring van cliënt aannemelijk geworden dat het aangetroffen geldbedrag in de gangkast onmiddellijk afkomstig is door een cliënt zelf begaan misdrijf, namelijk het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit 1.

(…)

In het onderhavige geval blijkt naar mijn mening zonder meer dat cliënt door eigen verkoop van een partij hennep heeft verworden of voorhanden gehad. Uit het pv van bevindingen d.d. 14 mei 2009 over het binnentreden blijkt dat de doos met henneptoppen naast de boodschappentas met geld stond.

Toen wij de doos met zakken uit de gangkast haalden, viel er een wit met blauwe boodschappentas om.

Conclusie:

Ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag in de gangkast, in totaal € 88.180,00, kan naar mijn mening alleen bewezen worden dat hij dit geldbedrag verworven dan wel voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig was van enig misdrijf. Voor het overige verzoek ik u cliënt vrij te spreken.

In de visie van de verdediging is aannemelijk geworden dat dit geldbedrag onmiddellijk

afkomstig is uit het bewezenverklaarde feit 1.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen is gebleken dat cliënt het criminele geld enkel voorhanden had. Hij heeft niet getracht het geld te verhullen of te verbergen. Gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad verzoek ik u cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu het enkel voorhanden hebben van een geldbedrag - zonder handelingen verricht te hebben om het geld te verbergen dan wel te verhullen - niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.”

10. Het hof heeft dit verweer verworpen met de volgende motivering:

“De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep toegegeven dat hij wist dat het in beslag genomen papiergeld van misdrijf afkomstig was. Hij heeft over de herkomst van dit bedrag echter geen verdere vragen willen beantwoorden en daarmee heeft hij niet met voldoende concretisering aangevoerd dat dit bedrag afkomstig was uit een door hemzelf begaan misdrijf.”

11. Het in hoger beroep gevoerde verweer hinkt op twee gedachten. De raadsman heeft betoogd dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit het bewezen verklaarde aanwezig hebben van henneptoppen op 14 mei 2009 (feit 1). Ook is betoogd dat de in de gangkast aangetroffen bankbiljetten tot een bedrag van € 88.180,- de opbrengst vormen van de eerdere verkoop van een partij hennep, waarvan het restant naast de desbetreffende bankbiljetten is aangetroffen. Het resterende muntgeld zou spaargeld betreffen. Het hof heeft zulks niet aannemelijk geacht en daartoe verwezen naar de wisselende verklaringen van de verdachte. Het middel strekt zich niet tot dat laatstgenoemde oordeel ten aanzien van het muntgeld uit.

12. In het bestreden arrest ligt als het oordeel van het hof besloten dat niet aannemelijk is geworden dat het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad heeft in de onder 6 besproken rechtspraak geoordeeld dat het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp vooral niet begrijpelijk zal kunnen zijn in drie situaties. Hoewel uit de term “vooral” lijkt te volgen dat het hierbij niet om een limitatieve opsomming gaat, zal ik mij in het onderstaande concentreren op de door de Hoge Raad genoemde gevallen.

13. De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat aannemelijk is dat het geldbedrag van € 88.180,- onmiddellijk afkomstig is uit het bewezen verklaarde feit 1 (de situatie als geschetst in de zaak van 21 april 2015 onder (i)). Ook zonder nader feitenonderzoek moet worden geconcludeerd dat zulks onmogelijk juist kan zijn. Het onder 1 bewezen verklaarde betreft immers het aanwezig hebben van henneptoppen op één dag (14 mei 2009), zodat het bewezen verklaarde geldbedrag niet daaruit afkomstig kan zijn.3 Evenmin vloeit uit de bewijsvoering rechtstreeks voort dat het bewezen verklaarde geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (onder (ii)). De omstandigheid dat het geldbedrag in de woning van de verdachte was aangetroffen waarin ook een hennepdrogerij was gevestigd, is daarvoor niet toereikend.4 Daaraan doet niet af dat het aangetroffen geldbedrag was verdeeld in kleine coupures, hetgeen typerend zou zijn voor de handel in verdovende middelen.5 Ook de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat het geldbedrag afkomstig is van de verkoop van de partij hennep waar nog 9,5 kilo van over was, noopte het hof er niet toe de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing te achten. Daarbij wijs ik er nog op dat in de verklaring van de verdachte slechts wordt gesproken van de verkoop van de partij hennep, terwijl de verdachte niet is vervolgd wegens de verkoop, is vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit, de verklaring geen specifieke informatie behelst over eventueel daderschap van de verdachte en de verdachte niet bereid is geweest verdere vragen over de herkomst te beantwoorden.

14. Resteert de vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat zich evenmin het geval voordoet waarbij door of namens de verdachte met voldoende concretisering is ingegaan op het verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (iii). Niet vereist is dat het gronddelict waaraan de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt in het arrest zoveel mogelijk wordt geconcretiseerd wat betreft plaats, tijd en door de verdachte verrichte handelingen.6 Daarmee is echter nog niet gezegd welke eisen wel mogen (of moeten) worden gesteld aan de concretisering van het (volgens de verdediging) door de verdachte begane grondfeit.7 In elk geval dient de concretisering zowel betrekking te hebben op één of meer door de verdachte gepleegde misdrijven als op het verband tussen die misdrijven en het aangetroffen geldbedrag.8 In zijn annotatie onder dit arrest betoogt Kooijmans dat de Hoge Raad de lat voor de verdediging hoog legt, met name in zaken waarin het openbaar ministerie zich daadwerkelijk heeft ingespannen om het gronddelict op te sporen dat tot het aangetroffen geldbedrag heeft geleid.9 Die uitleg komt mij juist voor. In geval de lat lager wordt gelegd, zet dat de deur open voor straffeloosheid in gevallen waarin een vervolging voor het gronddelict geen haalbare kaart is, maar het er wel alle schijn van heeft dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

15. Uit het zich bij de stukken bevindende requisitoir van de advocaat-generaal in hoger beroep blijkt dat het openbaar minister onder verwijzing naar onderzoeksresultaten en wisselende verklaringen van de verdachte heeft aangevoerd dat onvoldoende aanwijzingen bestaan om aan te nemen dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte begaan misdrijf.10 De advocaat-generaal heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de relatief kleine door de politie ontdekte kwekerij en op de omstandigheid dat geen aanknopingspunten zijn gevonden voor de aanname dat de verdachte zou hebben beschikt over een dusdanige hoeveelheid hennep, dat de verkoop hiervan € 81.800,- zou hebben opgeleverd. Mede in het licht van hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd, is het oordeel van het hof dat de verdachte niet met voldoende concretisering heeft aangevoerd dat het bewezen verklaarde geldbedrag afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verklaring van de verdachte geen concrete informatie over een mogelijk daderschap van de verdachte bevat, hij zich niet bereid heeft getoond verdere vragen over de herkomst te beantwoorden en de raadsman het standpunt heeft ingenomen dat het geld afkomstig is uit het onder 1 bewezen verklaarde voorhanden hebben van henneptoppen.

16. Het middel faalt.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak is eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028, NJ 2016/82 m.nt. Keulen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2014 vernietigd en de zaak teruggewezen naar dat hof. Het onderhavige beroep in cassatie is gericht tegen het arrest van het hof Den Haag na terugwijzing.

2 HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028, NJ 2016/82 m.nt. Keulen, rov. 3.2.3. Zie ook HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218 m.nt. Mevis.

3 Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, NJ 2015/339 m.nt. Keijzer, rov. 3.4.

4 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan het eerdere arrest van de Hoge Raad in deze zaak, alsmede T. Kooijmans, ‘Witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf’, AA 2016, p. 110-120, p. 117.

5 Vgl. voor een andere casus HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090.

6 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014/77 m.nt. Borgers, rov. 3.4.3.

7 Zie T. Kooijmans, ‘Witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf’, AA 2016, p. 110-120, p. 117.

8 Zie nogmaals rov. 3.4 in HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028, NJ 2016/82 m.nt. Keulen en Kooijmans 2016, p. 119.

9 Kooijmans 2016, p. 119.

10 Weliswaar is in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet opgenomen dat de advocaat-generaal het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde requisitoir, maar aangezien het requisitoir zich in het dossier bevindt, moet dit worden geacht deel uit te maken van het proces-verbaal van de terechtzitting. Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 200 en HR 26 juni 1979, NJ 1979/615.